Een monument voor gastarbeiders.

Al weer een tijd geleden knipte ik uit een van de kranten, die in dit huis gelezen worden, een artikel van een tweede generatie Marokkaanse vrouw. Zij pleitte in voortreffelijk Nederlands voor de oprichting van een monument voor de generatie van haar vader, de gastarbeidersgeneratie.
Haar vader was op zijn verzoek na zijn overlijden teruggebracht naar Marokko om daar begraven te worden, iets wat Marokkanen als het ultieme bewijs van loyaliteit tegenover het moederland lijken te beschouwen. Zij wilde niet iedere keer drieduizend kilometer reizen om bij zijn graf te staan, maar hier in Nederland iets hebben om hem te gedenken.
Voor dat gevoel kun je begrip hebben. Ik zelf heb een graf niet nodig om de herinnering aan mijn ouders of aan mijn overleden vrouw levend te houden, maar ik weet dat mijn kinderen en mijn familie dat op prijs stellen en het is een algemeen menselijk gevoel. Een of twee keer per jaar gaan de meeste kinderen naar het graf van hun grootouders of ouders en ook wel naar de graven van wat verder verwijderde familieleden. Dat is te respecteren. Maar wanneer grafbezoek door de grote afstand niet mogelijk is en crematie stuit op religieuze bezwaren of het komt in strijd met de wensen van de overledene, is een monument dan een voor de hand liggend vervangingsmiddel?
Een graf is een privé herdenkingsplaats, een monument is publiek. Het is de herdenking door de samenleving van iets dat van ons allemaal is. De schrijfster maakte ervan dat de gastarbeiders van de generatie van haar vader in de zestiger jaren ons land hadden opgebouwd. Dat is onzin die wel vaker wordt gedebiteerd.
Ik ben van vóór de oorlog en woon vanaf 1958, toen ik ging studeren, in Amsterdam. Ik heb hier de tijd van de gastarbeiders meegemaakt, maar ik heb ze in die jaren eigenlijk nooit gezien, laat staan dat ik ooit maar het minste gevoel gekregen heb dat ze bezig waren ons land op te bouwen.
Ze werkten in de fabrieken in Twente en Brabant, in de Hoogovens in IJmuiden en eerder ook in de mijnen van Limburg. Ze woonden in pensions in de buurt waar zij werkten. In het openbare leven waren ze praktisch onzichtbaar. Het waren er domweg ook te weinig. In de echte opbouwtijd van vlak na de oorlog waren het de Joegoslaven, Italianen en Spanjaarden, van de Noordkant van de Middellandse Zee. Pas later in de zestiger jaren toen de oorlogsschade al lang weer was hersteld, werden ze vervangen door Turken en Marokkanen.
Bij mijn weten zijn er nooit meer dan zestig duizend gastarbeiders geweest in heel Nederland. Uit de eerste generatie zijn de meesten terug naar huis gegaan of ze zijn zo geïntegreerd, dat niemand meer over een tweede of derde generatie spreekt. Die tweede generatie kinderen van gastarbeiders moet er natuurlijk wel zijn, ergens, maar zelfs als alle gastarbeiders hier zouden zijn gebleven en niemand teruggegaan was naar huis, dan hadden die zestigduizend nu nog geen twee miljoen nakomelingen kunnen hebben.
De Marokkanen en Turken van tegenwoordig zijn helemaal niet de nakomelingen van mensen die hier na de oorlog het land weer hebben opgebouwd. Om voor hun ouders een monument op te richten zou een vorm van bedrog zijn. De schrijfster is een uitzondering met haar hard werkende vader en het verhaal over de voorouders van de Nederlandse Marokkanen die een monument verdienen is net zo’n soort mythe als de slaven voorouders[1] van de Surinamers, die Nederland in de tropen rijk zouden hebben gemaakt. Het is een ondeugdelijk middel om voor de aanwezigheid van allochtonen hier een vorm van respect te creëren.
In de humanistische samenleving waarin we leven is dat niet meer nodig. De heersende leer is bij ons dat een mens als zodanig al voldoende respectabel is en dat een bijzondere prestatie van zijn voorouders helemaal niet nodig is. We hebben er geen bezwaar tegen om iedereen als onze gelijke te beschouwen, laat staan onze brave allochtonen. Die gelijkheidsleer is misschien nog niet bij iedereen verinnerlijkt. Het blijkt bijvoorbeeld dat ondanks Marten Luther King en meer dan veertig jaar officiële integratie in Amerika waar acht jaar lang een zwarte president aan de macht is geweest, er daar nog steeds zwarte kleuters zijn die wit mooi vinden en zwart lelijk. Zwarte kleine meisjes, als ze mogen kiezen, hebben liever een witte pop dan een zwarte. Dat is sneu, maar zo iets zal het ook wel zijn met de Marokkanen in dit land. Zij vinden het moeilijk om zelfrespect te hebben en beschouwen zich zelf ook niet als mensen die het respect van anderen verdiend hebben.
Een deel van de Nederlanders ziet Marokkanen en Turken als illegale immigranten of als mensen die hier naar toe gekomen zijn “in het kader van gezinsvereniging”, maar niet om te werken. Die zijn hier, denkt men, vanwege de goede sociale voorzieningen en de arbeidsloze inkomens, die hier voor het oprapen liggen. De immigranten als groep worden echt niet als de helpende hand gezien, die het werk zijn komen doen waar Nederlanders te vies voor zijn of te lui. Dat wordt algemeen als een vorm van officiële overheidspropaganda beschouwd door het publiek. Gewone mensen hebben er in elk geval nooit in geloofd en dat is een van de redenen voor het succes van de PVV van Geert Wilders.
Beide opvattingen, dat de nieuwe Nederlanders profiteurs zouden zijn en dat dat zij degenen zijn die hier de lasten dragen, zijn mythes. Ze verstoren de onderlinge verhoudingen. Monumenten of andere vrome leugens, waarmee het onderscheid tussen de bevolkingsgroepen wordt benadrukt die dat soort mythes in stand gehouden, daar zitten we niet op de wachten.
[1] Het aantal slavenhouders met autochtone Nederlandse nakomelingen dat kan geen fractie zijn van het aantal slavenhouders met Surinaamse Creolen als nakomelingen. Al die Europese genen die onze Creoolse landgenoten vertonen en waarmee ze zich duidelijk onderscheiden van de Afrikanen uit West Afrika moeten toch ergens vandaan komen?

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .