Mijn broer en mijn opa.

Mijn bibliotheek heeft twee  verdiepingen en op de trap naar boven hangt een portret van mijn opa. Dat is geschilderd door mijn jongere broer en het lijkt voortreffelijk. Een gezaghebbende oudere man, ongeveer zo oud toen als ik nu ben, geschilderd in tinten groen.

Mijn grootvader vond zelf dat het niet leek, want hij was  niet zo groen, meende hij. Zo groen was hij inderdaad niet, maar de bibliotheek is in English green geschilderd en het portret past daar heel goed bij.

Die broer van mij was een groot talent, op allerlei terreinen. Hij schilderde en tekende niet alleen heel goed, hij deed met 16 jaar eindexamen HBS B. En vijf of zes jaar later was hij kernfysisch ingenieur, met lof of genoegen, dat weet ik niet meer precies, maar zoiets.

Jammer genoeg had hij zijn studie in Eindhoven in plaats van in Delft gedaan en min of meer vanzelfsprekend kwam hij toen in dienst bij Philips. Niet bij het Natlab, wat hij  best had gekund, maar op de saaist denkbare afdeling: elektrische weerstanden. Daar heeft hij de rest van zijn leven gewerkt, een tijdlang in het buitenland maar voor de rest in Eindhoven en zonder dat er ooit iets gebeurde dat de moeite waard was om te memoreren. De weg van de minste weerstand, die  bewandelde hij en behalve met mij heeft hij daar nooit met iemand ruzie over gehad. Dood zonde vond ik het, omdat er zoveel dingen waren die hij goed gekund had en waarbij zijn toegevoegde waard erg veel groter zou zijn geweest en niet alleen voor hem zelf.

Aan het eind van zijn leven hebben we veel bijgepraat, waarbij bleek dat  hij mij ook heel goede raad had kunnen geven. Zo gaan die dingen, maar jammer blijft het.

Advertenties
Geplaatst in herinneringen, zo maar wat | Een reactie plaatsen

Het genoom.

Iedere cel van een organisme bevat alle instructies die nodig zijn voor de opbouw en de handhaving van het gehele organisme, gecodeerd in een chemische taal die bestaat uit vier verschillende nucleotiden. Deze worden in de wandeling aangeduid met de letters A,G,C, en T. Het menselijk organisme telt ongeveer drie miljard nucleotiden per chromosoom en iedere cel heeft twee chromosomen, de bekende dubbele helix van DNA.

Als de tijd is aangebroken voor een deel van een chromosoom om “vertaald” te worden, dan opent de helix zich even om de chemische tegenhanger van het DNA, het RNA in de gelegenheid te stellen een kopie te maken van (een deel van) een van de twee.  Het deel dat wordt gekopieerd wordt  een gen genoemd, een eenheid van erfelijkheid. Van de nucleotiden die deel uitmaken van het gekopieerde stuk  is een deel actief en een ander deel niet. Actief zijn betekent meestal aanleiding geven tot de productie van een proteïne, maar het kan ook iets anders zijn, bijvoorbeeld om in de cel bepaalde functies aan de gang te brengen of te reguleren. Het deel van het RNA dat gecodeerd is voor het maken van proteïnen ondergaat onderweg een verdere chemische bewerking en wordt vervolgens afgelezen door de machinerie van de cel die de eiwitten produceert. Al de proteïnen die deel uit maken van het gen en van het overeenkomstige stuk RNA en die in de betreffende cel of voor de betreffende functie niet van pas komen worden er eerst uit gehaald en de rest van het stuk RNA wordt in de juiste volgorde achter elkaar gezet, ongeveer als in het “knippen en plakken”- programma van Microsoft Word. Het resultaat, een lijst met betekenisvolle instructies, heet boodschappers RNA.

Dit proces van ordenen en herzien verloopt niet altijd op dezelfde manier. Een en hetzelfde gen kan op verschillende manieren tot uitdrukking komen al naargelang het proces van knippen en plakken dat  wordt toegepast. In de praktijk betekent dit dat het editing proces, zoals dit in het Engels heet, een dominante invloed heeft op het genetisch gebeuren, of anders gezegd, dat een en hetzelfde gen een aantal heel verschillende functies kan hebben.

Dit wijst er weer op hoe veel ingewikkelder biologische functie in het algemeen blijken te zijn dan aanvankelijk werd aangenomen. Mensen hebben relatief weinig genen, ook weinig werkzame genen in verhouding tot veel andere organismen, maar een groot aantal multiple functies van genen en een veelzijdig editing proces.

Een mooi voorbeeld voor systeemanalisten en programmeurs hoe met weinig middelen ingewikkelde programma’s kunnen worden gemaakt.

Geplaatst in Geen categorie, wetenschap en filosofie | Een reactie plaatsen

Morris Tabaksblat.

Aan het werk van de commissie Tabaksblat is veel, maar eigenlijk nogal onevenwichtige aandacht gegeven. De nadruk heeft gelegen op de beloningssystemen van de bestuurders van beursfondsen en op het aantal commissariaten dat iemand mag hebben. Het advies had andere aspecten die eigenlijk belangrijker waren.

Het herstel van de invloed van aandeelhouders bijvoorbeeld en de regel comply or explain. De regels van de commissie van Jaap Peters waren vrijblijvend. Dat was een tijger zonder tanden, maar de Tabaksblat regels zijn dat niet. Ze zijn flexibel, wat een enorm voordeel is. De publicatie in het jaarverslag van afwijkingen van de regels (non compliance) dwingt de onderneming om verantwoording af te leggen. Voor beursfondsen die opereren in een omgeving met een alerte financiële pers is dat in de regel al voldoende. De publieke opinie en de beurskoers zorgen tezamen al voor voldoende sanctiemogelijkheden om public companies  in het gareel te houden. Daarnaast heeft de a.v.a. de gebruikelijke sancties jegens bestuurder die tekort schieten, zoals weigering van décharge, korting op de beloning en ontslag. Tenslotte zijn er de juridische procedures voor de Ondernemingskamer (enquête wegens wanbeleid en procedures inzake de jaarrekeningen).

Transparantie, niet alleen van het bestuur, maar ook van het toezicht. De regels, waarvan zowel de naleving als de afwijking moet worden toegelicht in het jaarverslag, gelden niet alleen voor de raad van bestuur maar ook voor de raad van commissarissen.

Tabaksblat, petje af. Als dit ooit wet wordt is het een grote vooruitgang.

 

 

Geplaatst in bedrijfsleven, Nederland, recht | Een reactie plaatsen

Zazie en anderen.

“Frankrijk is de beschaving” zei Rudy Kousbroek in de krant van 9 maart 2002. Maar daar kan hij natuurlijk geen gelijk in hebben. Frankrijk is niet de beschaving, het was hoogstens ooit de beschaving en dat is dan al weer behoorlijk lang geleden. Zijn eulogie gaat dan ook niet over het heden maar over het verleden en het verre verleden.

Na 1848 is Frankrijk in hoofdzaak een volger geweest, eerst een epigoon van Duitsland en later van de Angelsaksen. Het heeft sinds die tijd weinig bijgedragen aan de Europese beschaving en er veel van geprofiteerd.

Toch, wie van Franse boeken zegt: dat is uit de tijd van mijn voorouders, dat lees ik niet, die doet zichzelf onrecht. Frankrijk is wel degelijk groot geweest, ooit. In de tijd van mijn vader viel er al niets meer te lezen, of weinig in elk geval en het opvallende is, de Fransen doen dat zelf ook niet. In Nederland, dat een veel kleiner land is, worden jaarlijks meer boeken verkocht dan in Frankrijk.

Maar twee honderd jaar geleden en nog eerder werden in Frankrijk wel boeken geschreven die nu nog steeds de moeite waard zijn. Thiers, Guizot, de Tocqueville, dat zijn zo’n beetje de laatste grote Franse schrijvers die ook nu nog helemaal de moeite van het lezen waard zijn. U mag daar Pirenne nog bij noemen, maar dat was geen Fransman, dat was een Waal.

Kousbroek gaf een lijstje van schrijvers waar hij wat mee had. Montaigne, Voltaire, De Laclos, De Chamfort en Stendhal, een verzameling waarvan het bindend element zit in hun taalbeheersing. Hij noemt, verrassend, ook Nicolas de Chamfort, een soort Menno ter Braak uit de tijd van de Encyclopedisten, van wie ik vermoedde dat ik de enige Nederlander was die zijn anekdotes ooit gelezen had. Veel esprit, maar dat is het dan. De Laclos van liaisons dangereuses kennen we van de film, maar ook hij wordt niet meer gelezen in Frankrijk.

Voltaire, geestig, mooi Frans, meester van de bon mot, dat allemaal, maar een absolute veelschrijver die nooit iets checkte en waar je behoorlijk de mist mee in kunt gaan als je hem als bron gebruikt.

Montaigne is wel degelijk een grote, die heeft belangrijke dingen te zeggen en is terecht ook buiten Frankrijk invloedrijk geweest, maar des te opvallender dat hij wel in dit rijtje voorkomt en Rousseau, die ook mooi schrijft en veel meer invloed heeft gehad dan weer niet. Stendhal schreef Het Rode en het Zwarte en de Chartreuse van Parma, allebei vrouwenboeken en monumenten voor de Franse taal. Dat is geen veroordeling, want Jane Austen is ook een vrouwenboeken schrijfster en een taalkunstenares. Maar Jane Austen is prachtig en helemaal niet saai en dat is Stendhal eigenlijk wel.

De twintigste eeuw is, ook in de ogen van Kousbroek, arm aan kwaliteit in Frankrijk. Dat hij de voorkeur geeft aan Zazie dans le métro boven la condition humaine kan ik nog wel volgen, maar Roland Torpor? Waarom noemt hij Céline niet, vraag je je af, dat is toch een twintigste-eeuwse schrijver waar eer mee in te leggen valt voor een francofiel, of desnoods André Gide en liever nog Aron, maar wereldliteratuur is het allemaal niet. Perec kun je lezen als je een gebruiksaanwijzing voor het leven nodig denkt te hebben, maar een must is het niet, naar men mij heeft verteld. Zelf heb ik hem niet gelezen.

Franse intellectuelen spreken hun Engels tegenwoordig redelijk en lezen het goed want dat hebben ze nodig. Ze doen dat beter waarschijnlijk dan hun Nederlandse tegenhangers, maar wat zegt dat? Nederlanders spreken hun talen goed, gemiddeld beter denk ik dan de Fransen. Maar de officiële Nederlandse intellectuelen, de erkende schrijvers, de hoogleraren en de politici, die vormen niet het meest verlichte deel van onze natie. In ons land vind je het verstand in het bedrijfsleven en in het vrije beroep, niet in de Kring, in de televisiestudio’s of op andere plekken waar de publieke opinie wordt gevormd. Wie Mulisch voor een belangrijker intellect houdt dan Morris Tabaksblat, en dat doen veel Nederlandse intellectuelen, overtuigt mij nooit meer van zijn inzicht en goede smaak.

Kousbroek is kennelijk iemand bij wie vorm gaat boven inhoud. Zijn bewondering voor Remco Campert en Raymond Queneau en ook de invloed van de tweede op de eerste, die begrijp ik en ik vind het mooi dat hij het onderkent, maar al schrijft Campert goed Nederlands, hij heeft geen school gemaakt en belangrijk is zijn werk ook in ander opzicht niet geweest. Jan Hanlo schreef beter Nederlands, ging ook graag naar Frankrijk maar heeft hier ook geen school gemaakt. Frankrijk is nu eenmaal geen vruchtbaar land meer, lijkt het.

Kousbroek valt voor facile geestigheden, voor mooi taalgebruik, voor goed voedsel en slechte Franse films. Dat geeft hem niet het recht om te ontkennen dat de beschaving in de twintigste eeuw van de overzijde van het water komt, van les pays d’outre mer. Literatuur, films, architectuur, beeldende kunsten, muziek, wetenschap, filosofie, alles wat nieuw en intellectueel de moeite waard is komt uit Amerika en in mindere mate uit Groot Brittannië, de satelliet van Amerika hier in Europa.

Frankrijk heeft geen universiteit die kan tippen aan het beste wat Amerika te bieden heeft. Geen belangrijke technische uitvinding is de laatste eeuw in Frankrijk gedaan. De ontwikkeling van de natuurwetenschappen vindt in Amerika plaats. Dat Frankrijk niet of minder beïnvloed zou zijn door de VS dan de andere Europese landen is een misvatting en komt waarschijnlijk omdat Kousbroek in Parijs niet verder komt dan het plaatselijke equivalent van de Grachtengordel. De Franse hypermarchés zijn zo Amerikaans als apple pie en dat geldt ook voor alles wat je aan moderne producten in Frankrijk kunt kopen. Alles wat Frans en de moeite waard is in Frankrijk stamt uit het verleden.

Charles de Gaulle was een indrukwekkend redenaar en een groot politicus, maar een tamelijk saaie schrijver. Hij heeft Frankrijk veranderd, maar misschien niet in alle opzichten ten goede. Vóór De Gaulle was Frankrijk een land dat door haar ambtenaren geregeerd werd. De politiek was niet alleen een farce maar voor iedereen duidelijk zichtbaar een farce en dat werd door weinig mensen buiten Frankrijk betreurd. Sinds De Gaulle een bondgenootschap sloot met Adenauer en Frankrijk een atoommacht werd, is de wereld er niet stabieler op geworden.

De Irakese atoomkennis kwam voor een belangrijk deel uit Frankrijk. Frankrijk en Rusland steunen nog steeds terroristenstaten en in de laatste Balkanoorlog werd vitale oorlogsinformatie door de bondgenoten alleen aan Frankrijk meegedeeld als men zeker wilde zijn dat zij in de handen van de vijand terecht zou komen.

Frankrijk handelt alsof het iets in de melk te brokken heeft, maar haar macht is beperkt tot het negatieve, tot spaken steken in wielen van anderen. Het werd tot voor kort geregeerd door een president die er helemaal niet van bakte en zich daarom maar niet meer verkiesbaar stelde. Dat was beter dan diens voorganger Chirac die uitsluitend niet vervolgd werd voor corruptie, omdat de Franse wet dat voor presidenten nu eenmaal verbiedt. Mitterrand was indertijd verantwoordelijk voor het opblazen van de boot van Green Peace. Nee, geen bewonderenswaardige mensen, de moderne presidenten van Frankrijk.

Heldring had gelijk met zijn afkeer van Sartre. Diens invloed op generaties Fransen is buitengewoon slecht geweest. Zijn hang naar het communisme, zijn cynische nihilisme en zijn kritiekloze bewondering voor de nazi Heidegger kunnen hem in de ogen van fatsoenlijke mensen nooit sympathiek maken. Een paar goed geschreven toneelstukken, dat is het enige leesbare dat hij ooit geproduceerd heeft en wie zijn Situations ooit heeft uitgelezen krijgt van mij een goede fles Franse wijn.

Ook Aron vond dat Sartre schandelijk overschat werd en die kon het weten want hij was zijn neef en intellectueel zijn meerdere. De andere neef van deze twee, Albert Schweitzer was waarschijnlijk de talentrijkste, maar Sartre had de beste publiciteitsmachine. Nee, als ik zou moeten kiezen tussen al die zwarte existentialisten van na de oorlog dan ging ik voor Juliette Gréco.

Juist het feit dat de Franse civilisation, inclusief De Gaulle en de Académie, Sartre beschouwde als een godenzoon, bewijst dat het niet veel soeps is met het Franse geestesleven, al is het natuurlijk nog steeds een prachtig vakantieland en worden Nederlandse schrijvers, of ze nu goed Frans spreken of niet, met rust gelaten in Parijs, zodat ze daar voor ons hun stukjes kunnen schrijven.

 

Geplaatst in Frankrijk, literatuur | Een reactie plaatsen

Democratie in de US

Toen de Tocqueville in de dertiger jaren van de negentiende eeuw zijn La Démocratie en Amérique schreef, bestond er buiten Amerika nog helemaal geen democratie in de zin van gelijkheid voor iedereen en een regering van het volk door het volk en voor het volk. Amerika was nog maar vijftig jaar een zelfstandige staat. De grote immigratie moest nog komen, net als de grote trek vanuit het Oosten van de VS naar het wilde Westen.

Wat iedereen moet opvallen, die La Démocratie en Amérique nu in handen neemt, is dat democratie in de VS, zoals wij die pas hebben leren kennen in de tweede helft van de twintigste eeuw, al anderhalve eeuw eerder blijkt te hebben bestaan. Wij veramerikaniseren sinds de tweede wereldoorlog. Europa en de rest van de wereld hebben in de twintigste eeuw de democratie, de mensenrechten en de gelijkheid van alle burgers met de daarbij behorende samenleving met een vertraging van anderhalve eeuw uit Amerika overgenomen.

Dat proces is niet zonder horten of stoten gegaan. De Tocqueville met zijn aristocratische achtergrond zag de bezwaren helder: de middelmaat regeert in een democratie en voor uitnemendheid  is er weinig ruimte. Dat wil zeggen,  excellentie is een noodzaak voor verdere vooruitgang van de samenleving, maar de publieke erkenning ervoor blijft uit; zij werkt in het verborgen en haar resultaten bereiken de samenleving via de achterdeur[1].

In het Duitsland van de negentiende eeuw, dat een soortgelijke bloei en groei doormaakte als de Verenigde Staten, was er geen democratie. Wel was er een eigen variant van de verlichting en bestond er een rechtsstaat, maar de samenleving was hiërarchisch, en ondemocratisch. De staat werd in het keizerlijke Duitsland zeker niet alleen gezien als een middel om de burgers hun rechten te verschaffen. Zij vormde een doel op zich. De Duitsers waren onderdanen, geen burgers. Het staatshoofd was het symbool van de natie en de sluitsteen van een sociaal bouwwerk. Hij had meer macht dan een constitutionele vorst in een democratie, maar het meeste daarvan was toch schijn. Duitsland werd niet door hem of door zijn Hof geregeerd maar door een bureaucratie, met aan het hoofd een kanselier. Die bureaucratie was de kern van de Duitse rechtsstaat. Zij was gedisciplineerd en betrouwbaar. De Duitse overheid was de meest effectieve in Europa. Deze autocratische samenleving kreeg een zware klap in de eerste wereldoorlog.

De Weimarrepubliek was een poging van de overwinnaars in de eerste wereldoorlog om Duitsland aan het Angelsaksische model te onderwerpen en om in plaats van een bureaucratische rechtsstaat er een democratische rechtsstaat te introduceren. Maar die poging mislukte. De oude standenmaatschappij bleef bestaan en de democratische gelijkheid kwam niet tot stand.

Tot aan de machtsovername van Hitler. Bij Hitler en de nationaal socialisten kwam er een vorm van gelijkheid van iedereen onder de leider, ongeveer zoals die onder Stalin in de Sovjet Unie bestond, maar nog steeds geen democratie: Het Duitse volk, ook als het buiten de staatsgrenzen leefde in Oostenrijk en Oost Europa, nam bij Hitler de plaats in van de staat als het subject van het politieke handelen. Het volk werd niet vertegenwoordigd door een parlement of een gekozen president, maar door een leider, die zich zelf als zodanig had opgeworpen, d.w.z. door Hitler zelf.

Maar het “Alle Menschen werden Brüder”, de tekst van het slotkoor uit Beethoven’s negende symfonie, is wel degelijk een Duitse gedachte. Hij stamt van Schiller en indirect van Immanuel Kant, die de ethiek van de verlichting formuleerde en filosofisch onderbouwde. In Duitsland zelf werd daar nooit een politieke vorm aan gegeven[2], dat gebeurde in Amerika. De fraternité van de Franse revolutie eindigde met de guillotine en aan de Duitse Brüder was geen beter lot beschoren. Und willst du nicht mein Bruder sein so schlag ich dir den Schädel ein, dat werd het onder Hitler. De Duitse variant op de verlichting en haar eigen industriële revolutie eindigde in Auschwitz en Treblinka. De democratie zoals wij die nu kennen stamt uit Amerika.

 

[1] Zoals de taalkunst het overheersende element was in de Griekse beschaving en de muziek in Europa in de korte periode tussen de Middeleeuwen en de industriële revolutie, zo zijn de natuurwetenschappen dat tegenwoordig. De meest talentvolle mensen werken nu op dat terrein en de Nobelprijzen zijn de enige vorm van publieke erkenning voor de grote prestaties die daar geleverd worden. Van wat in de wetenschap gebeurt dringt maar weinig door tot het grote publiek en ook de vertegenwoordigers van dat publiek, de media en de politici, zijn slecht op de hoogte. Toch zou de techniek, die de industriële samenleving draaiende houdt waardoor zes en een half miljard mensen in leven blijven, zonder de wetenschap ondenkbaar zijn.

[2] In 1848 heeft het er even naar uitgezien, dat ook in Duitsland de parlementaire democratie het zou winnen van de nieuwe autoritaire staat, maar het parlement van Frankfurt bleek niet opgewassen tegen Pruisen en Bismarck.

 

 

Geplaatst in Amerika, Duitsland, europa | Een reactie plaatsen

Aantekeningen bij Hof Amsterdam inzake Wilders.

De uitspraak van het Hof over de vervolging van Wilders heeft betrekking op twee artikelen van het wetboek van strafrecht[1]. Zij roept een aantal juridische vragen op. De eerste vraag  is van procesrechtelijke, een tweede van staatsrechtelijke en een derde van strafrechtelijke aard:

  1. Wat is precies de functie van de rechter  wanneer hij een officier gelast iemand te vervolgen?
  2. in hoeverre is hier de trias politica in het geding?
  3. Wat is de betekenis van de begrippen beledigen en haat zaaien in de betrokken artikelen.

Ad 1. Het is in het algemeen de taak van de rechter om na de argumenten van twee partijen te hebben gehoord te constateren welke feiten vast staan, te zien wat er van hem gevraagd wordt en na te gaan of het recht hem op basis van de feiten toestaat of  gebiedt  het gevraagde toe te wijzen. Het is duidelijk dat deze normale rechterlijke taak  in een verzoek tot vervolging niet aan de orde is. Bij het beoordelen of er vervolgd moet worden doet de  rechter wat de officier in zijn ogen had moeten doen, hij treedt niet op als arbiter maar als een soort Franse rechter van instructie. Hij is niet objectief. Dat eist van de rechter een meer dan normale voorzichtigheid. Mr. Corstens,  e.t. president van de Hoge Raad, heeft dat een paar jaar geleden nog een benadrukt en ook uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat bij de toepassing van artikel 12 Sv. een grote terughoudendheid van de rechter mag worden verwacht. Daar komt bij dat tegen een uitspraak als deze, hoe gebrekkig zij ook moge zijn, geen hoger beroep en geen cassatie mogelijk is. Al wordt een marginale toetsing niet met zoveel woorden door de wet vereist, toch is dat wel wat een goede rechter zou doen. Een rechter moet zich terdege van de beperkingen van zijn positie bewust zijn en zo voorzichtig mogelijk optreden. De betrokken  uitspraak van het Hof Amsterdam waarin al wordt vastgesteld dat het gedrag van de beklaagde strafwaardig was, en dat straf hoort te worden opgelegd mits die maar proportioneel blijft, is met deze voorzichtigheid in strijd.

Er is nog een reden om alleen marginaal te toetsen. In het strafrecht geldt vanouds het adagium ‘in dubio pro reo’. De beklaagde  en niet de samenleving namens wie hij wordt vervolgd  hoort volgens dit adagium het recht van de twijfel te krijgen. Het is  in dit verband  onvoldoende als de rechter het met  een besluit van de officier om niet te vervolgen oneens is. Hij dient een besluit om niet te vervolgen pas opzij te zetten als daarbij onmiskenbaar sprake is geweest van een verkeerde rechtstoepassing, zodat het besluit door geen zinnige officier zou hebben kunnen worden genomen. Daarbij moet men mee in aanmerking nemen dat ook een vervolging die in vrijspraak of in ontslag van rechtsvervolging eindigt een zware belasting vormt voor een verdachte.

Ad 2. Mag de rechter zich op politiek terrein begeven? De wetsgeschiedenis van de artikelen 137 c en d duidt wel in die richting. De twee bepalingen zijn in de strafwet gekomen als reactie op de politieke commotie van de dertiger jaren en in de zeventiger jaren ietwat aangepast. Vooral in Duitsland en in mindere mate in Nederland, vochten marxisten en nationaal socialisten in de crisisjaren om de beheersing van de straat. Beide partijen riepen op tot gebruik van geweld. De artikelen wilden daar een eind aan maken. Door haat te bestrijden en groepsbelediging te verbieden wilden men gewelduitbarstingen voorkomen. Antisemitisme of jodenhaat, speelde bij de aanhangers van het nationaal socialisme een belangrijke rol. Antisemitisme, meer dan het ook wel genoemde antikapitalisme, was de focus van de haatgevoelens tegen bevolkingsgroepen waar 137d  van spreekt. In onderling verband beogen de twee artikelen belediging van en  aansporing tot haat jegens bevolkingsgroepen en met name tegen joden strafbaar te stellen en zo te bestrijden. Over het algemeen gebeurde dat met weinig succes.  Behalve in Polen  zijn naar verhouding nergens zoveel joden om het leven gekomen in de tweede wereldoorlog als juist  in Nederland.

Dat de twee wetsartikelen zo weinig effect hebben gehad bij het tegengaan van haat en geweld is wel begrijpelijk. De strafwet was toen en is nog steeds onmachtig tegen groepen. Kenmerkend voor de groepen waartegen de twee artikelen zijn gericht is bovendien dat zij zich aan de wet weinig gelegen lieten liggen en alleen respect hadden voor macht en geweld. Het bizarre is dat de artikelen die in de wet zijn gekomen om het antisemitisme te bestrijden door het Amsterdamse Hof werden gehanteerd om een individu monddood te maken die zich juist tegen het toenemende gebruik van geweld in de samenleving  keert en die meer dan ander politici het antisemitisme in de samenleving bestrijdt. Dat Wilders zou hebben opgeroepen tot geweld tegen moslims is iets dat zelfs het Amsterdamse Hof niet in zijn woorden heeft kunnen terugvinden en men mag aannemen dat het daar wel naar heeft gezocht. Dat Wilders zich onder meer  richtte tegen de hate mail die naar de advocaat van zijn tegenstanders werd gestuurd, dat kan nog gezien worden als een zet op het schaakspel dat hij hier gedwongen werd te spelen. Maar toen na de moord op Van Gogh brand gesticht werd in moslimscholen en moskeeën was hij de eerste politicus in de Kamer die daar verontwaardigd tegen op kwam.

De twee artikelen zijn niet  alleen in de strafwet zijn gekomen met een anti-geweld oogmerk maar ook met de bedoeling om politiek geïnspireerde haatcampagnes de kop in te drukken. Dat ze in dat opzicht niet erg effectief zijn geweest doet daar niet aan af. Toen Kamerleden aarzelden hoe ze zich tegen deze grensoverschrijding van de rechterlijke macht hoorden op te stellen, hadden zij zich dienen te realiseren dat zij zelf als medewetgever het activisme van de  rechters hebben uitgelokt. Wanneer zij later van mening waren dat dit soort activisme toch niet de taak van de rechter is of dat het Hof in casu deze taak niet behoorlijk vervuld heeft,  dan zou niet alleen een beperking van de reikwijdte van de twee artikelen aan de orde horen te komen. Dan zou ook een uitbreiding van de bevoegdheden van de minister van binnenlandse zaken of van de burgemeester nodig zijn om tegen agressieve groepen op te treden. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat bij het optreden tegen groepen discriminatie op de loer ligt en dat overal waar mogelijk er voor moet worden gezorgd dat onschuldigen niet de dupe worden van kwaadwillenden uit hun omgeving. Maar het gebrekkige vermogen om tegen groepen op te treden is inderdaad een van de belangrijkste leemten in de tegenwoordige rechtshandhaving.

Ad 3.

De derde  juridische vraag die speelt is de inhoud en betekenis van de termen belediging en haat zaaien. Is iemand of is een bevolkingsgroep beledigd in de zin van de strafwet als die zich beledigd voelt of is daar in strafrechtelijke zin meer voor nodig. Volgens de HR is er meer voor nodig. De haat zaaiende of beledigende uitspraak moet tot uitsluitend of nagenoeg uitsluitend doel gehad hebben de betrokkenen of leden uit de beledigde groep te krenken, in die zin dat het aannemelijk is dat zij achterwege zou zijn gebleven als dat  effect er niet mee zou kunnen worden bereikt[2]. Het is mogelijk dat de uitingen naar de mening van de betrokkene de waarheid bevatten en een zinnig doel dienen. Zo ’n doel zou kunnen zijn het bestrijden van maatschappelijke mistoestanden, zoals toename van de criminaliteit, ontwrichting van het schoolwezen en andere gevolgen van een overmatige immigratie.  Zou dit het doel zijn van de uitspraken, dan kunnen die nog steeds kwetsend zijn, maar dan zijn de uitingen geen beledigingen of haatoproepen in de betekenis die de HR daar aan geeft.

Het Hof spreekt in de zaak Wilders van ‘eenzijdige, sterk generaliserende formuleringen met een radicale strekking, niet aflatende herhaling en een toenemende felheid’ en zegt verder  ‘De meeste uitlatingen zijn  tevens beledigend, nu zij de moslimgelovigen wezenlijk in hun religieuze waardigheid aantasten’. Het Hof meent ‘dat  Wilders door de symbolen van het moslimgeloof’(de Koran) aan te tasten wel degelijk de moslimgelovigen zelf heeft beledigd’.

Het Hof motiveert  hier niet overtuigend. Eigenlijk zegt het niets anders dan dat Wilders haat zaait en beledigt omdat hij haat zaait en beledigt. Maar Wilders heeft bij herhaling in het openbaar gezegd dat hij niets heeft tegen individuele Moslims of tegen de groep Nederlanders van Marokkaanse of Turkse afkomst als zodanig maar uitsluitend tegen – de  uitleg van-  het geloof dat in hun midden wordt verkondigd. De uitspraken van Wilders zijn in dat opzicht heel goed te vergelijken met die van e.t. wethouder Asscher van Amsterdam. Vooral als men in aanmerking neemt dat die lid is van  de PvdA en zich tot de Nederlandse elite richt terwijl de PVV een volkspartij is. Uit de voorbeelden die het Hof geeft blijkt inderdaad wel dat het onderscheid tussen de groep en haar geloof dat Wilders pretendeert niet erg effectief kan worden genoemd. Maar dat hoeft misschien ook niet. Dat Wilders zelf het slachtoffer is van bedreiging met geweld en van tegen hem opgeroepen haatgevoelens vanuit de Moslimgemeenschap, dat is wel een punt dat meegewogen dient te worden. Dat heeft in de behandeling van de klacht of in elk geval in de tekst van de uitspraak geen enkele  rol gespeeld. Er is geen reden om aan de  woorden van Wilders te twijfelen. Hij zegt dat hij niet de individuele en zeker niet de goedwillende moslims op het oog heeft, maar het geloof en de Moslimgemeenschap, van waaruit hij en veel anderen in Nederland agressie en overlast ondervinden.  Het is een omissie van het Hof om daar in zijn uitspraak geen aandacht aan te schenken. Voor de conclusie is niet voldoende dat het Hof constateert dat door belediging van het boek belediging van de individuele gelovige onvermijdelijk is. Ook dat zou in de intentie van Wilders dienen te hebben gelegen. Pas als duidelijk zou zijn dat Wilders niet het beste voor heeft met de Nederlandse samenleving of met individuele moslims die zich in deze samenleving willen voegen, maar daarentegen zijn haatgevoelens jegens moslims ongeremd botviert met gebruikmaking van zijn publieke positie als Kamerlid, dan zou er ruimte zijn geweest voor een besluit als nu door het Hof is genomen. Maar er is niemand die serieus kan beweren dat Wilders een enkele individuele moslim haat of dat hij tot geweld tegen moslims als groep oproept.

Wat de beschuldiging van belediging betreft ligt de zaak voor Wilders moeilijker. Uit de omstandigheid dat niet, zoals algemeen werd verwacht in de film Fitna stukken uit de Koran werden gescheurd, zou men overigens kunnen afleiden dat Wilders zich weloverwogen van het soort beledigingen als het Hof bedoelt heeft willen onthouden. Daarbij is dan weer niet van belang of hij dat uit respect voor de wet doet of uit angst met een strafvervolging te worden geconfronteerd.

Misschien dat het Hof meent dat een vergelijking tussen Mein Kampf van Adolf Hitler en de Koran van Mohammed niet anders dan met het oogmerk tot belediging kan worden gemaakt, maar dat is dan toch wel erg kort door de bocht. Dat is in het verleden een paar keer de teneur van een uitspraak geweest. Maar dat was altijd in gevallen waar Mein Kampf er met de haren bijgesleept was, terwijl in het geval van Wilders de vergelijking ontegenzeggelijk serieus was bedoeld. Of de vergelijking juist is, is een tweede. Maar voor het oogmerk van belediging is de intentie tot belediging van doorslaggevende betekenis. Wie jurisprudentie aanhaalt die anders lijkt te luiden leest verkeerd.

Is een afkeer van haatgevoelens en de oproep om de haat te bestrijden zelf weer een vorm van haat zaaien? Uit de formulering van het Hof zou men moeten afleiden van wel.

Een andere  veel gehoorde klacht, dat het Hof niet kan gebieden om Wilders te vervolgen als zoveel anderen niet worden  vervolgd die hetzelfde doen, is aan de andere kant onjuist. Zou die regel gelden dan zou niemand meer kunnen worden vervolgd, want slechts een gering percentage, zelfs van de opgespoorde misdrijven, leidt daadwerkelijk tot een vervolging. Zo werkt het gelijkheidsbeginsel niet. Maar het Hof had er wel rekening mee kunnen houden dat het oproepen tot het bestrijden van haat en geweld onvermijdelijk afkeergevoelens oproept die dan weer als haat kunnen worden gekwalificeerd. Altijd wanneer agressiviteit en criminaliteit aantoonbaar groepsgebonden blijken, zullen de onschuldige leden van die groep een vorm van discriminatie ondervinden, tenzij men aan hen de eis mag stellen dat zij zich openlijk van de groep distantiëren. Doen zij dat niet, dan zijn zij immers niet langer als onschuldig aan te merken.

Is het niet de taak van de politicus, meer nog dan van het Hof om in het harnas te komen tegen bewegingen, die mensenrechten aantasten als de gelijkheid in rechte van man en vrouw of de rechten van homo’s? Ook wanneer zij dat doen met een beroep op een boek dat zij voor heilig houden, maar dat Wilders discriminerend heeft genoemd? Is er sinds de tweede wereldoorlog een ander boek in omloop geweest waar zoveel mensen met zulke slechte bedoelingen een beroep op doen als de Koran? Deze vragen zijn niet retorisch, althans zij worden door Wilders en door een aantal Islamdeskundigen waar hij zich op beroept  in alle ernst gesteld en zij behoren in het openbaar te kunnen worden bediscussieerd.

Als het Amsterdamse Hof meent voor die discussie ter wille van de lieve vrede een stokje te moeten steken, dan begeeft het zich op een heilloos pad en ook op een pad dat in onze constitutie niet het zijne is. Ondanks het bestaan van 137 c en d kan het niet de taak van de rechter zijn om een bevolkingsgroep, van waaruit openlijk wordt opgeroepen joden te vergassen, te vrijwaren voor kritiek op haar maatschappelijk gedrag of  het boek waar zij inspiratie uit put buiten discussie te houden.

Dan het artikel van premier- toen nog partijleider- Rutte van de VVD en de reactie op dat artikel van Plasterk, de voormalige  minister.  Rutte zei in grote lijnen dat de uitspraak niet deugde en Plasterk reageerde in het programma Buitenhof door Rutte te verwijten de trias politica te schenden.

Plasterk is geen jurist en was indertijd eigenlijk ook nog maar nauwelijks een politicus. Hij is bèta wetenschapper en stukjesschrijver. Als hij dus in  zijn oude programma Buitenhof een mening geeft over de vraag of een politicus zich mag  uiten over de uitspraak van het Hof Amsterdam inzake de vervolging van Wilders, dan doet hij dat al dubbele leek en dat is te merken.

Die zaak van het al of niet vervolgen van Wilders was niet meer onder de rechter. De rechter had uitspraak gedaan in hoogste instantie en het was naar de mening van  veel mensen een verkeerde uitspraak. Het staat iedereen vrij daar dan wat over te zeggen, want een rechter is in Nederland niet sacrosanct. Gelukkig niet. Niemand, ook een rechter niet, kan leven zonder kritiek en zonder verantwoording af te leggen over wat hij doet.

Als een rechter een einduitspraak doet zoals in dit geval en politici vinden dat daar voor de toekomst een stokje voor gestoken moet worden, dan horen ze de wet aan te passen. Daar zijn ze voor. Daar hoeven ze, anders dan Plasterk veronderstelt,  niet mee te wachten tot Wilders over vijf of tien jaar door het Hof in Straatsburg in het gelijk wordt gesteld. Het  gaat bij de kritiek op de uitspraak niet over de schuld of onschuld van Wilders, daar gaat het om in de nu lopende strafprocedure. Het gaat er bij de kritiek om of in de tussentijd het debat in Nederland over de toelaatbaarheid van op Islam en Koran geïnspireerd geweld kan doorgaan of dat rechters ons een slot op de mond mogen zetten. Het laatste kabinet Balkenende, het kabinet dat door Plasterk in Buitenhof  vertegenwoordigd werd naar hij zei, had de Moslims opgeroepen om mee te doen aan de Auschwitz herdenking in het Wertheimpark. Dertig officiële vertegenwoordigers, alle dertig op een of andere wijze betaald of gesubsidieerd door  de Nederlandse overheid, kwamen daar opdagen. Het jonge Moslimvolk dat Hamas, Hamas, Joden aan het gas pleegt te roepen was er niet, evenmin als volksvertegenwoordiger Van Bommel. Maar misschien waren die ook niet door de regering of het organiserende comité uitgenodigd.

Het kan zijn dat Plasterk van mening is dat de vraag belangrijk is of Wilders de Moslims beledigd heeft en haat heeft gezaaid tegen een bevolkingsgroep, dan wel dat het juist de Moslims zijn die haat zaaien en de al bestaande dreiging jegens Wilders versterken,  maar daar gaat het in de uitspraak alleen maar bijkomstig  over. Het gaat in principe over de vraag of rechters in Nederland zich boven het parlement kunnen plaatsen en namens de Nederlandse  bevolking kunnen uitmaken waar we wel en  niet over kunnen discussiëren. Als politici als Fortuijn en Wilders worden gekozen omdat een bestaande Nederlandse elite het in de ogen van de kiezers af heeft laten weten, ligt het dan op de weg van de rechter om daar politiek bij in te grijpen? Door wie worden we geregeerd, door mensen die we zelf hebben gekozen of door zelfbenoemde regenten? Hoe dan ook, alstublieft niet door politiek gekleurde rechters, die ten onrechte menen dat zij met beide benen in de samenleving staan,  maar die niemand met het oog daarop  heeft uitgezocht.

 

[1]

 

 

Wetboek van Strafrecht

Artikel 137c
1.
Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Wetboek van Strafrecht

Artikel 137d
1.
Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

 

[2] vgl. bijvoorbeeld het Ezelsproces van Van het Reve.

 

 

Geplaatst in Geen categorie, recht, staatsrecht | Een reactie plaatsen

Hoe doet Macron het?

 

Wie Hollande, Marine Le Pen en Macron met elkaar vergelijkt zal Macron wel de minst slechte keus vinden. Maar erg gelukkig met hun nieuwe leider kunnen de Fransen toch niet wezen. Hij heeft nauwelijks politieke ervaring, geen eigen politieke partij en de ideeën die hij in zijn eerste speech naar buiten bracht leken uit een opstel voor de  middelbare school te komen.
Persoonlijk heb ik meer met Marine Le Pen, maar dat Front National is natuurlijk een ramp. En verder heeft Le Pen in het buitenland net zo ‘n naam als Geert Wilders. Niemand wil iets met haar te maken hebben en voor Frankrijk zou dat een grote handicap zijn.
Laat Macron zijn best maar doen en misschien is hij dan over een jaar of  vijf wel een geschikte president en heeft Le Pen intussen haar partij gereorganiseerd en van naam veranderd. Europa kan niet zonder Frankrijk en een democratisch land kan op termijn niet zonder twee politieke bewegingen die beide in staat zijn om het land te regeren.
Gelukkig is de Franse overheid met afstand de beste van Europa en kan het land ook zonder ervaren politieke partij een tijd lang wel behoorlijk worden geregeerd.
Bij ons hier in Nederland hebben we een flink aantal uitstekende bedrijven, maar een overheid die niet in de schaduw kan staan van de Franse. Het Nederlandse talent geeft de voorkeur aan de commercialiteit. We vinden dat kennelijk een prettiger manier van leven. Ambtenarij is van nature hiërarchisch en Hollanders hebben iets tegen hiërarchie. Frankrijk en Nederland zijn binnen Europa in politieke zin uitersten, maar hebben op een of andere manier altijd heel redelijk met elkaar overweg gekund. Ook Macron en Rutte kunnen met elkaar door een deur, dat is te zien. Gelukkig maar.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen