Spinoza en Descartes.

Toen het  in de zeventiende eeuw duidelijk werd dat de nieuwe wetenschappelijke wereldbeschouwing niet langer verenigbaar was met het wereldbeeld van de Schrift, veroorzaakte dat veel onrust onder de elite van die tijd. Wie de bijbel verwierp, verwierp het geloof aan God. Voor de meesten was dat al erg genoeg. Maar als men niet meer in God geloofde, werd wel opeens alles mogelijk. Ondermijning van het gezag van de Bijbel stond gelijk aan de ondermijning van het gezag van de bestaande orde en met het begin van anarchie. Goddeloosheid was landverraad maar dan erger.

Spinoza en Descartes kwamen met twee verschillende oplossingen voor het probleem. De oplossing van Descartes was degene die op den duur aanvaard werd en zij leidde tot het wegkwijnen en afsterven van de christelijke wereldbeschouwing en tot haar vervanging door de moderne areligieuze westerse beschaving..

De oplossing van Spinoza werd verworpen. De filosoof zelf gold in zijn tijd als de verpersoonlijking van de goddeloosheid en het ongeloof.

Dat was ten onrechte, want Spinoza was op zijn manier even gelovig als Luther, terwijl Descartes een leerling was van Erasmus en Bayle, die met alle uiterlijke aandacht die zij aan geloofskwesties gaven, eerder mensen leken te zijn die de consequenties van hun eigen ongeloof niet aandurfden[1].

De God waar Spinoza in geloofde en van hield was er een die samenviel met de Kosmos en met de menselijke samenleving die hij als een onderdeel van de Kosmos beschouwde.  Hij geloofde niet meer in een Hebreeuwse stamgod, wiens gezag berust op een aan historische omstandigheden ontleend  geschrift. Had de wereld van de zeventiende eeuw gekozen voor Spinoza en was zij in staat geweest  de bijbel en andere profetische geschriften te interpreteren als symbolische en historisch bepaalde varianten van zijn leer, dan was het westen wellicht nu nog gelovig geweest en had men de islam tegemoet kunnen treden met geestelijke in plaats van met wereldlijke wapenen in de hand. Aan de moderne levensbeschouwing had een hechtere fundering kunnen worden gegeven. Aan de gebreken in de leer van de humanitas, die tot uiting komen in de wereldoverbevolking en in de verwoesting van het natuurlijk milieu, had beter een plaats kunnen worden gegeven.

De leer van Spinoza moet men niet in de eerste plaats zoeken in zijn Ethica. De Ethica is bedoeld om het bewijs te leveren van de stelling uit de Politiek-Theologische Verhandeling dat als er een God is, het niet anders kan of hij valt samen met de Kosmos. Afgezien van een aantal stellingen die wel inhoudelijk zijn, is de Ethica een formeel geschrift.. Als zodanig is het in mijn ogen geslaagd. Het bevat geen godsbewijs maar legt de inconsistenties bloot van de monotheïstische godsdiensten die van een openbaring uitgaan. Het legt daarbij de grondslag voor een rationeel Godsgeloof, dat veel duidelijker wordt verkondigd in de Politiek-Theologische Verhandeling. Wie zich atheïst noemt en filosoof zou met Spinoza in debat moeten en niet met de Bijbel of de Koran. Pas daarna is atheïsme cultureel-filosofisch verantwoord lijkt mij. Godsdienst immers gaat niet over  de wetenschappelijke waarheid maar over de samenleving en de wereld waarin die samenleving zich bevindt. Het gevecht van Richard Dawkins en Herman Philipse was in mijn ogen daarom een gevecht tegen windmolens.

 

[1] Dat was de reden waarom Luther de steun van Erasmus afwees. Hij beschouwde hem niet als een waarachtig Christen

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .