De vervolging van Wilders.

De vervolging van Wilders is een détournement de pouvoir. De strafrechtwereld die druk op de politiek heeft uitgeoefend verdient kritiek.
Degene die uiteindelijk de zeggenschap heeft over deze vervolging is de minister van justitie, Ard van der Steur en voor hem Ivo Opstelten. Geen van beiden mensen die de reputatie hebben boosaardig te zijn, maar ook niet bijster slim en zeker geen helden. Ik denk dat de minister geen zin gehad zich tegen de druk van mensen als Tak te verzetten. We herinneren ons allemaal president Clinton van de VS, die een veroordeelde gratie verleende nadat diens vrouw een groot bedrag had overgemaakt naar de Clinton Library. Dat is een bemoeienis van de politiek met het strafproces die niemand hier wil.
Met zoiets in het achterhoofd lijkt het een goed excuus om je te beroepen op de scheiding der machten. Maar als een minister een vervolging onrechtmatig of alleen maar onredelijk vindt, dan heeft hij niet alleen het recht maar de plicht om zo’n vervolging te verbieden. Persoonlijk zou ik dan ook het college van P.G. ’s naar huis gestuurd hebben, dat toch wel erg opvallend gefaald heeft in zijn taak om het recht te beschermen, maar als minister zou ik zeker hebben ingegrepen.
Opstelten gaat niet vrij uit. Hij had als hij gedaan had wat hij moest doen wel problemen gekregen in de Kamer maar geen meerderheid tegenover zich gevonden.
Politieke druk komt, zoals Wilders zelf ook suggereerde, vooral uit de hoek van D’66 en van de linker vleugel van de PvdA. Buma is een ouderwetse CDA ‘er. Conservatief, maar het fatsoen straalt er van af. Dat kan niet gezegd worden van Alexander Pechtold. U zoudt eens moeten praten met mensen die langer met hem samen hebben gewerkt in de tijd dat hij wethouder was in Leiden of burgemeester in Wageningen.Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die voor de eerlijkheid van Pechtold zijn hand in het vuur durfde steken. Is het vreemd dat zo iemand wel in D’66 carrière maakt en dat nooit bij het CDA zou hebben gedaan?
Het is opmerkelijk dat Pechtold het zo goed doet in D’66 en het zegt iets over de mensen die op deze partij stemmen. Die zijn als regel erg beïnvloedbaar en er op gebrand door hun omgeving gerespecteerd te worden. Wat daar voor nodig is doen ze dan ook en zo lang de publieke opinie aan hun kant staat hoeven ze daar het eigen geweten niet voor te raadplagen

Geplaatst in ethiek, Nederland, politiek | Een reactie plaatsen

Una Sancta Catholica.

De geloofsbelijdenis van Nicea (325 a.D.) is een door keizer Constantijn afgedwongen compromis tussen een aantal verschillende opvattingen over de natuur van de Christus en over een aantal andere theologische twistpunten, niet meer begrijpelijk voor wie de voorgeschiedenis niet kent. Het heeft in al zijn onbegrijpelijkheid gediend als het gemeenschappelijke fundament voor de christelijke geloofsleer en het leverde ondermeer de tekst voor dat prachtige gezang, het credo, in al die missen van Johan Sebastian Bach, Wolfgang Amadeus Mozart en Antonio Vivaldi.

Wanneer in de middeleeuwen, waar ook in Europa, in de mis het belletje rinkelde hield iedereen even op met praten met zijn buurman of waar hij verder door werd afgeleid en hij concentreerde zich op het wonder: de transsubstantiatie van brood en wijn in het lichaam en bloed van Jezus, opgeofferd tot redding van alle christenen. Iedereen geloofde daar heilig in. Net zo geloofde men in de kosmologie zoals die in de Divina Commedia werd beschreven, voor een klein deel bijbels en voor het overige afkomstig van Aristoteles en Ptolemeus. Het begrip van de wereld waarin men leefde, haar ontstaan, haar toekomst tot aan de Parousia , de wederkomst van Christus, de plaats in die wereld van heidenen, joden, mohammedanen en andere ongelovigen, daar dacht iedere christen hetzelfde over. De Paus en de Keizer en de geestelijke en wereldlijke machthebbers die aan hen hun gezag ontleenden waakten over het behoud van dat beeld en van die wereld en de gelovige christen ontleende er zijn identiteit aan. De bijbel speelde in dat beeld een rol maar ook andere elementen maakten deel uit van de christelijke overlevering

Voor de christenen die leefden onder het bewind van Tataren in Rusland, van Turken in Azië en op de Balkan en van Moren in Spanje hadden Paus en Keizer niet helemaal dezelfde functie maar ook zij leefden op de basis van Nicea[1], met een wereldbeeld dat nauwelijks anders was en dat buiten Europa zelfs langer heeft voortbestaan dan in het vrije Westen.

Aan het begin en aan het einde van die Ene Heilige en Apostolische Kerk stonden twee imponerende grote geesten, Aurelius Augustinus en Blaise Pascal. Beiden beschouwden de contradicties in de geloofsbelijdenis als een mysterie dat niet te begrijpen was en het geloof als iets dat te groot was voor het menselijk brein. Van Augustinus stamt het beeld van het kind dat aan het strand probeert om de zee in een emmertje te scheppen, terwijl Pascal verklaarde dat hij geloofde niet ondanks, maar omdat dat absurd was. Pascal leefde in de moeilijke overgangstijd tussen het Middeleeuwse en het wetenschappelijke moderne wereldbeeld. Hij loste het probleem dat die dichotomie aan hem en andere geleerden uit zijn tijd verschafte op door daadwerkelijk twee werkelijkheden naast elkaar aan te nemen die onderling geen raakpunten hadden[2].

In de dertiende eeuw had een leerling van Mohammedaanse en Joodse filosofen, de erudiete Dominicaan Thomas Aquinas al geprobeerd de tegenstellingen weg te redeneren. Hij was de grootste analyticus en het beste juridische brein van de Middeleeuwen, maar geen Augustinus of Pascal. De dertiende eeuw, waarin Thomas leefde was tevens de laatste waarin de Middeleeuwse wereld in zijn oude glorie kon worden meegemaakt, daarna kwam met de verbanning van de Pausen naar Avignon, de keuze van een of meer tegenpausen, de afname van hun morele overwicht en daarmee de ruimte voor twijfel aan het oude wereldbeeld. Het ontstaan van de reformatie en het mislukken van de contrareformatie maakte het ondenkbare waar: de leer van Nicea en het wereldbeeld van Dante waren niet langer onaangetaste waarheid. Gallilei kon nog tot zwijgen worden gebracht, maar Luthers veroordeling door de Rijksdag had niet meer het gewenste gevolg: de knop voor de verlichting werd omgedraaid in Avignon.

[1] Armenen zijn monofysieten net als de Kopten en erkennen Nicea/Chalcedon dus niet.

[2] Van Francis Bacon naar onze landgenoot Herman Dooyeweerd loopt een andere lijn die het verschil tussen het christelijk en het wetenschappelijk wereldbeeld niet zoekt in de wereld zelf maar in de wijze waarop de werkelijkheid door mensen wordt waargenomen. Spinoza tenslotte creëerde in de zeventiende eeuw een Godsbeeld dat paste in de nieuwe werkelijkheid, maar dat door zijn tijdgenoten massaal en ten onrechte als atheïstisch van de hand werd gewezen.

Geplaatst in geloof, geschiedenis | Een reactie plaatsen

Jan van Kilsdonk.

Van Kilsdonk was studenten moderator, d.w.z. zielzorger van studenten en motor van hun geestelijke activiteiten. Onder studenten is te verstaan de mannelijke studenten want met meiden had hij niet zo veel. De pater was vooral geïnteresseerd in de groep mannelijke homofiele studenten van de hoofdstad, de groep waar later zoveel van de eerste aidsslachtoffers onder zouden vallen. Maar ook in de wat machoachtige succesvolle en hetero corps- en verenigingsstudent. Ik was geen van beide. Van mij zei hij bij gelegenheid dat ik, als ik voor een andere carrière had gekozen, provinciaal had kunnen worden van de Jezuïeten. Ik heb altijd getwijfeld of hij dat als een compliment bedoeld heeft.
Wel zocht hij mij altijd op als we op dezelfde receptie waren of aanzaten aan een diner, want we hadden genoegen in elkaar conversatie of misschien alleen maar in elkaars boosaardigheid.

Van Kilsdonk was een echte zielzorger. De doelgroepen die hij had uitgekozen en waarmee hij affiniteit had, konden te allen tijde een beroep op hem doen en hij was wezenlijk in ze geïnteresseerd.. Hij werkte niet met orthodoxe begrippen van ethiek en moraliteit. Wat dat betreft was hij beslist authentiek. Zijn gevoel was heel direct. Hij was in iemand geïnteresseerd of niet en zijn interesses waren breed. Maar als hij er niets aan vond kon hij iemand ook rücksichtslos negeren.

Ik ging in 1958 studeren en Van Kilsdonk was toen nog geen moderator, dat werd hij pas later en het begrip studentenpastor was toen nog iets protestants. De studentenbeweging had haar draai nog niet gemaakt en was eerder heel conservatief dan modern zoals later. De paters Dresen en Schoenmakers pasten beter in die periode en die hadden het toen voor het zeggen. Van Kilsdonk wantrouwden ze. Ze vonden hem ook geen echte Jezuïet, wat hij inderdaad ook pas op latere leeftijd is geworden. Hij was oorspronkelijk lid van een wat kleinere, minder bekende orde en tussen de geestelijke ordes is er wel wat verschil van onderscheid. Men kijkt met andere woorden als Jezuïet wat op andere ordes neer. Van Kilsdonk bemoeide zich toen in hoofdzaak met de studenten uit de alternatieve circuits, die later de grote meerderheid zouden gaan vormen.

Veel mensen waren toen in hem geïnteresseerd omdat hij zo prachtig preken kon, ongeveer op de manier waarop Barack Obama nu zijn speeches houdt: groots en meeslepend. Ik hoorde niet tot die mensen. Ik kon niet zoveel met zijn moderne theologie en ook niet met zijn retorische kunsten, al heb ik hem wel altijd als zielzorger herkend. Niet voor mij dan, maar voor anderen.

Hij was niet alleen een begeleider maar ook zeker wel een motor bij de geestelijke veranderingen die er in de zestiger jaren plaats vonden. Vanuit het Rijke Roomse Leven, dat toen zijn einde vond kon die verandering worden gezien als de grote geloofsafval. Ik heb het in elk geval direct van het begin wel zo gezien. Ik was al veel eerder geruisloos van mijn geloof afgevallen en werd er dus niet zo door geraakt. Maar voor veel mensen, voor wie het oude geloof een steun was en een toeverlaat, was Van Kilsdonk een destructieve kracht, een soort Derrida avant la lettre. De nieuwe liturgieën die hij bracht en de grotere vrijheid in de geloofsbeleving waren in de praktijk voor veel mensen een tussenstap naar het verlaten van de kerk. Dat gebeurde in de zestiger jaren massaal. Jan van Kilsdonk begeleidde dat proces en zoals alle grote veranderingen had het naast positieve zeker ook haar negatieve zijden. Hij zat daar geloof ik niet erg mee, maar hij was dan ook een werkelijk groot mens. Grote mensen hakken en maken spaanders.

Kardinaal Alfrink, die zeker ook provinciaal of generaal van de Jezuïeten had kunnen zijn, als hij niet kardinaal en wereldheer was geworden, zei dat hij dankbaar was voor het fenomeen Van Kilsdonk. Maar misschien nog wel dankbaarder voor het feit dat er maar één zo was.

Ik denk dat we Van Kilsdonk te kort zouden doen al we hem af zouden schilderen als zachtaardig en uitsluitend mensgericht. Hij was ook een intrigant en een buitenstaander. Een man apart, maar authentiek en waardevol, dat was hij zeker.

Geplaatst in maatschappelijk, onderwijs | Een reactie plaatsen

Baruch of Benedictus.

Het Latijnse Benedictus is in het Hebreeuws Baruch en in beide talen betekent dat ‘de gezegende’. De bisschop van Rome, de zestiende van die naam, heeft alweer een tijd geleden de anders gelovige christenen op hun plaats gezet: alleen de kerk van Rome is de echte kerk van Jezus van Nazareth. Simonis, die tot 2007 aartsbisschop was van Utrecht zou zo’n uitspraak niet voor zijn rekening hebben durven nemen.

Een protestantse dame uit het noorden van ons land reageerde erop met een citaat uit Mattheus:16. Jezus werd terechtgewezen door Petrus omdat hij gesproken had over zijn eigen aanstaande dood. Die reageerde door tegen zijn trouwste leerling te zeggen dat hij ‘weg moest wezen, Satan’ of woorden van die strekking. Zij leidde daaruit af dat Jezus misschien wel minder met Petrus en met de kerk waarvan hij de basis zou gaan vormen op had, dan in Rome vaak wordt aangenomen.

Ik betwijfel of ze dit goed zag. Ook het latere verraad van Simon Petrus, vóór het driemaal maal kraaien van de haan, is geen bewijs voor zo’n stelling. Jezus en zijn leerlingen gingen stevig met elkaar om en zo was hun woordgebruik. Je moet niet alles letterlijk nemen wat ze tegen elkaar zeiden.

Jezus dacht helemaal niet na over het probleem dat er ooit verschillende christelijke kerken zouden zijn. Zelfs niet één christelijke kerk. Zelf was hij joods en wilde dat ook blijven. Jezus verwachtte de Parousia, of het einde der tijden, op hele korte termijn, maar die kwam niet en ook later niet, bij de komst van het eerste of tweede millennium.

Baruch Spinoza de zeventiende-eeuwse profeet van het moderne gehumaniseerde christendom had gelijk: wie de bijbel letterlijk neemt miskent de werkelijke betekenis ervan.

Geplaatst in beschaving, geloof, geschiedenis | Een reactie plaatsen

Spinoza.

De reputatie van Baruch Spinoza is tegenwoordig zo goed als onaantastbaar. Hij geldt als de grootste Nederlandse filosoof en een van de grondleggers van de verlichting. Weinig mensen weten nog hoe slecht die reputatie was bij zijn tijdgenoten. Om voor Spinozist te worden uitgemaakt, gold als een desastreuze aanslag op iemands goede naam.

Spinoza was geen atheïst, hij was een deïst, d.w.z. hij stelde God gelijk aan de kosmos, waarvan de mensheid een onderdeel vormde. Tegenwoordig komt men dit soort deïsten volop tegen binnen de erkende kerken, maar in de zeventiende en achttiende eeuw was deïst een scheldwoord. Het begrip werd beschouwd als een aanslag op de bestaande samenleving. Die opvatting was niet zo vreemd want inderdaad is de oude samenleving, die op godsgeloof berustte ten onder gegaan aan de verlichting en vervolgens vervangen door die van tegenwoordig. Dat Spinoza daar een werkzaam aandeel in gehad heeft, valt moeilijk te ontkennen.

Teilhard de Chardin had een publicatieverbod van het Heilig Officie[1]. Zijn variant op de evolutietheorie kwam dicht bij de gedachtewereld van Spinoza: God als eindpunt van de ontwikkeling van de kosmos, als punt omega. De congregatie voor de geloofsleer heeft een langer geheugen dan de meesten van ons. Teilhard zou – anders dan veel progressieve gelovigen in zijn tijd geleden meenden – niet de nieuwe tijd dichter bij de kerk gebracht hebben als hem publicatievrijheid was gegeven, maar de gelovigen bij de tijd. En dat is ondanks het verbod toch wel gebeurd.

[1] Het Vaticaanse department waar paus Benedictus XVI het hoofd van was voor zijn pausverkiezing.

Geplaatst in filosofie, geloof, Nederland | Een reactie plaatsen

Bijbel volgens Matsier

Nicolaas Matsier is afkomstig uit Krommenie en ziet zich zelf als een afvallige. Zoals Matsier waren erin mijn generatie best veel. Zijn ouders waren streng christelijk. Ze lazen veel en gingen wel eens naar een tentoonstelling van iets interessants, de Etrusken of zo, maar verder was er bij hem thuis weinig cultuur. Zelf heeft hij al in zijn jonge jaren het geloof eraan gegeven
In 2003 heeft hij de Bijbel volgens Nicolaas Matsier gepubliceerd en later een soortgelijk boek over het Nieuwe Testament. Is dat jeugdsentiment?
Matsier vond het jammer dat het christendom zo uit de cultuur verdwenen is. Het oppervlakkige antichristendom van de laatste halve eeuw bevalt hem helemaal niet. Hij ziet het christendom in al zijn verschijningen als de basis van onze leefwereld. Democratie, mensenrechten, de onderlinge gelijkheid van de mensen, het komt allemaal voort uit het christendom. Niet uit het jodendom of de islam, maar uit het christendom.
Niet dat de hele kerk in alle opzichten en tijdens haar hele bestaan gedeugd heeft, maar de basis ervan deugt wel. Hij betreurt het dat hij zijn kinderen naar het Barlaeus heeft laten gaan en niet bijvoorbeeld naar het gereformeerd gymnasium of het Ignatius[1]. Nu weten ze niet eens het verschil tussen Pasen en Pinksteren. En nee, zelf deed hij er ook niets aan, toen ze de leeftijd hadden waarop je dat soort dingen thuis leert. Jammer, vond hij achteraf.
Het is duidelijk dat de spijt van Matsier een culturele spijt is. Hij ziet het christendom als onderdeel van de Nederlandse identiteit, waar koningin Maxima het ooit over had en het afbrokkelen van die identiteit als een verarming.
De teloorgang van het onderwijs waar ook het verdwijnen van kennis van de geschiedenis bij hoort, zit in dezelfde hoek. De schuld van zijn generatie, meent hij. Of de komst van de islam in dit opzicht een verrijking is moeten we volgens hem maar afwachten. De moslims die we hier gekregen hebben komen uit het islamitische equivalent van de bible belt. Misschien komt het nog wel goed met ze. De islam heeft culturele hoogtepunten gekend, maar wat wij er hier in Nederland van meemaken is daar natuurlijk in zijn ogen geen voorbeeld van.
Ik parafraseer hierboven een interview met Nicolaas Matsier in de Volkskrant, waaruit hij nogal somberig en protestants naar voren komt, maar veel minder gekwetst en rancuneus dan Maarten ‘t Hart. Hij heeft ook gelijk, meen ik, als hij de ethiek van de verlichting herleidt tot het christendom en als hij daarbij meer naar het nieuwe testament verwijst dan naar het oude en meer naar het evangelie dan naar de brieven van Paulus. Hij maakt daarbij geen verschil tussen katholicisme en protestantisme, terwijl dat verschil cultureel nu juist zo veel groter is dan leerstellig. Ook op dat punt heeft hij, denk ik, wel gelijk. Het christendom dat hij uit ons collectieve leven heeft zien verdwijnen was van oorsprong het katholieke christendom van De Herfsttij der Middeleeuwen. Het protestantisme is cultureel te zien als al een eerste stap op weg naar de ontkerkelijking. Met Luther begint de individualisering en met de individualisering de verbrokkeling en het verlies aan gezag van het geloof. De vraag is natuurlijk of je het een zonder het ander kunt hebben. De fraaie kerkgebouwen en de missen van Bach en Palestrina zonder een paus die Galilei dwingen kan om zijn opvattingen over het zonnestelsel te herroepen.
Spinoza meende van wel. Dat je in elk geval het evangelie van Jezus van Nazareth kon hebben met zijn gelijkenissen en zijn Bergrede zonder kerkelijke hiërarchie en obscurantisme en dat is eigenlijk wat Matsier graag wil. Dat van die mooie kerkgebouwen weet ik eerlijk gezegd niet zo zeker. Het zou kunnen dat daarvoor een geloofsgemeenschap nodig is die hecht verbonden gehoorzaamt aan wat van bovenaf wordt opgelegd. Dat is dan nu voorbij. Maar voor het overige is Matsier een Spinozist en hij wist het niet eens.

[1] Van het gereformeerd gymnasium weet ik niet zo veel, maar op het Ignatius, waar mijn kinderen op gezeten hebben werd niet meer christendom aangetroffen in het pakket dan op het Barlaeus of het Vossius.

Geplaatst in geloof, maatschappelijk | Een reactie plaatsen

Misbruik niet de naam van Adonai Elohim.

Het is onvruchtbaar om ethiek te definiëren als het wetenschappelijk onderzoek naar wat in concreto “goed en slecht” is. De Britse filosoof G.E. Moore heeft al laten zien dat de begrippen goed en slecht hele primaire begrippen zijn en dat onderzoek ernaar overbodig is. Mensen die geen genetische defecten hebben weten spontaan wel wat goed en slecht is. In christelijke kringen wordt dat uitgedrukt door de gedachte dat God de tien geboden in het hart van de mensen heeft geschreven. Ethiek gaat voornamelijk over de vraag hoe de ene ethische imperatief tegen de andere moet worden afgewogen, hoe doelen zich verhouden tot middelen of hoe je dient te kiezen voor het minste van twee kwaden. Daar bestaat geen wetenschappelijk recept voor, dat moet van geval tot geval worden beoordeeld.
Een discussie die al weer een tijd geleden in het NRC Handelsblad werd gevoerd, speelde zich af rond de vraag of een kleine minderheid haar ethische standpunten op mag leggen aan een meerderheid en ook wel rond de politieke vraag of een staatssecretaris op eigen houtje de grenzen van het medisch toelaatbare kan verleggen.
Op deze vragen weet de CU naar mijn mening een redelijk antwoord te geven. De CU legt haar standpunt niet op aan anderen en inderdaad, een staatssecretaris moet niet op eigen houtje politiek maken op punten waar er kabinetsbeleid is naar de mening van een van de coalitiepartijen. Terecht meende de CU dat op deze punten de menigte al te onbesuisd over haar was heen gerold. Onbesproken bleef aan de andere kant de vraag wat het ethische element in het standpunt de Christen Unie nu eigenlijk was.
Te vermoeden valt dat de CU, de SGP en hun achterban embryoselectie afwijzen omdat het de vernietiging impliceert van genetisch defecte embryo’s door rechtstreeks menselijk ingrijpen. Dat deze impliciete vernietiging bij wet is toegestaan, accepteert men. Maar iedere uitbreiding van de bestaande praktijk op dit punt wordt gezien als een nieuwe aanslag op hun ethische principes. Of bewuste embryovernietiging gelijk staat aan het doden van een mens is de achterliggende vraag. Eigenlijk kan men die vraag niet tegelijk met ja beantwoorden en plaats nemen in een kabinet dat deze handeling routinematig laat plaats vinden als onderdeel van het medisch arsenaal.
Dat de artsen en wetenschappers die met embryo’s omgaan de opvatting van Rouvoet c.s. niet delen spreekt vanzelf. Anders deden ze het niet. Zij zijn niet minder ethisch dan Rouvoet, mag men aannemen. De aanslag van de christenen op hun beroepsethiek moesten zij daarom wel als beledigend ervaren

Roel Kuiper, Eerste Kamerlid en ideoloog van de CU, kwam in een artikel op de Opiniepagina van het NRC Handelsblad met het argument dat de Bijbel embryoselectie verbiedt. Hij liet na om de plaatsen in de Bijbel te noemen of de Bijbelse gedachten van ethische aard te formuleren waarmee de selectie van embryo’s in strijd zou komen. Waarschijnlijk meende hij dat die vanzelf spraken, omdat deze argumenten al zo vaak door reformatorische Christenen zijn gehanteerd, maar voor mij, die voor een ongelovige toch best een behoorlijke kennis van de bijbel bezit, doen zij dat niet. Het gebod gij zult niet doden is beperkt tot mensen en niet van toepassing als men, zoals ik, een beginnend embryo niet ziet als een mens.
Dat Kuiper dat wel doet, komt omdat hij niet in staat is om nauwkeurig aan te geven op welk punt in de ontwikkeling van embryo naar mens de overgang plaats vindt van niet-mens naar wel-mens. Ik kan dat ook niet, maar ik vind het ook geen interessant probleem. Ik weet voldoende zeker dat een embryo geen mens is en dat het in het stadium waar de discussie over gaat ook ver genoeg van de virtuele grens afzit, waar die dan ook ligt, om mij daar niet druk over te hoeven maken.

Ik begrijp dat voor orthodoxe christenen hier ook het probleem van de ‘indaling’ van de ziel een rol speelt. Die discussie is – anders dan vaak wordt aangenomen – niet Bijbels. De Bijbel geeft voor het bestaan van de ziel los van het lichaam geen enkele aanwijzing. Waarschijnlijk omdat de ziel geen Bijbels maar een Hellenistisch [1] begrip is. In de abortusdiscussie heeft men t.a.v. van het menswordingprobleem gekozen voor een grens in een veel later stadium en dat lijkt een discussie die er zich niet toe leent om heropend te worden. Deze discussie is niet Bijbels en niet rationeel; we horen die dus niet te hebben en a fortiori niet te heropenen als we een werkbaar compromis hebben gevonden.

Kuiper wijst het aan hem gerichte verwijt van fundamentalisme van de hand. Hij houdt met andere woorden niet vol dat in de Bijbel de wil van God rechtstreeks en duidelijk kenbaar wordt gemaakt. Hij volgt Augustinus waar die beweert dat God het menselijk verstand te boven gaat en is het kennelijk met Erasmus en Spinoza eens dat de uitspraken van profeten en de heilige boeken in hun context moeten worden bezien. Hij zegt dat het gaat om ethische universele noties die erin tot uitdrukking worden gebracht en die van alle tijden zijn. Daarmee neemt hij gelukkig ook afstand van zijn geestelijke voorouders die eeuwen geleden dit land bevolkten en toen het leven onmogelijk maakten aan andersdenkenden als Arminius en de gebroeders Koerbagh[2].

Dat de Bijbel niet rechtstreeks embryoselectie kan verbieden spreekt eigenlijk van zelf. De moderne medische technieken staan buiten de context waarin de Bijbel werd geschreven. De algemene notie waar Kuiper zich op beroept, maar waar hij van nalaat te vermelden hoe die hier van toepassing zou moeten zijn, is dat de mens zich met eerbied dient op te stellen tegenover een wereld die hem als het ware geschonken is en die hij niet zelf heeft gemaakt. Terecht zegt hij daarvan dat die notie wordt gedeeld door een aantal recente filosofen, van wie hij de Duitsers Sloterdijk, Heidegger, Anders en Buber vermeldt, maar weer niet bijvoorbeeld de Australiër Peter Singer. Deze moderne filosofen bepleiten allemaal op hun manier bescheidenheid van de mens tegenover de wereld waarin hij zich bevindt, zonder daarvoor noodzakelijk godsdienstige bronnen te citeren.
Het is niet moeilijk voor een humanist om het daar mee eens te zijn maar hoe verbiedt die notie de embryo selectie in gevallen waar een grote kans bestaat op het ontstaan van een ongeneeslijke kanker bij het nageslacht?

Ik vermoed dat Kuiper c.s. als zij er toe gedrongen zouden worden wel willen toegeven dat, gegeven de mogelijkheid van kunstmatige inseminatie en de bestaande praktijk op dit terrein, de selectie als zodanig een ethisch verantwoorde afweging is.
Het gaat er meer om dat daarmee naar hun mening de weg wordt vrij gemaakt voor een verdergaande vorm van selectie dan tot dusver het geval was.
Hiermee verlaat de CU naar mijn mening het pad van de ethiek en betreedt zij dat van de politiek. De Unie heeft de bestaande praktijk geaccepteerd als voorwaarde voor regeringsdeelname en probeert iedere uitbreiding ervan, ethisch of niet, te voorkomen omdat zij het ethisch inhoudelijk niet eens is met wat zij om politieke redenen heeft geaccepteerd. De achterliggende ethische reden voor het politieke standpunt is een breed gedeelde notie dat het faustiaanse element in het humanisme, de onbegrensde heerszucht van de mens over de rest van het leven en de kosmos, onvermijdelijk tot ongelukken leiden gaat. Dat is iets anders dan je te onthouden van ieder ingrijpen in de natuur. De consequentie van de veel verder gaande gedachte dat ieder actief ingrijpen verboden zou moeten zijn, zal ook de CU niet willen trekken. Het is niet waarschijnlijk dat de CU of Sloterdijk terug zouden willen naar de noble sauvage van Rousseau[3].

En daarmee zijn we weer op het punt aangeland van de afweging: doen de artsen er goed aan de verwekkers van embryo’s de keus te laten tussen gezonde en erfelijke belaste baby’s of moet die keuze om principiële redenen worden afgewezen. Een argument voor een afwijzing van de keuze geeft Kuiper naar mijn mening niet. De Maastrichtse praktijk lijkt juist gewetensvol en het standpunt dat een afweging nodig is en die alleen door de behandelende arts en niet door Kamerleden kan worden gemaakt, is terecht. Het beroep op de Bijbel en op God lijkt door de CU ten onrechte te worden gedaan. Dat is vanuit christelijk standpunt niet onbedenkelijk, want een onterecht beroep op het woord van God komt rechtstreeks in strijd met de tien geboden: Misbruik niet de naam van Adonai Elohim, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan[4].

[1] Kerkvaders als Tertullianus en Origenes verwijzen naar Aristoteles als bron voor het separate bestaan van de ziel, maar zij doen dat ten onrechte. Diens werk ‘Over de Ziel’ geeft geen enkel aanknopingspunt voor het bestaan van een ziel los van het lichaam. Volgens Aristoteles hebben alle levende wezens, waartoe hij naast planten ook goden rekent, een ziel. Hij doelt ermee op iets wat levende wezens wel hebben en dode niet. Een soort levensbeginsel met andere woorden en zeker niet iets dat een afzonderlijk bestaan lijdt en eventueel gereïncarneerd zou kunnen worden. Plato zou een betere bron zijn geweest voor de kerkvaders. Van hem loopt een lijn achterwaarts naar de Griekse mysteriegodsdiensten en voorwaarts naar de hemel van de Christenheid.

[2] Zie ook Israel, The Radical Enlightenment.

[3] Tout est bien, sortant des mains de l’Auteur des choses, tout dégénère entre les mains de l’homme, Emile, eerste zin.

[4] Exodus 20:7.Adonai Elohim betekent letterlijk meesters en goden en verwijst naar de god van de Hebreeën

Geplaatst in ethiek, geloof, maatschappelijk, Nederland, politiek | Een reactie plaatsen