Een half brood kostte drie en twintig cent

Als gevolg van een wat onduidelijke noot bij een stukje dat ik schreef ontstond er een discussie over de verdeling van intelligentie over de bevolking en vervolgens over de financiering van de studie van kinderen uit armere gezinnen. Bij die tweede discussie verwees Jan Stemerdink mij naar een promotieonderzoek waar Pieter Slaman mee bezig was met de titel ‘Staat van de student’. Tweehonderd jaar politieke geschiedenis van studiefinanciering in Nederland[1].

Pieter Slaman verdedigde op woensdag 21 januari 2015 zijn proefschrift. Daarin werd vermeld dat tussen de twee wereldoorlogen de fundamenten werden gelegd voor de verzorgingsstaat, met een bijpassend alomvattend beurzenstelsel, maar dat de wederopbouw en de grote economische behoeften van na de oorlog hun weerslag hadden, om uiteindelijk weer plaats te maken voor een nieuwe maatschappijvisie: gelijke kansen voor iedereen.

Ik denk dat hij daarmee bedoelde dat er vóór de oorlog een uitgebreid systeem van studiefinanciering bestond en dat dit na de oorlog wegens geldgebrek in het ongerede is geraakt. Of dat zo is weet ik niet. Ik had het nooit eerder gehoord, maar ik neem aan dat hij het heeft nagekeken.

In de zestiger jaren zou het weer in ere zijn hersteld als gevolg van een toenemende welvaart en een behoefte in de samenleving aan grotere sociale gelijkheid.

Ik ga die dissertatie zeker lezen als ik hem te pakken kan krijgen, want het onderwerp interesseert me. Deels uit persoonlijke motieven. Mijn moeder was een oorlogsweduwe met een karig pensioen. Wij, haar vijf kinderen, hebben allemaal gestudeerd met beurzen en toelages en we begonnen respectievelijk in 1956, ’58,  ‘60 en ’63[2], dus alle vijf voor de tijd van de ruimere financieringsmogelijkheden.

Toch waren in onze tijd financiële problemen niet echt aan de orde. Je at op de mensa of op de sociëteit voor een gulden en tien cent. Een half brood kostte drie en twintig cent; een ons kaas idem dito. Je zocht en vond een kamer voor vijf en veertig gulden per maand[3] en zo nu en dan ging je bij een tante in de stad eten voor de zo broodnodige vitaminen. Met 200 gulden in de maand kwam ik ruim uit en ik had niet de indruk dat er nu veel kinderen van rijke ouders waren die een groter maandgeld hadden dan ik.

Mijn familie is nogal welgesteld en had zeker willen inspringen als dat nodig was geweest, maar mijn moeder vond dat we het zelf konden rooien en dat ging dus ook prima.

Ik zat in een dispuut waar de mensen overwegend rechten en medicijnen studeerden en die gemiddeld veel rijkere ouders hadden dan ik. Maar er waren ook andere disputen met jongens[4] die minder bemiddelde ouders hadden. Daar had je – heel opvallend – veel meer studenten in de exacte vakken dan bij ons en ook als ze economie studeerden waren er veel meer econometristen onder dan onder de meer welgestelden.

Studeren in die tijd was, met andere woorden, een te abstract begrip om er een dissertatie aan te wijden. Er was een duidelijk verschil in achtergrond van studenten in de abstracte vakken en in wat we tegenwoordig menswetenschappen noemen. Ik denk dat het gemiddelde inkomen van de ouders van studenten in de abstracte vakken nog niet de helft was van de ouders van rechten studenten.

Misschien dat dit in de studenten verenigingen en corpora  meer het geval was dan bij de knorren, zoals we de mensen toen noemden die niet in een vereniging zaten. Maar wie zich nu bezig houdt met het onderwerp studiefinanciering en sociale achtergronden zou daar meen ik aandacht aan moeten geven.

Ook maakt het een groot verschil dat in 1958 amper 5% van mijn leeftijdsgroep studeerde terwijl dat tegenwoordig 30% lijkt te zijn. Niet alleen is 5% gemakkelijker te financieren maar gemiddeld was die 5% ook een stuk slimmer.

Ik denk dat de hoge eisen die toen aan een eindexamen middelbare school gesteld werden een veel belangrijker selectiemechanisme vormden dat de afkomst of de welvaart van de studenten, maar misschien heeft Pieter Slaman dat allemaal ook keurig in zijn proefschrift verwerkt. Ik ben benieuwd.

[1] http://www.campusdenhaag.nl/crk/promovendi/pslaman.html

[2] tweeling

[3] Ik heb een keer een kamer gehad voor vijf en dertig gulden en mijn hospita verhuisde buiten de stad terwijl ik onbereikbaar in Scandinavië zat. Toen heeft ze een kamer voor me gevonden voor veertig euro – waar ze erg mee zat, de schat, want dat was vijf gulden meer – en heeft met haar man mijn boeltje verhuisd en een maand huur voor me vooruit betaald.

[4] Meisjes hadden in die tijd hun eigen verenigingen.

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Nederland, zo maar wat. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.