De Hoge Middeleeuwen en de Islam.

Het begin van de Middeleeuwen valt samen met het einde van het (West) Romeinse Rijk, aan het einde van de  vijfde eeuw n.C. De duistere Middeleeuwen heette die tijd vroeger, want iets anders dan een steeds verder afbrokkelende Romeins beschaving was er eigenlijk niet. Dat gold dan voor het deel van West Europa dat tot het Romeinse rijk behoord had, het vaste land ten westen van de Rijn plus Engeland.

Tot aan de tijd van Karel de Grote zakte Europa langzaam verder weg, maar met hem begon er iets nieuws. Met behulp van de (Latijns) christelijke kerk ontstaat rond acht honderd in Noord West Europa een eigen zelfstandige beschaving. Een nieuw en heropgericht Romeins rijk met een centrum rond de Noordzee en gericht op de toekomst in plaats van op het verleden. Deze beschaving is ondanks zijn uiterlijke vormgeving niet langer klassiek, maar nieuw en christelijk. Christelijke kloosters en bisschoppen vertegenwoordigen het culturele leven in het rijk van Karel en vormen ook de kern van zijn bestuursapparaat. Toekomstgericht, dat wil zeggen de blik is nog wel naar achteren, maar de stap is eindelijk naar voren.

De herleving van de beschaving is snel en ingrijpend, maar lang duurt de nieuwe bloei niet. Met Karel zelf verdwijnt de vitaliteit uit het nieuwe rijk. Hongaren en Vikingen bedreigen de grenzen en veroveren zich uiteindelijk een plaats erbinnen.

Het duurt een aantal generaties voor een nieuw herstel optreedt, nu definitief los van het oude Hellenisme. De Ottonen, de late opvolgers van Karel, zijn niet langer keizers van heel Europa maar van Duitsland. Met hen herneemt het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie dat door Karel de Grote werd gesticht zijn levenskracht en de keizers besteden die aan een onderwerping van Italië en een strijd om de macht met de pausen. Nog steeds is een  belangrijk deel van het burgerlijk bestuur in handen van bisschoppen en priesters.

Kloosters en bisdommen verwerven in de loop der jaren grote rijkdom en ook dat vertegenwoordigt macht. Wie de investituur heeft (het benoemingsrecht van de geestelijkheid) controleert een belangrijk deel van de macht in het christendom. Daarom, om dat benoemingsrecht, gaat de strijd vooral. Die strijd wordt door de pausen gewonnen maar het blijkt een Pyrrhus overwinning. De resultaten van de pauselijke dominantie gaan verloren in onderlinge twisten tussen de pretendenten voor de tiara. Dieptepunt daarbij is een ballingschap van de pausen naar Avignon, waar ze ruim honderd jaar hebben geleefd, in horigheid aan de Franse koning. De teloorgang van de macht van Rome kondigt het einde aan van de Middeleeuwen.

Gedurende die opeenvolgende interne twisten in het Latijnse christendom, die begonnen rond elf honderd, ontstond een bloei van de cultuur die in niets lijkt op de oorspronkelijke Karolingische beschaving en nog minder op de Romeins Griekse beschaving die er aan vooraf ging. De bouw van kathedralen en grote kastelen, de schitterende prelaten en hun rituelen, de minstrelen of minnezangers, de kruistochten, de ridders met hun schildknapen en toernooien, de legenden van Karel en de Elegast, Roland, Koning Arthur, alles komt schijnbaar uit de lucht vallen en heeft geen wortels in het verleden. Na de Renaissance is het later ook allemaal even snel weer verdwenen en blijven alleen de kathedralen en kastelen over als monumenten uit vroegere tijden. Nieuwe kerken van vergelijkbare omvang en pracht worden er niet meer gebouwd. Alle exotische kenmerken van de Hoge Middeleeuwen verdwijnen alsof ze er nooit geweest zijn. Zij worden na de Renaissance en de Reformatie vervangen door een veel meer op de klassieke beschaving lijkende Nieuwe Tijd, een stedelijke beschaving met duidelijke wortels in het oude Griekenland.

Lang voor de Franse revolutie is de verdeling van de samenleving in hogere en lagere standen, die in de Middeleeuwen wel degelijk bestaansrecht had, een anomalie geworden.

Waar precies deze schitterende late Middeleeuwen vandaan kwamen die in de negentiende eeuw de inspiratie hebben gevormd voor de romantische litteratuur van Walter Scott en heel veel anderen, is in de Europese geschiedschrijving een mysterie gebleven. Men gaat er kennelijk nog steeds van uit dat zij ten tijde van de Merovingers ontstaan zijn uit een soort kruising tussen het late Hellenisme en de beschaving van de Germaanse volkeren. Na de verovering van het oude Romeinse Europa was de nieuwe beschaving een kwestie van spontane groei, meende men. De invloed die de islam op deze Europese Middeleeuwen heeft gehad wordt wel genoemd, maar in het voorbijgaan als het ware. In hoofdzaak wordt die vreemde godsdienst neergezet als de vijand, als een verschaffer van oorlogsbuit, en helemaal niet als een overheersende invloed op de eigen beschaving.

In de twintigste eeuw hebben we in Oost Europa iets dergelijks meegemaakt. Zoals in de communistische tijd alles wat er in Rusland aan nieuwe technieken werd ingevoerd aan de eigen Russische uitvinders werd toegeschreven (liefst aan Stalin zelf) zo verdonkeremaande de Latijns christelijke kerk de beschavingselementen die zij ontleende aan de islam en in mindere mate aan Byzantium.

De stalinisten uit Oost Europa beheersten in eigen huis de media en de geschiedenisboeken en hetzelfde deed de kerk in de Middeleeuwen. Kronieken werden geschreven door monniken en daarbij waren aanwijzingen uit Rome van groter belang dan de waargenomen feiten. Ofschoon de Arabische geschiedschrijvers zoals Ibn Chaldoen weinig aandacht hadden voor West Europa, is uit hun werken toch wel af te leiden dat de waarheid over de Middeleeuwen niet is terug te vinden in de werken van Gregorius van Tours en de vele andere monniken die in de kloosters werkzaam waren.

De waarheid is dat in de Hoge Middeleeuwen het christelijke Westen in cultureel opzicht een soort satelliet was van de moslim kalifaten van Bagdad en Cordoba, zoals Oost Europa in de communistische tijd vrijwel alles kopieerde van Amerika en  West Europa.

Het Sicilië van de Normandiërs en van de Hohenstaufen is een goed voorbeeld. Het gold als een van de beschaafdste delen van Europa en het was een geslaagde mengvorm van de Islam en restanten van Italiaanse en Byzantijnse beschaving, waarop de Normandische[1] beschaving van de veroveraars geënt werd. Ook in Spanje kwam, maar daar onder islamitische leiding, een vruchtbare vermenging van de diverse Europese culturen tot stand. Spanje en Sicilië waren in de Middeleeuwen de belangrijkste inspiratiebronnen voor de rest van Europa.

De Gotische kathedralen waren qua bouwkunst geïnspireerd op de hoge karavanserais uit Syrië en de middeleeuwse schilderkunst kwam via Sicilië uit Byzantium. De hoofse riddercultuur was Arabisch en dat gold ook voor de filosofie van Albertus Magnus en Thomas Aquinas.

De Hoge Middeleeuwen ontleenden hun bijzondere karakter aan haar godsdienst die in antithese tegenover de islam en de orthodoxie werd georganiseerd. Zij beheerste het leven van de mensen en stelde alles in haar dienst. Men zette zich af tegen de concurrerende godsdiensten maar nam er intussen veel van over, vooral van de islam. Niets is zo vreemd aan het oorspronkelijke christendom van het Nieuwe Testament als een heilige oorlog, maar de jihad was de kern van de vroege islam en dat werd het ook van het middeleeuwse christendom.

Alle technieken die het leven in de latere eeuwen zo veel aangenamer maakten, vooral voor de adel en de geestelijkheid, werden overgenomen uit de Islam. Niet alleen de eetgewoonten en de bouwkunst, maar verbeteringen voor land en tuinbouw zoals nieuwe gewassen en irrigatie en droogmaling met windmolens. Ook de dagelijkse bezigheden van de kloosterlingen, zoals het maken van perkament en het boekbinden, de prachtig versierde getijdenboeken die vanaf de elfde eeuw ontstonden, het kwam allemaal overwaaien uit Spanje, het Midden Oosten of uit de Maghreb. Ook tijdens de Hoge Middeleeuwen vond immigratie plaats, niet van de moslims zelf maar wel van hun beschaving.

 

[1] De Normandische beschaving als variant van de beschaving van de Middeleeuwen is een mysterie op zich. In de tiende eeuw veroverde een groep Vikingen het gebied rond de benedenloop van de Seine. Hun aanvoerder werd door de machteloze Franse koning tot hertog  van Normandië benoemd. Een eeuw later veroverden de Normandiërs achtereenvolgens Zuid Italië, Engeland en Sicilië. Engeland werd veroverd door een bastaardzoon van de hertog zelf, maar Zuid Italië en Sicilië door de nazaten van een simpel riddergeslacht uit Normandië, genaamd De Hauteville. Die veroveringstochten in Italië waren vooral gericht tegen de Byzantijnen en leken op de latere kruistochten, in zoverre dat de veroveraars net als hun Viking voorouders kleine maar hechte groepjes vormden, waartegen de veel talrijkere Byzantijnen, Italianen en Moslims niet opgewassen bleken. Dat zij zulke succesvolle veroveraars bleken was niet zo zeer het mysterie, dat waren de Vikingen ook, maar verrassend was dat zij goede bestuurders bleken en in staat waren de beste elementen van de nieuwe Franse beschaving te combineren met wat zij elders aantroffen. Ook het Engeland van de Normandische veroveraars werd een aanzienlijk beter bestuurd gebied dan het onder de Angelsaksen  ooit geweest was.

 

 

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .