Oorlogslawaai.

Mijn vader reed in de oorlog in een Panhard. Een erg goede auto was dat niet. Ik weet nog dat we erin op weg waren. Ik zat links achterin en keek door het raam naar buiten. We werden door een wiel ingehaald, dat veel harder ging dan wij. Ik snapte niet waar dat wiel zo op eens vandaan kwam en al helemaal niet dat het ons eigen linker achterwiel was dat losgeraakt was. Niets gebeurd verder. Vader is gewoon gestopt en heeft dat wiel gehaald dat een allemachtig end verder was terecht gekomen. Later was die auto weg en waren er alleen nog militaire auto’s op straat te zien.

Mijn vader had een keer een boerenkar geleend, ik meen van de boer waar ook onze onderduikers naar toe gingen. Dat hij zo’n paard voor de wagen kon spannen en kon mennen, dat vond ik heel gewoon, want mijn vader kon niet alleen autorijden, die kon, voor zover ik dat kon overzien, eigenlijk alles. De hele familie achterin die wagen en wij met zijn allen naar de Heelder Peel, een natuurbad in de buurt van Roermond. Wij en een paar gasten uit Amsterdam. Dat kon nog in 1943. Ik herinner me dat zo goed omdat ik in dat natuurzwembad ben gevallen en toen door een van die gasten er weer uit ben gehaald. Ik weet ook nog hoe groen dat water was.

Later in 1944-45 lag Roermond aan het front. Engelsen en Canadezen aan de westkant van de Maas en de Duitsers aan onze kant. Wij woonden aan de weg naar Venlo en dat was geen erg beschutte plek, te dicht bij de Maas. Nogal wat granaten kwamen langs gevlogen, een gillend geluid dat ik me nog heel goed herinner. Een keer vloog een granaatscherf door de keuken terwijl we daar met zijn allen zaten te eten. Die scherf bleef in de deur van de koelkast steken en jaren na de oorlog zat die er nog.

Een paar weken na dat gebeuren, waarvan iedereen behoorlijk was geschrokken, ging ik met mijn moeder mee, melk halen op het slachthuis. De directeur van het slachthuis was een vriend van mijn vader. Hij had een koe achterover weten te drukken. Die stond daar op de zolder van het slachthuis en wie melk hard nodig had kon het krijgen. Mijn moeder was in verwachting van mijn jongste broer en zus en had bovendien  een baby van een jaar. Dus die melk hadden we nodig. Dat slachthuis lag in de Ernst Casimirstraat, een zijstraat van de Venlose weg, waar we woonden. We kwamen uit die zijstraat de Venlose weg op en pats, slaat daar een granaatscherf door de melkkan heen. De melk spatte als een ster alle kanten op. Blauw waren niet alleen de scherven maar ook de melk. Ik heb  er nog steeds een foto van op mijn netvlies. We zijn terug gelopen naar huis, hebben een andere kan gehaald en opnieuw naar het slachthuis, want melk konden we toen niet missen, geen dag.

Ik denk dat als je ouders laconiek zijn met die dingen, je dat als kind ook wel wordt. Al kan ik me een gebeurtenis herinneren waarbij mijn moeder zich rot schrok, maar ik helemaal niet. We stonden bij de bakker te wachten tot we aan de beurt waren en voor me stond een geweldig dikke Duitser, gebogen over de toonbank. Ik heb toen een klap gegeven op die dikke billen. Die vroegen erom. Die Duitser glimlachte eens vriendelijk tegen dat jochie, niets aan de hand.

Een andere Duitser die ik nog voor me zie, vier en zeventig jaar later, zat naast me gehurkt en wilde van me weten waar mijn vader was. Die lag boven in de dakgoot van ons huis. Dat wist ik wel want zijn schoen stak over de rand, dat kon je zien, maar ik wist ook dat ik daar niets over zeggen moest. Ik keek de andere kant op en knikte nee. Kinderen zijn veel slimmer dan grote mensen denken. Ze snappen dit soort dingen meestal prima. Maar sommige andere dingen ook weer niet. Ik had mijn moeder verteld dat de Duitsers hadden gezegd dat alle jongens van vier jaar onder moesten duiken, maar daar wilde ze tot mijn verbazing niets van weten.

Mijn zus en ik imiteerden graag met elkaar de conversatie van grote mensen. Onzinwoorden in rap tempo uitgesproken, dat was zoals wij volwassen conversatie verstonden, terwijl het juist weer overdreven langzaam ging als ze het tegen ons hadden. Dat had natuurlijk niets met de oorlog te maken, maar het gewone leven en de oorlog zijn in mijn herinnering door elkaar gaan lopen en dat haal je later dan niet meer uit elkaar.

Een van de zusters van mijn vader trouwde in de oorlog en de stoet kwam langs ons huis. Mijn zus was bruidsmeisje, maar ik mocht niet mee en ik zat boos naar beneden te kijken vanuit die erker naar al die mensen in zwarte pakken en mooie jurken. In dezelfde erker zat ik, toen er een tank langs kwam waarvan ik de bestuurder recht in de ogen kon kijken, zo hoog was die tank. De eerste verdieping van ons huis was vijf meter boven de straat. Waar die enorme dingen voor dienden ben ik nooit te weten gekomen.

Dat was begin 1945 en kort daarna werden we geëvacueerd. Die evacuatie was een spannende aangelegenheid. Mijn vader was al weg, gearresteerd en afgevoerd naar een concentratiekamp. Maar mijn moeder, mijn zus, mijn kleine broertje en ik moesten haastig pakken en mee, met een colonne naar Duitsland. Ik had een rugzak met mijn eigen spullen, mijn zus een tas en mijn moeder zeulde met een koffer en met mijn broertje. We gingen met bussen richting Kaldenkirchen, maar onderweg werden we beschoten en hebben de meeste passagiers van die bus een tijd in een greppel gelegen. Wij niet, want mijn moeder was in verwachting en moest voorzichtig zijn. Het laatste stuk werd het lopen. Voor mij was dat hollen, weet ik nog wel. In Kaldenkirchen hebben we gebivakkeerd op de zolder van een fabriek, waar eerder Russische krijgsgevangenen hadden gelegen. Dat viel te ruiken en ook wel te voelen, want we kwamen er onder de vlooienbeten vandaan.

Het transport uit Kaldenkirchen was een trein waarvan de ruiten kapot geschoten waren. Die werden provisorisch met dekens dicht gemaakt, maar wel zo dat je nog naar buiten kon kijken. Het was koud. Mijn broertje lag in een deken gewikkeld in het bagagenet. Het transport heeft dagen geduurd, terwijl niemand wist waar we heen gingen. Dat bleek gelukkig Noord Nederland te zijn. We zijn in Leeuwarden terecht gekomen waar mijn opa toen woonde, met zijn huishoudster. Daar zijn we tot na de bevrijding gebleven. In Leeuwarden was het vrede, zeker als je het vergeleek met Midden Limburg. Geen bommen en beschietingen en vooral ook geen lawaai. Dat is wat me van het Leeuwarden uit die dagen het beste is bij gebleven: de rust daar, de stilte.

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .