Het biologische karakter van de samenleving.

Er zijn mensen die zich in de samenleving als een vis in het water voelen, die niet alleen met iedereen overweg kunnen maar ook instinctief weten waar ze moeten duwen of trekken om gedaan te krijgen wat ze willen. Andere mensen kunnen heel begaafd zijn, een prima verstand hebben, talent voor de meest uiteenlopende dingen, maar ze missen sociale intelligentie en lopen stuk op hun omgeving. Zulke mensen komen niet ver, tenzij zij bij toeval iemand vinden die ze aanstuurt.

Dat is een eigenschap van de echt groten onder ons, dat zij in staat zijn talent om zich heen te verzamelen en beter te laten functioneren dan die talentvollen dat op eigen houtje zouden kunnen[1]. Een individu in zijn eentje, hoe geniaal van aanleg ook, komt niet ver. Het is de samenleving, de samenwerking tussen de mensen die ons de voorsprong heeft gegeven op de rest van de levende natuur en die ons top dog heeft gemaakt in de wereld.

Wie zich bezig houdt met de evolutie en met name met de evolutie van de mens, is vaak niet geïnteresseerd in de samenleving. De samenleving valt als object van studie meestal buiten het gezichtsveld van de biologen[2]. Dat is vreemd want andere samenlevingen, die van insecten, maar ook van de hogere zoogdieren, zoals dolfijnen en wolven, zijn wel degelijk onderwerp van biologische studie. Bij ver doorontwikkelde samenlevingen zoals die van mieren of termieten kan dat helemaal niet anders want die soorten zijn niet meer begrijpelijk buiten hun sociale verband. Dat laatste geldt, denk ik, ook voor onze eigen soort. Wolven en dolfijnen[3] zijn nog wel begrijpelijke wezens, ook buiten de groep waar ze deel van uit maken, maar mensen eigenlijk niet.

In de Griekse oudheid was het besef heel levend dat de mens niet denkbaar is los van zijn samenleving. Hij is een zoön politikon zei Aristoteles, niet los te zien van zijn polis. Ook in de middeleeuwen was het duidelijk dat het de kerk en de gemeenschap van de gelovigen was en niet de individuele zondaar, waar het leven om draaide. Na de verlichting met haar nadruk op de mens als individu is dat besef verloren gegaan.

De samenleving in al zijn verscheidenheid, waarvan we zo afhankelijk zijn, wordt niet als een voortbrengsel gezien van de evolutie, maar als iets dat door mensen is gemaakt en dat als het ware buiten de natuur staat. Wij houden van die tegenstelling tussen nature en nurture en zien de combinatie van de twee als een studieobject voor de sociologie, een gamma wetenschap, die in zijn dominante vorm, die van de Frankfurter Schule, los staat van de biologie.

Ik denk dat de versnelde menselijke evolutie die de laatste paar miljoen jaar heeft plaats gevonden en waarvan de groei van de hersenen onderdeel is, zowel oorzaak als gevolg is van het ontstaan van de menselijke samenleving. De menselijke evolutie is met andere woorden onlosmakelijk met het ontstaan van de samenleving verbonden. [4].

Het is het ontstaan van de taal, eerst gesproken en later geschreven, die de overlevering van kennis en ervaring mogelijk heeft gemaakt. Pas dan ontstaat geschiedenis, waardoor we ons van het eigen karakter van een samenleving bewust zijn geworden. De geschiedenis geeft een samenleving een bestaan en een identiteit, die het korte leven van individuele mensen te boven gaat.

Die ontwikkeling heeft veel aanpassingen in het gedrag en in de hersenen van onze voorouders vereist. De veranderingen hebben op hun beurt weer tot aanpassingen in de samenleving geleid. Tussen de ontwikkeling van de samenleving en de mens is een wisselwerking ontstaan, met als voorlopig eindresultaat iets wat de aarde nooit eerder gezien heeft: de wereld van de beschaving. Daarin leven mensen die daaraan intussen halfweg zijn aangepast.

Halfweg, want het is duidelijk dat onze genetische make-up nog voor een groot deel is ingericht op het leven van onze voorouders de jagers-verzamelaars. Er zijn nog mensen, zoals de Bosjesmannen of de Papoea’s, die  ongeveer zo leven als onze hominide voorouders dat deden.

We zijn genetisch niet meer dan half geschikt voor het leven in grote groepen. Communicatiestoornissen treden permanent op omdat wij maar moeilijk in staat zijn om de grote bureaucratische organisaties waar we mee te maken hebben als iets anders te zien dan de stam van honderd dertig mensen waar onze voorouders in leefden. Wij gebruiken trucs, zoals boeken, televisie, vertegenwoordigende lichamen en andere gelaagde hiërarchische structuren, om te doen alsof de wereld kleiner is dan hij is. Daardoor wordt die begrijpelijker, maar dat vertekent ook zonder dat wij ons dat altijd zo bewust zijn. Een verdere genetisch aanpassing zal daarom zeker plaats vinden, wat ik persoonlijk een boeiend vooruitzicht vind voor onze kleinkinderen.

 

[1] Karel de Grote is daar een voorbeeld van, meer nog dan Napoleon, die per saldo eerder het type Hitler was dan een voorbeeld van een constructief genie. In de klassieke oudheid was Alexander de Grote een dergelijk fenomeen, met zijn diadochen. Het probleem met dit soort constructieve mensen is wel dat altijd weer blijkt dat ze in hun positie niet vervangen  kunnen worden en dat er vaak chaos volgt als ze wegvallen.

[2] Zie bijvoorbeeld Richard Dawkins die van mening is dat samenlevingen niet evolueren omdat mensen en niet de groepen waarin ze leven de dragers zijn van genen.

[3] In feite is weinig van het gedrag van de hogere  zoogdieren echt begrijpelijk buiten de sociale context, maar we zijn voldoende in staat om van de werkelijkheid te abstraheren om dat over het hoofd te zien.

[4] De snelle groei van de hersenmassa in verhouding tot de totale lichaamsmassa kan alleen verklaard worden door een vorm van wisselwerking: de grotere capaciteit van de hersenen maakt een ingewikkelder samenleving mogelijk die op haar beurt weer de omgeving creëert die een evolutionaire voorsprong geeft aan een grotere herseninhoud.

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .