Cultuur en intelligentie.

Wat intelligentie precies is en wat er gemeten wordt met een intelligentie test is nooit helemaal duidelijk geworden. Meestal beschouwt men intelligentie als de eigenschap bij uitstek die iemand in staat stelt om problemen op te lossen. Er zijn ook gamma wetenschappers die intelligentie beschouwen als iemands vermogen met de cultuur om te gaan waarin hij leeft. Vanuit dat gezichtspunt zou het voor de hand  liggen dat Europeanen of mensen van Europese afkomst, die immers het beste met de Westerse cultuur zouden moeten kunnen omgaan, ook het intelligentste zouden zijn, althans de beste testresultaten zouden behalen. Dit blijkt niet zo te zijn. Intelligentietests wijzen Japanners, Koreanen, Chinezen, Indiërs en Arabieren gemiddeld als intelligenter aan dan Europeanen. Nog intelligenter zijn Joden van Oost -Europese afkomst en het intelligentste van iedereen, naar het schijnt, zijn de Eskimo’s.

Intelligentie of datgene wat met tests wordt gemeten heeft naast een culturele ook een genetische component. Behalve intelligentie zijn er ook andere factoren die de kans bepalen op een succesvolle integratie.

Studenten van Chinese en Indische afkomst boeken vaak betere resultaten op westerse scholen en universiteiten dan de westerlingen zelf, maar dat geldt niet voor Arabieren. Een uitzondering lijkt daarbij te moeten worden gemaakt voor de christelijke Arabieren uit Israël en de Libanon[1].

Het is denkbaar dat de Islam een remmende factor is voor een integratie in de Westerse cultuur of voor succes in het Westerse onderwijs. Er is statistische ondersteuning voor deze stelling gelegen in het feit dat ook buiten de Arabische landen de westerse wetenschap weinig ingang heeft  gevonden in de wereld van de islam. Er zijn niet of nauwelijks Nobelprijswinnaars of andere geleerden van naam afkomstig uit de Afrikaanse of Aziatische islamitische landen. Er geldt een onbetekenende uitzondering voor Pakistani die geboren zijn voor 1947, het jaar van de afscheiding van India.

Dat zou er op kunnen wijzen dat de islam en de moderne seculiere westerse cultuur rechtstreekse concurrenten van elkaar zijn terwijl andere culturen een modus vivendi kunnen vinden met de moderniteit. Dat is niet de heersende leer hier in het westen. Dat gold in het verleden wel voor islam en christendom, dat waren concurrenten die elkaar uitsloten, maar in de moderne wereld spreken we over ‘de beschaving’, waarbinnen voor alle geloven plaats zou zijn. De islam zien als een vreemde en concurrerende cultuur zou ook daarom interessant zijn omdat het ons zou kunnen aansporen  te onderzoeken in hoeverre de westerse cultuur in wezen een concurrent zou horen te zijn van het christendom zelf.

Een dergelijk onderzoek heeft in het verleden, in de negentiende eeuw al wel eens plaats gevonden en heeft hier te lande en elders geleid tot de strijd tussen orthodoxie en modernisme in de protestantse kerken. De orthodoxie meende dat christendom en modernisme niet te verenigen waren. In de katholieke kerk kwam het in dezelfde tijd tot de bekende pauselijke encycliek Rerum Novarum tegen wat genoemd werd de moderne dwalingen. Er werd een lijst gemaakt van alles wat in het modernisme als vals moest worden aangemerkt: de syllabus errorum.

Het leed in de negentiende eeuw geen twijfel in de ogen van orthodoxe christenen, protestant en katholiek, dat  een aantal liberale leerstellingen niet met het christendom in overeenstemming te brengen was. Men moet hierbij bedenken dat in die tijd het christendom – in elk geval uiterlijk – nog een overheersende positie had in onze samenleving. Het aantal mensen dat toen publiekelijk voor hun ongeloof uitkwam was te verwaarlozen.

Over liberale leerstellingen werd in de negentiende eeuw gesproken in termen van “het moderne heidendom”. Wat men toen nog niet als mogelijkheid besefte was dat deze cultuur, die werd aangeduid met de woorden liberaal of modern of westers, niet zo maar een mode was, een richting als het ware in een cultuur die in zijn wortels christelijk bleef, maar dat iets nieuws bezig was de plaats van het christendom in te nemen als de heersende denkrichting in onze samenleving.

Het begrip modern is, wat paradoxaal, al tamelijk oud, al is de betekenis door de tijd heen geëvolueerd. Het heeft naast allerlei bijbetekenissen de betekenis behouden van actueel te zijn, thuis te horen in de tegenwoordige tijd en daarbij af te wijken van wat in het verleden gold.  Deze kernbetekenis bestond al aan het einde van de Middeleeuwen, aan het begin van de “moderne tijd”. De betekenis komt  onder meer terug in het begrip moderne devotie, de naam van een Middeleeuwse godsdienstige stroming binnen de katholieke Kerk en tegelijk een van de voorlopers van het protestantisme.

Het begrip moderniteit hangt samen met of komt voor in combinatie met het begrip humanisme. Dit laatste begrip vindt zijn oorsprong in het teruggrijpen op de opvoedingsidealen uit de klassieke beschaving, dat  plaats vond tijdens de Renaissance. Het is verdedigbaar om het te verbinden met het begin van de westerse beschaving, zoals we die tegenwoordig kennen. De kenmerken daarvan zijn het wetenschappelijk wereldbeeld, de ondernemingsgewijze productie met haar technische productiemethoden,  de mensenrechten en de democratische maatschappelijke idealen.

Veel langer dan bijna iedereen zich realiseert heeft zich als een vlinder in een pop binnen het christendom een culturele opvolger gevormd: de drager van onze huidige beschaving. Renaissance, reformatie, kapitalisme, kolonialisme, godsdienstoorlogen, verlichting en industriële en wetenschappelijke revoluties, ze zijn allemaal voortgekomen uit de moderne cultuur, het humanisme, de nieuwe tijd of hoe men deze ontwikkeling ook aan wil duiden.

Deze moderne cultuur is er een die een volledig mondiale pretentie heeft. Zij geldt voor alle rassen en voor alle geloven. Diezelfde pretentie heeft ook de islam, maar kijkt men naar de bijdrage die dat geloof levert aan het in leven houden van de wereldbevolking dan blijkt zij in dat opzicht geen functie te hebben, integendeel. Zonder de moderne westerse beschaving zouden de anderhalf à twee miljard mensen in de Dar al Islam niet lang overleven. De voedselvoorziening, de mobiliteit, de medische zorg, alle functies die tegenwoordig voor het leven noodzakelijk zijn, ze komen allemaal uit het westen. De islam kan dus vanuit dit gezichtspunt alleen als een satellietbeschaving worden beschouwd. Een satelliet, als er een blijvende vorm van samenwerking tussen islam en westerse beschaving kan worden gevonden, een parasiet als die vreedzame samenleving niet mogelijk zal blijken.

 

[1] Dat op zichzelf roept weer vragen op, want anders dan men misschien denkt is het Maronitische christendom van de Libanon cultureel op een eerder tijdstip afgescheiden en in zeker opzicht ook verder verwijderd van het Latijnse christendom dan de Griekse en Russische orthodoxie en misschien wel even ver van ons weg als de islam, welk geloof als een afsplitsing van het Levantijnse christendom kan worden beschouwd. Van de Levantijnse vorm van het oude christendom vormen de Libanese Maronieten, de Assyriërs uit Syrië en Irak  en de Egyptische Kopten de overblijfselen.

 

 

 

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geloof, geschiedenis. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s