Virtus, dignitas en auctoritas, de Romeinse normen en waarden.

Sinds de elfde september 2001 weten we dat de westerse cultuur niet de enige is op aarde. Wie de geschiedenis kent wist dit al eerder en is niet verbaasd. Zelfs het gevoel de enige beschaving te zijn is niet uniek. Ook de Grieken waren er in hun tijd van overtuigd dat al degenen die geen Grieks spraken barbaren waren en minder beschaafd, terwijl Mesopotamië, Egypte en landen verder naar het Oosten beschavingen hadden die ouder en in een aantal opzichten ook geacheveerder waren dan de Griekse.

De westerse cultuur is betrekkelijk nieuw en in een aantal opzichten totaal anders dan alles wat er aan vooraf gegaan is, maar toch niet in alle opzichten. Voor een goede positiebepaling van de westerse cultuur tegenover andere en oudere samenlevingen zijn de Turkse of Marokkaanse onderdelen van onze multiculturele samenleving minder geschikt. De westerse cultuur is hier zo dominant dat een vergelijking met de andere alleen maar negatief voor ze uit kan vallen. Dat geldt niet alleen voor de leefgewoonten waarmee de immigranten hier naar toe zijn gekomen, maar ook voor de culturen in de landen van herkomst. Geen daarvan zou zelfstandig, zonder hulp van het Westen, kunnen overleven.

Een zinnig vergelijkingsobject uit het verleden, voldoende anders maar ook weer niet zoveel anders dat een vergelijking onmogelijk wordt, is de Grieks- Romeinse, de klassieke cultuur.
In Het Romeinse rijk, dat rond het begin van onze jaartelling een gebied besloeg dat bestond uit Europa bezuiden Rijn en Donau, Noord Afrika tot aan Ethiopië en heel Klein- en Midden Azië sprak het ontwikkelde deel van de mensen Koinè, d,w,z, Grieks en daarnaast in het Westelijk deel Latijn, de taal van het bestuur. Grieks was ongeveer wat Engels tegenwoordig is.
Technisch stonden de klassieken op het niveau van de Europeanen aan het begin van de negentiende eeuw. Dat niveau bestond al ongeveer vijf honderd jaar voor Christus, handhaafde zich tot ongeveer vierhonderd a.D. in het Westen en tot het einde van het Byzantijnse rijk in de vijftiende eeuw in het Oosten. Al die tijd was er geen wezenlijke technische ontwikkeling, met als uitzondering misschien een tijdlang in de weg- en waterbouw en in de militaire techniek. Daar hebben de Romeinen wezenlijk nieuwe dingen tot stand gebracht, maar dat was een beperkt terrein.

Het ethos van onze westerse samenleving bestaat in hoofdzaak uit de mensenrechten, de democratie en de “rule of law”. Als gemeenschappelijk kenmerk daarvan geldt de gelijkheid van alle mensen en daarnaast de waarde die wordt toegekend aan de integriteit van lichaam en geest van het individu, los van zijn plaats in de samenleving.
De Romeinse samenleving kende ook een rule of law maar niet het ethos van mensenrechten en democratie. Een mensenleven had in de Romeinse samenleving een betrekkelijk geringe waarde, het kreeg pas betekenis in de maatschappelijke context. Slavernij was de basis van de economie en oorlog een geoorloofd middel tot vergroting van gebied en rijkdom. Het doden, mishandelen en uitbuiten van mensen was aan de orde van de dag. Dat dit alles gepaard ging aan een strikte eerbied voor de wet is iets wat wij ons moeilijk kunnen voorstellen, maar zo was het toch.

De ethos van de Romeinse samenleving was virtus, een agglomeraat van mannelijke deugden.
Wie virtus had en tevens de vereiste maatschappelijke positie, beschikte over dignitas, waardigheid en genoot bij anderen aanzien, auctoritas. Dignitas was een persoonlijke hoedanigheid waardoor de drager ervan zich van andere mensen in gunstige zin onderscheidde. Dignus, dat meestal vertaald wordt met waardig, had eigenlijk meer de betekenis van behoorlijk, in overeenstemming met wat van iemand verwacht mocht worden en met name in overeenstemming met het mos maiorum, de gewoonten der vaderen. Behalve persoonlijke deugden hoorde daar ook de juiste mate van welstand toe, een goed uiterlijk, goede familie, een grote cliëntenkring en andere factoren bij die men niet altijd zelf in de hand had.
Auctoritas was verbonden aan iemands positie in de samenleving, maar zonder dignitas was het onmogelijk zo’n positie te bereiken. Omdat de ouderdom en bekendheid van de familie waartoe men behoorde onderdeel uitmaakte van het begrip dignitas was het buitengewoon moeilijk voor nieuwkomers om in Rome carrière te maken.

Dat de Romeinse keizertijd geen democratie kende spreekt voor zich, maar ook de republiek was geen democratische staatsvorm. De republiek was een aristocratie, waar de macht stevig in handen was van een beperkt aantal families, die daar op grond van hun auctoritas aanspraak op konden maken. Gekozen werden de meeste functionarissen wel, maar de kandidaatstelling was niet vrij en de verkiezing was getrapt en zo ingewikkeld dat daardoor de invloed van de regerende clans niet wezenlijk werd beïnvloed.

De republiek kende een uitvoerend apparaat bestaande uit consuls, praetoren, aedilen en quaestoren, die jaarlijks werden gekozen. Die functies werden niet gehonoreerd en men moest rijk zijn of veel kunnen lenen om ze te kunnen vervullen. Er waren jaarlijks twee consuls die gezamenlijk de functie vervulden van de vroegere koningen. Ze beheersten het militaire apparaat, de schatkist en samen met de senaat de wetgeving. Hun macht was beperkt door de korte duur en de dualiteit van hun ambt. In de loop van de jaren verschoven de bevoegdheden en kwam met name een deel van de wetgevende bevoegdheid bij de volkstribunen terecht.

Wie eenmaal consul was geweest had daarmee zich zelf en zijn nageslacht in de adelstand verheven. De Romeinen onderscheidden twee vormen van adel: patriciaat en nobilitas.

Het patriciaat werd gevormd door de hele oude families of gentes, zoals de Fabii en de Cornelii. Patriciërs konden lid worden van de Senaat en alle ambten vervullen behalve die van volkstribuun. Zij konden niet stemmen in de volksvergadering en van de twee consuls kon er maar een patriciër zijn. De Plebei, waartoe ook belangrijke families uit de nobilitas behoorden, zoals bijvoorbeeld de Metelli, konden zowel in de senaat als in de volksvergadering functioneren en ook tribunus populi worden. Patriciaat voegde toe aan iemands dignitas, maar betekende niet meer directe macht dan lidmaatschap van het hoger huis in Engeland en het had soortgelijke handicaps.

De Romeinen hadden in een vroeg stadium van hun geschiedenis het koningschap afgeschaft. De legitimiteit van het gezag berustte sindsdien op de auctoritas van Senaat en Volksvergadering, maar de macht lag vooral bij de Senaat. Pas in de laatste jaren van de republiek kreeg de volksvergadering  via het instituut van volkstribuun en de door de volkstribunen geassumeerde wetgevende bevoegdheid, een deel van macht terug.

De Romeinen hadden een cultuur die op de onze leek, maar dat blijkt dus verraderlijk. Wel een republiek, maar geen democratische. Niet de stemmen van het volk, maar de auctoritas van de machthebbers legitimeerde de macht. Wel een duidelijk ethos, maar geen mensenrechten. Wel een rechtsstaat, maar een waar de mobiliteit van het recht veel groter was dan bij ons. De instabiliteit van het systeem van de republiek leidde tot twee generaties burgeroorlogen en uiteindelijk tot het Principaat, het Romeinse keizerrijk. Het democratisch gehalte nam verder af maar de stabiliteit van de rechtsstaat nam toe.

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .