De trias.

We kennen in Nederland het beginsel dat bij conflicten tussen de drie klassieke machten in de samenleving, de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht, de wetgevende het laatste woord heeft en vinden dat een beginsel van democratie. Het door het volk gekozen parlement maakt tezamen met de kroon de wetten, de minister voert de wetten uit en de rechter spreekt volgens de wetten recht. Een hoogste gerechtshof dat de wetten toetst, zoals in Amerika, kennen we niet. Of misschien moeten we zeggen kenden we niet. Via de achterdeur van het verdragsrecht hebben we nu die superrechter eigenlijk wel. Vooral verdragen met vage normen, zoals het Europese verdrag voor de mensenrechten (EVRM) of het VN Vrouwenverdrag zijn een machtig wapen gebleken in de handen van activistische rechters.

Toen in Juni 2005 de Nederlandse bevolking bij referendum het Europese Grondwetsverdrag verwierp gebeurde dat onder meer omdat in dit land de overtuiging bestond dat wij en onze gekozen vertegenwoordigers niet langer baas in eigen huis zouden zijn als het verdrag werd aangenomen. Nu blijkt weer eens dat we dat toch al niet waren en dat het verdrag van Lissabon in dat opzicht ons niets nieuws gebracht heeft.  Zolang Nederland geen wet aanneemt waarbij de interpretatie van verdragen in hoogste instantie aan het Nederlandse parlement wordt opgedragen blijft dat zo. Om helemaal zeker te zijn zullen we alle verdragen moeten opzeggen waarbij niet-Nederlandse rechters het laatste woord hebben. Helaas horen daar allerlei hele belangrijke verdragen zoals het VN en het EU verdrag bij en ik zie het Wilders daarom nog niet zo snel doen al zou hij ooit  premier worden. Ik zie trouwens Wilders helemaal nooit premier worden, daar ben ik te oud voor intussen.

We worden allemaal ieder jaar een jaartje ouder en iedereen doet er daarom goed aan zijn of haar portret zo nu en dan aan te passen als men stukjes schrijft in kranten. Dat heeft Frank Kalfshoven net gedaan en dat was waarschijnlijk de reden dat ik de verstandige en al wat oudere man niet herkende die me aankeek in de economie bijlage van de Volkskrant. Gelukkig bleek het al lezende weer dat veranderingen minder schokkend verlopen dan de portretten soms doen vermoeden. Het stuk was als vanouds goed geschreven, maar dit keer vond ik het niet erg overtuigend.

Hij schreef over het jaarlijkse artikel in ESB van de hand van de SG van Economische zaken Buijnk. Vorig jaar ging diens bijdrage over de wenselijkheid om met het energiebeleid niet uit de Europese pas te lopen en dit jaar over de noodzaak van meer Europese invloed op het economisch beleid van de zondaars tegen de gemaakte afspraken. Kalfshoven maakte ervan dat meer Europese invloed op het beleid van Nederland gewenst was, of misschien wel meer macht in het algemeen voor de club van Barroso, maar zelf las ik dat er niet in. Met toepassing van Occam’s razor lees ik eigenlijk niet meer in het ESB artikel dan dat je bij de steun aan delinquente Eurolanden geen goed geld naar kwaad geld moet gooien. En verder dat economische politiek niet beperkt moet blijven tot het op orde brengen van de overheidsfinanciën.

Wat je in onderling verband uit de artikelen van de laatste jaren wel kunt halen is dat het Nederlands beleid zakelijk hoort te zijn in plaats van zweverig en  ideologisch en dat afstemming met gelijkgezinden in Europa wenselijk is. Een paar jaar geleden werd daar nogal zuinig op gereageerd door de politiek omdat men toen vond dat een vrij zinloze eenzijdige beperking van de CO2 uitstoot toch wenselijk kon zijn bijwege van voorbeeld aan anderen, maar het nieuwe kabinet zal daar hopelijk anders over denken.

Ik denk dat Buijnk gelijk heeft als hij Wilders c.s. waarschuwt dat een Alleingang in Europa weinig effectief belooft te zijn en de ideologen rond het Noordeinde dat we het niet van de club van Barroso of van het parlement in Straatsburg en Brussel moeten hebben maar van samenwerking met Duitsland en andere gelijkgezinden in Noord Europa. Verder zou ik het op prijs stellen wanneer onze meest gezag hebbende economen wat concreter zouden kunnen worden in hun adviezen. In het geval van Buijnk bijvoorbeeld dat hij aan zou geven waar economisch ingrijpen van de overheid economisch iets toe zou kunnen voegen. Misschien dat hij zijn vingers niet wil branden, maar dan kan men zich afvragen of iemand in zijn functie überhaupt wel zulke stukken schrijven moet.

Ian Buruma is een Engelse schrijver die half van  Nederlandse afkomst is. Hij hield in 2008 de Cleveringalezing in Leiden. Zijn onderwerp was de burgerlijke moed.

Dat Cleveringa zelf een moedig man was, lijdt geen  twijfel. Hij nam het aan het begin van de oorlog op voor zijn collega en leermeester E.M. Meijers, die vanwege zijn Joodse afkomst door de bezetter  gedwongen werd ontslag te nemen. Veel Nederlanders durfden zich niet tegen de maatregelen van de Duitsers te verzetten, maar Cleveringa wel. Dat hij het met zijn leven zou moeten bekopen was in 1940 nog niet erg waarschijnlijk, maar het kostte hem wel zijn baan en de kans dat hij in detentie zou worden genomen was ook niet nul. Dat was iets dat ook maar weinig mensen er voor over hadden. Maar is het Zivilcourage? Ik denk van niet. In de omgeving van Cleveringa, schat ik in, steunden de meesten zijn houding en de publieke opinie deed dat ook. En al hadden veel mensen het zelf niet gedurfd,  ze bewonderden hem ervoor. Zivilcourage is iets anders, zoals Bismarck duidelijk maakt in het citaat dat Buruma zelf geeft in zijn lezing. Zivilcourage is niet handelen met gevaar voor eigen lijf en have, maar het is handelen in overeenstemming met je overtuiging, wanneer die overtuiging tegen de gevestigde opinie ingaat. Het familielid dat weigerde om de  politiek van Bismarck te steunen deed dat omdat steun zo weinig populair was in de Duitse Junckerklasse, waar beiden deel van uitmaakten. Van lijfsgevaar was geen sprake, maar wel van een mogelijk sociaal ostracisme in het wereldje waar Bismarck en zijn neef beiden toe hoorden. Wie de rug recht kan houden in een zaak van ordinary decency, die heeft Zivilcourage.

Buruma meent dat decency iets anders betekent dan fatsoen. Hij zal daar wel mee bedoelen dat decency niet de bijbetekenis heeft die fatsoen in het Nederlands heeft van brave burgerlijkheid. Dat kan hij beter beoordelen dan ik maar de grondbetekenis is zowel in het Engels als in het Nederlands die van ethisch juist handelen. Wie dat onder gevaarlijke omstandigheden doet is moedig en wie het tegen de heersende opinie in doet heeft burgerlijke moed.

De vraag of de Venlose politicus Wilders alleen maar moedig is of ook civiel moedig is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Moedig is hij omdat hij doorgaat ondanks de doodsbedreigingen. Hij zet zijn werk voort onder gevaarlijke  omstandigheden terwijl er nogal wat anderen zijn, die onder die omstandigheden het bijltje er bij neer hebben gegooid. Maar de  grote meerderheid van de Kamer, van de Nederlandse elite en van de media verafschuwen zijn opvattingen over de Islam. In de Kamer en in de publiciteit gaat Wilders zeker in tegen een daar heersende opinie. In het land ligt dat minder duidelijk en hij krijgt daar zeker een grotere politieke aanhang als gevolg van zijn anti-Islam optreden. Of hier van ingaan tegen de heersende mening sprake is, is dus maar de vraag. Als Wilders zich meer thuis voelt bij zijn achterban dan in de Tweede Kamer, dan niet, maar beschouwt hij zich in de eerste plaats als mede-Kamerlid, dan wel.

(Zivil)courage is een positieve kwalificatie. Wanneer iemand bedreigt wordt of uitgestoten vanwege een standpunt dat we zelf onfatsoenlijk vinden, dan aarzelen we in het algemeen om over dapperheid of Zivilcourage te spreken. Dan spreken we liever over obstinaat of brutaal. Dat geldt ook voor Wilders.  We veroordelen zijn opvattingen en met de opvatting de man, maar was dat niet precies wat de tegenstanders van Bismarck deden toen zij zijn familielid presten om niet openlijk partij voor hem te kiezen?

Of je van Zivilcourage spreken kunt lijkt uiteindelijk dus afhankelijk van de vraag of het standpunt dat men zwaarder wegen laat dan de druk van de omgeving fatsoenlijk is of niet. De meerderheid in Nederland vindt het onfatsoenlijk om een geloof aan te vallen, ook als dat geloof op onderdelen zelf onfatsoenlijk is. Dat doet men omdat veel van de aanhangers brave mensen zijn ondanks hun geloof en men hen niet kwetsen wil. Maar daarnaast  toch misschien ook wel omdat er zo veel van zijn. Andere religies, zoals bijvoorbeeld het Afrikaanse animisme, waarin men evenmin veel eerbied heeft voor mensenlevens, veroordelen we met groter gemak, waarschijnlijk omdat het aantal praktiserende gelovigen in onze omgeving  verwaarloosbaar is. Het is de dreiging van de islam die een rol speelt bij de verontwaardiging jegens mensen die openlijk verklaren dat deze keizer geen kleren aanheeft. Dat is dus zeker geen Zivilcourage.

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in ethiek, Nederland, overheid. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.