Autonomie van de lidstaten.

Een discussie, die van invloed kan zijn op de Europese verkiezingen van mei volgend jaar, gaat over de vraag of Nederland beschouwd moet worden als een provincie van Duitsland en Duitsland op haar beurt van Europa. Of dat er, zoals Baudet en zijn medestanders zeggen, er nog steeds sprake is van nationale gemeenschappen, die elk behoefte hebben aan een grote mate van autonomie.

Het antwoord lijkt me te zijn dat we hier met een valse tegenstelling te maken hebben.  De meeste publieke zaken zijn in Nederland op nationale schaal georganiseerd en in dat opzicht zijn we dus autonoom. Maar het aantal verbindingen met het buitenland is groot en voor de welvaart ook absoluut noodzakelijk. Onze autonomie bestaat onder meer hier uit dat we op een aantal terreinen vrijwillig samenwerking zoeken met anderen. Meestal met onze buren, maar als het nodig is ook met landen aan de andere kant van de wereld.

Roodenburg stelde vier jaar geleden in een artikel in de Volkskrant[1] dat Nederland zijn monetaire autonomie al kwijt was vanaf het moment dat Lubbers in de tachtiger jaren de pariteit met de D-Mark wilde veranderen. Hij wilde dat omdat toen hier de werkloosheid even wat groter was dan in Duitsland. Duitsland was toen het land met de hardste munt. Net als nu dus, maar anders dan in de eerste jaren na de overhaaste fusie met de DDR . Het kon om die reden internationaal de laagste rentes bedingen. Nederland liftte mee en dat hield plotseling even op toen men zich in het buitenland realiseerde dat wij konden devalueren tegenover de D-Mark. De nadelen van de devaluatie bleken groter dan de voordelen en die werd daarom snel teruggedraaid.

Betekent dit dat we toen al geen monetaire autonomie meer hadden en dat daarom die hele autonomie discussie een achterhaalde zaak is?

Is het voor landen als Griekenland in 2008 een voordeel geweest om geen eigen munt meer te hebben? Dat lijkt mij een onbewezen stelling. Het ligt veel meer voor de hand te veronderstellen dat bij de Zuidelijke EU landen en vooral bij Griekenland de afweging om wel of niet te devalueren anders zou zijn uitgevallen dan indertijd bij ons had gemoeten. Nederland en Duitsland zijn economisch erg verweven. Griekenland heeft een economie die qua efficiency enige tientallen percenten achter blijft op die van Duitsland. Griekenland zou wel baat gehad hebben bij een devaluatie. Al die loonsverlagingen en andere zware bezuinigingsmaatregelen zouden in een klap geregeld zijn door een devaluatie. Het land zou zich geen zorgen hebben hoeven maken over slechtere leningsvoorwaarden als gevolg ervan. Die slechtere voorwaarden had het toch al.

Indertijd, bij de invoering van de euro, zijn we er in navolging van Duisenberg vanuit gegaan dat het hebben van dezelfde munt de minder efficiënte landen wel zou dwingen hun economische politiek aan te passen en hun efficiency te verhogen. Dat is een illusie gebleken. Griekenland heeft van de betere leningsvoorwaarden binnen de eurozone gebruik gemaakt om ver boven zijn stand te gaan leven en zit nu met de brokken. Maar het punt is dus dat Griekenland wel degelijk een vorm van monetaire autonomie blijkt te hebben behouden. Door zich in de euro te verschuilen is dat een aantal jaren lang verborgen gebleven voor de financiële markten. Toen het aan het licht kwam waren de gevolgen veel ernstiger dan zij geweest zouden zijn als we die autonomie eerder hadden onderkend.

Hetzelfde gold indertijd eigenlijk voor het besluit van Lubbers. We waren monetair autonoom maar door de financiële wereld daar met de neus op te drukken verloren we onze hoogste status, die van Duitsland afhankelijk was. Dat was toen een verkeerde keus, maar het was natuurlijk wel een keus. Ook Griekenland en andere Zuidelijke landen hebben bewezen dat met een gemeenschappelijke munt niet alle autonomie verdwenen is. Economische politiek is meer dan alleen monetaire politiek en bovendien is de economie van een land niet alleen van zijn overheid afhankelijk

De vraag is nu of we bestaande nationale autonomie bewust gaan afbouwen door meer beslissingsbevoegdheid aan Europa te geven of dat we accepteren dat landen op hun eigen niveau georganiseerd willen blijven en dat de samenwerking op vrijwillige basis plaats vindt. Dat lijkt me de echte discussie te zijn. Dat autonomie intussen al een gepasseerd station zou zijn is een Brusselse illusie. Door alle aandacht te concentreren op de vraag waar de macht moet liggen, in Brussel of bij de lidstaten, geven we te weinig aandacht aan een verbetering van de samenwerking en blijft die op belangrijke terreinen achter bij de mogelijkheden.

[1] 24/1/14

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .