Verdeling intelligentie tussen mannen vrouwen.

Wendy Johnson is hoogleraar psychologie aan de Universiteit Edinburgh. Ze doet onderzoek naar het onderwerp intelligentieverdeling tussen mannen en vrouwen. Die verdeling  is in de loop der jaren in de onderzoeksresultaten gelijker geworden. Maar, voegde ze daar bij een interview aan toe, „in onderzoek naar intelligentie en sekse vinden wij wel degelijk aanwijzingen dat er bij mannen meer variatie bestaat aan zowel de onderkant als aan de bovenkant van de curve.”

In wat minder wetenschappelijke termen: in de groep met een laag IQ en in de groep met een hoog IQ bevinden zich meer mannen. Hoewel onderzoek wijst op een grotere variatie aan beide uiteinden van het IQ-spectrum bij mannen dan bij vrouwen, bestaat er geen wetenschappelijk onderzoek dat die uitspraak overtuigend onderbouwt.

In de lagere regionen van de wetenschap, net als in de overeenkomstige regionen van het bedrijfsleven, is het aantal vrouwen de laatste decennia disproportioneel toegenomen. Maar dat komt niet tot uitdrukking aan de top. Ik heb daar een theorietje over, waar ik, als ik sociobioloog zou zijn, onderzoek naar zou doen. Die theorie luidt dat om genetische redenen tussen mannen de intellectuele begaafdheid veel minder egaal is verdeeld dan tussen vrouwen. Dat heeft dan tot gevolg dat er wel meer slimme vrouwen zijn dan slimme mannen, maar meer superslimme mannen dan superslimme vrouwen.

Ik denk dat het onderling verschil in intelligentie bij vrouwen relatief kleiner is, omdat ze zes miljoen jaar lang ongeveer dezelfde taken hebben verricht, n.l. in de huishouding en bij de opvoeding van de kinderen. Bij mannen is het verschil groot omdat leidinggevenden intelligent moeten zijn. Bij mensen die moeten doen wat ze gezegd wordt, is hoge intelligentie eerder een nadeel.

Kijk je naar de Nobelprijswinnaars in de exacte vakken dan zie je daar praktisch geen vrouwen bij. Dat is al heel lang zo en duidelijk zichtbaar vanaf het begin van het toekennen van de Nobelprijzen. Er zijn met andere woorden meer domme maar ook meer super intelligente mannen dan  vrouwen.

Er is nog een andere reden waarom vrouwen minder vaak de top bereiken in het bedrijfsleven en de overheid dan mannen. Vrouwen zorgen voor hun kinderen en voor hun huisgezin in de periode dat er beslist wordt hoe ver iemand het gaat brengen in zijn of haar carrière. En – samenhangend daarmee – zijn vrouwen als regel ook minder ambitieus dan mannen. Er is ook nog een derde reden, die met de tweede verband houdt. Vrouwen werken in ons land vaak in deeltijd. Ook dat is lastig als je hogerop wilt.

Maar staat weer tegenover dat in Amerika, waar ze het verschijnsel deeltijd niet of nauwelijks kennen, het percentage vrouwen aan de top wel iets hoger, maar niet spectaculair veel hoger is. Het betekent wel dat vrouwen daar harder werken dan mannen, want de gedachte, dat daar het werk in het huishouden veel eerlijker tussen de echtelieden verdeeld zou zijn dan hier, is een misvatting.

Persoonlijk denk ik dat het Nederlandse systeem van deeltijd banen voor vrouwen met kinderen  beter is dan het Amerikaanse. Niet alleen omdat dit de vrouwen een prettiger leven bezorgt maar ook omdat het voor de kinderen veel beter is dat zij bij hun moeder op de eerste plaats komen.

Een samenleving laat zich niet op commando aanpassen. De vrouwenbeweging, zoals die onder invloed van een veranderende samenleving is ontstaan, probeerde dat wel, maar zoiets lukt altijd maar gedeeltelijk. Ideologieën hebben wel invloed op de samenleving maar altijd een wat andere dan men eigenlijk wil.
Van het flinke aantal competente vrouwen die ik in mijn carrière heb meegemaakt zat er geen een in een vrouwenbeweging. Feministen, zoals je die wel aantreft bij bladen als Opzij, zijn in het algemeen geen zegen voor zich zelf en hun omgeving.

Dat vrouwen het relatief zo veel beter doen in het onderwijs dan vroeger komt waarschijnlijk omdat het onderwijs zo veel slechter en meer toegankelijk is geworden voor de middelmaat. Nog steeds wordt de grote meerderheid van de belangrijke prestaties in de wetenschap door mannen verricht. Daarbij wordt het percentage mannen groter naarmate de wetenschap moeilijker is. Dat geldt dus met name voor de bèta vakken. Meisjes zijn op de leerplichtige leeftijd ijveriger en gedisciplineerder dan jongens maar onder de jongens vindt je nog steeds zowel de slechtste als de beste leerlingen.

Neem je de belangrijkste Nobelprijzen, die voor Natuur- en Scheikunde, dan blijken er tot 2014 maar zes vrouwelijke winnaars te zijn geweest. Voor natuurkunde na de Curies nog een en voor scheikunde drie: in 1964 de Engelse Dorothy Crowfoot Hodgkin, in 2009 Ada E. Yonath en dit jaar Frances Arnold  .

Het gaat hier om de absolute top. Daaronder is het heel goed mogelijk dat in een familie de vrouwelijke leden beter zijn in natuur- en scheikunde dan de mannelijke. Mijn oudste zus presteerde bijvoorbeeld op de middelbare school beter in die vakken dan ik en ook mijn jongste zus was er beter in. Ook mijn moeder scoorde op de middelbare school beter dan haar oudere broer, maar waar U naar moet kijken is naar de statistieken en dan liever twintig jaar na het afstuderen dan tijdens de middelbare schooltijd.

Gemiddeld vind ik vrouwen evenwichtiger en competenter dan mannen, maar bij mannen tref je meer extremen aan. Er zijn meer  laag begaafde en onevenwichtige, maar ook meer super competente mannen.

Dat vrouwen het relatief zo veel beter doen in het onderwijs dan vroeger komt vooral omdat het onderwijs zo veel slechter is geworden en toegankelijker voor de middelmaat. Nog steeds wordt de overgrote meerderheid van de belangrijke prestaties in de wetenschap door mannen verricht. Daarbij wordt het percentage mannen groter naarmate de wetenschap moeilijker is. Dat geldt dus met name voor de bèta vakken. Meisjes zijn op de leerplichtige leeftijd ijveriger en gedisciplineerder dan jongens maar onder de jongens vindt je nog steeds zowel de slechtste als de beste leerlingen.

Het aantal vrouwelijke toppers in de exacte vakken is een verwaarloosbaar percentage. Verreweg de meeste vrouwelijke laureaten voor de Nobelprijs wonnen hem voor de vrede. Ook de literatuur scoort relatief veel vrouwen. Er zijn ook meer vrouwelijke auteurs dan natuur- of scheikundigen. In feite zijn er veel meer vrouwelijke dan mannelijke romanschrijvers, maar toch blijven de mannelijke Nobelprijswinnaars ook daar in de meerderheid. Hoe komt dat?

Ellen de Bruin en Ingrid van Halteren schreven over dit onderwerp vandaag een artikel in de NRC. Ze hadden het meer in het bijzonder over de 200 cum laudes die er elk jaar worden gegeven in Nederland en hoe daar twee keer zoveel van naar mannen als naar vrouwen gaan. Daar bovenop worden van die cums bij de mannen 36% hoogleraar en bij de vrouwen maar 27%. Dat vonden ze een duidelijke vorm van discriminatie.

Volgens mij wijst dat er in tegendeel op  dat meer vrouwen een cum krijgen dan ze eigenlijk verdienen en dat dit ondermeer komt omdat vrouwelijke leden van de promotie commissies buiten proportie vaak aan andere vrouwen cums geven. Enfin, U moet het artikel zelf maar lezen. Het spreekt zich zelf tegen, tenzij je ervan uit zou moeten gaan dat al die promotiecommissies in Nederland en trouwens ook in andere westerse landen, op grote schaal frauderen.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Het is tien voor twaalf.

We hebben in Noordwest Europa nu ruim twee generaties immigratie achter de rug en dat is een merkwaardig fenomeen. Verreweg het grootse deel van die immigranten komen hier illegaal en een fors deel ervan is werkeloos en leeft van sociale uitkeringen. Hoe precies is niet duidelijk, want als illegaal heb je eigenlijk geen aanspraak op een uitkering. Dat is geregeld in de koppelingswet. In die wet worden overheidsvoorzieningen aan illegalen geweigerd en de bedoeling is dat er mee wordt voorkomen dat illegalen hier een rechtspositie kunnen opbouwen, die meebrengt dat ze niet langer uitgezet zouden kunnen worden. Onder de voorzieningen die illegalen niet krijgen horen ondermeer de huurtoeslag, de AOW, de WW, de kinderbijslag en bijstandsuitkeringen. Illegalen kunnen wel aanspraak maken op onderwijs, noodzakelijke medische zorg en rechtsbijstand van overheidswege.

Met wat hulp van de omgeving en wat inkomsten uit illegaal werk en criminaliteit, lukt het veel illegalen wel om rond te komen.

Het vreemde aan de zaak is dat de landen die last hebben van deze illegaliteit niet samenwerken om er een einde aan te maken. In ons land zou het vrij eenvoudig zijn om illegalen op te pakken en te interneren in schepen die speciaal voor dat doel zouden moeten worden gebouwd. Is zo ’n schip vol dan zou het met een lading van illegalen naar een plek kunnen varen die door ons en onze buurlanden daarvoor is ingericht om ze daar af te zetten. Op die plek zouden we ze dan in de gelegenheid moeten stellen om hun eigen kost te verdienen. Als alle Noord Europese landen dat samen met ons zouden doen, zouden we in een beperkt aantal jaren van het probleem af zijn. Als we de routes waarlangs illegalen naar Europa beter bewaken kunnen nieuwe immigranten onderweg al worden opgepakt en naar dezelfde plek worden gebracht.

Deze oplossing zou langs twee kanten werken. Niet alleen raken we zo illegalen kwijt maar het zal degenen in de thuislanden die van plan waren te emigreren afschrikken en de stroom economische vluchtelingen doen afnemen.

Het gaat daarbij wat mij betreft vooral om niet geïntegreerde niet westerse allochtonen. Onder niet geïntegreerden versta ik nieuwkomers, degenen die werkeloos zijn zonder ooit langer dan zes maanden gewerkt te hebben, voortijdige schoolverlaters en mensen met een strafblad.

De hier voorgestelde procedure is kostbaar. Het is niet goed denkbaar dat Nederland in haar eentje zoiets omvangrijks voor elkaar kan krijgen. Maar in samenwerking met Duitsland, Engeland en de andere Noordelijke landen, die dezelfde problemen hebben als wij, moet het mogelijk zijn. En hoe duur het ook is, het is altijd nog goedkoper dan Gods water over Gods akker te laten stromen. Als we het illegalenprobleem niet in de komende tien jaar oplossen, zal het daarna zeker niet meer lukken.

 

.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

 Zonder Frans gaat het beter.

Veertien jaar geleden, op 27 mei 2004, stond er een bericht in het NRC Handelsblad  over de achterstand in de EU bij de vertaling van beleidsnota’s. Er stond ook een oproep in aan Brussel,  om het voortaan met wat kortere nota’s te doen. Op een andere pagina van dezelfde krant stond een artikel van de Franse ambassadeur in Nederland met een oproep om meer talen – lees: meer Frans – te leren gebruiken binnen de Europese gemeenschap.

De gedachte die dan onmiddellijk bij je opkomt is: wie het serieus meent met een verenigd Europa die hoort te streven naar één gemeenschappelijke taal, maar die gedachte werd onmiddellijk door de ambassadeur afgedaan als boekhouders zuinigheid, typisch Nederlands eigenlijk.

Nederland, meende ze, grenst taalkundig aan Frankrijk en Duitsland. Dat zullen veel Nederlanders niet weten, maar het is inderdaad waar. De Voerstreek, die officieel tot het Vlaams sprekende deel van België hoort, spreekt in de praktijk Frans en vlak over de grens bij Eijsden zitten we in het oude en Franstalige prinsbisdom Luik.

De Franse ambassadrice merkte terecht op dat de teloorgang van het Nederlandse onderwijs onder meer heeft meegebracht dat de talenkennis niet meer het niveau heeft van voor de Mammoetwet. Ik heb zelf eindexamen gedaan voor die wet werd ingevoerd. Maar die vijf talen waar zij het over had herinner ik me niet, tenzij ze de klassieke talen meetelde. Maar dan waren het er geen vijf, maar zes: Nederlands, Frans, Duits, Engels, Grieks en Latijn. Misschien telde ze Nederlands niet mee, dat zou kunnen. Van die zes talen spraken we trouwens alleen Nederlands goed, Duits en Engels redelijk en lazen we de vreemde talen beter dan dat we ze spraken. De klassieke talen dan ook nog moeizaam, Duits en Engels gemakkelijk en Frans matig.

Als wij ambtenaar wilden worden in de Europese Gemeenschap moesten we eerst goed Frans leren spreken, net als de ambtenaren van tegenwoordig en dat gold voor de Duitsers en Italianen ook. Dat gaf indertijd de Fransen, Belgen en Luxemburgers een voorsprong die we altijd onredelijk  hebben gevonden. Tegenwoordig leert iedereen om Engels te spreken lang voor hij ambtenaar wordt in Brussel en staat iedereen, met uitzondering van de Engelsen, weer op gelijke voet. Dat komt omdat we in een door Amerika gedomineerde cultuur leven. De wetenschap is Engelstalig, de belangrijkste cultuuruitingen, muziek en film zijn Engels en Engels is een taal waarmee je in de hele moderne wereld wordt verstaan. Het heeft de middeleeuwse functie van het Latijn overgenomen.

Het Europa, waar de ambassadrice het over had, bestond uit een aantal ambtelijke en politieke organisaties in Brussel, Luxemburg en Straatsburg. Maar Europa als politieke of culturele eenheid, los van de rest van de moderne wereld, bestaat niet. We konden wat mij betreft ook beter voorkomen dat het ooit zou gaan bestaan, want het zou tot een gevaarlijke tweespalt in de westerse wereld leiden. In dat verband is het van groot belang dat we ook in de kanselarijen van Brussel een taal leren spreken die in de rest van de wereld wordt begrepen. Ik zou er daarom voorstander van zijn dat in de EU het Engels als enige officiële taal zou worden ingevoerd. Dat zou niet alleen veel kosten besparen, het zou er ook toe leiden dat de onderlinge communicatie tussen de Europese landen zou worden bevorderd. Frans leren de mensen alleen als het moet, wat in de praktijk betekent dat de overgrote meerderheid van de Europeanen het nooit goed zal leren spreken. Ook voor de francofone landen in de wereld zou een overstap naar Engels als internationaal communicatiemiddel een vooruitgang betekenen. In de professionele wereld  leest niemand tegenwoordig meer Frans en zo blijft de rest van de wereld verstoken van belangrijke Franse bijdragen aan de gemeenschappelijke cultuur. Als alle ontwikkelde Fransen zich zouden aanwennen om Engels te spreken en te schrijven, net als hun eigen wetenschappers en zakenlieden, die dat doen omdat ze wel moeten, dan zou dat de invloed van Frankrijk in de wereld vergroten, niet verminderen. Daar zou iedereen van profiteren.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Een kleine vijver.

De onderlinge verschillen tussen Nederlandse politieke partijen zijn klein tegenwoordig. Ze vissen allemaal in dezelfde vijver, zowel wat het soort kiezers betreft als het soort leden en vertegenwoordigers waar ze op mikken.

Politieke vertegenwoordigers en partijbestuurders hebben vrijwel allemaal een academische opleiding. Bij de PVV en de SP wat minder dan bij de rest maar het scheelt niet veel. Ze voelen zich senang met de abstracties waar de politiek zich mee bezig houdt en waar de meeste kiezers zo weinig affiniteit mee hebben. De politieke idealen liggen, op die van de PVV na, allemaal binnen hetzelfde spectrum, dat van de progressief humanistische wereldbeschouwing. De overblijvende verschillen betreffen nuances. Maar het is waarschijnlijk dat dit niet zo zal blijven. De humanistische kijk op de wereld raakt de laatste jaren versleten. Voor de problemen van deze eeuw geeft het humanisme geen goede oplossingen meer.

De veronderstelde gelijkheid van alle mensen en de onbegrensde waarde die aan het leven van individuele mensen moet worden toegekend liggen ten grondslag aan vrijwel alle grote politieke problemen waar we nu mee zitten. We kunnen de immigratieproblemen niet goed aanpakken omdat iedere potentiële immigrant voor onze overheid eenzelfde waarde heeft als een gevestigde burger. In potentie zijn er miljarden immigranten, dus ga er maar aan staan. We kunnen de criminaliteit niet efficiënt aanpakken omdat de mensenrechten van de crimineel daaraan in de weg staan en de bestaande strafwet een sacraal karakter heeft. Criminologen weten niet meer wat de zin is van het strafrecht omdat iedere zin die je eraan zou kunnen geven in strijd komt met de heersende ideologie. En wat in strijd komt met onze waarden verklaren we taboe.

De wereld telt nu ruim zeven miljard mensen en dat zijn er ongeveer vijf miljard te veel. Voor dat feit gaat de kop in het zand en hetzelfde geldt voor andere moeilijke problemen.

Als in de natuurkunde een theorie niet blijkt te kloppen wordt zij niet vaak helemaal verworpen. Zij wordt eerder wat anders geformuleerd en de oude theorie blijkt dan vaak een grensgeval van de nieuwe te zijn. Dat ging zo met de zwaartekrachttheorie van Newton, toen die door Einsteins relativiteitstheorie werd vervangen en hetzelfde gebeurde toen Einsteins theorie voor de subatomaire wereld niet meer bleek op te gaan[1].

De humanistische leer heeft samenwerking tussen grote groepen mensen en een relatieve geweldloosheid mogelijk gemaakt in de industriële wereld. Als we die willen handhaven dan kunnen we niet volstaan met te constateren dat het humanisme niet meer werkt en dat juist haar sterkste kanten de oorzaak zijn van de wereldproblemen waar we nu mee zitten. Dan zullen we een aanpassing moeten zoeken van de leer die de problemen ondervangt maar de grondslagen van de bestaande wereldbeschaving intact laat. Te constateren valt eigenlijk dat er nog niet een begin van een dergelijke nieuwe theorie bestaat of in ieder geval niet in het openbaar wordt bediscussieerd. Dat betekent voor de politici die zich met de problemen van de een en twintigste eeuw bezig houden dat they are damned if you do and damned if you don’t. Dat verklaart hun machteloosheid en depressieve houding tegenover de rebelión de las masas die we in de meeste Europese landen nu meemaken.

  1. Een bevredigende nieuwe zwaartekrachttheorie, waar zowel de kwantummechanica als de relativiteitstheorie in passen is er nog steeds niet, al staat wel vast dat de theorie van Einstein niet compleet kan zijn.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Giscard.

De vergadering over de toekomst van Europa, onder leiding van de ancien president Giscard, raakte in tijdnood. Zijn vergadering van euro-parlementariërs, vertegenwoordigers van de parlementen en van de regeringen van lidstaten had tot twintig juni de tijd om met een voorstel te komen voor de regeringsleiders van de E.U.

Volgens de NRC had hij een aantal vragen uit de discussie gedistilleerd en aan de vergadering voorgelegd en dienden de leden daar nu ruim voor de due date met antwoorden op te komen:

  1. Moet het oude voorzitterschap van de ministerraad worden gehandhaafd of moet de zes-maandse president worden vervangen door een president voor vijf of bijvoorbeeld zeven jaar. Zo ja, waar moet de president vandaan komen, uit de grote landen of juist uit de kleine.
  2. Moet er een “minister van buitenlandse zaken” komen van de E.U.
  3. Hoe wordt de voorzitter van de Commissie benoemd, zoals nu, door de regeringsleiders, of door het EU parlement.
  4. Houdt iedere lidstaat zijn eigen commissaris of komt er een ander systeem.
  5. Hoe wordt de verhouding tussen de nationale parlementen en de E.U.
  6. Komt er een grondwet voor de E.U. ter vervanging van het huidige verdrag, met zijn eigen regels voor aanpassing.

Op deze zes vragen kwam geen eenstemmig antwoord van de conventie. Iedereen was het er wel over eens dat met het grote aantal nieuwe leden de oude regeling niet meer kon werken, maar dat hielp niet. Alle zittende leden hadden teveel gevestigde belangen om het over een wijziging eens te kunnen worden. Als leek zou ik ze als volgt beantwoorden:

  1. Een voorzitterschap dat om de zes maanden rouleert en waarbij iedereen aan de beurt komt, dat kan met zijn zessen maar niet met vijf en twintig en even later acht en twintig lidstaten. De grote landen vinden het redelijk dat zij het voorzitterschap onderling verdelen, maar de kleine voelen daar niets voor. Als de grote landen verstandig zijn sluiten ze het volgende compromis: – de voorzitter wordt voor zeven jaar benoemd en wordt door de kleine lidstaten uit hun midden voorgedragen. De grote landen hebben gezamenlijk een recht van veto en besloten wordt bij eenvoudige meerderheid. – Verder zou het zinnig zijn om de voorzitter van de ministerraad tevens voorzitter van de commissie, d.w.z. president van de Unie te maken, want anders liggen competentiegeschillen voor de hand.
  1. Er moet geen minister van buitenlands zaken komen voor de EU. De voorzitter nieuwe stijl vertegenwoordigt de Unie en heeft een kabinet van door hem te benoemen vertegenwoordigers. De positie van de voorzitter is nog te zeer aan ontwikkeling onderhevig om hem nu al in een bestaand begrippenkader op te sluiten.

Het betekent dat de functie zo flexibel mogelijk zal moeten worden gedefinieerd. Een minister van buitenlandse zaken zou geen eigen bevoegdheden hebben die niet van de bevoegdheden van de voorzitter of van de nationale ministers afgaan. Dat levert alleen maar problemen op waar niemand op zit te wachten. Noem een buitenlandfunctionaris van de Unie daarom vooral nooit minister van buitenlandse zaken maar liever bijvoorbeeld rechterhand van de voorzitter voor buiten-communautaire aangelegenheden.

3.De belangrijkste functie van het Europees parlement is het controleren van de commissie. Die functie kunnen ze nooit goed vervullen als ze de commissie niet naar huis kunnen sturen. Het ligt binnen de huidige structuur al voor de hand dat een voorzitter van de commissie alleen kan functioneren als hij het vertrouwen van het parlement heeft. Het zou goed zijn om de bevoegdheden van het parlement in dit opzicht te formaliseren. Naast het veto van de grote landen dus ook een veto van het parlement.

4. Door het benoemingsrecht van commissarissen bij de lidstaten te laten wordt er een zeker evenwicht bereikt. Het is denkbaar dat meerdere lidstaten tezamen een commissaris aanwijzen in de toekomst, of dat er commissarissen komen van uiteenlopend gewicht. De verdeling van de functies tussen de commissarissen zou een zaak van de voorzitter moeten zijn die voor de taakverdeling het advies en de instemming van het parlement zou moeten krijgen.

5. De nationale parlementen hebben hun handen vol aan wetgeving en controle op de nationale regeringen. Van de andere kant is er geen of weinig contact tussen het huidige Europese parlement en de bevolking van de lidstaten en daar moet wel wat aan gebeuren. Dat gebrek aan interesse komt niet doordat er op Europees niveau geen belangrijke beslissingen worden genomen maar met name omdat de media van de lidstaten onvoldoende geïnteresseerd zijn in wat er in Brussel, Luxemburg en Straatsburg gebeurt. Gedeeltelijk ligt het eraan dat het zulke provincieplaatsen zijn, waar journalisten niet willen zitten en voor de rest van hun werk ook niet kunnen zitten. Vestiging in een van de grote hoofdsteden van Europa, Londen bijvoorbeeld of Wenen, het nieuwe zwaartepunt van Europa, zou een verbetering zijn. Een beperking van het aantal parlementsleden tot vier per staat en een benoeming door de lidstaten zou ook een verbetering inhouden, want het zou de anonimiteit van de parlementsleden verminderen. Wat Nederland betreft zou een benoeming uit leden van de Eerste Kamer dit instituut nieuw leven kunnen verschaffen en een forum geven voor het afleggen van verantwoording op nationaal niveau.

6. Het huidige handvest van de EU is een verdrag dat alleen met algemene stemmen kan worden veranderd. Iedere verandering is daarom een compromis dat nooit goede oplossingen geeft en op zijn best leefbare.

Het voordeel is wel dat alle landen zich aan het verdrag gebonden voelen omdat ze er per saldo uit vrije wil aan meedoen. Een charter of een grondwet die met gekwalificeerde meerderheden kan worden gewijzigd kan betekenen dat lidstaten op voor hen essentiële punten door een meerderheid worden overruled. De Unie bestaat nog uit te veel uiteenlopende landen met verschillende niveaus van economische en sociale ontwikkeling om zoiets werkbaar te maken. Een grondwet nu zou te vroeg komen. De eerst honderd jaar of zo zullen we er mee moeten leven dat we geen Verenigde Staten van Europa worden. We zullen een bond van staten blijven, zonder veel macht in de rest van de wereld, maar, Deo volente, wel vreedzaam, welvarend en tevreden. Dat is ook wel wat.

 

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Rouvoet en Voermans.

In Trouw stond aan het begin van deze eeuw een briefwisseling tussen de e.t. vicepremier André Rouvoet en Professor Wim Voermans, toen – en nu nog steeds – Leids hoogleraar in het staats- en bestuursrecht.

Onderwerp van de eerste twee brieven was de vraag of het document, waarover de Nederlandse kiezer op 1 juni van het daarop volgende jaar ging  stemmen, een grondwet genoemd kon worden of niet.

Rouvoet vond van niet. Een grondwet vond hij het constituerende document waarin een staat haar beginselen neerlegt en haar eigen identiteit als het ware definieert. De EU is geen staat, Europa is geen land en de Europeanen vormen geen volk. De naam grondwet vond hij daarom misleidend.

Voermans vond dat met een grondwet drie onderscheiden begrippen kunnen worden bedoeld. In de eerste plaats een oprichtingshandeling van een staat, waarin de rechtsorde van de nieuwe juridische entiteit wordt vastgesteld. In de tweede plaats een wet waarbij de grenzen van de overheidsmacht worden vastgelegd. In de derde plaats de uiting van de wil van een soeverein volk of natie om zich zelf als een zelfstandige politieke eenheid te manifesteren. Hij meende dat Rouvoet op de laatste definitie doelde, een die zo fraai is neergelegd in de preambule van de grondwet van de Verenigde Staten van Noord Amerika. In deze zin achtte hij de Nederlandse grondwet evenmin toereikend als de Europese. De Nederlandse grondwet zag hij niet als de wilsuiting van een soeverein volk maar eerder als een overeenkomst tussen het Nederlandse volk en haar constitutionele vorst.

Deze eerste briefwisseling was interessant omdat hij van de zijde van Voermans zo’n mooi voorbeeld is van wat de Engelsen obfuscation  noemen, iets ingewikkeld maken om een duidelijke discussie te vermijden. Rouvoet zag de Europese grondwet als een historisch fenomeen en wilde een gedachtewisseling over de politieke betekenis ervan. Voermans ontweek een politiek historisch betoog en zei eigenlijk dat een grondwet is wat je eronder wilt verstaan. Hij suggereert dat het iedereen vrij staat aan het begrip grondwet zijn eigen inhoud te geven.

Ter ondersteuning van deze stelling gebruikte hij een aantal juridische definities die elkaar niet uitsluiten maar die eerder complementair zijn, aspecten van hetzelfde historische fenomeen.

Om daar een voorbeeld van te geven: van een stoel kun je zeggen dat het een ding is om op te zitten, met een rug, een zitting en in het algemeen vier poten. Je kunt ook zeggen dat een stoel een onderdeel is van het meubilair dat zich van een bank onderscheidt doordat het slechts voor één persoon bedoeld is. Je kunt verder zeggen dat stoel een van oorsprong Germaans woord is dat in Duitsland ongeveer dezelfde betekenis heeft als bij ons, maar dat met hetzelfde woord in Engeland een kruk wordt bedoeld. Een stoel is daar een chair en in Frankrijk is het een chaise, maar ouderwets ook wel chaire, van het Latijnse cathedra. Allemaal waar en het sluit elkaar ook niet uit, maar het hele verhaal is niet nodig om een kind uit te leggen wat een stoel is. Je pakt er een en laat hem erop zitten, dat is genoeg.

Interessanter was de discussie zoals die met name door Rouvoet in  latere brieven werd aangekaart. Die ging over de vraag of de bevolking van de diverse Europese staten op dit punt van hun geschiedenis bereid zijn om hun eigen identiteit in te ruilen voor een gezamenlijke Europese. Het Amerikaanse voorbeeld dat genoemd wordt is zeker interessant, omdat in Amerika op het moment van de onafhankelijkheidsverklaring zo’n identiteit nog niet bestond en de grondwet wel degelijk een van de middelen is geweest waarmee die identiteit in de loop der jaren is gevormd. Nederland en Frankrijk waren naties lang voordat zij een grondwet hadden, maar de VS waren dat niet. Als de Europese grondwet in die zin was bedoeld en daar lijkt het eerlijk gezegd wel wat op, dan had Rouvoet gelijk met zijn stelling dat de introductie van de grondwet op dit tijdstip in de ontwikkeling van de EU een politieke daad was die beoogde federalisering van Europa te bevorderen, iets waar hij geen behoefte aan had.

Dan zou Voermans argumenten hebben moeten aanvoeren waarom niettemin het belang van Nederland en de andere Europese naties zou meebrengen dat ze zich toen gingen samenvoegen en waarom de introductie van de grondwet daarvoor een legitiem middel was. Interessant zou ik ook een discussie gevonden hebben, zoals die in Duitsland is gevoerd, of voor een Europese grondwet, die naar Nederlands en Duits recht de nationale grondwet kan overrulen, een decisieve volksraadpleging noodzakelijk is of niet.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Het Brusselse Europa.

Als U weten wil wat ik van het Brusselse Europa vind, dan  moet U het artikel van Frits Bolkestein lezen in de Volkskrant van 16 oktober 2012. Daar staat kort en helder samengevat wat ik daar de laatste jaren ervoor en erna over geschreven heb. Hij heeft er in de keuken kunnen kijken als lid van de Europese Commissie en weet het dus allemaal veel beter, maar in grote lijnen schrijft hij  hetzelfde als ik.

Toch vind ik dat hij en veel andere politici een essentieel punt verkeerd zien. Bolkestein zegt ´hoewel de muntunie een verkeerde beslissing was, moeten we er mee doormodderen’.

Dat lijkt mij een fatale vergissing. We hebben de euro-obligaties, de noodfondsen en alle andere garanties die we aan de zuidelijke landen van de Unie geven. Maar daarnaast hebben we door de gemeenschappelijke munt en het gemeenschappelijke betalingssysteem Target aan die landen onze creditcards plus pincode uitgeleend. Daarmee kunnen ze naar believen inkopen doen in de hele wereld. En dat doen ze ook.

Alleen al door de rekening-courant standen van het targetsysteem vermeerderen de schulden van de zuidelijke landen aan de noordelijke met een biljoen per jaar, zonder dat er een manier is waarop tussen de landen afgerekend kan worden. In Amerika moeten de centrale banken van de debiteuren-deelstaten eens in de zoveel tijd storten bij de Federal Reserve Board. In Europa kunnen  we alleen boetes opleggen als landen zich niet aan de afspraken houden. Die boetes kunnen we dan alleen innen als we zelf het geld voorschieten. Niemand houdt zich de laatste jaren meer aan afspraken, met name ook de grote landen niet, als hun dat niet uitkomt.

De euro en de bijbehorende betalingssystemen vormen een tijdbom en hoe eerder we er van afraken hoe beter. Niemand zal U vertellen dat dit zonder grote schade kan. Maar de schade als we door blijven gaan wordt alleen maar groter.

Wat we zouden moeten doen is dit. We verdelen Europa in zones met vergelijkbare economieën en geven iedere zone zijn eigen munt, nadat we eerst de brokken van de euro hebben opgeruimd..

We bestuderen het Amerikaanse FED systeem grondig en nemen dat  voor zover mogelijk over. Dat is beter dan het systeem de ECB. We passen de Europese verdragen aan, zodat we voortaan uitsluitend samenwerken op punten waar dit zin heeft. We beperken dat dus tot  landen met dezelfde problemen en voor ieder serieus probleem zetten we een eigen organisatie op. Alles wat riekt naar een extra bestuurslaag boven de lidstaten schaffen we af. Dat geldt dus voor Brussel met zijn zinloze Europese parlement en zijn Europese Commissie.

Als we een ding geleerd hebben sinds de dagen van het Plan Schuman dan is het dat samenwerking alleen werkt als iedereen dat wil en dat afdwingen niet lukt. Organiseer de EU dan ook op die manier. Creëer organisaties die problemen oplossen en wie mee wil doen doet mee. Wie niet, die niet.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen