Beroepsgeheim.

Het beroepsgeheim voor artsen is hun gegeven ter bescherming van hun patiënten. Patiënten moeten alles tegen hun arts kunnen zeggen. Dat kunnen ze misschien niet langer als ze er van uit moeten gaan dat andere belangen onder omstandigheden kunnen prevaleren. Maar toch is het goed dat artsen die afweging wel maken

Als een psychiatrische patiënt serieus van plan is een moordpartij te organiseren in een winkelcentrum en zijn psychiater weet ervan, dan hoort hij de autoriteiten te waarschuwen. De aanslag verhinderen is niet alleen in het belang van de samenleving maar ook in het belang van de patiënt. Bovendien is bij een psychiatrische patiënt, iemand die dus niet compos mentis is, geen sprake van het soort vertrouwelijke communicatie dat door de geheimhoudingsplicht wordt beschermd. Een arts moet in staat zijn zo’n afweging te maken. Wijlen de hoogleraar Borst, de vader van Piet Borst, placht artsen in opleiding te laten zakken als hij meende dat dit soort beslissingen hun niet konden worden toevertrouwd, ook al waren ze wetenschappelijk uitstekend.

Ik denk dus dat minister Schippers gelijk had toen ze zei dat er zich altijd omstandigheden kunnen voordoen waarbij voor artsen en andere geheimhouders de geheimhoudingsplicht moet wijken voor een zwaarder wegende verplichting om te spreken. Niet voor niets heeft de wetgever lang geleden  een verschoningsrecht gecreëerd, waarbij eigenlijk het omgekeerde gebeurde: voor specifieke geheimhouders, waaronder artsen, week de spreekplicht voor de plicht tot geheimhouding zelfs in gevallen waarin de betrokkene voor een rechtbank zou moeten getuigen. Ook hier, waar spreken geboden was, kreeg de arts het recht zelf de afweging te maken

Maar Schippers deed iets anders. Ze besloot de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van artsen opzij te zetten als een keuringsarts een vermoeden van fraude kreeg bij de aanvragers van sociale uitkeringen en persoonsgebonden medische budgetten.

Wanneer psychiaters valse medische verklaringen afleggen om hun patiënten aan een uitkering te helpen kunnen zij zelf via de medische tuchtrechter worden aangepakt. Het bewijs zal niet altijd even gemakkelijk zijn te leveren, maar een voordeel van het tuchtrecht boven het strafrecht is dat daar het bewijs niet eenzijdig in het voordeel van de vermoedelijke overtreder wordt gewogen. Een psychiater die een statistisch onmogelijk aantal uitkeringen produceert voor zijn patiënten loopt tuchtrechtelijk  eerder de kans te worden veroordeeld dan strafrechtelijk.

Een algemene regel dat keuringsartsen een vermoeden van fraude moeten melden vind ik een forse stap in de  verkeerde richting. Ik denk trouwens dat een keuringsarts een dergelijke wettelijke verplichting net zo goed tegen zijn artseneed zal horen af te wegen als iedere andere verplichting en dat hij gemakkelijk tot de conclusie kan komen dat het vertrouwen van zijn patiënt in casu prevaleert boven de wettelijke verplichting van minister Schippers.

Het lijkt me dat de enige betrouwbare oplossing voor de minister is om medische deskundigen te laten opleiden voor keuringsinstanties die geen artsen zijn. Die hoeven dan geen eed af te leggen. De gekeurde weet dan dat de medische controleur niet in zijn belang optreedt en als hij dan door zo iemand niet wenst gekeurd te worden of hem niet alle noodzakelijke informatie wil verschaffen dan ziet hij er van af. De minister moet dan maar regelen wat daar dan weer de gevolgen zullen zijn. Maar het simpelweg opzij zetten van de artseneed lijkt mij geen aanvaardbare oplossing. Ik ben benieuwd wat de artsenorganisaties hiervan denken.

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in ethiek, zo maar wat. Bookmark de permalink .