Polybius

Polybius was een Griek, maar hij woonde in Rome als een van de duizenden vooraanstaande Grieken die waren gedeporteerd naar Italië en daar zonder vorm van proces werden vastgehouden. Hij raakte bevriend met de twee zonen van Lucius Aemilius Paullus, van wie de een, na de dood van hun moeder , werd geadopteerd door de familie Scipio en de andere door die van Quintus Fabius Maximus, als de  Cunctator bekend uit de tweede Punische oorlog.

De adoptiefzoon van de Scipiones heette Publius Cornelius Scipio Aemilianus, waaraan later de erenamen Africanus minor en Numantinus werden toegevoegd. Meestal heet hij bij zijn tijdgenoten Africanus.  Africanus  werd de belangrijkste Romeinse generaal van zijn tijd en besliste de lange reeks oorlogen tussen Rome en Carthago in het voordeel van Rome. Polybius heeft een geschiedenis van Rome geschreven en het onderstaande is een vertaling uit een gedeelte daarvan, de beschrijving van de Romeinse staatsinrichting, die begint met een algemene beschouwing over het ontstaan van overheden in hun verschillende vormen. Het hierna volgende is een vertaling van Polybius.

‘Men kan niet iedere vorm van absolute regering als een monarchie beschouwen, maar alleen die autocratieën die vrijwillig door de bevolking worden aanvaard en die bestuurd worden met een beroep op de redelijkheid in plaats van op angst en geweld.
Een aristocratie werkt alleen als de macht wordt uitgeoefend door rechtvaardige en verstandige mensen die op grond van hun verdiensten voor het bestuur worden uitgezocht. Alleen als een gedisciplineerd sociaal gedrag door de gewoonte is ingesleten en de bijbehorende regels door de overgrote meerderheid vrijwillig wordt nageleefd, kan – wanneer de meerderheid het voor het zeggen heeft – gesproken worden van een democratie. Despotisme is een vorm van regering die van nature ontstaat. Verwant aan despotisme en door een verstandige aanpassing daaruit voorkomend is de monarchie, die op haar beurt weer kan degenereren in de kwalijke vorm van monarchie die tirannie wordt genoemd. Tirannie houdt geen stand. Uiteindelijk zal het plaats maken voor aristocratie, wat weer de neiging heeft te ontaarden in oligarchie. Als de bevolking in haar woede de oligarchen van het toneel doet verdwijnen dan komt er in de regel democratie voor in de plaats. Democratie kan door gebruik van geweld en minachting voor het recht weer verworden tot machtsuitoefening door het gepeupel.
Waar komt een staatsinrichting vandaan en hoe brengt men haar tot stand?. Ga er eens vanuit dat als gevolg van natuurrampen of om een andere reden een beschaving verdwijnt. Zulke dingen zijn in het verleden gebeurd en het lijkt redelijk te veronderstellen dat ze weer kunnen gebeuren. Neem aan dat alle beschaafde regels en gewoonten en alle kunst en kennis is verloren gegaan. Neem verder aan dat de overlevenden zich weer vermenigvuldigd hebben tot een aantal dat een vorm van groepsorganisatie noodzakelijk maakt. Mensen kunnen immers alleen overleven in georganiseerde groepen. In dat opzicht zijn mensen te vergelijken met andere hominiden en bijvoorbeeld met chimpansees. Het lijkt redelijk aan te nemen dat de mentaal en fysiek sterkste en in andere opzichten meest dominante van de groep de leiding op zich zou nemen
Als fysieke kracht de overhand zou hebben dan zouden we dat despotisme noemen. Maar zouden familie en andere maatschappelijke bindingen een belangrijke rol spelen bij het bepalen van degene die leiding geeft, dan zou monarchie de plaats innemen van despotisme, iets wat gepaard zou gaan aan het ontstaan van ideeën en gewoonten die als ethisch kunnen worden aan gemerkt, als goed en slecht.
Als iemand in gevaar verkeerd en hij wordt daarbij gered of geholpen door een ander en hij is vervolgens niet dankbaar tegenover degene die hem heeft bijgestaan, maar zoekt hem eerder nog te benadelen, dan ligt het voor de hand dat anderen daar aanstoot aan zullen nemen als zij het zien: ze zullen zich in verplaatsen in degene die benadeeld wordt en met hem meevoelen. Zo zal bij iedereen een gevoel ontstaan over wat behoorlijk gedrag is en dat is de grondslag van het recht. Op dezelfde manier, wanneer iemand in tijden van gevaar zich als voorvechter van anderen opwerpt en met grote moed bijvoorbeeld aanvallen van de gevaarlijkste dieren het hoofd biedt, dan ligt het voor de hand dat zo’n man door de gewone mensen zal worden uitverkoren en geëerd, terwijl ze op degene die het omgekeerde zou doen zouden neerkijken en een hekel aan hem zouden hebben. Het lijkt redelijk om hieruit af te leiden dat in de samenleving een idee zou ontstaan over wat bewonderenswaardig en afkeurenswaardig is en over het verschil tussen die twee. Men zou het ene leren en imiteren vanwege de voordelen die het biedt en het andere vermijden. Als de meest vooraanstaande en machtigste man uit een volk partij kiest voor dit soort mensen in overeenstemming met de gevoelens van het volk en daarmee de reputatie verwerft dat hij iedereen geeft wat hem toekomt, dan zullen ze hem niet alleen gehoorzamen en zijn regering voortaan niet alleen steunen uit angst voor geweld maar eerder omdat ze overtuigd zijn van zijn positieve invloed, hoe oud en gebrekkig hij ook is en ze zullen zich eensgezind rond hem verzamelen en iedereen bestrijden die het op hem en zijn regering gemunt heeft. Zodoende wordt hij langzaam en ongemerkt een koning in plaats van een despoot. De rede neemt de plaats in van fysieke moed en geweld en creëert legitimiteit voor hen zelf en hun afstammelingen voor vele generaties. Die legitimiteit berust op de overweging dat de afstammelingen van dit soort mensen in dezelfde geest zullen zijn opgevoed en er daarom soortgelijke principes op na zullen houden.
Maar als de afstammelingen ongenoegen wekken bij de burgers zullen die hun keuze voor nieuwe heersers niet langer laten bepalen door hun fysieke weerbaarheid maar op grond van verschillen in intellect en redelijkheid omdat ze intussen ervaring hebben opgedaan met het doorslaggevend belang van dat onderscheid. Als de koninklijke macht erfelijk wordt in de familie en koningen middelen om hun macht te handhaven onder handbereik krijgen, in groetere mate dan nodig is voor hun persoonlijk levensonderhoud, dan gaan zij met behulp daarvan ruim baan geven aan hun lusten; ze verbeelden zich dat machthebbers een ander soort kleren horen te dragen dan hun onderdanen, zich andere en veel uitgebreidere luxe eetgewoonten en vooral ook zinnelijke genoegens kunnen permitteren in afwijking van wat als redelijk en behoorlijk kan worden aangemerkt. En zij kunnen zich dat permitteren zonder dat zij bang hoeven te zijn om afgewezen te worden. Als dit soort dingen enerzijds aanleiding geeft tot jaloezie en aanstoot en anderzijds tot uitbarstingen van haat en hartstochtelijke afkeer, degenereert het koningschap in tirannie. Samenzweringen tegen de overheid zullen dan plaats vinden, die niet door de slechtste elementen in de samenleving worden georganiseerd, maar door de beste, de meest idealistische en dapperste, omdat dit het soort mensen is dat het minst geneigd is om zich neer te leggen bij tiranniek gedrag van hun regeerders. In een directe reactie van dankbaarheid jegens degenen die hen bevrijd hebben van de tirannie zullen de mensen hen als regering aanvaarden en hun belangen aan hen toevertrouwen.
Die nieuwe regeerders zullen deze taak in eerste instantie beschouwen als een groot voorrecht en het publieke belang zien als hun belangrijkste zorg; zij zullen dienovereenkomstig optreden met diligentie en omzichtigheid. Maar wanneer de zonen van deze mensen de machtposities van hun vaders erven, zonder de ervaring van eerdere ellende en zonder een enkele ervaring met burgerlijke gelijkheid en vrijheid van meningsuiting, maar met uitsluitend de ervaring van de macht en de hoge positie van hun vaders, dan zullen sommigen van hen zich zonder terughouding werpen op de verzameling van rijkdommen, andere op onmatig drankgebruik en de andere uitspattingen die daar meestal mee gepaard gaan en weer anderen op de verkrachting en aanranding van vrouwen en jongens; op die manier zullen zij een aristocratie doen verkeren in een oligarchie en hun ondergang zal zich op dezelfde manier voltrekken als die van de tirannen.
Zij zullen niet opnieuw het koningschap proberen, door de nog verse herinnering aan de misbruiken waar dat toe had geleid en ook niet de regering van een kleine groep, gezien het recente voorbeeld van het wangedrag waar dat aanleiding toe geeft. Om die reden en eigenlijk als de enige hoop die hun nog rest zoeken zij toevlucht bij zich zelf. Zij veranderen de staatsinrichting van een oligarchie in een democratie. Zij nemen de regering en het toezicht daarop in eigen hand. Zolang als er nog mensen leven met ervaring van de oligarchische overheersing en het despotisme zullen ze de democratische constitutie ervaren als een zegen en vrijheid en gelijkheid beschouwen als van het hoogste belang. Maar zodra er een nieuwe generatie is opgegroeid en de democratie bij hun kindskinderen is aangeland, dan zal de lange gewenning hun gevoel voor de waarde van vrijheid en gelijkheid verzwakken en zullen sommigen gaan proberen om meer macht te verwerven dan de gemiddelde burger. Degenen die het duidelijkst aan die verleiding bloot staan zijn de rijken. Zij zullen het volk ontvankelijk en gretig maken voor omkoperij. De goede eigenschappen van de democratie zullen teloor gaan en zij zal degenereren in een regering van geweld en de sterke hand. Want het gepeupel, dat gewend zal raken om te leven op kosten van anderen en dat zijn hoop op levensonderhoud zal ontlenen aan het werk en aan het bezit van zijn buren heeft als gevolg van haar armoede zelf geen hoop op de zoete vruchten van publiek eerbetoon. Het zal een regering van macht in plaats van recht in het leven roepen, zodra het een leider heeft gevonden die daarvoor voldoende ambitieus en ondernemend is. Dan volgen de tumultueuze volksvergaderingen, slachtpartijen, verbanningen, herverdelingen van land tot dat uiteindelijk, als alle sporen van een ordelijke civiele samenleving zijn verdwenen het gepeupel, opnieuw een heerser en despoot heeft gevonden.
Het is de Romeinse staatsinrichting die ons het duidelijkste voorbeeld geeft van het ontstaan de groei en het hoogtepunt van deze ontwikkeling zowel in zijn geschiedenis als in wat ons voor de toekomst te wachten staat. Want de Romeinse staatsinrichting vond zijn oorsprong in een natuurlijke ontwikkeling en zal aan een natuurlijke ontwikkeling zijn neergang danken. De consuls vormen de hoogste macht in de staat. Alle andere machthebbers zijn van hen afhankelijk en aanvaarden hun aanwijzingen, met uitzondering van de volkstribunen. Zij bepalen de agenda van de Senaat en zijn belast met de uitvoering van de besluiten. Zij roepen de volksvergadering bijeen, doen daar voorstellen en voeren de besluiten van de meerderheid uit.
In de voorbereiding en het voeren van oorlogen hebben ze bijna absolute bevoegdheden. Zij roepen de soldaten op en bepalen wie er geschikt is. Zij hebben voorts onbeperkte macht om iedereen te straffen die onder hun bevel staat, zolang die zich in actieve dienst bevinden. Zij hebben de bevoegdheid om naar eigen inzicht publieke middelen uit te geven tijden een campagne, want de quaestor die de kas houdt staat onder hun bevel. In vredesomstandigheden heeft de Senaat het beheer over de schatkist. Zij beschikt zowel over de inning van de belastingen als over de besteding van de middelen. De quaestoren kunnen aan de staatsdepartementen geen geld ter beschikking stellen zonder een desbetreffend senaatsbesluit, behalve voor zover de uitgaven rechtstreeks ten dienste staan van de consuls. De Senaat is verantwoordelijk voor de bouw en het onderhoud van de publieke gebouwen. Alle misdrijven die op het grondgebied van Italië worden gepleegd en die een openbaar onderzoek vergen, zoals verraad, samenzwering, vergiftiging of een andere moord met voorbedachten rade vallen onder de jurisdictie van de Senaat. Als een privé persoon of een van de Italiaanse bondgenoten een geschil aan Rome ter beslechting voorlegt, een boete wenst te zien opgelegd of om hulp of bescherming vraagt, dan is het de Senaat die bevoegd is.
Als het nodig is om een gezantschap te sturen buiten het Italiaanse territoir om oorlogvoerende partijen tot vrede te brengen of hen aan hun verplichtingen te herinneren, of soms om schattingen op te leggen of hun onderwerping te aanvaarden of uiteindelijk om hen de oorlog te verklaren, dan is ook dat een zaak voor de Senaat. Aangezien zij ook de buitenlandse ambassadeurs ontvangen en omdat de antwoorden die hun worden gegeven afhankelijk zijn van een senaatsbesluit, zou men de neiging hebben de staatsinrichting te zien als een complete aristocratie. Dat was ook doorgaans de opvatting van veel van de Griekse stadstaten en van veel koningen, want praktisch alle zaken die zij met Rome deden werden beslist door de Senaat. Maar de Volksvergadering is de enige bron voor eerbewijzen en straffen in Rome. Alleen de Volksvergadering beschikt over leven en dood en ook in de gevallen waar een boete wordt opgelegd, als die maar hoog genoeg is en vooral als de beschuldigde in kwestie hoge ambten heeft bekleed. De Volksvergadering beschikt over het toekennen van ambten aan wie daar voor in aanmerking komt, omdat die ambten de meest eervolle beloningen vormen voor civiele deugden. De Volksvergadering heeft de hoogste macht bij het geven of intrekken van wetten en het allerbelangrijkste: zij beslist over oorlog en vrede. En als voorstellen worden gedaan om bondgenootschappen aan te gaan, vijandelijkheden op te schorten of verdragen te sluiten, dan is het de Volksvergadering die de voorstellen aanvaardt of verwerpt. Zo is de machtsverdeling tussen de verschillende instituten in de staat.
Het is nu tijd om te laten zien hoe de verschillende instituten elkaar al naargelang hun keuze kunnen tegenwerken of ondersteunen. De consul, bijvoorbeeld, heeft het naar het schijnt, op grond van de hierboven beschreven bevoegdheden, helemaal voor het zeggen als hij leiding geeft aan een militaire expeditie. Toch kan hij niet zonder de steun van de Senaat en van de Volksvergadering. Zonder die steun kan hij zijn de taak niet tot een succesvol einde brengen. Het is immers duidelijk dat hij van tijd tot tijd bevoorrading nodig heeft voor zijn legioenen; maar zonder een daartoe strekkend besluit van de Senaat kan hij niet aan graan komen of aan kleding en betaling voor zijn troepen. Al zijn oorlogsplannen draaien op niets uit als de Senaat besloten heeft om het oorlogsgevaar te mijden of om hem een spaak in het wiel te steken. Verder, of een consul een onderneming tot succes kan brengen of niet hangt volledig af van de Senaat: die heeft de absolute bevoegdheid om aan het einde van het jaar een andere consul te sturen om hem te vervangen of om de bestaande consul in zijn commando te handhaven. En de Senaat kan besluiten aan de successen van een generaal eer en glorie toe te voegen of integendeel hun aanzien te verminderen en aan hun verdiensten afbreuk te doen. Belangrijke verdiensten worden in het zicht van de burgerij gebracht in een tastbare vorm door een triomftocht. Maar deze triomftochten kunnen niet worden gehouden met de nodige praal en soms zelfs helemaal niet worden gehouden zonder dat de Senaat het daar mee eens en de benodigde middelen ter beschikking stelt. Wat de Volksvergadering aangaat, de consuls kunnen niet anders dan haar te vriend te houden, hoever zij zich ook van huis bevinden. Het is, zoals gezegd, de Volksvergadering die de verdragen waarbij oorlog en vrede worden gesloten ratificeert of verwerpt en nog belangrijker: bij het neerleggen van hun ambt moeten de consuls verantwoording afleggen over hun doen en laten aan de Volksvergadering. Het is duidelijk dat de consuls er niet omheen kunnen op goede voet te blijven met zowel de Senaat als met de Volksvergadering Daarom, terwijl ieder van de verschillende staatsorganen het in haar macht heeft de anderen zowel bij te staan als dwars te zitten kan over het geheel van de bestuursorganisatie worden gezegd dat zij zo goed beveiligd is tegen ongelukken dat het moeilijk lijkt om een beter systeem te bedenken. Bij de vrees voor een gemeenschappelijk buitenlands gevaar dwingt de constitutie tot samenwerking en zorgt zij ervoor dat alle noodzakelijke maatregelen worden genomen en dat iedereen zich gezamenlijk concentreert op de onmiddellijke dreiging. Er is geen gevaar dat in geval van nood de juiste maatregelen achterwege blijven door onvoldoende alertheid. Zowel de overheid als geheel als iedere individuele burger zullen hun uiterste best doen om de gemeenschappelijk genomen besluiten in daden om te zetten.
De Romeinse overheid is om die reden, door de precieze vorm en de bijzondere aard van haar constitutie, zowel in staat om iedere aanval af te slaan als ieder gesteld doel te verwezenlijken. Maar nu dan de angst voor buitenlandse vijanden is geweken en de Romeinen in vrede leven en de vruchten van de overwinning genieten staan zij bloot aan de gevaren en verleidingen van de overvloed en het gemakkelijke leven. Zoals vaak gebeurt in zulke omstandigheden dreigt nu hybris en onregeerbaarheid. Daarom is het nu extra belangrijk om te zien of diezelfde constitutie ook opgewassen zal zijn tegen dit nieuwe gevaar. Tot nu toe is het steeds zo geweest: zodra een van de onderdelen van de staat de haar gestelde grenzen dreigt te overschrijden, wanneer zij onrust wekt en twisten veroorzaakt en een groter deel van de macht opeist dan de wet haar toekent, dan wordt duidelijk dat geen enkel deel op zich zelf een absolute macht heeft. Dan blijkt dat elk van hen uitsluitend bevoegdheden heeft die over en weer onder de controle van de andere onderdelen staan en dat het onderdeel dat te ambitieus wordt spoedig gedwongen zal worden zich aan de oude beperkingen te houden. Dan blijkt dat minachting of overheersing van de rest niet zal worden geduld. Zo zullen de verschillende onderdelen waaruit het gemene best is gevormd altijd gedwongen worden op hun eigen plaats te blijven: deels door de tegenwerking van de anderen en deels weerhouden van iedere poging, uit angst voor de autoriteit die door de wet boven hen is gesteld.’

 

[1] Polybius schrijft in +/- 140 BC, dus na de Punische oorlogen en voor de Romeinse burgeroorlogen.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Waarin individualisme tekort schiet.

Volgens Aristoteles is de mens een ζῷον πολιτικόν,  ein Lebewesen in der Polisgemeinschaft, zoals de Duitsers dat vertalen. Eeuwenlang was dat een onaangevochten stelling, maar sinds de verlichting is de opvatting hier in het westen dat mensen individuen zijn en gemeenschappen niet meer dan verzamelingen van mensen waarin deze hun belangen poolen en de taken onderling verdelen.

Individualisme is niettemin een biologisch-wetenschappelijke misvatting. Aristoteles had gelijk. De mens is biologisch geprogrammeerd om in groepen te leven en het is zijn groep waaraan hij zijn bestaansrecht ontleent.

Het Marxistische communisme was het verkeerde antwoord op een belangrijk probleem: hoe kan de industriële samenleving worden georganiseerd op een manier die  aan de eisen van de moderne productie voldoet en die tegelijk  tegemoet komt aan onze normen en waarden. Het gaat om de normen en waarden die we gedeeltelijk aan onze genen en voor een deel aan de westerse cultuur ontlenen.

Aan onze genen ontlenen we een volkomen afhankelijkheid van individuen aan de samenleving waar zij deel van uitmaken. Aan de westerse cultuur ontlenen we een prioriteit voor de waarde van het individu vóór en boven de waarde van de samenleving. De communisten zagen in dat de prioriteit van het  individu boven de samenleving een weeffout was. Verder faalde het communisme op alle fronten. Een moderne industriële samenleving is niet top down te organiseren en een samenleving blijft op de duur alleen in stand als zij op de vrijwillige medewerking van haar leden kan rekenen. Daarop liep het communisme stuk.

De medewerking van alle individuen is weliswaar een terechte eis van de samenleving, maar die medewerking dient op grond van eigen innerlijke aandrang te worden gegeven. Die aandrang is er, zij zit in de genen. Het is een taak van de cultuur om een samenleving te creëren, die deze genetische aanleg de ruimte geeft. Individuele medewerking aan de eisen van de samenleving kan wel incidenteel maar niet permanent en massaal worden afgedwongen.

Het liberalisme dat in de negentiende eeuw domineerde en dat dit in de een en twintigste eeuw weer lijkt te gaan doen, schiet op één punt duidelijk te kort. Het individualisme, dat iedere plicht van het individu tegenover de samenleving schijnt te negeren.

Individualisme is in de achttiende eeuw ontstaan als een reactie op de standenmaatschappij, waarin de functie van ieder lid van de samenleving nauwkeurig was gereguleerd en waardoor individuele ontplooiingskansen werden beperkt. De slinger is in de negentiende eeuw te ver doorgeslagen. Als organisatorisch principe voor een samenleving deugt het individualisme niet. Het leidt tot het ontrafelen van de samenleving en een vorm van democratisch hedonisme waar niemand gelukkig van lijkt te worden.

Elke cultuur heeft zijn eigen blindheid en onze samenleving is blind voor het feit dat aan macht en prestaties groepsactiviteiten ten grondslag liggen. Er is samenwerking nodig  binnen groepen mensen voor het bereiken van resultaat. We weten wel dat we in ons eentje niet gelukkig worden. Psychologen overtuigen ons dat onvoldoende emotionele betrokkenheid bij de mensen om ons heen de basis is van geestelijke aberraties. Maar dat alle beschaving en welvaart afhankelijk is van de manier waarop wij ons weten te organiseren, dat beseffen we in het algemeen niet.

Nieuwe politici denken dat ze het zonder partij kunnen doen, dat alleen het eigen charisma en de publiciteit voldoende zijn om maatschappelijke veranderingen tot stand te brengen. Dat is niet zo. Ook Pim Fortuijn zou dat hebben ontdekt als hij was blijven leven. Je brengt alleen iets tot stand als voldoende mensen zich vrijwillig aan een groepsdiscipline onderwerpen en tezamen voor de realisering van ideeën willen werken. Of je het partij noemt of iets anders is niet zo belangrijk. Waar het om gaat is dat  politieke ideeën door een organisatie worden opgepakt. Ook buitenstaanders moeten kunnen zien dat een politiek idee geen eendagsvlieg is van een individu, maar dat ideeën gedragen wordt door een georganiseerde groep mensen. Daarmee hebben zij continuïteit  en moeten zij serieus worden genomen.

Ter Braak was een politicus zonder partij en beïnvloedde alleen de intellectuele lezers van zijn artikelen. Charles de Gaulle wordt wel genoemd als voorbeeld van een staatsman zonder partij, maar dat was gezichtsbedrog. Het Gaullisme is nog steeds de goed georganiseerde politieke beweging die het ook in zijn tijd al was. Zij past niet in het klassieke links-rechts schema en onttrekt zich daarmee aan een reguliere classificering. De Gaulle domineerde zijn partij en haar ideeën waren zonder uitzondering zijn ideeën. Daarnaast was hij in staat om zeer talentvolle mensen te inspireren en aan zich te binden. Zijn opvolger Pompidou was waarschijnlijk de beste president die Frankrijk na De Gaulle gehad heeft maar heel lang gold hij als niet meer dan De Gaulle ’s persoonlijke assistent. Pompidou werd onderschat omdat hij in de schaduw opereerde van de grootste Fransman sinds Napoleon.

Colijn geldt als een Nederlands voorbeeld van een partijloze staatsman en met meer recht. Hij was op zijn manier even dominant als De Gaulle, maar er is geen sprake van dat hij even talentvolle mensen om zich heen kon verzamelen en hen tot grotere prestaties kon aanzetten. Iets blijvends heeft hij nooit tot stand gebracht

Het is begrijpelijk dat uitzonderlijke mensen als De Gaulle, Charlemagne of Alexander de Grote de mythe ondersteunen dat het ‘t genie van het individu is dat de vooruitgang in de wereld te weeg brengt. Dit soort genieën is van uitzonderlijk belang, dat wel, maar meer nog vanwege de manier waarop zij talent kunnen aantrekken en organiseren dan om wat ze persoonlijk tot stand brengen. Zet een De Gaulle als kluizenaar in de woestijn en hij brengt evenmin iets tot stand als ieder ander. De mens is een gemeenschapswezen en alleen in een samenleving waarin met dat uitgangspunt rekening wordt gehouden zal hij tot zijn recht komen.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Een voorkeur voor Mulisch.

Ik gaf ooit aan iemand Darwins hofvijver van Tijs Goldschmidt cadeau, een boek waar ik zelf nogal van onder de indruk was. Niet alleen omdat het in voortreffelijk Nederlands is geschreven, twee interessante onderwerpen heeft die knap worden verweven, maar vooral ook omdat er een verrassende wetenschappelijke tragiek achter steekt.

Goldschmidt deed evolutie-biologisch onderzoek naar een speciaal soort vissen in het Victoriameer. Terwijl hij daarmee bezig is zetten ontwikkelingswerkers nijlbaarzen uit in het meer om de vissers daar aan meer profijtelijke vangsten te helpen. Die nijlbaarzen vreten in een mum van tijd zijn onderzoeksmateriaal op. Goldschmidt staakt wanhopig zijn werk en wordt schrijver in plaats van evolutiebioloog. Een paar jaar later ontmoet hij een Japanse ex-collega die hem langs de neus weg vertelt dat hij zo’n interessant verschijnsel heeft waargenomen in het Victoriameer: onder de druk van een nieuwe roofvis zijn de cichliden in het meer als razenden gaan muteren, een paradijs voor evolutiebiologen! Einde verhaal.

Maar degene aan wie ik het boek cadeau had gedaan kwam mij trouwhartig vertellen dat hij er niets aan had gevonden. Zijn idee van een behoorlijk boek dat je iemand cadeau kunt geven was de bestorming van de hemel van Harry Mulisch.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De uitgaven voor de zorg.

De overheidsuitgaven voor de zorg stegen tot voor kort explosief[1]. Dat komt door de veroudering van de bevolking, door de stijgende kosten van de medische  techniek, door de toename van de overhead als gevolg van een onterechte concentratie van zorginstellingen en door minder gemaakte werkuren van artsen en ander medisch personeel. Bovendien is de door de overheid betaalde zorg zorg duur door de miljoenen vreemdelingen die we hier huisvesten en die bovengemiddeld zorg blijken nodig te hebben. Tenslotte ook omdat er veel wordt aangeboden dat de mensen zelf zouden kunnen betalen of, als ze daar geen zin in hebben,  helemaal niet zouden hoeven af te nemen, omdat het niet strikt nodig is voor hun gezondheid. Dat zouden de meesten doen als het niet gratis was. De zorg is dus vooral duur omdat zij slecht is georganiseerd.

Er is aan de kostenstijging in de zorg heel wat te doen door een betere organisatie en door politieke keuzes te maken. Niet meer alle zorg aan iedereen op dezelfde manier aanbieden bijvoorbeeld, maar dat gelijke aanbod aan iedereen te reserveren voor de echt noodzakelijke zorg. Mensen vinden het niet erg om zelfredzaam te blijven zolang dat kan, integendeel, dat vinden ze prettig, maar ze zijn geen dief van hun eigen portemonnee.

De zorgwet van Schippers en Van Rijn heeft een dergelijk uitgangspunt en Van Rijn is een socialist. Maar veel andere socialisten zien het niet zo. Zij vinden dat in de zorg alles bij het oude had moeten blijven en dat we de kostenstijgingen uit de algemene middelen hadden moeten bijpassen. Dat kan ook makkelijk, zeggen ze, want stel de zorgkosten bedragen 10% van Uw inkomen. Ze stijgen met 4% per jaar en Uw inkomen stijgt maar met 2%. Dat lijkt op het eerste gezicht niet te doen, maar dat is schijn. Die stijging van de zorgkosten is immers maar 0,4 procentpunt en dat kan makkelijk uit die 2 procentpunt die U meer krijgt.

Ja, denk je dan, wanneer alleen de zorgkosten maar zouden blijven stijgen en de rest zou stilstaan of achteruitgaan. Geen  kinderen die opgroeien en duurder worden, geen huurverhogingen en de prijzen in de supermarkt blijven hetzelfde.

Doen die slimme mensen dat nu expres vraag je je meteen af, of zouden ze zich zelf ook voor de gek houden met die redenering? Volgens mij is het expres. Veel politici zijn uitstekend in staat om zich zelf voor de gek te houden, maar socialisten zijn slimmer dan het gemiddelde. Die houden vooral u en mij voor de gek, of dat proberen ze tenminste.

[1] In mln euro’s: 92 899,95 456 en 97496  in achtereenvolgens   2015, 2016 en 2017.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Shakespeare in zijn eigen tijd en later.

The evil that men do lives after them. The good is oft interred with their bones. Een prachtige tekst uit het drama Julius Caesar van Shakespeare. Shakespeare zorgde voor de rekwisieten  en voor de andere benodigdheden in zijn theater, waaronder ook teksten voor zijn  acteurs. De inhoud van die teksten kwam niet van hemzelf, maar uit een kring van theater liefhebbers, die zo hun ideeën kwijt konden. Dat Shakespeare die teksten zo bijzonder fraai wist te verwoorden, was meegenomen. Wij vereenzelvigen Shakespeare met zijn theater teksten en zijn dichtwerk, maar zelf zag hij dat waarschijnlijk als niet meer dan een onderdeel van zijn vak, dat van theaterman. Daar moet je toch even bij stil staan, Het mooiste stuk wereldliteratuur en dan in rangorde niet veel hoger dan de kleding van acteurs[1]!

Intussen wisten ook zijn tijdgenoten natuurlijk wel dat de teksten van Shakespeare iets bijzonders waren. Maar de buitengewone verering, die de dichter met name in de negentiende eeuw en meer in het bijzonder in Duitsland kreeg, was er in zijn eigen tijd helemaal niet. Een vakman en een goeie, dat was het oordeel over de man en daar was hij heel tevreden mee.

 

[1] Actrices kwamen toen nog niet op het toneel. Vrouwenrollen werden gespeeld door mannen.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Vooroordelen

Een paar jaar geleden kregen we bij het nieuws te horen dat een politieman een jongen had doodgeschoten die hem met een nep pistool had bedreigd. Het pistool was niet van echt te onderscheiden geweest en de jongen trok het ding, toen hij het bevel kreeg om zijn handen in de lucht te steken. Maar niettemin verontwaardiging alom.
In die zelfde tijd kregen we, om voor mij onduidelijke redenen, ook weer eens de vader van de sigarenrover Michael Brown te zien. Michael Brown, U weet het misschien nog, die jongen in de Amerikaanse plaats Ferguson, die door zijn enorme gestalte een sigarenwinkelier wist te intimideren en uit zijn buurt te houden en die met een handvol sigaren zonder te betalen de winkel uit liep. De politie werd gewaarschuwd en hield hem staande terwijl hij midden op straat liep, sigaren triomfantelijk in de hand. De politieman wilde hem arresteren maar Brown viel de agent aan en probeerde diens wapen te grijpen. Die schoot toen met dodelijk gevolg.
Er is daar een grand jury procedure aan te pas gekomen om vast te stellen of de politieman op grond van het gebeuren strafrechtelijk vervolgd diende te worden. De grand jury bestond uit zes blanke en zes zwarte leden en kwam tot de conclusie dat het een kwestie van zelfverdediging was geweest. De jury besloot op die grond dat de politieman niet vervolgd diende te worden.
De zwarte bevolking van Ferguson kwam vervolgens in opstand en trok onder aanvoering van vader Brown plunderend door de stad. President Obama en diens minister van justitie reageerden met sympathie voor de ouders en de zwarte bevolking van Ferguson, maar meende toch de rellen, de vernielingen en plunderingen niet goed te kunnen keuren.
De democratische kranten en televisiestations trokken partij voor Brown en nog steeds wil progressief Amerika de wereld wijsmaken dat Michael Brown onschuldig was en de politieman zich ten onrechte verdedigd had.
Ik hoorde de tv verslaggever nog zeggen ‘de ongewapende achttienjarige Brown’, daarmee suggererend dat de jongen onrecht was aangedaan, wat dus overduidelijk niet het geval was.
De Amerikaanse politie heeft in de afgelopen vijf maanden 385 of meer mensen doodgeschoten schreef de Washington Post op 31 mei van dat jaar. Dat komt neer op meer dan twee dodelijke schietpartijen per dag. Een alarmerend hoog cijfer, schreef de krant. Bij het doodschieten van ongewapende slachtoffers is de verhouding tussen blanken en minderheden bovendien scheef. Twee derde van die politie slachtoffers is Afro-Amerikaan of van Latijns-Amerikaanse afkomst.
Zwarten maken 13,2 % uit van de Amerikaanse bevolking maar namen volgens de betrouwbaarste cijfers die we hebben 52, 5 procent van de moorden voor hun rekening in de periode tussen 1989 en 2002, waarbij U ervan uit moet gaan dat het percentage zwarten in de bevolking intussen weer is gestegen. In 2008 pleegden zwarte jongeren, die toen 16 % van alle jongeren vormden, 52 % van alle geweldsmisdrijven, waarbij arrestaties plaats vonden. Van de roofovervallen waarbij jongeren waren betrokken werden 8,55 keer zo vaak zwarten betrapt als blanken. Dat deze cijfers allemaal terug te voeren zouden zijn op racistisch vooroordelen bij de politie is uitgesloten, vooral als je in aanmerking neemt dat een flink deel van de politie in de grote steden tegenwoordig zelf zwart is.
Persoonlijk vind ik het onbegrijpelijk dat hier in Europa en in de democratische kustprovincies van de VS het recht verdedigd wordt van de bewoners van de zwarte sloppenwijken om rovend en stelend in hun levensonderhoud te voorzien en zich gewapenderhand te verdedigen tegen het wettige gezag. Het aantal mensen dat door politiegeweld om het leven komt is nog geen fractie van het aantal doden dat valt door zwart geweld.
In plaats van dat men zich bezig houdt met ideeën hoe de crime rate van de zwarten naar hanteerbare proporties kan worden teruggebracht, maakt men zich zorgen over het aantal zwarte mensen dat in de gevangenis zit. De omgekeerde wereld!

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Hoe bekijken we de wereld?

Begrip van de wereld en zelfkennis, daaruit bestond volgens de Grieken wijsheid. Eigenlijk was de volgorde omgekeerd. Leer u zelf kennen: Gnoothi seauton was het opschrift boven de ingang van de tempel van Delphi. Zelfkennis is het begin van alle wijsheid. Daar hadden ze wel gelijk in, want zonder zelfkennis en zonder besef hoezeer de manier waarop je de wereld beziet een vertekening van de werkelijkheid kan opleveren, blijft je kennis van de wereld gebrekkig.

Bisschop Berkeley leerde dat mensen de wereld uitsluitend kunnen leren kennen [1] via het eigen lichaam en de eigen geest. De beperkingen die dat oplevert in het vermogen tot waarnemen, stellen grenzen aan de kennis van de wereld. Dat geldt ook wanneer het begrip waarneming wordt uitgebreid zodat afleidingen en combinaties van waarnemingen eronder vallen en waarnemingen door middel van instrumenten.

Puur logisch valt hier weinig tegen in te brengen, maar de kosmos is geen constructie van de menselijke geest, het is een historisch fenomeen. Mensen zijn een product van de evolutie en verwant aan al het andere leven. Hun gelijkenis met andere levende wezens en de empathie die er tussen mensen en die andere dieren bestaat verschaft een machtig instrument tot het begrijpen van het levende deel van de wereld. En empathie valt niet onder onze definitie van waarnemen.

De bekende wereld heeft drie facetten:
De wereld “an sich”, zoals die is zonder toedoen van mensen en zoals die al bestond voordat de evolutie de menselijke soort en haar samenleving had voortgebracht. Daartoe hoort het universum buiten de aarde, maar ook al wat er op de aarde bestaat zonder dat het door toedoen van mensen is veranderd.
Dan is er de wereld van de menselijke ideeën. Daartoe behoren wiskundige theorema, muziekcomposities, filosofische gedachten, ideeën over het ontwerpen van gebouwen, maar ook bijvoorbeeld de populariteit van popsterren en de mode in kinderkleding.
Tenslotte is er de wereld die een mengvorm is van “puur natuur” en de menselijke ideeën, de wereld van de cultuur. Hiertoe behoren het door de samenleving gevormde landschap, de steden, autowegen, gebruiksvoorwerpen, schilderijen, boeken, e.t.q..

Een bestudering van de wereld op zich, nadat men die eerst bewust had losgemaakt van de invloed die mensen daar op hebben uitgeoefend, heeft voor het eerst plaats gevonden in de natuurwetenschap, die in de zestiende eeuw is ontstaan. Ook de Grieken – Aristoteles – hadden wel de natuur en de kosmos bestudeerd, maar zonder zich zo duidelijk ter realiseren dat tussen de door mensen gecreëerde wereld en de natuur een scherp onderscheid moest worden gemaakt.

In de neurologie en de cognitieve wetenschap zoals die in de VS wordt beoefend is een begin gemaakt met een wetenschappelijke bestudering van het menselijk bewustzijn en van de vertekening van de buitenwereld die optreedt als bijproduct van het specifieke menselijk waarnemingsvermogen. Maar de culturele vooroordelen die verantwoordelijk zijn voor een deel van de vertekening worden nog niet of nauwelijks systematisch bestudeerd[2].

Al vormt zelfkennis de basis van de filosofie, zelfonderzoek is niet het voornaamste onderwerp waar de filosofie zich historisch mee bezig heeft gehouden. Wat daadwerkelijk het belangrijkste onderwerp voor filosofen is geweest, is de leer van de kennis, de epistemologie. Epistemologie heeft betrekking op de aard van de kennis en op de manier waarop het bijeen brengen en de vermeerdering ervan tot stand komt.

 

[1] In feite weten we niets anders dan onze waarnemingen en datgene wat we door toepassing van de ratio daar uit afleiden kunnen. De extreme consequentie van dit uitgangspunt is het solipsisme, de leer dat alleen het subject zelf bestaat en de rest van de wereld een ingewikkelde fantasie zou kunnen zijn, inclusief het lezen van het boek waarin van deze theorie melding wordt gemaakt.

[2] Thomas Kuhn (The Stucture of scientific Revolutions, Chicago 1962) redeneert dat ook de bestudering van de wereld op zich aan vertekening en zelfs aan een zekere mode onderhevig is net als door de cultuur bepaalde kennisgebieden. Hij heeft in zoverre gelijk dat ook de wereld van de wetenschappers als een eigen subcultuur moet worden gezien, waarin dezelfde culturele wetten gelden als in andere coherente groepen, maar dat blijft een oppervlakteverschijnsel. Het neemt niet weg dat de geordende, door kritisch onderzoek verkregen kennis van de kosmos zoals die in de natuurwetenschappen wordt verworven van een andere orde is dan bijvoorbeeld sociologische kennis. Door de veranderingen die verworven kennis van de samenleving kan hebben op het onderwerp van de studie, door het zelf verwijzend karakter van maatschappijwetenschappen, kunnen zij nooit de waarde vrijheid hebben die de natuurwetenschappen bezitten en die door Kuhn per saldo meer in twijfel werd getrokken dan redelijk is.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen