Giscard.

De vergadering over de toekomst van Europa, onder leiding van de ancien president Giscard, raakte in tijdnood. Zijn vergadering van euro-parlementariërs, vertegenwoordigers van de parlementen en van de regeringen van lidstaten had tot twintig juni de tijd om met een voorstel te komen voor de regeringsleiders van de E.U.

Volgens de NRC had hij een aantal vragen uit de discussie gedistilleerd en aan de vergadering voorgelegd en dienden de leden daar nu ruim voor de due date met antwoorden op te komen:

  1. Moet het oude voorzitterschap van de ministerraad worden gehandhaafd of moet de zes-maandse president worden vervangen door een president voor vijf of bijvoorbeeld zeven jaar. Zo ja, waar moet de president vandaan komen, uit de grote landen of juist uit de kleine.
  2. Moet er een “minister van buitenlandse zaken” komen van de E.U.
  3. Hoe wordt de voorzitter van de Commissie benoemd, zoals nu, door de regeringsleiders, of door het EU parlement.
  4. Houdt iedere lidstaat zijn eigen commissaris of komt er een ander systeem.
  5. Hoe wordt de verhouding tussen de nationale parlementen en de E.U.
  6. Komt er een grondwet voor de E.U. ter vervanging van het huidige verdrag, met zijn eigen regels voor aanpassing.

Op deze zes vragen kwam geen eenstemmig antwoord van de conventie. Iedereen was het er wel over eens dat met het grote aantal nieuwe leden de oude regeling niet meer kon werken, maar dat hielp niet. Alle zittende leden hadden teveel gevestigde belangen om het over een wijziging eens te kunnen worden. Als leek zou ik ze als volgt beantwoorden:

  1. Een voorzitterschap dat om de zes maanden rouleert en waarbij iedereen aan de beurt komt, dat kan met zijn zessen maar niet met vijf en twintig en even later acht en twintig lidstaten. De grote landen vinden het redelijk dat zij het voorzitterschap onderling verdelen, maar de kleine voelen daar niets voor. Als de grote landen verstandig zijn sluiten ze het volgende compromis: – de voorzitter wordt voor zeven jaar benoemd en wordt door de kleine lidstaten uit hun midden voorgedragen. De grote landen hebben gezamenlijk een recht van veto en besloten wordt bij eenvoudige meerderheid. – Verder zou het zinnig zijn om de voorzitter van de ministerraad tevens voorzitter van de commissie, d.w.z. president van de Unie te maken, want anders liggen competentiegeschillen voor de hand.
  1. Er moet geen minister van buitenlands zaken komen voor de EU. De voorzitter nieuwe stijl vertegenwoordigt de Unie en heeft een kabinet van door hem te benoemen vertegenwoordigers. De positie van de voorzitter is nog te zeer aan ontwikkeling onderhevig om hem nu al in een bestaand begrippenkader op te sluiten.

Het betekent dat de functie zo flexibel mogelijk zal moeten worden gedefinieerd. Een minister van buitenlandse zaken zou geen eigen bevoegdheden hebben die niet van de bevoegdheden van de voorzitter of van de nationale ministers afgaan. Dat levert alleen maar problemen op waar niemand op zit te wachten. Noem een buitenlandfunctionaris van de Unie daarom vooral nooit minister van buitenlandse zaken maar liever bijvoorbeeld rechterhand van de voorzitter voor buiten-communautaire aangelegenheden.

3.De belangrijkste functie van het Europees parlement is het controleren van de commissie. Die functie kunnen ze nooit goed vervullen als ze de commissie niet naar huis kunnen sturen. Het ligt binnen de huidige structuur al voor de hand dat een voorzitter van de commissie alleen kan functioneren als hij het vertrouwen van het parlement heeft. Het zou goed zijn om de bevoegdheden van het parlement in dit opzicht te formaliseren. Naast het veto van de grote landen dus ook een veto van het parlement.

4. Door het benoemingsrecht van commissarissen bij de lidstaten te laten wordt er een zeker evenwicht bereikt. Het is denkbaar dat meerdere lidstaten tezamen een commissaris aanwijzen in de toekomst, of dat er commissarissen komen van uiteenlopend gewicht. De verdeling van de functies tussen de commissarissen zou een zaak van de voorzitter moeten zijn die voor de taakverdeling het advies en de instemming van het parlement zou moeten krijgen.

5. De nationale parlementen hebben hun handen vol aan wetgeving en controle op de nationale regeringen. Van de andere kant is er geen of weinig contact tussen het huidige Europese parlement en de bevolking van de lidstaten en daar moet wel wat aan gebeuren. Dat gebrek aan interesse komt niet doordat er op Europees niveau geen belangrijke beslissingen worden genomen maar met name omdat de media van de lidstaten onvoldoende geïnteresseerd zijn in wat er in Brussel, Luxemburg en Straatsburg gebeurt. Gedeeltelijk ligt het eraan dat het zulke provincieplaatsen zijn, waar journalisten niet willen zitten en voor de rest van hun werk ook niet kunnen zitten. Vestiging in een van de grote hoofdsteden van Europa, Londen bijvoorbeeld of Wenen, het nieuwe zwaartepunt van Europa, zou een verbetering zijn. Een beperking van het aantal parlementsleden tot vier per staat en een benoeming door de lidstaten zou ook een verbetering inhouden, want het zou de anonimiteit van de parlementsleden verminderen. Wat Nederland betreft zou een benoeming uit leden van de Eerste Kamer dit instituut nieuw leven kunnen verschaffen en een forum geven voor het afleggen van verantwoording op nationaal niveau.

6. Het huidige handvest van de EU is een verdrag dat alleen met algemene stemmen kan worden veranderd. Iedere verandering is daarom een compromis dat nooit goede oplossingen geeft en op zijn best leefbare.

Het voordeel is wel dat alle landen zich aan het verdrag gebonden voelen omdat ze er per saldo uit vrije wil aan meedoen. Een charter of een grondwet die met gekwalificeerde meerderheden kan worden gewijzigd kan betekenen dat lidstaten op voor hen essentiële punten door een meerderheid worden overruled. De Unie bestaat nog uit te veel uiteenlopende landen met verschillende niveaus van economische en sociale ontwikkeling om zoiets werkbaar te maken. Een grondwet nu zou te vroeg komen. De eerst honderd jaar of zo zullen we er mee moeten leven dat we geen Verenigde Staten van Europa worden. We zullen een bond van staten blijven, zonder veel macht in de rest van de wereld, maar, Deo volente, wel vreedzaam, welvarend en tevreden. Dat is ook wel wat.

 

 

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .