Veranderende samenlevingen.

Een samenleving die zich niet kan aanpassen houdt het niet, maar een samenleving die te snel verandert blijft evenmin overeind. Het tempo en de omvang van de veranderingen bepaalt hoever het absorptievermogen reikt.

Sommige samenlevingen zijn van nature op verandering ingesteld en de Nederlandse is er daar een van. We hebben hier vanouds geleefd van handel en transport. Aanpassen aan nieuwe omstandigheden is in onze geschiedenis regelmatig een levensvoorwaarde geweest. Nederland is daarnaast altijd een vreedzame samenleving geweest en een die wel tegen een stootje kan. Als nu blijkbaar iedereen vindt dat het tegenwoordig te hard gaat en dat we het tempo van de veranderingen niet bijbenen, dan is er wel degelijk wat aan de hand.

Wat er aan de hand is zijn anderhalf tot twee miljoen nieuwe Nederlanders in dertig jaar tijd, een onbekend aantal illegalen en meer op komst. In Amsterdam zijn onder de schooljeugd de allochtonen in de meerderheid en in de volgende generatie zal dat ook voor de volwassen bevolking het geval zijn. Oude en nieuwe Nederlanders hebben beiden moeite met alle aanpassingen die dat meebrengt. Dat uit zich in toenemend geweld en ongenoegen over en weer.
Deel van de moeite die we ermee hebben komt waarschijnlijk voort uit het feit dat Nederland net een grote aanpassing achter de rug had. Die mega-verandering begon in de zestiger jaren en in de kwart eeuw daarna heeft dit land een inhaalslag gemaakt, waarvan we net aan het uitpuffen waren. Van een land dat met een been in de negentiende eeuw was blijven staan werd het een moderne en libertijnse samenleving. Van een van de godsdienstigste landen in West Europa tot een van de meest geseculariseerde en humanistische.

Ik zelf ben kort voor de oorlog geboren en heb de veranderingen als jong volwassene meegemaakt. Ik heb de kerken leeg zien stromen en het merendeel van mijn vrienden die katholiek of protestants waren opgevoed hun geloof geruisloos vaarwel zien zeggen, zonder dat het hun zichtbare moeite kostte. Ik werd geboren in een omgeving waar van te voren vast stond wat iemand worden zou in het leven of tenminste binnen welke nauwe grenzen zijn mogelijkheden lagen. Ik werd volwassen in een soort Amerikaanse samenleving waar alles mogelijk leek. De generatie van mijn grootouders had huispersoneel in twee verschillende lagen, personeel voor dag en nacht en dagmeisjes. In mijn ouderlijk huis hadden we geen inwonend personeel meer, maar nog wel een dagmeisje en mijn kinderen weten niet eens meer wat dat is, huispersoneel. Die hebben een keer in de week een werkster.

De verschillen tussen de standen zijn verdwenen en iedereen is vrij om te doen en te laten wat hij wil in zijn leven. De sociale dwang in dit opzicht lijkt verdwenen. Het merkwaardige is dat praktisch niemand zich in die periode van negentien zestig tot tachtig erg bewust leek te zijn van de enorme veranderingen in hun eigen leven en dat van hun omgeving. Voor de lagere standen waren de veranderingen trouwens ingrijpender dan voor de hogere. Een bittere en ruikbare armoede uit de naoorlogse tijd maakte plaats voor een welvaart die er ook in de zeventiende eeuw nooit in deze omvang is geweest.

Maar ook voor de welgestelden, die rond 1960 volwassen werden, waren de veranderingen groot. Die generatie had een deel van haar leven in een ouderwetse burgerlijke standenmaatschappij geleefd en heeft die om zich heen zien oplossen en verdwijnen. Toch leefden de meesten gewoon verder en pasten zich aan. Ze leken zich er nauwelijks van bewust dat van de toekomstverwachtingen waarmee ze waren opgegroeid praktisch niets meer uit kon komen. In veel opzichten is er in een paar decennia in de tweede helft van de vorig eeuw meer veranderd in de samenleving dan in twee eeuwen ervoor. Wie wil weten hoe in het bovenste deel van de samenleving het leven hier en elders in Europa functioneerde voor de tweede wereldoorlog zou zich de tv serie Upstairs Downstairs moeten aanschaffen. Die speelde in Engeland maar zou met weinig aanpassingen ook een goed beeld van Nederland geven in dezelfde tijd. De veranderingen betroffen de hele samenleving. Ouders gingen er in mee omdat hun kinderen er in leven moesten en kinderen wisten niet beter.

Met de veranderingen als gevolg van de massale immigratie is het anders gesteld. Hoe snel de samenleving ook veranderde in de vorige eeuw, er bestond in de verandering toch continuïteit. Met de veranderingen die we de laatste decennia meemaken missen we dat. Een deel van de nieuwe Nederlanders integreert en stapt over van de allochtone gemeenschap waarin ze geboren zijn naar de Nederlandse. Wie de overstap niet kan of wil maken blijft in een vreemde wereld achter. Van de gelaagde maar coherente samenleving van een eeuw geleden zijn we in een aantal separate samenlevingen terecht gekomen, waartussen nauwelijks contact lijkt te bestaan.

De overheid heeft zich in haar pogingen om integratie tot stand te brengen tot nu toe uitsluitend op individuen gericht. Dat is vergeefse moeite. Wie als individu wil integreren doet dat uit zich zelf en heeft hooguit wat faciliterende maatregelen nodig. Wie een baan heeft waarmee hij dagelijks met andere Nederlanders in aanraking komt zorgt zelf wel voor zijn aanpassing. Het gaat om de parallelle gemeenschappen die in de grote steden, maar nu ook nu in veel kleinere zijn ontstaan. Die kunnen financieel in stand blijven dank zij de Nederlandse sociale wetgeving en het subsidiesysteem dat ook de niet werkenden van inkomens voorziet die ruim boven het gemiddelde liggen dat men in de thuislanden gewend was. Cultureel blijven ze in stand door de zwarte scholen en de eigen godsdienstig/sociale infrastructuur die door gemeentelijke overheden als de Amsterdamse worden bevorderd en gesubsidieerd. Willen we niet alleen individuen maar ook hun gemeenschappen integreren dan zullen we op dat punt een ander beleid moeten gaan voeren.

In plaats van het nieuwe zuilenbeleid van burgemeester Cohen en zijn Amsterdamse PvdA, dat als totaal mislukt moet worden beschouwd, zullen we een beleid moeten gaan voeren waarin het bestaan van afzonderlijke gemeenschappen zo moeilijk mogelijk gemaakt wordt en er een premie komt te staan op aanpassing.
Een aantal maatregelen lijken daarbij nodig: in de eerste plaats afschaffing van de leerplicht en vervanging door een leerrecht. Geen toegang tot welke school dan ook, zonder voldoende beheersing van de Nederlandse taal. Kosteloze aanwezigheid van mogelijkheden tot het leren van de taal. Afschaffing van iedere vorm van uitkering en subsidie voor wie niet van zijn leerrecht gebruik maakt. Wie dat niet wil of kan krijgt alle faciliteiten voor remigratie maar heeft hier verder niets te zoeken. Dat geldt voor nieuwkomers maar ook voor de z.g. oudkomers.
Doen we iets dergelijks niet dan blijven de eilanden van werkeloosheid groeien en zullen hun bewoners in toenemende mate buiten de reguliere samenleving worden gesloten, tot hun eigen ellende en de onze.

Rebaka vroeg naar aanleiding van dit betoog:

Een oplossing zou dus kunnen liggen in het ‘aanpakken’ van afzonderlijke gemeenschappen. Dus naast de gerichtheid op het individu om te integreren nu ook ontmoediging van hun ‘collectivistische zelf identificatie’. Want op dit laatste komt het volgens mij neer. Het opstroppen van het huidige veranderingsproces komt denk ik vooral tot uiting in de ontmoeting tussen collectivisme en individualisme.
Maatregelen; kosteloos Nederlands leren voor collectivisten. (ook anderen natuurlijk) Alleen uitkering en subsidie voor wie een opleiding volgt of gevolgd heeft en pas dan Nederlanderschap. Dat kan ik allemaal goed volgen.
Maar dan; in plaats van leerplicht voortaan leerrecht.
Wat moet ik me bij dit laatste voorstellen? Kinderen hoeven niet naar school? Ouders kunnen zelf hun kinderen onderwijs gaan geven? Dat is fantastisch nieuws voor vele gelovigen die hun kinderen dan niet meer aan de onreinheid van een heidense school hoeven te onderwerpen maar slechts alleen aan ‘de Ene’ die daar recht op heeft.
Bij onvoldoende Nederlands geen toegang tot de school, stelt u voor. Werk je zo niet in de hand dat afzonderlijke gemeenschappen voor hun eigen onderwijs gaan zorgen? Zelfs in eigen taal en met behoud van eigen cultuur en met een grote kans van financiering vanuit het thuisland?
Wettelijk zal het wel kunnen denk ik, doen de Joodse gemeenschappen dat ook niet zo? Alleen, we hebben niet te maken met anderhalf miljoen Joodse nieuwe Nederlanders maar met een heel ander slag Semieten.
Ik antwoordde:

Dat zijn een stel legitieme tegenwerpingen. Ik doe mijn best: Alleen door afschaffing van de leerplicht kan men weigeren kinderen op school toe te laten die het Nederlands onvoldoende beheersen. Toch is dat nodig want het zijn deze kinderen die de prestaties van hun klasgenoten nadelig beïnvloeden. Dat probleem wordt opgelost doordat vreemde kinderen aan het leren van Nederlands prioriteit geven voor ze les krijgen in andere vakken. Een alternatief zou zijn om leerplicht te laten bestaan maar die voor allochtonen anders in te vullen dan voor autochtonen. Het is duidelijk dat ook daar beren op de weg zullen blijken te zijn.
Het onthouden van alle voordelen van het Nederlanderschap, c.q. het inwonerschap van Nederland, is een bruikbare sanctie jegens degenen die van het leerrecht geen gebruik wensen te maken. Onder voordelen zijn hier alle vormen van uitkering en subsidie te begrijpen. Niet alleen bijstand en andere uitkeringen maar ook bijvoorbeeld het wonen in door de overheid gesubsidieerde en tegen verlaagde huur ter beschikking gestelde woningen. Alle nu door of vanwege de overheid verstrekte voordelen.
Het subsidiëren van etnische groeperingen vanuit het buitenland zal alleen via onze overheid mogen en aan dezelfde voorwaarden zijn onderworpen. Ik betwijfel of de bestaande wetgeving en verdragen al deze maatregelen toe zullen staan. Ik betwijfel daarnaast of er voldoende draagvlak voor is onder de autochtone Nederlanders. Daarom is het zaak eerst draagvlak te zoeken op nationaal niveau en daarna steun bij Duitsland en andere landen om ons heen, zodat we wetten en verdragen waar nodig aan kunnen passen. Alles bij elkaar geen gemakkelijke weg maar wel een noodzakelijke willen nieuwkomers en allochtonen hier samen een samenleving blijven vormen. De geschiedenis van het Turkse milletsysteem kan hierbij als voorbeeld dienen. Dat heeft uiteindelijk tot de genocide op de Armenen geleid en dit soort uitwassen moeten we zien te voorkomen nu het nog kan. Het zal naast een afwijzing van separate en mogelijk vijandige samenlevingen binnen ons territoir ook veel positieve acceptatie vergen van al degenen die wel kiezen voor een gemeenschappelijk Nederland en Europa. De nieuwkomers moeten hun eigen inbreng terug kunnen zien in onze samenleving, maar een opdeling in etnische gemeenschappen is geen optie.

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .