Mondiale samenwerking.

 

Volgens Adam Smith is de productiviteit van een samenleving een functie van samenwerking tussen de leden. Ten dele is zij ook afhankelijk van de individuele capaciteiten en van de mate van scholing van haar leden, maar zonder samenwerking wordt het niets. Als de samenleving in delen uiteenvalt, zoals nu in het midden oosten en de verschillende delen staan vijandig tegenover elkaar, dan kun je het met de welvaart verder schudden. Wordt daarentegen de hele wereld één grote samenleving, zoals dat in het pre-Trump tijdperk leek te gebeuren, dan is een voorwaarde vervuld voor een zo hoog mogelijke mondiale welvaart.
Die welvaart is nodig om vreedzame oplossingen te financieren voor grote problemen die op ons af komen: de overbevolking, de uitputting van goedkope energie en grondstoffen, milieuproblemen en etnische conflicten. Dit blijft waar, ondanks dat er terecht ook wordt gezegd dat de welvaart veel van die problemen heeft veroorzaakt.

De leer van Jezus van Nazareth, die op samenwerking tussen de mensen gericht was, is eeuwenlang verspreid door een kerk die haar tegelijk bevorderde en aan haar implementatie in de weg stond.
Zij bevorderde de samenwerking door de christelijke boodschap op de agenda te houden en verhinderde die door zelf een deelsamenleving te vormen die met andere gemeenschappen op vijandige voet stond. Het is daarom goed dat dominante religies, die de wereld in kampen verdelen en die de mondiale samenwerking in de weg staan, bezig zijn te verdwijnen, terwijl de ethiek die Jezus van Nazareth onderwees buiten de sfeer van de kerk is gekomen en nu door de humanisten wordt verdedigd

Pas na de verlichting is de leer van Jezus van Nazareth werkelijk mondiaal geworden. Kant zag als consequentie van de verlichting dat de mensheid één diende te worden en de beschaving kosmopolitisch. Als iets de inzet van de twee wereldoorlogen was, dan was het dat. Duitsland, het vaderland van Kant, verzette zich tegen die wereldsamenleving en zette in op een strak geleide nationale volksgemeenschap: Ein Volk, ein Reich, ein Führer. In plaats van in een mondiale samenwerking met anderen te verkeren, zou dat Rijk met de rest van de wereld letterlijk “op leven en dood” moeten concurreren. De geallieerden gingen gezamenlijk voor de wereldsamenleving, al waren de Sovjets in wezen nationaal socialisten in disguise.
Vanaf 1988, dacht men, was de vraag beantwoord of de wereld één moet zijn of niet. Misschien zou die vraag inderdaad zo beantwoord zijn, als niet juist de laatste decennia  een middeleeuwse stroming binnen de Islam de overhand dreigt te gaan krijgen.

De reden waarom de islam tot dusver niet de slag kon maken die de christelijke en joodse geloofsgemeenschappen wel hebben gemaakt, is de aard van de moslim samenlevingen. Die is niet altijd zo geweest. In de eerste eeuwen van de islam was zij een vooruitstrevende godsdienst en veranderde er in de Dar al Islam veel meer in positieve zin dan in het christelijk deel van de wereld. De joodse diaspora was vooral in de moslim landen te vinden en minder in de christelijke. Mohammed zelf was een creatieve en wendbare denker die in het barbaarse Arabië van rond zes honderd a.D. een civiliserende invloed had. Hij drong er bij zijn leerlingen op aan om aan zijn boodschap niets te veranderen juist omdat hij gezien had hoe christenen en joden hun heilige boeken hadden aangepast aan de wensen van de leiders van het moment[1]. Om dezelfde reden wilde hij geen kerk in de Islam en verbood hij het idoliseren en in dat verband ook het afbeelden van mensen. Hij wilde geen priesters en geen kerk tussen God en de mensen omdat hij te goed gezien had wat die in het christen- en jodendom hadden aangericht. Maar elk voordeel heeft zijn nadeel. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. De islam heeft geen priesters maar in plaats daarvan voorgangers in het gebed en deze imams en de Sharia rechtsgeleerden zijn bij het aanwenden van de leer ten eigen bate nog erger dan de christelijke priesters. Er is geen islamitische kerk maar er was een Umma onder leiding van een kalief.

De laatste kalief was de Turkse sultan en die heeft in de eerste wereldoorlog nog volop gebruik gemaakt van zijn prerogatieven als geestelijk leider van de islam. Er zijn intussen geen kaliefen meer, maar de imams en rechtsgeleerden doen op kleine schaal wat de Sultan grootschaliger deed. Precies dat, wat Mohammed wilde voorkomen: de religieuze beleving van de mensen in dienst stellen van zich zelf en van het collectieve en blinde fanatisme dat aan de eigen verantwoordelijkheid van de gelovige in de weg staat.

Door zijn opvolgers als leiders van de Dar al Islam het recht te ontzeggen de leer naar eigen inzicht in te richten fossiliseerde Mohammed de Koran. In plaats van een instrument van vooruitgang werd de leer van Mohammed na verloop van tijd tot een reactionaire kracht. De verbreiding van het geloof in de ene universele God werd door Spinoza gepreekt aan het begin van de verlichting, maar door de Cartesianen niet begrepen, zo min als door de oude christenen. Misschien dat de botsing tussen humanisten en moslims beiden weer op het rechte pad kan brengen. Dat zou te hopen zijn.

[1] Constantijn de Grote had geconstateerd dat zijn voorgangers Septimius Severus en Diocletianus te vergeefs geprobeerd hadden het christendom aan te passen aan de Romeinse beschaving. Hij draaide de zaak om en maakte van het christendom de dominante staatsgodsdienst om langs deze weg een vervanging te verkrijgen voor de niet langer relevante ethiek van het Romeinse stads-patriottisme. De veranderingen die Constantijn en zijn ingreep voor het christendom betekenden via het concilie van Nicene in 325 a.D. waren in godsdienstig opzicht catastrofaal. Pas na de verlichting is de leer van Jezus van Nazareth in al haar eenvoud weer in ere hersteld.

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .