De dochters van mijn opa.

Ik wil wat over Giphart zeggen aan de hand van een stukje dat hij  over zijn tante Lieneke schreef in de Volkskrant[1].

Hij begint dat stukje met de zin ‘mijn opa had vier dochters’. Dat is het soort zin dat mijn kleinzoon Simon mooi vindt, vooral als je hem bij wege van raadsel dan vraagt: was het nu de opa van vaders- of van moederskant? Als het van vaderskant geweest was, vindt hij dan, dan had de opa ook een zoon gehad en die zin zegt dat dit niet zo is.
Het is duidelijk dat Giphart veel van die ene tante houdt, maar dat zegt hij niet, dat moet maar blijken uit zijn verhaal. Hij laat dat onder meer weten door te vertellen wat voor een aardig dorp het was, waar zij woonde. Dat is het soort herinneringen dat mensen hebben van logeerpartijen bij tantes die zij mogen. Mag je iemand niet zo, dan is het dorp meteen ook een stuk minder. Die tante was nu oud en ernstig ziek en hij gaat haar met zijn zus opzoeken, in een ziekenhuis in Eindhoven op de tiende verdieping.
Dat is op zich al troosteloos, zo’n tiende verdieping van een ziekenhuis en dan al die draadjes en slangen! Tante was flink, ze had een goed leven gehad en ze klaagde niet.
In de laatste zin van het stukje moet eerst hebben gestaan dat hij veel van haar gehouden had maar daar heeft hij van gemaakt dat hij heel veel aan haar denkt. Dat vind ik dan net iets minder, maar er moet nog wat ruimte blijven voor verbetering.
Mooi verhaal verder van Giphart.

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .