Wim Kok en Srebrenica.

Bij al de uitzendingen die de afgelopen week aan Wim Kok werden gewijd, werd zijn verantwoordelijkheid voor het disaster in Srebrenica wat onder het tapijt geveegd. Hijzelf heeft nooit ontkend dat hij een majeure fout heeft begaan door troepen naar Bosnië Herzegovina te laten gaan, zonder van te voren te onderzoeken of die troepen tegen de  omstandigheden en gevaren daar zouden zijn opgewassen. Dat bleken ze niet te zijn. Kok nam de verantwoordelijkheid daarvoor op zich en ontlastte daarmee Van Mierlo en Voorhoeve, die beiden eigenlijk een meer directe verantwoordelijkheid droegen. Maar Kok was dan ook van een ander kaliber dan die twee leden van zijn kabinet. Hij was bezweken onder de druk van de Tweede Kamer, die bescherming van de moslims tegen de Serviërs als een morele verplichting beschouwde.

Toen het geweld in 1993 escaleerde nadat er ook oorlog uitbrak tussen de moslims en de Kroaten in het gebied, drong de Tweede Kamer er op aan een Nederlands bataljon te sturen om de troepen van de VN te versterken.

In een rapport uit 2002 van het NIOD – het instituut voor oorlogs- holocaust- en genocidestudies – werd de militaire top verweten dat ze feiten verdoezeld zouden hebben. De Nederlandse overheid zou met de uitzending van de militairen een onverantwoorde beslissing hebben genomen: het mandaat van Dutchbat was ontoereikend en de militairen waren slecht voorbereid en onvoldoende uitgerust. Dit rapport leidde tot de val van het tweede kabinet-Kok, dat te kennen gaf wel de verantwoordelijkheid op zich te nemen, maar niet de schuld. Excuses aan de nabestaanden zijn nooit gemaakt, maar Wim Kok heeft het de rest van zijn leven dwars gezeten en terecht. Het is een van de redenen waarom hij tot de beste premiers wordt gerekend die ons land na de oorlog heeft gehad.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Piet de Jong.

De zes premiers van na de tweede wereldoorlog die er in mijn ogen boven uitstaken, waren Willem Drees, Louis Beel, Piet de Jong, Ruud Lubbers, Wim Kok en Mark Rutte Vijf van de zes genoten tijdens en vier ook na hun premierschap grote bekendheid, maar Piet de Jong deed dat niet.

Voor allemaal geldt dat ze de belangen van de eigen partij achter stelden bij die van het land en zo hoort het ook. Maar het is iets dat een politicus zich alleen kan permitteren als zijn positie in de eigen partij onaantastbaar is.

Voor Piet de Jong bleek dat niet het geval, toen hij in 1971 als lijsttrekker door zijn partij vervangen werd door Veringa. Dat was de domste streek die deze partij ooit heeft uitgehaald. Veringa bakte er niets van en was na een jaar al weer van het politieke toneel verdwenen.

De Jong, die 101 jaar is geworden, overleed twee jaar geleden. Hij heeft bij mijn weten nooit de publieke erkenning gekregen die hij op grond van zijn prestaties verdiende. Maar ik geloof niet dat hem dat veel kon schelen. Hij zocht de publiciteit niet en was tevreden met de erkenning door degenen die hem na stonden, waartoe de bemanningen hoorden van zijn schepen, maar ook de koninklijke familie. Zijn carrière was impeccable.

Van 1935 tot 1947 was hij marine officier bij de onderzeedienst. Op 13 mei 1940 ontsnapte hij met een duikboot in aanbouw, de Hr. Ms. O 24, naar Engeland. Tijden de tweede wereldoorlog nam hij eerst als oudste officier en vanaf 1944 als commandant, deel aan gevechten. Hij heeft Japanse en Italiaanse schepen tot zinken gebracht. In april 1946 keerde hij met de O 24 terug naar Nederland.

In 1947 trad hij toe tot de marinestaf van het ministerie van Oorlog en Marine en in 1948 werd hij adjudant van minister van defensie Schokking. In 1951 werd hij benoemd tot commandant van fregat Hr. Ms. De Zeeuw wat hij tot eind 1952 bleef. Vervolgens werd hij stafofficier bij de Allied Commander-in-Chief Channel in Portsmouth. In 1955 werd hij benoemd tot waarnemend chef-staf van de inspectie-generaal der marine, in de tijd dat Bernhard van Lippe-Biesterfeld inspecteur-generaal was. Van 1955 tot 1958 was hij adjudant van koningin Juliana. Hij werd in 1958 commandant van de onderzeebootjager Hr. Ms. Gelderland in de rang van kapitein-ter-zee.

Hij kreeg tweemaal het Bronzen Kruis. Een keer voor de succesvolle ontsnapping in 1940 naar het Verenigd Koninkrijk. De tweede keer in 1943 voor zijn succesvolle optreden met de O 24. In Groot Brittannië ontving De Jong het Distinguished Service Cross, een onderscheiding die met het Bronzen Kruis vergelijkbaar is.

In alles wat hij deed is De Jong succesvol geweest, maar ik denk niet dat hij een van de premiers is die de mensen zich nu nog herinneren. Jammer, want de man en zijn carrière zijn een deel van onze vaderlandse geschiedenis.

 

.

 

 

.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Piet de Jong.

De zes premiers van na de tweede wereldoorlog die er in mijn ogen boven uitstaken, waren Willem Drees, Louis Beel, Piet de Jong, Ruud Lubbers, Wim Kok en Mark Rutte Vijf van de zes genoten tijdens en vier ook na hun premierschap grote bekendheid, maar Piet de Jong deed dat niet

Voor allemaal geldt dat ze de belangen van de eigen partij achter stelden bij die van het land en zo hoort het ook. Maar het is iets dat een politicus zich alleen kan permitteren als zijn positie in de eigen partij onaantastbaar is.

Voor Piet de Jong bleek dat niet het geval, toen hij in 1971 als lijsttrekker door zijn partij vervangen werd door Veringa. Dat was de domste streek die deze partij ooit heeft uitgehaald. Veringa bakte er niets van en was na een jaar al weer van het politieke toneel verdwenen.

De Jong, die 101 jaar is geworden, overleed twee jaar geleden. Hij heeft bij mijn weten nooit de publieke erkenning gekregen die hij op grond van zijn prestaties verdiende. Maar ik geloof niet dat hem dat veel kon schelen. Hij zocht de publiciteit niet en was tevreden met de erkenning door degenen die hem na stonden, waartoe de bemanningen hoorden van zijn schepen, maar ook de koninklijke familie. Zijn carrière was impeccable.

Van 1935 tot 1947 was hij marine officier bij de onderzeedienst. Op 13 mei 1940 ontsnapte hij met een duikboot in aanbouw, de Hr. Ms. O 24, naar Engeland. Tijden de tweede wereldoorlog nam hij eerst als oudste officier en vanaf 1944 als commandant, deel aan gevechten. Hij heeft Japanse en Italiaanse schepen tot zinken gebracht. In april 1946 keerde hij met de O 24 terug naar Nederland.

In 1947 trad hij toe tot de marinestaf van het ministerie van Oorlog en Marine en in 1948 werd hij adjudant van minister van defensie Schokking. In 1951 werd hij benoemd tot commandant van fregat Hr. Ms. De Zeeuw wat hij tot eind 1952 bleef. Vervolgens werd hij stafofficier bij de Allied Commander-in-Chief Channel in Portsmouth. In 1955 werd hij benoemd tot waarnemend chef-staf van de inspectie-generaal der marine, in de tijd dat Bernhard van Lippe-Biesterfeld inspecteur-generaal was. Van 1955 tot 1958 was hij adjudant van koningin Juliana. Hij werd in 1958 commandant van de onderzeebootjager Hr. Ms. Gelderland in de rang van kapitein-ter-zee.

Hij kreeg tweemaal het Bronzen Kruis. Een keer voor de succesvolle ontsnapping in 1940 naar het Verenigd Koninkrijk. De tweede keer in 1943 voor zijn succesvolle optreden met de O 24. In Groot Brittannië ontving De Jong het Distinguished Service Cross, een onderscheiding die met het Bronzen Kruis vergelijkbaar is.

In alles wat hij deed is De Jong succesvol geweest, maar ik denk niet dat hij een van de premiers is die de mensen zich nu nog herinneren. Jammer, want de man en zijn carrière zijn deel van de vaderlandse geschiedenis.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Nederlands soort racisme.

De Raad van Europa vond Nederland racistisch omdat de monitor racisme had laten weten dat de politie bij aanhoudingen de groepen eruit pikt met de hoogste criminaliteitscijfers. Individuen uit die groepen voelden zich als gevolg daarvan gediscrimineerd.
Iets dergelijks geldt voor de Nederlandse werkgelegenheid. Die blijkt beperkter voor de groepen met de slechtste record voor schoolverzuim en taalbeheersing. Discriminatie op incompetentie vond de ombudsman ongeoorloofd, als die ongeschiktheid verband hield met fysieke of godsdienstige kenmerken.
Een hoogleraar aan de Caraïbische Universiteit van Jamaica meende dat Nederland er geen twee Kerstmannen op na moest houden( ??!). Een zwarte knecht en een paard in plaats van een rendier vond ze van de gekken en in elk geval overbodig. We moesten normaal doen, net als iedereen, was haar conclusie.

Onze minister president werd over deze klachten ondervraagd en koos ter beantwoording de kwestie Zwarte Piet. Die is, zoals we allemaal weten, zwart, was zijn observatie en daar liet hij het bij.
Dat leek mij op wel een adequate reactie. Beter dan die van burgemeester Van der Laan, die in zijn goedhartigheid meende dat hij de zwarte bezwaarden serieus hoorde te nemen.
Hij zal intussen wel gemerkt hebben dat goede bedoelingen niet helpen. Niet de premier werd het mikpunt van de Pietenhaters, maar de burgemeester.
Benign neglect is in zulke gevallen de enige verstandige reactie. Daniel Patrick Moynihan, senator voor New York, zei ooit over dit onderwerp het volgende:
The time may have come when the issue of race could benefit from a period of ‘benign neglect.’ The subject has been too much talked about. The forum has been too much taken over to hysterics, paranoids, and boodlers. We need a period in which negro progress continues and racial rhetoric fades.”

Negeer het onderwerp eens een jaar of twintig en kijk dan nog eens of het nog bestaat. Discussies als over Zwarte Piet leiden alleen tot nieuwe discriminatie, dus die helpen niet.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Een reorganisatie van de overheid.

Bestuursrechtsgeleerde De Vries uit Leiden schreef in de NRC dat in Nederland een omgekeerde democratie is ontstaan. Het is niet langer een elite die leiding geeft aan de bevolking maar de lager opgeleiden uit de bevolking die de toon zetten en een elite die volgt. Hij ziet dat als de verwezenlijking van een vorm van directe democratie die de representatieve democratie sinds Fortuijn lijkt te hebben vervangen. Dat blijkt bij politieke calamiteiten, als de moord op Fortuijn en op Van Gogh en bij de uitslag van het grondwet referendum. De Vries lijkt deze ontwikkeling niet als een vooruitgang te zien, maar zegt ook niet hoe de representatieve democratie die we hier sinds de negentiende eeuw gekend hebben weer hersteld zou kunnen worden.

Pieter de Rooy schreef op dezelfde pagina van de krant dat naar zijn mening het volk juist niet wil besturen maar alleen goed bestuurd wil worden. Met een verwijzing naar het verleden, toen in Nederland ook eens een grondwet bij referendum werd verworpen, suggereert hij dat we hier misschien met een blessing in disguise te maken kunnen hebben, het zou nog best eens goed af kunnen lopen.

Pieter de Rooy heeft naar mijn mening op beide punten gelijk. Het wantrouwen dat nu een paar maal zo massaal tot uiting kwam is een gevolg van het gevoel dat in Nederland overheerst, dat we sinds de zestiger jaren slecht worden bestuurd en dat ook Brussel er niet echt in slaagt de Europese problemen op te lossen. Nederland met haar afbraak van het onderwijs en desorganisatie in de zorg is extreem, maar overal in Europa blijken de negentiende-eeuwse staatsinrichtingen niet langer opgewassen tegen de problemen van de een en twintigste eeuw. Het is bovendien juist wat hij zegt, dat de Europese grondwet niet alleen nog langer is dan de Nederlandse uit 1797 maar tenminste even onleesbaar.

Als J.A.A. van Doorn, in Trouw van dezelfde dag, suggereerde dat de ja stemmers de inhoud van de grondwet zwaar hebben laten wegen dan kunnen we alleen maar concluderen dat dit soort hoger opgeleiden het stuk slecht gelezen of slecht begrepen hebben. Het enthousiasme dat hij over het tweede deel had bijvoorbeeld, het deel met de grondrechten, was volkomen misplaatst. Niemand heeft behoefte aan nog een internationaal verdrag over de grondrechten naast het Europese verdrag voor de rechten van de mens en het UN grondrechtenverdrag. Het is een juridische misser als die rechten straks door een Hof in Luxemburg gehandhaafd zouden gaan worden in concurrentie met het Hof voor de mensenrechten in Straatsburg. Dezelfde mensen die zo tevreden waren over de gele kaart die Nederland kon uitdelen als het subsidiariteitsbeginsel zou worden aangetast hebben geen oog voor de mogelijkheid dat het Nederlandse beleid op terreinen als euthanasie, abortus en drugsgebruik door datzelfde Hof EU opzij zou kunnen worden gezet, wegens strijd met de mensenrechten.

Een verdrag dat door niemand in zijn geheel gelezen of begrepen kan worden is een bron van onverwachte en ongewenste ontwikkelingen en het argument dat veel ervan al in eerdere verdragen stond is een onvolkomen argument. De context is nieuw en dat maakt ook de betekenis nieuw. De noodzaak om een onwerkzame Brusselse machine aan te passen aan overhaast tot stand gekomen uitbreidingen is geen excuus voor broddelwerk. Als de nee-stemmen in het referendum tot gevolg zouden hebben dat er een betere grondwet kwam, dan was dat inderdaad een blessing in disguise geweest. Maar het verdrag van Lissabon wijst niet in die richting.

Met de kleine reparaties in de verworpen grondwet meende de Brusselse Eurocraten een reële basis te hebben gevonden voor de samenwerking tussen ( toen nog ) 25 Europese landen, maar het is evident dat dit niet het geval is geweest. Een nieuwe bestuurslaag plaatsen boven een aantal slecht functionerende nationale bureaucratieën is geen oplossing voor de bestaande problemen, het creëert een nieuw probleem. De grondwetscommissie had er goed aan gedaan om niet voort te bouwen op de bestaande gebrekkige organisatie in Brussel, maar een analyse te maken van de problemen in dit werelddeel en vast te stellen welke daarvan de hoogste prioriteit hebben. Hun taak was het om daar een oplossing voor te bedenken. De instituten moeten voortvloeien uit de problemen waarvoor de Europese samenwerking nodig wordt geacht. Worden instituten gemaakt op grond van historische modellen, zonder dat iemand zich schijnt af te vragen waar die in een moderne wereld nog voor dienen, dan los je niets op, dan worden de instituten zelf tot een probleem.

Dat is precies wat er in Europa is gebeurd. Vergelijk de tijd die de laatste jaren besteed is aan de verruiming van de  bevoegdheden van het Europese parlement met de tijd die besteed is aan het tot stand brengen van een Europese infrastructuur. Een juridische, financiële en communicatie infrastructuur is wezenlijk voor het functioneren van de markt en voor de welvaart. Een Europees parlement is irrelevant gebleken voor de controle van het Hof EG en de Raad van ministers, de twee enige Europese organen die er toe doen. De Europese Rekenkamer heeft in al de jaren van haar bestaan nog nooit een goedkeurende verklaring kunnen geven aan de Europese jaarrekening. Over goed functioneren gesproken!

Het komt niet alleen door hun Europese ergernis dat mensen zo massaal nee hebben gestemd. Die komt ook voort uit het feit dat ze de bijna vijfhonderd bladzijden grondwet niet hebben willen lezen en de toelichting niet konden begrijpen, Het is zeker ook een uiting van nationaal onbehagen. Omdat de Nederlandse bestuurlijke elite zo uitgesproken voor een ja was gaf zij het volk de gelegenheid om met een nee zijn mening over die elite tot uiting te brengen.

Geen van de twee schrijvers duidde aan waar het Nederlands establishment  gefaald heeft, maar een lijst van mislukkingen is niet zo moeilijk te maken. Ik volsta met twee voorbeelden.

In dezelfde tijd dat de grondwet werd verworpen, werd in de Eerste Kamer de zoveelste wijziging behandeld in de zorgwetgeving, opnieuw ingegeven door de uit de hand lopende kosten. Terecht waren de huisartsen in opstand gekomen tegen de ingreep van de overheid op hun medische vrijheid van handelen. Maar nog beter zou het zijn als de zorgwereld in haar geheel de overheid duidelijk zou maken dat op basis van het huidige systeem de zorg geen toekomst heeft. Er is geen natuurlijke grens aan de kosten van een zorg die voor iedereen op gelijke wijze toegankelijk is. Zo’n systeem vraagt om een vorm van distributie en dus om wachtlijsten of om weigering van medisch noodzakelijke verstrekkingen en verrichtingen. Het vraagt vooral ook om een eindeloze bureaucratie. Het bizarre is, dat met de indrukwekkende hoeveelheid geld die in de Nederlandse zorg wordt uitgegeven een voortreffelijke zorg mogelijk zou moeten zijn. Aan de bekwaamheid van het medisch personeel ligt het niet. Als er medische fouten worden gemaakt, wat in toenemende mate voor schijnt te komen, dan is dat eerder een gevolg van een gebrek aan organisatie en een falende moraal dan van een gebrek aan medische kennis of bekwaamheid bij de artsen. Met alle morele bezwaren die ons establishment tegen de gezondheidszorg van onze buren heeft, moeten we toch constateren dat het daar allemaal beter werkt.

Wat de reden is dat Nederland een eigen slechter en duurder zorgsysteem moet hebben dan de ons omringende landen kan niet worden uitgelegd aan iemand die onze morele preoccupaties mist. De reden is ideologisch, logisch is zij in elk geval niet.

Het onderwijs verkeert in een staat van desorganisatie. Iedereen erkent het, maar een duidelijk plan tot verbetering is er niet. In de zorg en bijvoorbeeld ook in het justitionele apparaat is er voldoende geld beschikbaar, maar moet men twijfelen of het aan de zaken wordt uitgegeven die de hoogste prioriteit hebben. Het onderwijs komt daarbij ook nog eens geld te kort. Toch is het ook daar in de eerste plaats een kwestie van een verkeerde organisatie. Worden er onderzoeken gedaan door buitenstaanders dan is dat altijd het hoofdpunt in hun commentaar.

Een Kamerlid van de SP, Agnes Kant, zei indertijd dat het in de zorg ontbrak aan voldoende ervaren en goed opgeleid verplegend personeel. Dat is zeker een juiste waarneming, maar waar zijn die ervaren krachten gebleven die we vroeger wel hadden? Mark Rutte, toen nog staatssecretaris van onderwijs, wist het antwoord. Zijn zus en veel anderen met haar hebben genoeg van de drie lagen management die boven ze werden geplaatst en die worden betaald uit fondsen waar ook hun salaris uit moest komen. Ze had een hekel aan alle vergaderingen en het invullen van formulieren, waar de helft van haar tijd mee heen ging, terwijl om haar heen op collega’s werd bezuinigd maar niet op managers. Zij moest harder werken voor minder geld en in steeds minder aantrekkelijke omstandigheden. Zij en al die anderen vertrokken liever naar andere banen met minder stress die beter werden betaald of concentreerden zich op hun kinderen en hun huishouding.

Met een verbeterde organisatie, die we in het buitenland zo zouden kunnen afkijken, staat de zorg in een paar jaar weer op de rails, maar het onderwijs, dat is veel ernstiger. Dat is nu voor een volledige generatie verknoeid. De leerkrachten zijn onvoldoende opgeleid en gedemoraliseerd. De door de scholen zelf afgenomen examens zijn onbetrouwbaar als indicatie voor het kennisniveau van de leerlingen. Er heerst geen discipline en de  aangeboden leerstof blijkt voor een aanzienlijk deel van de leerlingen oninteressant. Absenteïsme en geweld zijn vooral in de grote steden normale verschijnselen geworden.

Dit lijkt me de weg waarlangs op termijn het onderwijs verbeterd kan worden:

  1. Voer voor leraren een staatsexamen in met voldoende hoge eisen, aangepast per schooltype. Voorzie in nieuwe verbeterde opleidingen, die door dit examenniveau noodzakelijk zullen worden. Pas de honoreringen aan de gestelde hogere eisen aan.
  2. Pas de leerplichtwet aan, zodat het verwijderen van leerlingen die het onderwijs aan anderen bemoeilijken mogelijk wordt. Zorg dat dit voor scholen geen financiële consequenties heeft. Zorg voor een opvang van delinquente leerlingen. Maak aparte scholen voor de leerlingen die het normale onderwijs niet kunnen volgen. Berust er in dat het beter is goed onderwijs te hebben voor zeventig procent van de bevolking dan slecht onderwijs voor iedereen. Neem dat risico, maar wees niet verbaasd als ook het onderwijs voor de onwillige of onvoldoende begaafde leerlingen blijkt te verbeteren.
  3. Schaf het ministerie van onderwijs af en vervang dit door een ZBO met uitgebreide bevoegdheden en een duidelijke opdracht. Hou daar controle op de besteding van het budget, breng bestuur en management niet in de verleiding zich zelf te verrijken.
  4. Beperk de omvang van scholen en klassen zodanig dat met één managementlaag per school kan worden volstaan. Schaf het onbegrijpelijke locatiesysteem af en concentreer al het management dat niet in de individuele scholen kan worden opgebracht in het ZBO.

 

De bevolking houdt het landsbestuur verantwoordelijk voor de teloorgang van het onderwijs en de desorganisatie op andere terreinen en zij doet dat terecht. Het utopisme dat bijna vijftig jaar lang hoogtij heeft gevierd in de Nederlandse samenleving, heeft de blik op de werkelijkheid verduisterd en de aandacht afgeleid van de groeiende problemen op allerlei plaatsen in de samenleving. Nu is de wal bezig het schip te keren en dat is een blessing in disguise.

Wat voor Nederland in het klein geldt, geldt voor Europa in het groot. Niemand wacht op een nieuwe en zinloze politiek-bestuurlijke bureaucratie in Brussel. We willen samenwerking tussen de Europese landen op de terreinen waar die samenwerking zin heeft en een organisatie die probleemgericht is in plaats van megalomaan.

Persoonlijk denk ik dat de samenwerking beter tot haar recht zou komen als de EU in drie delen werd gesplitst waarbij met de verschillen in cultuur en welvaart beter rekening zou kunnen worden gehouden dan nu het geval is. Ze zouden dan ieder hun eigen munt en economische organisatie kunnen krijgen. Ik verwacht overigens niet dat het daar van komt. Duitsland zit daarvoor nog te veel vast aan zijn verleden en het zuiden en oosten van de EU zouden bang zijn voordelen kwijt te raken die ze in de tegenwoordige organisatie genieten. Maar voor het economisch functioneren van de drie delen van Europa zou het zeker een vooruitgang zijn.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Godsdienst en cultuur

Het probleem dat Tzvetan Todorov aansneed in zijn La peur des barbares[1]  houdt ons op verschillende manieren allemaal bezig: bestaat er zo iets als een westerse en een moslim cultuur en zo ja zijn die elkaar vijandig gezind?

Een daarmee samenhangend probleem is of wij mensen met een moslim achtergrond anders moeten behandelen dan mensen met een westerse, een Chinese of een hindoe achtergrond. Ik denk dan aan de arrestaties die sinds september 11th op verzoek van de CIA in diverse Europese landen plaats hebben gevonden, van mensen met een specifieke moslim achtergrond.

Andere vraag: behandelen moslims ongelovigen anders dan de eigen geloofsgenoten?

Bij het bestuderen van de problemen doen zich allerhande vragen voor waar men eigenlijk van zou verwachten dat de wetenschap daar intussen  wel antwoorden op zou hebben gevonden, maar die wetenschap komt niet tot bruikbare conclusies. Uitgevers als The Policy Press[2] produceren prachtig fotomateriaal en fraai uitgegeven boeken, maar weinig relevante informatie.

Een van die vragen is of de moslim cultuur aan de moslim religie hangt en zo ja of iets dergelijks geldt voor alle culturen. Is onze  westerse bijvoorbeeld een afgeleide van de christelijke cultuur en is het verschil tussen de culturen te herleiden tot inhoudelijke verschillen tussen de godsdiensten?

Arnold Toynbee[3] dacht van wel. Hij meende dat alle beschaafde samenlevingen ontstaan zijn rond een godsdienst, al vallen naar zijn mening godsdienst en cultuur niet noodzakelijk samen. Onder godsdienst is hier te verstaan een gefundeerde levensbeschouwing met metafysische aspecten. De Chinese levensbeschouwingen als het confucianisme en ook het boeddhisme zijn vanuit Toynbee ’s gezichtspunt als godsdiensten aan te merken, al zagen de Boeddha en Confucius zelf dat waarschijnlijk anders.

Christenen, Druzen en Alawieten, die als minderheden met afwijkende godsdiensten in het Midden Oosten wonen, nemen deel aan de moslim cultuur. Toch worden zij zelf door de orthodoxe soennieten niet als moslims, d.w.z. als gelovigen beschouwd. Moslims die hier komen wonen nemen deel aan de westerse cultuur, of doen ze dat misschien toch niet? Misschien niet als ze hier in getto’s blijven wonen, waar de getrouwde vrouwen de deur niet uitkomen en de kinderen les krijgen op een Koranschool. Iets dergelijks hadden we ooit in het Ottomaanse rijk en eerder in het Moorse Spanje, waar op godsdienstige grondslag georganiseerde autonome groepen gescheiden leefden in een soort hiërarchisch verband, maar zonder dat de culturen integreerden.

Historiografie zoals Toynbee die bedreef of sociologie als die van Marx of de Frankfurter Schule is een vorm van filosofie, niet van wetenschap. De concepten die erin gevormd worden kunnen dienen om de stof te ordenen, maar er vindt geen terugkoppeling plaats naar de werkelijkheid. Ze bieden ook geen middelen om hun stellingen aan de werkelijkheid te toetsen.

Onze landgenoot Pieter Geyl heeft in een serie radio discussies voor de BBC ooit aangetoond dat er in Toynbee ’s theorievorming geen sprake was van bewijsvoering in strikte zin. Dat neemt niet weg dat zijn ideeën goed  doordacht en interessant zijn. Zij zouden best uitgangspunt kunnen zijn voor een  vorm van wetenschappelijk onderzoek, als we maar beschikten over de tools om dat onderzoek te doen.

 

[1] au-delà du choc des civilisations, Paris, Robert Laffont, 2008.

[2] Email: tpp-info@bristol.ac.uk. The Policy Press, University of Bristol, Fourth Floor, Beacon House, Queen’s Road, Bristol BS8 1QU UK Telephone: +44 (0)117 331 4054 Fax: +44 (0)117 331 4093.

[3] A Study of History, Oxford University Press 1934

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De Nederlandse regering Balkenende II wilde in maart 2005, op de top in Brussel, het onderwerp contributies niet op de agenda hebben. Nederland was relatief de grootste betaler van de EU en men was bang dat rumoer daarover een negatieve invloed op het referendum zou hebben.

Ik was toen in two minds about it. Eigenlijk hadden die twee zaken natuurlijk niets met elkaar te maken, het referendum en de bijdragen van Nederland. Ten onrechte daarom dat uitstel. Bovendien, als we geen verlaging kregen van de andere lidstaten, dan toch gewoon niet. Een moet er de grootste betaler zijn en het kan beter van een stad dan van een dorp. Nederland is financieel gesproken in de EU een vrij grote stad. Maar de regering kon wel eens gelijk hebben. Wij Hollanders zijn zuinig en we zouden om die reden best eens tegen kunnen stemmen als er voldoende lawaai over het onderwerp werd gemaakt.

Zelf had ik dat niet erg gevonden als een meerderheid bij ons tegen was gaan stemmen, al was het om de verkeerde reden. Anders dan de regering wilde doen geloven betekende dat niet dat de EU dan op zou houden te bestaan of dat allerlei belangrijke dingen niet door zouden gaan die op basis van de nieuwe grondwet waren gepland. Nederland zou in de ogen van andere landen afgaan, vooral in de ogen van Frankrijk, als dat in haar eigen referendum eerder wel ja had gezegd, maar wat had ons dat kunnen schelen? Dat is een zaak voor de Nederlandse Brusselaars en dat zien ze daar dan maar.

Voor de rest zouden we dan geen EU minister van buitenlandse zaken krijgen en geen vergrote macht van het EU parlement, maar who cares?

Die grondwet van Giscard kon beter de prullenbak in, vond ik. Niet omdat hij zoveel bladzijden telde, al vond ik dat voor een grondwet wel een ernstig gebrek. Maar vooral omdat het ding erop gericht was op den duur van Europa een federale staat te maken en dat leek me verspilde moeite.

Ik weet niet of U dat zou willen, maar of we het willen of niet, het gaat niet gebeuren. Kijk maar naar het Stabiliteitspact, de afspraken op basis waarvan de Europese landen met sterke munten de Euro hebben geaccepteerd. Er is ons indertijd bezworen dat iedereen zich eraan zou houden en dat er serieuze straffen zouden staan op overtreding. De socialist Eichel uit Duitsland en de Gaullist Thierry Breton, de in 2005 aangetreden Franse minister van financiën, hebben het zover gekregen dat ze die regel ook officieel ongestraft mochten overtreden. De andere ministers bonden in en het taboe van het pact was verdwenen. Het gaatje in de dijk was definitief geworden en al het water dat er door stroomde ging voor verdere vergroting van het gat zorgen, dat was toen al duidelijk. Dat was dus einde stabiliteit maar het bewees nog iets anders.

De macht lag en ligt bij de lidstaten en niet in Brussel. Dat geldt natuurlijk meer voor de grote dan voor de kleine landen, dus de kleine moeten er al helemaal niet aan beginnen, maar hoe dan ook, het federale project is tot mislukken gedoemd[1].

Ik  persoonlijk vond het mislukken van het project Giscard d’Haene niet jammer, want ik heb meer met Nederland dan met Europa en meer met Amerika dan met Frankrijk of Duitsland, maar daar denken andere mensen anders over. Dat weet ik best en dat is het punt eigenlijk niet. Mijn grootste bezwaar tegen de nieuwe grondwet was en is, dat we twintig jaar alle Europese energie zouden gaan steken in iets waar toch niets van terecht ging komen en  dat al die tijd de werkelijk belangrijke problemen onvoldoende prioriteit zouden krijgen.

Denk aan de Schengen problematiek, aan de vervuiling van de Maas en de Rijn, de gevolgen van de klimaatverandering, aan het Europese hoger onderwijs, aan het op orde brengen van de Europese handels en fiscale wetgeving, aan de vervoersproblematiek, aan de interne en externe veiligheid, problemen die in alle EU landen spelen, maar overal op een andere manier. Die problemen eisen ieder een eigen aanpak, niet op federaal niveau, maar wel in samenwerking en op een per probleem aangepaste wijze. Daarbij moet met de verscheidenheid van de diverse betrokken lidstaten rekening worden gehouden, of er komt niets van terecht.Wie niet het abstracte begrip Europa ter harte gaat maar de mensen die daar wonen en hun samenlevingen, die de komende decennia met een groot aantal moeilijke problemen te kampen krijgen, die hoopte dat de grondwet zou wordt afgestemd en door een beter verdrag vervangen. Het eerste is gebeurd en het tweede niet of nauwelijks.

 

[1] Men verwijst graag naar Amerika waar een federale grondwet is gebruikt om een confederatie om zeep te helpen en waar die grondwet dus wel degelijk een rol heeft gespeeld in de politieke ontwikkeling in de richting van een federatie. Men vergeet dan daarbij te vermelden dat daar een burgeroorlog voor nodig is geweest die in gruwelijkheid een voorafschaduwing was van de twee wereldoorlogen. Het omgekeerde dus van wat de vredelievende EU’ers voor waar willen houden.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen