Sociologie.

Als ik bezuinigingen in het hoger onderwijs moest doorvoeren dan koos ik voor het afschaffen van een of meer studierichtingen die relatief de minste toegevoegde waarde hebben in wetenschappelijk opzicht. Niet dus voor het afschaffen van papyrologie of Assyrisch, beide vakken die, als afgeschaft zouden worden, een leemte zouden achterlaten die niet snel meer zou kunnen worden opgevuld; maar bijvoorbeeld voor het afschaffen van sociologie en alle aanverwante agogische en bestuurskundige vakken.

Dat betekent niet dat er geen geleerde of bekwame sociologen zouden zijn. Ik noem Herman Vuijsje[1] als een auteur voor wie ik respect heb. Ook Marcel van Dam, met wie ik het zelden eens ben, houd ik voor een talentvol iemand. Maar mijn punt is dat geen socioloog die iets presteert dat doet dank zij zijn opleiding. Hadden mensen als Norbert Elias of J.A.A. van Doorn rechten of economie of een ander zinnig vak gestudeerd dan zouden ze over dezelfde onderwerpen met minstens zoveel kennis en gezag kunnen schrijven minus veel overbodige ballast en het jargon dat de productie van veel sociologen zo bederft.

Ik krijg nogal eens persoonlijke mails en telefoons van sociologen die vinden dat ik hun vak te veel door de modder haal en van de week was er een die openlijk op de site de discussie aanging. Hij vond dat ik de sociologie (ten dele) ten onrechte wetenschappelijke status ontzegde want de kwantitatieve sociologie hanteerde wel degelijk de criteria van Karl Popper. Maar na mijn reactie op deze uitspraak werd het weer stil.

Kennelijk wil men of kan men geen voorbeelden geven van maatschappelijke problemen die met behulp van deze wetenschap tot een oplossing zijn gekomen of zelfs maar helder in kaart gebracht. Er is geen andere wetenschap die ik ken waar de studenten zulke uitgebreide boekenlijsten krijgen voorgeschoteld, die zo massaal genegeerd worden, zonder dat dit een merkbaar verschil maakt voor de te behalen tentamens.

In een vorig en in het huidig kabinet hebben we een minister die van het Hubrecht Instituut in Utrecht afkomstig was, een van de beste wetenschappelijke instituten die we in Nederland hebben. Zo’n man moet toch kunnen beoordelen of sociologie wetenschappelijk onzin is of niet, denk je dan. Daar hadden  we toch Stapel en zijn Nijmeegse collega Roos Vonk niet voor nodig.

Maar Plasterk is intussen meer politicus dan wetenschapper en die waagt zich niet aan zoiets, kennelijk. Dus sukkelen we door en spenderen erg veel geld en energie aan een opleiding waar niemand iets aan heeft en die studenten weg houdt van vakken die wel maatschappelijke en wetenschappelijke relevantie hebben.

 

[1]  Neem bijvoorbeeld zijn bespreking in 2005 van Geert Maks boekje Gedoemd tot Kwetsbaarheid. Geert Mak is trouwens behalve journalist en jurist ook socioloog.

Advertenties
Geplaatst in wetenschap en filosofie | Een reactie plaatsen

Remunjs kallen

Op vakantie is in het Frans en vacances, meervoud dus. Waarom meervoud en geen enkelvoud weet ik ook niet. Ik kreeg een dezer dagen een berichtje van iemand die daar in haar vakantiehuis verbleef en die enkelvoud schreef. Kennelijk was de juiste spelwijze  toch bij me blijven hangen, al wist ik niet meteen precies hoe en  wat. Ik heb het opgezocht en meervoud dus als in les vacances de monsieur Hulot.

Is zoiets belangrijk? Nee, natuurlijk niet. Maar het is grappig dat het bij je blijft hangen, want ik spreek eigenlijk nooit Frans, zelfs niet als ik in Frankrijk ben. Sinds dat geen wereldmacht meer is spreekt iedereen daar Engels, net als bij ons. Ik spreek tegenwoordig in Duitsland ook Engels, behalve tegen oudere familieleden van mijn vrouw. Dan spreek ik Duits voor de gezelligheid en soms nog dialect ook, want haar Duitse tante komt uit het Rijnland en het dialect daar is hetzelfde als in mijn geboortestad Roermond.

We hadden thuis vijf kinderen en omdat mijn beide ouders van boven de grote rivieren kwamen werd er onder elkaar  alleen Nederlands gesproken. Van mijn broers en zusters sprak niemand dialect, behalve ik dan. Maar dialectloos leven beperkte iemand in Limburg indertijd behoorlijk in zijn contacten. Ik speelde veel op straat en dan moest je wel kunnen kallen, als je verstaan wilde worden.

Ik ga nog ieder jaar een keer naar  Roermond  voor de dodenherdenking en dan logeer ik altijd in hetzelfde hotelletje, dicht bij de Duitse grens. De eigenaar is van mijn leeftijd. Ik ken hem intussen en spreek hem aan in het dialect. De laatste keer vertelde hij dat hij dat zo leuk vond, want zijn zoon en kleinkinderen deden dat niet meer, die waren net als alle Midden Limburgers overgeschakeld op Nederlands met een accent. Kwam door de televisie, dacht hij.

Geplaatst in Frankrijk | Een reactie plaatsen

Nederland fietsland.

De fiets is in het centrum van Amsterdam een beter vervoermiddel dan de auto. Autoluw maken van de binnenstad zou voor de verkeerssituatie een vooruitgang betekenen en het aantal verkeersslachtoffers behoorlijk terugbrengen. Maar autoluw maken zou niet voldoende zijn. Scooters zijn een groter gevaar voor fietsers dan auto ‘s. Ik zou uit een oogpunt van verkeersveiligheid er voorstander van zijn om scooters en scooter brommers uit de binnenstad te weren. Het zou daarnaast een stuk beter zijn voor de gezondheid van de stadsbewoner.

Er is wel eens voorgesteld  om een maximum snelheid van 30 km/uur in te stellen. Maar veel jongeren houden zich daar niet aan. Bovendien is de fietsruimte als regel onvoldoende om scooters gemakkelijk te laten passeren, ook als ze dertig per uur rijden.

Scooters op de buitenwegen en in de stad alleen tijdens de spitsuren, om het woon-werkverkeer te faciliteren. Dat lijkt mij de beste oplossing. Aangezien er meer fietsen dan mensen zijn in Nederland zal het effect niet zijn dat erg veel meer fietsen verkocht gaan worden, maar wel veel minder brommers en auto ’s in de grote steden. Wat mij betreft zeker iets om naar uit te kijken.

 

Geplaatst in Amsterdam, zo maar wat | Een reactie plaatsen

Shakespeare, een vakman.

Toneel was in de tijd van koningin Elisabeth vooral een manier om de publieke opinie te beïnvloeden. Kranten of andere media waren er nog niet en de populariteit van schotschriften kwam net wat later. Maar toneel was er waanzinnig populair. Wie zijn ideeën onder de mensen wilde brengen schreef boeken voor de happy few zoals Francis Bacon of hij schreef toneelstukken voor een wijder publiek. Maar de toneelwereld was sociaal suspect. De vrouwen die als actrices werkten waren helemaal stand nul, maar ook mannelijke acteurs en de regisseurs stonden maatschappelijk niet erg hoog in aanzien. Kijk naar de toneelspelers die in Hamlet worden beschreven. Het is verleidelijk om in dat drama autobiografische elementen te herkennen van Shakespeare en van de prins Hamlet uit het beroemde stuk.

Het ligt voor de hand dat wanneer iemand van hoge adel zijn ideeën langs de weg van het theater onder de mensen wilde brengen hij iemand anders nodig had die namens hem naar buiten toe optrad. Toneelspelen was bovendien een vak en je had een soort tekstschrijver nodig om van het aangeleverde materiaal speelbaar toneel te maken.

Wat kan het iemand schelen, zou je zeggen, of Shakespeare nu de schrijver was of iemand anders die zich Shakespeare noemde. Een roos ruikt immers onder iedere andere naam even goed, maar het is wel degelijk een interessant probleem dat hier speelt. Shakespeare was zelf toneelspeler en later regisseur, theaterdirecteur en toneelschrijver van beroep. Maar hij was de zoon van een kleine burger uit Stratford on Avon, in het Engelse graafschap Warwickshire. Als hij een vorm van hogere school doorlopen heeft, wat niet eens zeker is, moet het de plaatselijke Latijnse school zijn geweest.

Hij schreef zijn stukken niet om ze in boekvorm te publiceren maar puur als materiaal voor zijn gezelschap. Veel ervan kan hij onmogelijk op school gehad hebben en ook niet in zijn carrière als toneelspeler hebben opgepikt. Daarvoor is het te divers, te diepzinnig en te gedetailleerd. Om zo’n brede kennis te verkrijgen moet je systematisch hebben gelezen en gestudeerd. Bovendien passen de ideeën en emoties uit zijn beste werk helemaal niet in de culturele achtergrond van de historische Shakespeare.

De idee dat veel van het werk van Shakespeare een coproductie is geweest van Shakespeare, de toneelvakman met heel iemand anders, een groot schrijver die zelf op de achtergrond wilde blijven, is daarom helemaal zo gek niet. Wie dat dan geweest zou kunnen zijn, weten we niet. Er duiken steeds weer dezelfde  namen op. Edward de Vere en Francis Bacon zijn daarvan de twee belangrijkste, maar voor geen ervan bestaan voldoende sterke aanwijzingen om een keus te kunnen maken. En dat er meer dan een  co-auteur geweest is valt ook niet uit te sluiten.

Persoonlijk gok ik op Francis Bacon als degene die de belangrijkste bijdragen heeft geleverd, want dat was een erkend genie die van opleiding en beroep zowel jurist als filosoof was. Toch lijdt het aan de andere kant geen twijfel dat het Shakespeare zelf geweest is die al die schitterende dichterlijke ‘blank verse’ passages heeft geschreven.

Toneel was in de tijd van koningin Elisabeth een manier om de publieke opinie te beïnvloeden. Wie zijn ideeën onder de mensen wilde brengen schreef boeken voor de happy few zoals Bacon of hij schreef toneelstukken voor een wijder publiek. Het ligt voor de hand dat wanneer iemand van hoge adel zijn ideeën langs de weg van het theater onder de mensen wilde brengen hij iemand anders nodig had die dat naar buiten toe voor zijn rekening nam. Toneelspelen was een vak en je had een soort tekstschrijver nodig om van het aangeleverde materiaal speelbaar toneel te maken.

Ook van de Ilias zou heel goed speelbaar drama te maken zijn, ik denk ongeveer als volgt.

10 Aktes, te verdelen over twee of drie avonden. Eerst een prelude waarin uiteengezet wordt waar het over gaat, namelijk over de gevolgen van woede, ook als die woede op zich gerechtvaardigd lijkt en naar Griekse maatstaven de beledigde moeilijk anders handelen kon dan hij deed. Dan in de eerste akte een verteller die uiteenzet wie de hoofdrolspelers zijn, waar ze vandaan komen, wat hun beweegredenen zijn en hoe hun onderlinge betrekkingen lopen. De Grieken komen van de Europese kant van de Aegeïsche Zee en zijn tien jaar eerder geland in de buurt van Troje. Ze willen de stad veroveren omdat die de toegang tot de Hellespont beheerst en daarmee de ingang naar de Zwarte Zee. Ze kwamen ook omdat een Trojaanse prins de vrouw gestolen had van de broer van Agamemnon, de opperkoning van de Grieken.

Dan een tweede akte waarin een oude priester van Apollo optreedt, die zijn gevangen dochter los wil kopen van de Grieken maar door een bitse Agamamemnon wordt weggejaagd. Een entr’acte met onheilspellende muziek waarin de priester bidt tot Apollo om de Grieken te straffen. Apollo is de god van zowel muziek en andere kunsten als van besmettelijke ziekten.

Een derde akte waarin een verteller uitlegt hoe een epidemie het Griekse leger plat legt en hoe er een vergadering komt van leiders en manschappen om de situatie te bespreken. Tussen de akten een herhaling van de muziek van de entr’acte met andere en lichtere instrumenten.

In de vierde akte meent een ziener te weten en te kunnen vertellen wat de oorzaak is van de epidemie maar hij wil wel van te voren een toezegging dat hij beschermd zal worden tegen de wraak van de machtigen die hij met zekerheid nu op de tenen zal gaan staan. De jonge held Achilles, de leider van de Myrmidonen en zoon van een godin, zegt zijn bescherming toe en de ziener vertelt het verhaal van akte 2. De opperbevelhebber wordt inderdaad boos, zoals verwacht maar hij staat machteloos. Achilles geeft met steun van de rest van de vergadering de ziener de beloofde protectie.

Vijfde akte. Knarsetandend geeft Agamamemnon dan de dochter terug aan haar vader maar hij laat ter compensatie zijn soldaten nu een slavin weghalen bij Achilles. Die staat op het punt zich daarvoor te wreken op zijn commandant, maar Athene, de godin van de wijsheid, houdt hem tegen. In plaats daarvan trekt hij zich terug uit de strijd en vertrekt met zijn Myrmidonen uit het Griekse legerkamp.

Zesde akte. Eerst gaat het eigenlijk heel goed en winnen de Grieken nog een aantal veldslagen. De andere helden treden uit de schaduw van Achilles en presteren beter dan voorheen. De verhalen daarover worden Achilles verteld door zijn vriend en landgenoot Patroclus die mee is blijven vechten.

Maar dan keren de krijgskansen. Hector de Trojaan krijgt een zelfde soort overwicht op het slagveld als Achilles eerst had. De Grieken worden teruggedrongen naar hun legerkamp bij de schepen waarmee ze de zee zijn overgestoken. Agamemnon stuurt deputaties naar Achilles met het verzoek om zijn woede te laten varen en smeekt hem terug te keren in de strijd. Hij krijgt alles wat hij hebben wil ter compensatie van het geleden affront. Maar Achilles blijft weigeren.

De zevende akte is de grote ommekeer, maar voorlopig blijft dat nog even verborgen voor de spelers. Patroclus komt vertellen over het gevecht bij de schepen en hoe Hector de Grieken zo intimideert dat niemand meer iets durft. Hij vraagt de wapenrusting van Achilles te leen om de Trojanen te laten denken dat hij Achilles is en ze zo schrik aan te jagen. Hij hoopt daardoor de Grieken wat lucht te kunnen geven. Die wapenrusting krijgt hij op voorwaarde dat hij uit de buurt van Hector blijft.

In de achtste akte komt een vriend Achilles vertellen hoe Patroclus zijn belofte vergeet en sneuvelt tegen Hector.

In de negende akte wordt het verhaal verteld van de nieuwe woede van Achilles die de oude verdringt. Hoe hij een nieuwe wapenrusting krijgt via interventie van zijn goddelijke moeder en hoe hij wraak neemt op Hector voor de dood van zijn vriend en partner Patroclus.

In de tiende en laatste akte komt de oude Priamus, de vader van Hector, naar Achilles. Hij loopt daarbij onverschrokken dwars door de linies van de Grieken en valt Achilles ten voet, smekend om het lijk van zijn zoon. Achilles krijgt medelijden. Hij laat zijn woede tegen Hector varen en geeft het lijk af. Einde verhaal. Alles met gebruik van de teksten van Homerus, gesproken in het klassieke Homerische Grieks, met een vertaling op een scherm boven het toneel. Het lijkt me fantastisch en niet alleen voor ex-gymnasiasten.

Er is aan het co-auteurschap van Shakespeare nog een aspect. Hij was waarschijnlijk homoseksueel, iets wat in die tijd in Engeland even verwerpelijk was als nu in Bahrein. Homo’s leefden in een soort geheime wereld, waar Shakespeare dus deel van uit moet hebben gemaakt. Een van die homo’s was Francis Bacon. Ook dat is een aanwijzing maar alweer geen definitieve.

Een tijd geleden stond in De Groene een artikel van Cornel Bierens met de titel ‘Over ambachtelijkheid: Liederlijk geklodder’. Het ambacht is weer terug in de kunst meende hij en hij memoreerde hoe in het Frankrijk van de negentiende eeuw de nu vergeten Meissonier bewonderd werd, die een voortreffelijke techniek had, maar nogal levenloos schilderde, terwijl Van Gogh en Delacroix over een veel mindere techniek beschikten maar wel interessante ideeën tot uitdrukking wisten te brengen. Nu zou de slinger van de klok weer de andere kant op gaan, meende Bierens en technisch kunnen weer bewonderd worden.

Daar speelt een misverstand. Kunst is vóór de verlichting altijd een aspect van ambachtelijkheid geweest en niet andersom. De allerbeste ambachtslieden produceerden kunst, als een meerwaarde boven de normale eisen die aan hun werk werden gesteld. Wie meewerkte aan het bouwen van een kathedraal in de dertiende eeuw moest een goed vakman zijn. Hij moest ramen kunnen brandschilderen of waterspuwers maken die er bij voorkeur aardig uitzagen, maar vooral ook water dienden af te voeren.

Een kathedraal die er wel goed uitzag maar instortte voor hij klaar was, was een slechte kathedraal. Artisticiteit was ad majorem Dei gloriam. Het had een meerwaarde, maar de ‘kunstenaar’ werd er niet beroemd door. Ambachtslieden waren nu eenmaal niet beroemd in de Middeleeuwen, met een uitzondering misschien voor de bouwmeester zelf, maar ook die was dat lang niet altijd. Artistieke meerwaarde werd algemeen als een ‘godsgeschenk’ opgevat en niet als een noodzakelijke voorwaarde om behoorlijk werk te leveren.

In de zeventiende eeuw maakten de schilders goed lijkende portretten. Als Rembrandt daar wat meer van bakte dan een ander, dan was dat meegenomen maar eigenlijk niet eens altijd. Het schilderij van het schuttersgilde werd door Banning Cocq eerst van de hand gewezen omdat niet iedereen zich goed geportretteerd voelde. Zijn grote beroemdheid kreeg Rembrandt pas in de negentiende eeuw toen de Duitse romantici het werk van de grote kunstenaars uit het verleden zoals Rembrandt en Shakespeare boven alle andere menselijke prestaties gingen vereren en dat als het ware deden met terugwerkende kracht.

Bach en Mozart waren in eerste instantie producenten van de Kerkmuziek die zij zelf uitvoerden of van hofmuziek die tot amusement diende voor de elite in een tijd toen er nog geen audio was en geen discotheken.

Kapelmeester was hun vak en artisticiteit was een meerwaarde. Het was in elk geval niet hun vak. Iemand vestigde zich niet als componist of kunstenaar, dat beroep bestond helemaal niet, al kwam er een draai in die richting in de tijd van Mozart. Dat ergens tussen Bach en Mozart een grote verandering begon blijkt wel uit de grote afstand die er in compositorisch oogpunt bestond tussen Bach en zijn zonen. En meer nog misschien uit de moderne manier waarop Frederik de Grote Johann Sebastian ontving, toen die zijn zoon Carl Philipp Emanuel bezocht, die aan het koninklijk Hof van Pruisen verbonden was. Bach gedroeg zich tegenover de koning met een middeleeuwse nederigheid, terwijl de koning, zelf een verdienstelijk fluitist en een pover componist, de moderne houding aannam van een verlicht mens die voor niemand wilde onderdoen in bewondering voor de oude meester.

De omkering van de verhouding tussen kunst en ambacht is een verschijnsel van de verlichting. Als Bierens nu zegt dat de ambachtelijkheid weer terug komt bedoeld hij helemaal niet dat de kunst weer middel wordt in plaats van doel, maar dan wil hij zeggen dat kunstenaars weer een degelijke opleiding nodig hebben zodat ze kunnen maken wat hun voor ogen staat.

Moderne kunst die niet voldoet aan de eisen van een opdrachtgever is een verschijnsel van de twintigste eeuw en een verschijnsel dat altijd gevraagd heeft om haar eigen mislukking. De terugkeer naar de ambachtelijkheid is een reactie op de uitwassen van het l’art pour l’art. Het is niet voor niets dat in de architectuur, waar de ambachtelijkheid nooit is weggeweest, het meest waardevolle werk is gemaakt in de laatste honderd jaar en dat in de klassieke muziek en de schilderkunst veel van het betere werk uit de twintigste eeuw de vergelijking met de zeventiende en achttiende eeuw niet kan doorstaan.

Het uitgangspunt dat kunst een bonus is boven op goed vakwerk is een stuk reëler dan de idee van een jonge man zonder opleiding die op zijn zolderkamertje ‘kunst’ zit te schijven of te schilderen. Dat laatste zie je dan ook alleen in Europa en zijn voormalige koloniën, terwijl de rest van de wereld nooit iets anders dan vakwerk heeft gekend.

Onze veranderde opvatting over kunst is wat naar mijn mening ten grondslag ligt aan het Shakespeare probleem. Al meer dan een eeuw lang worden de meest wilde theorieën bedacht over wie in werkelijkheid de schepper van al die grote theaterstukken is geweest. Shakespeare was een theaterproducent, maar dan op te vatten in de wijdste betekenis van dat woord. Hij regisseerde, repeteerde en dirigeerde. Hij schreef ook zelf de stukken die hij op de planken bracht. Niet als kunst maar als onderdeel van zijn vak. Als anderen hem daar bij hielpen, bijvoorbeeld door een historische schets voor hem te schrijven of een filosofische verhandeling, dan greep hij dat dankbaar aan en gebruikte het. Zelf kon hij goed teksten schrijven. Taal was, zeg maar, echt zijn ding. Hij wist hoe het ging klinken op de Bühne en hoe het dramatisch zou werken in zijn toneelproducties en daar was het hem om te doen. Zoals Hamlet, prince of Denmark met de spelers omging zo moeten mensen van het Hof van koningin Elisabeth met Shakespeare zijn omgegaan. Geen van de betrokkenen zagen in de samenwerking waarschijnlijk iets vreemds. Dat Shakespeare een literaire meerwaarde had boven zijn bekwaamheid als theaterexploitant, dat was onverwacht, maar wel mooi meegenomen.

Geplaatst in literatuur | Een reactie plaatsen

Een vrouw in het land der blinden.

Petra Stienen heeft op het Bisschoppelijk College in Roermond gezeten, wat een uitstekende school is, maar in mijn tijd alleen voor mannen. Daarna heeft ze Arabisch gestudeerd aan de Universiteit van Leiden. Ze was daar lid van ALSV Quintus, een vereniging voor knorren, zoals we die mensen vroeger noemden.

Tussen 1995 en 2004 was ze in dienst bij de Nederlandse ambassades in Egypte en Syrië. Tijdens de  Arabische Lente in 2011 werd ze regelmatig om commentaar gevraagd in nieuwsprogramma’s , waaronder  dat van Pauw & Witteman. Naar aanleiding daarvan kreeg ze in 2012 de Vrouw in de Media Award 2011. Stienen heeft speciale belangstelling voor de rechten van mensen en meer in het bijzonder die van vrouwen.  Ze schrijft  een column in Opzij en schrijft ook wel eens voor NRC Handelsblad en de Volkskrant. Ze heeft daarnaast een vaste rubriek in de Limburger. In 2016 kreeg zij de Aletta Emancipatieprijs.

Haar boek Dromen van een Arabische lente[1] is helaas niet erg profetisch gebleken. Haar twee andere boeken zijn Het andere Arabische geluid[2] en Terug naar de Donderberg[3]. Stienen heeft een dochter maar geen partner. Ze verblijft vaak in haar favoriete stad Caïro.

Hoe haar Arabisch is, weet ik niet, want dat versta ik niet, maar haar Nederlands zou beter kunnen. Wat ze over het Midden Oosten te vertellen heeft valt nogal tegen, maar in het Arabische land der blinden is eenoog nu eenmaal koning.

 

[1] 2008

[2] 2012

[3] 2015. De Donderberg is een volkswijk in Roermond.

 

 

Geplaatst in Midden Oosten | Een reactie plaatsen

Bantoe’s en Niloten.

De vader van Barack Obama was een Loeo[1]. De Jaloeo[2] zijn een
Oost Afrikaanse stam van Nilotische afkomst. Waarschijnlijk komen ze oorspronkelijk uit de Soedan en zijn ze verwant met de Ethiopiërs en Somaliërs. Zoals praktisch overal op de wereld zullen de Jaloeo ook wel met stammen van andere afkomst verwant zijn geraakt in de loop de eeuwen maar het verschil tussen Bantoe’s en Jaloeo is ook tegenwoordig nog met het blote oog te zien. Dat verschil was in oorsprong even groot als dat tussen Kaukasiërs en Bantoe’s. We stammen allemaal af van Afrikanen en Kaukasiërs waarschijnlijk van een groep die meer verwant is met Oost- dan met West Afrikanen. Het is de zwarte huid van de Afrikanen die ons op een dwaalspoor brengt. Dat verschil in huidskleur zorgt er voor dat  bij ons alle Afrikanen over een kam worden geschoren. Maar ook de Dravidiërs uit Zuid India zijn zwart en de Papoea’s en de Australische Aboriginals. Wie voldoende generaties in de tropen woont wordt zwart, omdat donker gepigmenteerde mensen daar genetisch in het voordeel zijn.

De zwarte bevolking van de VS stamt af van de slaven uit de Zuidelijke staten. Hun voorouders komen uit West Afrika, voornamelijk uit het
stroomgebied van de Niger. Dat zijn dus heel overwegend Bantoe’s. Kenyanen en Ethiopiërs winnen alle lange afstand hardloopwedstrijden. Bantoe’s en hun afstammelingen winnen de korte afstanden en de bokswedstrijden. De Toetsi’s in Roeanda zijn Niloten, de Hoetoe’s zijn Bantoe’s.

Dat de Toetsi’s voor de Belgen kwamen in Roeanda eeuwenlang de macht in handen hadden, is geen toeval. De Niloten zijn dominant in hun concurrentie met de Bantoe’s. In Kenya bezetten ze de meerderheid van de functies waar een goede scholing voor vereist is en legers van Niloten zijn in het algemeen succesvoller dan Bantoe legers.

Het is politiek niet correct om gemiddelde IQ’ s te testen van bevolkingsgroepen[3] en dat gebeurt dus ook niet. Maar als men zich over de humanistische bezwaren heen zou kunnen zetten zou waarschijnlijk blijken dat Niloten intelligenter zijn dan Bantoe’s. De Somaliërs, waar Hirsi Ali toe hoort, zijn Niloten.

Barack Obama lijkt in zijn uiterlijk en manier van doen meer op een Europeaan dan op iemand uit de zwarte getto’s van Chicago. Dat komt niet alleen omdat zijn moeder blank is, maar ook omdat zijn vader met de zwarte bevolking van Amerika genetisch nauwelijks meer gemeen kan hebben gehad dan zijn moeder.

Overigens zeggen gemiddelden niet alles over de eigenschappen
van individuen. Kofi Annan en Nelson Mandela zijn beiden Bantoe’s en zeker niet minder intelligent dan de gemiddelde piraat uit Somalië[4]. Maar
het zegt weer wel wat over bevolkingsgroepen. Dat we daar om ideologische redenen niet aan willen is een van de oorzaken waarom het niet gaat lukken om de Amerikaanse getto’s op te ruimen of de West Afrikaanse landen van een westerse vorm van samenleving te voorzien.

[1] enkelvoud.

[2] meervoud.

[3] Minister Ollongren heeft Thierry Baudet daar onlangs nog op gewezen.

[4] Dat rassenwaan in Amerika onderhuids nog steeds een rol speelt bleek toen de Amerikanen in 1993 in hun arrogantie een klein legertje Somalië instuurden om daar een paar bondgenoten te bevrijden. De helicopters van de Amerikanen werden neergeschoten en bijna twintig procent van de manschappen kwam om het leven voor ze door een grotere legermacht konden worden ontzet.

 

Geplaatst in afrika | Een reactie plaatsen

Ondernemingswinsten.

Met de winst van een onderneming kan bedoeld worden de jaarwinst of de totale winst. Jaarwinst of winst behaald in een andere boekhoudkundige periode is een momentopname. Een periodewinst wordt als volgt berekend:

Men bepaalt het eigen vermogen aan het begin en aan het einde van de betrokken periode, vermeerdert dat met de onttrekkingen en vermindert met de vermogensstortingen in de periode en het (gecorrigeerde) beginvermogen wordt vervolgens van het (gecorrigeerde) eindvermogen afgetrokken.

Het saldo is de winst of het verlies over de periode. Met dit begrip kan men de gang van zaken vergelijken tussen eerdere en latere perioden, maar inhoudelijk is de betekenis maar betrekkelijk. Een jaarwinst of kwartaalwinst is daarvoor te zeer afhankelijk van gebeurtenissen die buiten de gemeten periode vallen.

De totale winst is te definiëren als  de contante waarde van alle kasstromen van een onderneming en zij bepaalt samen met het netto gestorte vermogen de waarde van de vennootschap.

Winst in deze laatste betekenis is een levensnoodzaak voor een vennootschap. Wanneer de kasstromen per saldo negatief zijn houdt de onderneming na verloop van tijd op te bestaan. Winst is daarom een signaal dat de bedrijfsvoering geen dringende wijziging behoeft en omgekeerd houdt verlies een waarschuwing in voor het management om zijn koers te wijzigen. Winst is een middel om de onderneming in stand te houden en wordt er winst gemaakt dan betekent dat in principe ook een verhoging van de aandeelhouderswaarde, al wordt die door meer factoren bepaald dan alleen door de winst. Maar winst of aandeelhouderswaarde kan geen doel op zich zijn. Het doel van een onderneming is altijd gelegen in de producten die zij vervaardigt en de functie die daarmee vervuld wordt in de samenleving. Een onderneming die het zicht verliest op haar functie brengt zich zelf en haar omgeving in gevaar.

Aandeelhouders zijn verschaffers van kapitaal, een functie die ook door banken en andere financiers wordt vervuld. Aandeelhouders worden op twee manieren beloond voor het ter beschikking gestelde kapitaal: een deel van de kasstromen van de onderneming komt hun toe in de vorm van dividend. Daarnaast kunnen zij de waardestijging van de onderneming verzilveren door de verkoop van hun aandelen. Op het eerste gezicht lijkt alleen de dividendbetaling van belang te zijn voor de onderneming en is de waardestijging van de aandelen een kwestie van aandeelhouders onderling.  De onderneming lijkt daar als zodanig niets mee van doen te hebben, maar in de praktijk is het omgekeerde het geval. Het dividend is bij de meeste beursfondsen als percentage van de aandelenwaarde te verwaarlozen en aandeelhouders zien het rendement op hun beleggingen vooral terug in de verzilvering van de waardestijging. Voor de onderneming is de koersontwikkeling van belang omdat die de prijs bepaalt waartegen aandelen kunnen worden geëmitteerd en daarnaast ook de hoeveelheid aandelen die nodig zijn om andere ondernemingen over te nemen.

 

Voor zover de koersstijging een tijdlang niet zozeer het gevolg is geweest van de stijging van de actuele of  de verwachte toekomstige kasstromen, maar van toekomstverwachtingen die geen direct verband houden met de bedrijfsvoering, schuilt er in dit beloningssysteem een gevaar. Als de verwachtingen vervliegen of wanneer alleen maar het tempo waarin de verwachtingen zich realiseren tegen valt, dan kan de stijging van de koersen in een daling verkeren. In dat geval komt er geen  beloning voor de aandeelhouder maar een vermogensverlies op het ter beschikking gestelde kapitaal. Dit is niet alleen een storend element in het systeem voor pensioenfondsen en andere beleggers, maar ook voor ondernemingen die hun bedrijfsvoering te zeer laten beïnvloeden door de beurskoersen en door de periodewinsten, waarop de beurskoersen doorgaans reageren.

Geplaatst in bedrijfsleven, geld en economie | Een reactie plaatsen