nazi’s.

Het nationaal socialisme is antigeschiedenis geworden. Als er nu in Duitsland of ook in Nederland nog mensen met hakenkruisen en SS tekens rondlopen dan gelden die als bizar en provocerend. Behalve de politierechter in Zwolle die in het nazi gevaar een reden zag om de leider van de Centrumpartij te veroordelen, neemt niemand hier de nazi’s nog au serieux. Ze zijn als politieke beweging vergeten en leven voort als symbolen van het kwaad. De afkeer die ze oproepen heeft niets meer van doen met een gevaar dat ze kunnen vormen maar met het taboe dat op hen rust en met de holocaust.

Dat was anders in de dertiger jaren. De kans dat het nationaal socialisme of haar variant het Russische stalinisme de wereld zouden veroveren was toen heel reëel. De eerste wereldoorlog was het echec van de Europese beschaving geweest. Zo werd het door de hele wereld gevoeld. Zij vervulde ook de overwinnaars met afschuw en met de resultaten van het vredesverdrag was niemand tevreden. De liberale waarden en het parlementaire democratische systeem hadden als gevolg daarvan veel van hun geloofwaardigheid verloren. Niemand zag duidelijk hoe de toekomst er uit moest zien, behalve de communisten en nationale socialisten. In Duitsland had de vrede van Versailles de shock van de eerste wereldoorlog bestendigd.  De Weimar republiek die als praktisch haar eerste regeringsdaad dat verdrag getekend had, had daarmee in de ogen van de Duitsers haar legitimiteit verspeeld. De Weimar republiek saboteerde wel later de resultaten van Versailles waar het kon, maar verwierf zich daar geen krediet meer mee, niet bij de eigen bevolking en helemaal niet bij de geallieerden.

Hitler was de eerste Duitse politicus die het beestje openlijk bij de naam noemde: Versailles was een monstrum en Duitsland zou er zich niet bij neerleggen. Hij voegde daden bij zijn woorden. Hij dwong ontruiming van het Rijnland af, begon aan de herbewapening, maakte de ontrechting van de Duitsers in het nieuwe TsjechoSlowakije ongedaan, voegde de rompstaat Oostenrijk bij het Duitse moederland en zette de Duitse economie in het midden van de wereld crisis weer op poten. Allemaal grote politieke successen waarvoor de nazi’s in Duitsland veel krediet kregen bij een meerderheid van patriotten die op zich niet met alle nazi denkbeelden sympathiseerden.

Duitsland was vóór 1933 niet nazi, maar ook niet liberaal in meerderheid. De parlementaire democratie had in de Duitse landen nooit goed wortel geschoten en de verlichting had ginds meer de rechtstaat en een integere ambtenarij opgeleverd dan een parlement dat een middelpunt kon zijn van het publieke leven, zoals dat in de Angelsaksische landen het geval was. Er was in Duitsland geen burgerij die het lot in eigen hand wilde nemen.

Het antiparlementarisme en ook het antisemitisme dat uniek aan de Nazi’s verweten wordt zijn eigenlijk erfenissen van het Oostenrijk en Duitsland van voor de eerste wereldoorlog. Zelfs het Führerprinzip was niet nieuw. Bismarck werd in zijn tijd net zo aanbeden als Hitler en een echt fatsoenlijk mens kon ook de IJzeren Kanselier niet genoemd worden.

Wat wel typisch nazi of kommi was, waren de gewelddadige elementen, het brutale, het rücksichtloze en het totalitaire karakter van de staat die hun voor ogen stond. Nationaal socialistisch was ook de moderne propaganda met haar absurde leugens die door de herhaling toch uitwerking hadden. Maar weer Duits nationalistisch en niet typisch nazi was de overheersende anti-Kantiaanse idee, dat niet een kosmopolitische samenleving het ideaal kon zijn, of de broederschap der volkeren, maar dat tussen de verschillende culturen op aarde een concurrentieslag zou beslissen wie er ging overleven.

De nazi’s hieven de verdeeldheid en de depressie in de Duitse natie op en zetten alle neuzen in dezelfde richting: lebensraum voor het Duitse volk met een goedgeorganiseerde overheid en een goed bewapend leger. Vóór 1941 zag het er naar uit dat het succes ging hebben en dat dit soort natie, een verduitste uitgave van het Russische bolsjewisme de overhand zou krijgen in de westerse wereld.

 

De man die de nazi’s praktisch eigenhandig heeft tegengehouden en daar onvoldoende credit voor gekregen heeft is Winston Churchill.

Misschien meent U dat geen van de geallieerde staatslieden zoveel lof te beurt is gevallen als Churchill en dat is ook wel zo, maar toch wordt de betekenis van die man nog onderschat.

Wie hem wel de betekenis geeft die hem toekomt, is de Duitse essayist en historicus Raimund Pretzel. Die is onder zijn pseudoniem Sebastian Haffner beroemd geworden door de Hitlerbiografie Anmerkungen zu Hitler, maar heeft daarnaast een korte biografie geschreven van de Britse staatsman met de simpele naam Churchill. Daarin wordt Churchill nog neergezet met de levensgrote tekortkomingen die hij bezat naast zijn immense kwaliteiten. Zijn essay Winston S. Churchill: vom Krieger zum Friedenspolitiker, dat als onderdeel van Im Schatten der Geschichte werd uitgegeven, is zonder enige reserve een politieke eulogie

In de ogen van Pretzel was er een duidelijke verwantschap tussen Hitler en Churchill. Al stak hij natuurlijk zijn voorkeur voor Churchill niet onder stoelen of banken, hij maakte niet de fout van veel naoorlogse historici om Hitler te demoniseren en zo buiten de geschiedenis te plaatsen. Hij kon zich dat beter dan veel anderen permitteren omdat hij als niet-Jood voor het Hitler regime gevlucht was. Hij heeft de oorlog in Engeland had doorgebracht, als journalist bij de Observer. Maar hij is na de oorlog teruggegaan en heeft zijn carrière in West Duitsland voortgezet. Hij verkeerde daardoor in een betere positie dan de meesten om de kwaliteiten en gebreken van de beide staatslieden met elkaar te vergelijken en wat hij erover te zeggen heeft is de moeite waard.

 

 

 

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .