Michiel Besters.

In Tilburg promoveerde een paar jaar geleden de rechtsfilosoof Michiel Besters. Bij de verdediging van zijn proefschrift viel hij Thierry Baudet van de Universiteit van Leiden aan, vanwege diens publicatie in de Volkskrant van 7/8/12. Hij verweet Baudet dat ‘de waarheid bij hem ondergeschikt is aan zijn eigen ideeën en dat hij daarmee hun gezamenlijk vakgebied een slechte dienst bewijst’.
Baudet had – kort samengevat – beweerd dat de voorvechters van een Europese eenheid met de oprichting van de Europese instellingen en de verdragen waarbij die instellingen later werden gewijzigd en uitgebreid, een politiek hadden gevoerd van voldongen feiten (faits accomplis).
Die stelling is niet nieuw en dat men voornemens was deze politiek te voeren is trouwens door Jean Monnet en de andere oprichters van de gemeenschap indertijd in alle duidelijkheid erkend. Wat nieuw of bijzonder was aan het betoog van Baudet, was het morele verwijt dat daarover aan de voorstanders van de Europese eenheid wordt gemaakt. Politici scheppen voortdurend faits accomplis, dat is hun vak. Daar valt ze eigenlijk alleen een verwijt van te maken als ze het onder valse voorwendselen doen. Dat kun je, meen ik, in casu moeilijk volhouden. Dat men in Brussel en een aantal Europese hoofdsteden naar een federale Europese eenheid streefde en dat al sinds de vijftiger jaren doet is geen geheim.
Ik ben het met dat streven niet eens en deel grotendeels de opvattingen van Baudet, maar niet zijn morele verwijten aan de voorstanders van Brussel.
Het verwijt dat de Tilburgse promovendus op zijn beurt aan Baudet maakte heeft met rechtsfilosofie niets van doen. Wat de feiten betreft, inzake de geschiedenis van de Europese instellingen zegt Baudet gewoon de waarheid. Bovendien zou ik als niet-gelovige ‘de waarheid’ niet vlug zien als de kern van de rechtsfilosofie. Wel is het natuurlijk juist dat iedere jurist en filosoof zich hoort te onthouden van het uiten van onwaarheden, maar daar is hier aan geen van beide kanten in het debat sprake van.
Besters verweet Baudet een rechtsfilosofische fout doordat hij ‘de politieke werkelijkheid een noodzakelijkheid oplegt die pas achteraf kan worden gereconstrueerd’. Dat is om te beginnen een erg lelijke zin, die een jurist zich niet uit zijn pen zou horen te laten vloeien. Hij bedoelde er waarschijnlijk mee dat Baudet op de feitelijke gang van zaken, die grotendeel door het toeval is bepaald, een noodzakelijkheid plakt die er in feite nooit geweest is. Maar dat doet Baudet niet. Wat hij doet is herhalen wat Monnet ooit heeft beweerd, n.l. dat, wanneer men bepaalde feiten weet te creëren, er een grote mate van waarschijnlijkheid is dat andere feiten zullen volgen. Er is hier sprake van een in de politiek gebruikelijke methode, die voor zover ik weet nog nooit aan een rechtsfilosofische analyse is onderworpen. Het heeft in elk geval niets met noodzakelijkheid in de zin van Aristoteles te maken te maken, maar meer met waarschijnlijkheid en politieke wenselijkheid.
Dan verwijt Besters Baudet populisme. Dat is een bij uitstek on-filosofisch begrip. In het algemeen bedoelt men er een politieke opvatting mee die grote aanhang heeft bij het publiek, maar waarmee men het niet eens is.
In dit geval vindt de Tilburgse vak-filosoof dat de bezwaren die Baudet heeft tegen een aantal Brusselse instellingen de verwezenlijking van het project Europa in de weg staan. Aan een politieke Europese samenwerking kan op veel verschillende manieren vorm worden gegeven. Een federale vormgeving met een machtscentrum in Brussel is niet de enige of de beste. Wat Baudet beweert en waar hij gelijk in heeft naar mijn mening, is dat we met Brussel nu op een doodlopende weg zitten. Een vorm van samenwerking zonder supranationale bestuurslaag maar met gespecialiseerde samenwerkingsinstituten zou een betere weg zijn. Aan een pleidooi daarvoor is rechtsfilosofisch niets verkeerd.

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in filosofie, recht. Bookmark de permalink .