Verkiezingspropaganda.

VVD en PvdA, de twee grootste partijen na de verkiezingen van 2012[1], beklaagden zich in het openbaar dat ze tot elkaar veroordeeld waren. De kranten klaagden mee. Nederland wordt onregeerbaar, zeiden ze, als partijen eigenlijk altijd gedwongen worden om kiezersbedrog te plegen om überhaupt aan een regering mee te kunnen doen. Maar is dat werkelijk zo?

Rutte is op een anti-links ticket gekozen en Samsom op een anti-rechts. Wat links en rechts in werkelijkheid betekenen, weten de meeste kiezers geloof ik helemaal niet, het is vooral propaganda.
Ik denk dat veel Samsom kiezers verbaasd zouden zijn om te horen dat de PvdA voor verhoging van de pensioenleeftijd was. Met een mits natuurlijk, om het wat socialer te laten klinken, dat wel, maar toch. Statistisch stellen mitsen weinig voor. De meeste mensen slaan mitsen over. Pensioenleeftijd omhoog, tezamen met de levensverwachting, dat was het PvdA standpunt, eigenlijk nogal rechts. De PvdA was ook voor het korten op de pensioenen, maar met een mits natuurlijk.
Het roer moet om vond Samsom. Het slechte beleid van het demissionaire kabinet kon niet worden voortgezet. Minister Kamp van dat rot kabinet Rutte I heeft ervoor gezorgd dat laagbetaalde arbeiders die hun hele leven hebben gewerkt toch met 65 met pensioen kunnen, precies zoals de PvdA dat graag wilde zien. Dat gebeurde toen nog met gedoogsteun van Wilders, dus hoezo een rot beleid en een rot kabinet?
Het kabinet Rutte I zette zich in voor meer banen en voor het terugbrengen van de staatsschuld. En wat wilde de PvdA? Precies, hetzelfde.
De overheidsfinanciën moesten op orde worden gebracht. De PvdA wilde dit langs drie wegen doen: hervormen, bezuinigen en investeren. Daarmee zouden zij, als het aan Diederik Samsom gelegen had, in 2013 zijn begonnen. In 2017 zou er dan weer zicht geweest zijn op een structureel begrotingsevenwicht. Dat is misschien in een wat lager tempo dan De Jager van Rutte I dat wilde, maar het verschil is miniem.
De PvdA heeft de mond vol over eerlijke maatregelen die werkelijk helpen en hoe onrechtvaardig en onverstandig het beleid van rechtse kabinetten is. Dat is, met permissie, gewoon onzin en propaganda. Om in Nederland het verschil te zien tussen het beleid van een links en een rechts kabinet heb je een vergrootglas nodig. Vraag het een gemiddelde buitenlander en hij zal al het Nederlandse beleid links vinden, met name ook het beleid van het kabinet van Rutte I. En als het aan Wilders gelegen had was het nog linkser geweest, want diens achterban bestaat uit de laagste inkomens van Nederland.
Als we goed begrijpen wat de PvdA bedoelde met ‘het roer moet om’ en Rutte bedoelde met ‘het beleid moet worden voorgezet’ dan is dat in de praktijk dus hetzelfde. Maar aangezien we het hier in hoofdzaak over verkiezingspropaganda hebben en niet over echt beleid moet zoiets kunnen, vond de politiek. Voor de show hebben ze even gewacht met het bereiken van overeenstemming, zodat de achterban geloofde dat het moeilijk was geweest. Meer was het niet.
Samsom ging niet in het kabinet zitten en behield zich het recht voor om vanuit de Kamer kritiek te leveren. In plaats daarvan hield hij namens het kabinet de PvdA achterban in bedwang.
Overeenstemming over het beleid tussen de twee groten bleek helemaal zo lastig niet te zijn. Wat wel lastig was, is het uitzoeken geweest van mensen die vier jaar met elkaar konden en wilden samenwerken. Met name de PvdA had dit keer wat meer aandacht gegeven dan anders aan het selecteren van ministers die doen wat ze zeggen en die respect kunnen opbrengen voor de mening van anderen. Ploumen was zeker een vooruitgang als je haar met Koenders vergelijkt. En Bos was notoir een draaikont, veel meer dan Dijsselbloem of Asscher.
Tot nu toe is na Drees de personele factor het probleem gebleken voor kabinetten waar PvdA ministers deel van uit maakten. Je moest als niet-socialist uitkijken voor een mes in je rug. Maar Samsom is recht door zee en een eerlijk mens, of gedraagt zich in elk geval als zodanig. Dat het zo slecht ging in de peilingen tijdens de kabinetsperiode was natuurlijk een grote steun voor de stabiliteit. Geen van de twee partijen kon zich verkiezingen veroorloven. Maar dat de kiezers zich voor de gek gehouden voelden kan ik wel begrijpen. Ze hebben de propaganda geloofd en dat moet je in de Nederlandse politiek nooit doen.

[1] Van de mensen die toen op de PvdA hebben gestemd, zou een jaar later nog maar een kwart dat hebben gedaan. VVD-kiezers zouden nog maar voor een derde de keus voor de liberalen maken. De socialisten waren dan op 11 en de liberalen op 19 zetels gekomen.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Sporten als je alleen bent.

Kijken naar sport is eigenlijk alleen maar leuk als je het zelf ooit gedaan hebt en er daarom wat verstand van hebt. Wij hadden op de middelbare school een sportcomplex en daar moest twee keer in de week verplicht gebruik van worden gemaakt. In de zomer werd dat voor mij waterpolo en in de winter voetbal en hardlopen, 800 en 1500 meter. Ik woog toen nog weinig en daarom ging dat hardlopen me wel goed af. Mijn voetbal beperkte zich tot rennen langs de lijn en het geven van voorzetten. In waterpolo was ik niet erg goed, want daar moet je eigenlijk sterk voor zijn, maar ik had uithoudingsvermogen, dus dat ging eigenlijk ook wel.

Na de middelbare school heb ik nooit meer aan  sport gedaan, behalve fietsen dan. Tot een jaar of tien geleden maakte ik iedere week een fietstocht van zestig en ook wel eens van honderd kilometer. Tegenwoordig is dat vijf en twintig. Verder heb ik mijn auto afgeschaft en doe ik door de week alles met de fiets. Zelfs het lopen,  dat ik van mijn cardioloog moet doen, gaat met de fiets aan de hand en als ik moe word stap ik op. Behalve dat je zo redelijk in conditie blijft zie je ook wat meer van stad en haar omgeving dan te voet of vanuit het openbaar vervoer.

Ik doe dat allemaal de laatste paar maanden weer meer dan in de jaren ervoor, want mijn vrouw is overleden en ik leef nu alleen.

Fietsen en het huis uit zijn helpt dan met het weer in het gareel krijgen van je leven. Als ik maar druk bezig blijf mis ik haar wat minder, maar het blijft een mager leven, zo in je eentje.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Immigratie in Zweden.

Niemand kan ontkennen dat multiculturalisme en massa-immigratie tegenwoordig een realiteit zijn in Zweden. Maar dat is niet altijd zo geweest. Nog in 1965 zei Tage Erlander, de sociaaldemocratische premier van Zweden: “Wij Zweden leven in een oneindig gelukkiger situatie. De bevolking van ons land is homogeen, niet alleen in termen van ras, maar ook in veel andere opzichten”.

De demografische transformatie van Zweden heeft niet zomaar plaats gevonden. Het was een direct gevolg van politieke beslissingen, die werden genomen op basis van een bewuste agenda van de Zweedse regering in de tweede helft van de twintigste eeuw. Eerder had Zweden een benadering van immigranten en van etnische minderheden die leidde tot uitzetting of assimilatie. Immigranten die etnisch en cultureel nauw genoeg verwant waren, zouden kunnen assimileren, terwijl niet-Europese immigranten werden uitgesloten van de gemeenschap. Maar plotseling was er nu sprake van een nieuwe aanpak: Zweden zou een pluralistische multiculturele samenleving worden en het multiculturele paradigma zou het algemene doel worden van de Zweedse cultuur, politiek en van de samenleving.

In 1930 was 1% van de bevolking van Zweden geboren in een vreemd land en de overgrote meerderheid van die 1%  kwam bovendien uit andere Noord-Europese landen. In de jaren 1950 en 1960 was er een relatief grote arbeidsimmigratie uit andere Europese landen. Veel van deze immigranten keerden terug naar huis na hun dienstverband in Zweden en de overgeblevenen werden meestal zonder grote problemen geassimileerd. In het jaar 2000 telde Zweden iets meer dan 8,8 miljoen inwoners, waarvan 1 miljoen afkomstig uit het buitenland. Een vijfde van de totale bevolking had minstens één ouder die buiten Zweden geboren was, waarvan 547.907 mensen minstens één ouder hadden die buiten Europa of de VS geboren was.

In 2011 kregen 93.134 personen een verblijfsvergunning en gedurende de hele periode 1980-2011 was dat getal 1.529.666..

Etnische Zweden zullen als dit zo doorgaat vóór 2050 een minderheid vormen in Zweden.

Volgens Tomas Hammars vergelijkende studie European Immigration Policy – Cambridge University Press, 1985-  van het Zweedse en Europese immigratiebeleid, hebben georganiseerde belangenorganisaties grote invloed gehad op politieke beslissingen in Zweden. Immigratiebeleid is een voorbeeld van het vermogen van belangengroepen om beslissingen te beïnvloeden tegen de wens van de meerderheid van de bevolking. Hammar schrijft hierover dat de politieke partijen de beslissingen wel hebben ondersteund, maar niet hebben geïnitieerd.

Lars-Erik Hansen’s proefschrift ‘Gelijkheid en keuzevrijheid’, wat  een studie is van het Zweedse immigratiebeleid, somt de actoren op die een drijvende kracht waren in het debat over dit multiculturele beleid. Het bevestigt eerdere studies en academisch onderzoeken naar het ontstaan van het multiculturalisme.

De ideologische verandering begon in 1964 met David Schwarz, een in Polen geboren jood en een overlevende van de Holocaust. Hij emigreerde in het begin van de jaren vijftig naar Zweden en schreef  het artikel “Het immigratieprobleem in Zweden” in de grootste en belangrijkste Zweedse ochtendkrant – de Dagens Nyheter (“Daily News”).

Het was de start van een woedend debat dat in eerste instantie plaats vond in Dagens Nyheter, maar dat in andere kranten, op redactionele pagina’s en in boeken werd voortgezet. Hansen (2001) schrijft in zijn proefschrift (p. 115):

De belangrijkste debaters, die als eersten de nadruk legden op de rechten en voorwaarden van minderheden, waren David Schwarz, Inga Gottfarb, Amadeo Cottio, Voldemer Kiviaed, Géza Thinsz en Lukasz Winiarki – allemaal mensen met een migranten- achtergrond.

Schwarz was net als Gottfarb van joodse afkomst. Kiviaed kwam uit Estland, Géza Thinsz emigreerde uit Hongarije in 1956. Dat was het jaar waarin daar de massale vervolging van joden begon, waardoor binnen enkele decennia de helft van alle joden uit Hongarije is weggevlucht.

Schwarz was veruit de meest actieve opiniemaker en hij was de auteur van 37 van de in totaal 118 bijdragen aan het Zweedse debat over het immigratievraagstuk in de jaren 1964-1968. Schwarz en zijn aanhangers waren zo dominant en agressief dat debaters met een alternatieve visie in het defensief werden gedreven en hun standpunten nauwelijks nog aandacht kregen. Zo speelde Schwarz bijvoorbeeld de antisemitisme-kaart efficiënt om zijn tegenstanders in diskrediet te brengen. Hansen schrijft (pp. 114, 126-128, 217):

“Een toenemend aantal commentatoren en uitgevers uitte soortgelijke kritiek op wat zij zagen als het gebrek aan begrip van de meerderheid voor de omstandigheden van minderheden, met name in het niet-duidelijk omschreven assimilatiebeleid, waarvan zij vreesden dat dit zou leiden tot een uitwissing van de verschillende minderheidsculturen en levenspatronen.

De sterkste kritiek  kwam van David Schwarz en Voldemar Kiviaed. Zij beweerden dat de fanatici in de geest van de Russen in de Baltische staten handelden en dat hun benadering ook vergeleken kon worden met Eichmann ’s ‘eind oplossing’, al was het in een meer humane vorm. Verhoogde overheidsactie was vereist om assimilatie te bevorderen, deels door directe financiële steun aan minderheden, deels door een officieel beleid voor een pluralistische samenleving”.

Het beleid met betrekking tot de joodse immigratie naar Zweden, vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd door sommigen gepresenteerd als een vloek op de Zweedse politieke ontwikkeling. Bruno Kaplan, hoofd van het onderwijs van de joodse gemeenschap in Stockholm en vertegenwoordigd in het World Jewish Congress, heeft een aantal voorbeelden van dit beleid op schrift gesteld. Voor een deel ging het over een protest van studenten tegen de invoer van joodse artsen in 1938, maar daarnaast had het ook betrekking op een aantal vooraanstaande kranten, die waarschuwden voor de omvang van de immigratie.

Bruno Kaplan was ervan overtuigd dat het voortbestaan van een kleine joodse minderheid afhankelijk was van het optreden van de staat en de gemeenten – een beleid dat tolerantie en respect voor minderheden voorstond. In deze geest zou de joodse minderheid, en hun inspanningen om hun identiteit te behouden, de volledige steun van de Zweedse samenleving horen te krijgen.

David Schwarz was de meest actieve debater in de migrantenproblematiek. Zijn opvattingen hadden een grote impact en  hij werd de eerste en belangrijkste woordvoerder van het pluralistische staatsinterventiemodel. Het debat leidde tot regeringsonderzoeken zoals Invandrarutredningen (The Immigrant Investigation) (1968) die de basis vormden voor het wetsvoorstel over richtlijnen voor het immigratie- en minderhedenbeleid dat in 1975 door een unaniem Zweeds parlement werd aangenomen.

David Schwarz kreeg wat hij wilde, namelijk een noodlottige beslissing waarvan we de gevolgen van vandaag de dag nog steeds zien. Het uitgangspunt was een cultureel pluralistisch perspectief, wat betekende dat immigranten met massale overheidsbemoeienis en financiële steun zouden worden aangemoedigd om hun cultuur te behouden en zo signalen af te geven aan de wereld dat Zweden een tolerant land is waar iedereen welkom is.

De ontmoeting tussen de Zweedse cultuur en minderheids- culturen zou de hele gemeenschap verrijken en de meerderheid van de bevolking zou zich gaan aanpassen aan de minderheden. Het doel van integratie zou een wederkerig proces zijn, waarin beide partijen elkaar onderweg zouden ontmoeten.

Het gevestigde academische onderzoek op dit gebied bevestigt de gepresenteerde feiten in Hur Sverige blev en mångkultur (Hoe Zweden Multicultureel werd), een klassiek boek in Zweedse nationalistische kringen, geschreven onder pseudoniem door M. Eckehart. Het herhaalt ook een patroon dat in het hele Westen wordt weerspiegeld over de machtsbelangen en etnische motieven die ten grondslag lagen aan de transformatie van ooit homogene westerse landen in etnisch heterogene samenlevingen.

Professor Kevin MacDonald schrijft over de vormgeving van het Amerikaanse immigratiebeleid in zijn klassieke werk The Culture of Critique en levert het bewijs dat georganiseerde joodse minderheidsbelangen een cruciale rol speelden in de beleidsverandering. MacDonald’s conclusie werd ondersteund door wetenschappers als Hugh Davis Graham, Collision Course: The Strange Convergence of Affirmative Action and Immigration Policy in America, Oxford University Press, 2002).

Zoals gezegd was de politieke eenheid totaal ten tijde van het besluit van het parlement in 1975 dat Zweden radicaal zou worden omgevormd tot een multiculturele samenleving. In tegenstelling tot wat men zou kunnen denken, was het de conservatieve rechtse partij die als eerste het idee van cultureel pluralisme omarmde en in grote mate bijdroeg aan de nieuwe radicale richting. Vermeldenswaard is dat de voorzitter van de Rechtse Partij 1961-1965, Gunnar Heckscher, de eerste leider van de partij van joodse afkomst was. In het begin zagen de sociaaldemocraten en vakbonden etnische gelijkheid als een bedreiging voor de sociale en economische gelijkheid en pleitten daarom voor assimilatie van immigranten. Hansen (2001) citeert een motie van de rechtse partij aan het parlement uit 1968 (p. 149):

Het verdwijnen van een cultuur is altijd een verlies, hoe klein of groot de groep ook is die de betreffende cultuur ondersteunt. Daarom lijkt het ons belangrijk dat Zweden, naast de toepassing van een goed immigratiebeleid voor het land, ook verantwoordelijkheid voelt voor de georganiseerde minderheden en hun culturen de mogelijkheid biedt om te blijven bestaan en zich verder te ontwikkelen op Zweeds grondgebied.

Het jaar daarop veranderde de Rechtse Partij haar naam in de Gematigde Partij (Moderaten) en stelde een andere motie voor aan het Parlement die zich nog meer uitsprak voor etnische minderheden. Ze eisten dat de regering serieus verantwoordelijkheid moest nemen voor het behoud van de oorspronkelijke identiteit van immigranten (p. 162):

De samenleving moet zoveel mogelijk voldoen aan de verwachtingen van de minderheidsgemeenschap en het immigratie- en minderhedenbeleid moet daarom zo worden ontworpen dat individuen in minderheidsgroepen keuzevrijheid hebben met betrekking tot de convergentie met de autochtone bevolking, voornamelijk in termen van culturele activiteiten zoals het onderhoud en verdere ontwikkeling van taalvaardigheden, religie, speciale kunsten en andere speciale kennis, en dat de maatschappij de vrijheid garandeert door actieve materiële en personele ondersteuning voor culturele en andere activiteiten van verschillende minderheden.

Het antwoord op de vraag waarom Joden een voorliefde lijken te hebben voor multiculturalisme in de gastlanden waar ze wonen, is volgens rechtse commentatoren dat ze als schijnbaar onzichtbare minderheid tussen veel andere, meer zichtbare en ogenschijnlijk problematischer minderheden niet meer als een sociale categorie voorkomen, en dus ongestoord hun macht kunnen blijven uitoefenen door hun etnische groepsbelangen te bevorderen ten koste van de inheemse volkeren.  Het doel blijft om de traditionele westerse cultuur te vernietigen en haar beschaving te verzwakken; om de Noord-Europese bevolkingsgroepen te verdelen en te verzwakken, hun etnisch bewustzijn en nationale cohesie te doorbreken, zodat ze nooit meer de kans krijgen om een etnisch bewuste en collectivistische beweging als het Duitse nationaalsocialisme van de jaren dertig te organiseren.

Een verminderde solidariteit en cohesie in de samenleving is volgens deze redenering bevorderlijk voor het etnische belang van de joodse minderheidsgroep. Multiculturalisme is een joodse groeps-evolutiestrategie om de aanwezigheid van potentieel antisemitisme onder de niet-joodse meerderheid in elk land waar dit beleid is ingevoerd, te minimaliseren. De joodse minderheid is veiliger in etnisch heterogene landen omdat ze zich daar niet onderscheiden van de massa. Jodenvervolging heeft zich dan ook vooral in homogene landen voorgedaan. De zweeds-joodse journalist Göran Rosenberg erkende dit op 18 december 2008 tijdens een paneldiscussie over ‘The Future for Jews in Multicultural Europe, ‘georganiseerd door het Institute for Jewish Policy Research en The Centre for the Study of European Politics & Society at Ben-Gurion University of the Negev, Beer-Sheva, in Israel.

Göran Rosenberg herinnerde eraan dat joden historisch gezien altijd al floreerden in naties en rijken met een multiculturele, pluralistische en tolerante omgeving, terwijl ze het slecht deden in sterke etnische of nationalistische samenlevingen. Europese joden zijn altijd al de emblematische vreemdeling of ‘ander’ geweest. Daarom is een samenleving waarin de vreemdeling welkom is, per definitie goed voor de joden. De toekomst van het Europese jodendom is afhankelijk van ons vermogen om een multiculturele, pluralistische en diverse samenleving vorm te geven.

Bijgevolg is het geen toeval dat Joodse organisaties zoals de American Jewish Committee immigratie beschouwen als een specifiek joodse aangelegenheid. Net zoals het geen toeval is dat de georganiseerde joden in Europa zich consequent distantiëren van politieke critici van de islam, want elke negatieve generalisatie van een minderheidsgroep kan uiteindelijk ook de joden treffen.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Zwarten.

Het is een onpraktische gewoonte om mensen uit Afrika zwart te noemen om ze daarmee te onderscheiden van mensen uit andere werelddelen. In de overige tropische delen van de wereld, zoals bijvoorbeeld op Nieuw Guinea en in Australië, maar ook in Zuid India zijn de mensen vaak even donker. Soms hebben ze ook het zelfde kroezige haar. Beide lichaamskenmerken beschermen tegen een overmaat aan zon en als iemands voorouders voldoende generaties in de tropen hebben doorgebracht is een verandering in die richting geen uitzondering. Het vergt maar een kleine genetische aanpassing. Door de Afrikaanse bevolking zwart te noemen leggen we een overdreven nadruk op een oppervlakkig kenmerk en missen we de verschillen tussen de mensen, die juist in Afrika groter zijn dan in de rest van de wereld. Dat is logisch, want Afrikanen van de soort homo sapiens wonen al honderd duizenden jaren in dat werelddeel en de mensen uit de rest van de wereld stammen af van voorouders die pas zo ’n zestig duizend jaar geleden uit Afrika zijn vertrokken. Die laatsten zijn dus noodzakelijk veel nauwer verwant.

Voor een flink deel van de Afrikanen ligt de gemeenschappelijke voorvader veel verder in het verleden dan voor de rest van de mensheid, met als gevolg dat de genetische diversiteit op het Afrikaanse continent veel groter is.  Somaliërs, om maar een voorbeeld te noemen, verschillen meer van Bantoe ’s en van Bushmen dan autochtone Nederlanders van Indonesiërs.

De verschillen in Afrika lijken minder dan ze zijn doordat de Bantoe ’s zich zowel in Afrika als daarbuiten al eeuwenlang veel sneller voortplanten dan de rest van de Afrikanen en ze daardoor de dominante zwarte Afrikanen zijn geworden. Wat we buiten Afrika aan zwarte Afrikanen zien zijn nu eenmaal  in hoofdzaak Bantoe ’s.

In 1994 is The History and Geography of Human Genes verschenen, een soort genetische atlas van de hand van Cavalli Sforza, Menozzi en Piazza[1]. In dat boek is de menselijke afstamming in kaart gebracht. Dat project heeft de schrijvers 15 jaar gekost en het is waarschijnlijk intussen al weer enigszins verouderd. Maar het bevat een enorme hoeveelheid genetische gegevens, gerelateerd aan geografische en taalkundige data. In dat werk zijn de verschillen en overeenkomsten tussen mensen voor het eerst behoorlijk in kaart gebracht. Doordat de auteurs zich tot strikt wetenschappelijke en dus controleerbare kenmerken hebben beperkt, bevat de studie weinig of geen sociologische gezichtspunten. Maar het levert in principe wel het materiaal, aan de hand waarvan sociologische veronderstellingen zouden kunnen worden ontworpen en uitgewerkt, Voor zover ik weet is daar tot nu toe weinig van gekomen,

Bantoe ’s hebben een aantal fysieke en karakterologische kenmerken waardoor zij zich van andere Afrikanen en van de vroege emigranten uit Afrika onderscheiden. Het aantal uitstekende atleten van Bantoe afkomst, om een voorbeeld te noemen, is relatief zo groot dat het eigenlijk niet anders kan, dan dat daar een genetische mutatie aan ten grondslag ligt. Ook lijkt het aannemelijk dat Bantoe ’s minder aanleg hebben dan de gemiddelde Aziaat of Europeaan om deel uit te maken van grote en gecompliceerde samenlevingen.

Het probleem van de Bantoe getto’s in Noord en Zuid Amerika, dat voor het eerst uitvoerig beschreven is in het invloedrijke werk van de Zweedse socioloog  Gunnar Myrdal [2] is tot nu toe niet opgelost, al is er meer geld en energie in gestopt dan in welk ander sociologisch probleem ook in de moderne wereld. Waarschijnlijk zal men er vanuit moeten gaan dat de vraagstelling verkeerd is geweest of dat de gebruikte paradigma’s ontoereikend zijn. Maar hoe dan ook, wie geboren is in een zwart getto en door hulp of uit eigen beweging vooruit weet te komen in de wereld, verlaat het getto en gaat deel uitmaken van de wereld erbuiten. Maar intussen blijft en groeien de getto’s en worden de problemen die  ze veroorzaken niet opgelost.

Obama, de vorige president van de Verenigde Staten, heeft in zijn jonge jaren in een van de gettoprojecten in Chicago gewerkt en hij bevestigde wat zoveel enthousiaste en sociaal bewogen mensen vóór hem al hadden geconstateerd: proberen om de getto’s om te vormen is water naar zee dragen. Het is net als met de ontwikkelingshulp: hulp helpt niet.

 

[1] Princeton University Press 1994. Winnaar of the 1994 R.R. Hawkins Award.

[2] An American Dilemma: The Negro Problem and Modern DemocracyHarper & Bros,1944

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Corstens, een mislukte president HR.

In november 2014 trad Geert Corstens af als president van de Hoge Raad. Ik vind dat het Nederlandse recht daar dankbaar voor kan zijn. Ik heb Maarten Feteris, Pim Haak, of een van de andere presidenten, die ik ooit in hun hoedanigheid heb meegemaakt, geen rare toeren zien uithalen als deze Nijmegenaar. Zijn bekendste uiting  is, denk ik, zijn uitspraak over Wilders. Toen die er terecht op wees dat een veroordeling van hem als politicus de Nederlandse rechtsstaat een ernstige knauw zou hebben gegeven, reageerde Corstens door dat een aantasting van het beginsel van de scheiding der machten te noemen.

Maar Wilders had volkomen gelijk en het paste een president van de Hoge Raad allerminst om het falen van het Nederlandse strafrecht op het bord van het slachtoffer te schuiven. Wat hij had horen te doen is deemoedig namens de Nederlandse rechtswereld erkennen dat er hier een faux pas was gemaakt.

Over zaken die nog beslist moeten worden kunnen rechters geen publieke uitspraken doen. Het paste Corstens dus niet om en public kritiek te hebben op het voornemen van het OM om Wilders voor een tweede keer te gaan vervolgen voor wat in wezen dezelfde overtreding was tegen de progressieve ideologie: de gedachte dat een zo grootscheepse immigratie van improductieve mensen uit arme landen de Nederlandse samenleving schade toe brengt.

Dat is een gedachte die politiek geuit mag worden en wie in reactie daarop de betrokkene strafrechtelijk laat vervolgen, is een gevaar voor de vrijheid van meningsuiting en voor de Nederlandse rechtsstaat.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Ethische oordelen.

Louis Auchincloss was partner bij het advocatenkantoor Sullivan and Cromwell, dat kantoor houdt op 125 Broad St NY, NY.
S & C was een firma waarmee ik vroeger wel zaken deed. Een serieus en fatsoenlijk kantoor, van een betere categorie dan Mudge Rose, waar John Mitchell en Richard Nixon werkten in mijn jonge jaren. Auchincloss was een uitstekende advocaat maar daarnaast een schrijver van formaat met een mooi gevoel voor ethiek
In een van zijn boeken, The Rector of Justin, presenteerde hij ons een mooi ethisch probleem. Het verhaal was veel ingewikkelder en langer dan ik het hier vertellen zal, maar dit is de essentie:

De Chairman van de board of trustees heeft een van de (welgestelde) ouders van leerlingen benaderd over een financiële bijdrage aan de uitbreiding van de school, als de zoon in kwestie in zijn kast een klassieke vertaling voor handen blijkt te hebben, wat wel meer leerlingen gymnasia deden, om het vertaalwerk wat gemakkelijker maken. Het is vergelijkbaar met de tegenwoordige gewoonte om door middel van de functie “knippen en plakken” werkstukken van het internet te halen.
De rector had het gebruik van voorbeeldvertalingen streng verboden en aangekondigd dat wie er daarna nog mee zou worden aangetroffen van school verwijderd zou worden.

De jongen werd ondervraagd door de rector in de aanwezigheid van de trustee. Hij deelde de kamer waar de vertaling werd gevonden met een neef die veel slimmer was dan hij zelf en die zoiets naar het oordeel van de rector niet nodig had voor zijn werk. Hij was dus overtuigd van de schuld van de zoon, die hij toch al nooit erg gemogen had. Maar deze ontkende pertinent. Hij suggereerde tijdens zijn ondervraging de enige andere mogelijkheid, n.l. dat zijn neef het ding in zijn kast zou hebben gelegd. De rector vond het absurd en tamelijk onsmakelijk. Maar de trustee, een ervaren advocaat van het soort S&C, meende dat het de moeite waard zou zijn om toch de neef eens een paar vragen te stellen en you know what: tijdens die ondervraging bekende de neef dat hij het gedaan had.
De rector schaamde zich dat hij zich zo had laten meeslepen door zijn parti pris en zijn hekel aan het rijkeluiszoontje. Hij bekende tegenover zijn trustee dat hij het misschien ook wel nobel van zich zelf had gevonden om een grote financiële donatie te missen als gevolg van een dergelijke principekwestie.
De trustee kwam er vervolgens door een raar toeval achter dat de bekentenis van de neef waarschijnlijk vals was geweest en hij confronteert hem daarmee in een persoonlijk gesprek. Het blijkt dan dat de neef zijn oom de schande wilde besparen en hij daarmee ook voor zich zelf een toekomstige carrière bij zijn oom in diens bedrijf veilig wilde stellen. De trustee berustte in de zaak en rapporteert de nieuwe bekentenis niet aan de schoolleiding. Een wonderlijke mengelmoes van goede en minder goede motieven en heel geschikt als examenvraag bij het vak ethica.

De gedachtegang van de neef was, dat deze vorm van spieken als een kwajongensstreek zou worden opgevat en dat weggestuurd worden om die reden zijn reputatie in de grote wereld niet blijvend zou kunnen schaden. Dat men het zo ook zou kunnen zien dat hij geprobeerd had eerst de schuld op iemand anders te schuiven, zal waarschijnlijk minder algemeen bekend worden en hem in elk geval geen kwaad doen bij de enige wiens mening hem werkelijk iets kan schelen, namelijk zijn oom. Die wist immers wel beter, want die kende zijn kind. De trustee liet onder de omstandigheden het belang van de school en van de bij het drama betrokken familie het zwaarste wegen en onthield de rector, die een Prinzipienreiter is, het dilemma. Wat valt hier uit ethisch oogpunt nu over te zeggen?

Het eindresultaat is goed, wanneer men uitsluitend naar de feiten en de gevolgen kijkt: De school lijdt geen reputatieschade en krijgt zijn geld. De rector hoeft geen compromissen te sluiten met zijn geweten en zijn school niet te benadelen. Er zijn serieuze belangen gediend van de school en de familie en ook de advocaat heeft er met enige vertraging voordeel van: de neef heeft bewondering voor de manier waarop de trustee de waarheid heeft achterhaald en engageert hem later als raadsman, als hij na verloop van tijd inderdaad c. e. o. in de zaak van zijn oom is geworden. Maar dat is bijkomstig.

Er zijn een paar negatieve kanten als men naar de gedragingen en de motieven kijkt: de trustee had niet het recht hier zelf een beslissing te nemen. Hij had horen te rapporteren en de beslissing aan de schoolleiding moeten overlaten. Hier staat tegenover dat de beslissing maar op een manier had kunnen uitvallen. Zodra meer mensen van de feiten op de hoogte zouden raken, zouden beide jongens van school zijn verwijderd.
Daar waren overigens ook goede redenen voor, want er is wel degelijk een dubbele fraude gepleegd. De zoon verdiende het om weggestuurd te worden. Misschien dan niet vanwege het overschrijven van een vertaling, maar zeker wel voor zijn leugens en de poging om de schuld op zijn neef te schuiven. De neef had zelfzuchtige redenen om aan de fraude mee te werken en legde in eerste instantie een valse bekentenis af, die je met een meineed gelijk zou kunnen stellen.
De trustee handelde vanuit het belang van de school, als we ervan uit mogen gaan dat hij er geen rekening mee hield dat hij hier nog ooit een nieuwe cliënt aan over zou houden. Maar hij vond de donatie belangrijker dan het dienen van een abstracte waarheidsvinding of een abstract rechtsbegrip. Of misschien had wij wel sympathie voor de mengeling van loyaliteit en schrander inzicht van de neef. Tenslotte had ook Jezus van Nazareth in zijn gelijkenis van de valse rentmeester diens frauduleuze gedrag geprezen. De trustee tilt niet zo zwaar aan de leugens van anderen. Minder zwaar in elk geval dan de rector, maar daar is hij advocaat voor. Hij vertrouwt het oordeel van de rector niet, of vindt het in ieder geval veiliger om op zijn eigen oordeel te af te gaan, terwijl dat een beslissing was die hem rechtens niet toe kwam.

Als dit probleem in termen van doel en middelen wordt geformuleerd kan men tot het oordeel komen dat het doel hier verdedigbaar is. Er is een hele onaangename situatie vermeden zonder dat iemand daar werkelijk schade door geleden heeft. Alleen de zoon in kwestie handelt eigenlijk onverdeeld slecht. Die wordt ten onrechte gesauveerd. Het bereikte doel is wat dit laatste onderdeel betreft niet goed te keuren, maar gezien de effecten in wijder verband, misschien toch per saldo wel te billijken. De belangrijkste benadeelde is immers de neef die hierover niet wenst te klagen.
De middelen die zijn gebruikt zijn frauduleus. Blijft de vraag of dit een geval is waar het doel de middelen heiligt. Dat blijft uiteindelijk een kwestie van afwegen, maar het is een echt en waarachtig ethisch probleem. Het zou aardig zijn om het aan een willekeurige Fransman, een Engelsman en een Nederlander voor te leggen en te zien of die er op een andere manier over zouden oordelen. Dat zou mij niet verbazen. Ik ben Nederlander en weet hoe mijn landgenoten zouden oordelen. Maar ik denk dat een Engelsman en zeker een Fransman hier niet anders over zou denken dan Auchincloss.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Balkenende’s uitglijder.

Een paar jaar geleden suggereerde iemand in de krant dat Balkenende geen minister van staat werd omdat koningin Beatrix hem nooit vergeven had dat hij op de dag van de begrafenis van haar man een kabinetsvergadering hield. Dat was inderdaad behoorlijk ongepast en hij liet bovendien toe dat op die dag zijn kabinet viel, waardoor de koningin meteen weer aan de slag moest.

De auteur van het krantenartikel suggereerde dat ook de behandeling van de overleden lievelingszoon van de koningin en diens aanstaande er iets mee te maken zou hebben gehad, maar dat lijkt mij minder waarschijnlijk. In elk geval zou dat niet terecht zijn geweest. Mevrouw Wisse Smit en haar prins hadden de toorn van Balkenende in hoofdzaak aan zich zelf te danken. De koningin had een voor haar ongebruikelijke uitglijder gemaakt door zich niet tijdig op de hoogte te stellen van de smetten op het verleden van de bruid. Ik bedoel dan niet in de eerste plaats het Bruinsma verleden, waar Peter de Vries een spectaculaire uitzending aan wijdde met zijn Chileense vaquero. Daar kon ze misschien niet zo veel aan doen. Maar in elk geval was er die langdurige relatie met een delinquente Bosniër, waar Nederland en zijn koningshuis onder geen beding mee geassocieerd zou willen worden.
Gelukkig dat onze nieuwe koning en koningin zich intussen een eigen populariteit veroverd hebben, die tegen een stootje kan. Anders had dit soort vlekken op het blazoen ons nog duur te staan kunnen komen, als de wind was gedraaid en de populariteit van het Oranjehuis was afgenomen. Dan kan zo’n verleden heel vervelend zijn.

Om terug te komen op Balkenende, dat is niet echt een mijnheer en dat is jammer. Het had niet bij hem op horen te komen om op de dag van de begrafenis te gaan kabinetten. Zijn hele publieke optreden was houterig en geforceerd. Hij spreekt slecht in het openbaar. Alleen al de manier waarop hij loopt wijst op een achtergrond van kleine luiden. Hoe progressief en democratisch we verder ook met zijn allen zijn, we waarderen het in onze gezagsdragers als ze er een beetje goed uitzien, wanneer ze behoorlijk in het pak zitten en zelfverzekerd weten op te treden.
Onze vorige burgemeester Van der Laan en zijn beide voorgangers Cohen en Patijn waren alle drie gentlemen en dat wordt hier gewaardeerd in de grachtengordel. Patijn helemaal, maar ook Job Cohen is een hoffelijke en beschaafde man, al was hij geen indrukwekkende burgemeester. Dat kun je van Balkenende niet zeggen al deed die wel zijn best. De man lijkt verder best talent te hebben en als premier heeft hij het helemaal niet zo slecht gedaan. Maar het oog wil ook wat en als je goede manieren hebt kun je op andere terreinen meer gaten laten vallen. Kijk maar naar Job Cohen.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen