Thom en Pim

Vijftien jaar geleden vond er een debat plaats over  het toen net verschenen boek van de advocaten Spong en Hammerstein en hun voornemen om een aantal politici, waaronder Thom de Graaf, te laten vervolgen op grond van artikel 137 d van het wetboek van strafrecht, het haatartikel. Aan de discussie werd, behalve door Jeroen Pauw, die als moderator optrad, deelgenomen door Boris Dittrich, de e.t. fractievoorzitter van D66 en door de twee auteurs. Alle gasten waren homoseksueel, net zoals hun onderwerp, wijlen Pim Fortuyn, die het slachtoffer was geworden van een haatcampagne.

Artikel 137d luidt, ingekort tot zijn essentie:

Hij die… aanzet tot haat of discriminatie van mensen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met.. Het artikel stelt dus niet alle openbare oproepen tot haat of discriminatie strafbaar, maar alleen oproepen tot haat en discriminatie in een in de wet genoemde context.Het artikel sluit nauw aan bij artikel 1 van de grondwet, dat overigens tegelijk ruimer en beperkter is, zoals blijkt uit de tweede volzin:

Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Het grondwetsartikel verbiedt discriminatie op iedere grond, maar verbiedt niet haat en ook niet specifiek het oproepen tot discriminatie en haat.

Nu zou met het oog op die aangifte verwacht kunnen worden dat de opmerking die Thom de Graaf gemaakt had gericht zou zijn geweest tegen de seksuele geaardheid van Pim Fortuyn, of tegen diens levensovertuiging maar dat was niet het geval.  Dat De Graaf vervolgd zou kunnen worden voor discriminatie, omdat hij het antidiscriminatie artikel verdedigde, lijkt paradoxaal. Je kunt het haten van haat of het discrimineren van discriminatie toch niet veroordelen zou je zeggen. Toch had Fortuyn’s levensovertuiging, althans diens politieke gezindheid wel degelijk iets met de opmerking van De Graaf te maken.

De gewraakte uitspraak werd immers gedaan in het kader van het grote politieke debat dat het jaar ervoor plaats vond, voorafgaande aan de verkiezingen. Daarbij was het belangrijkste issue geweest de vraag of de integratie van vreemdelingen en met name van moslim immigranten in Nederland, op de juiste wijze was aangepakt door de achtereenvolgende regeringen. Fortuyn vond van niet en meende bovendien dat hij en andere homoseksuelen een groot belang hadden bij een betere integratie van moslims omdat het moslimgeloof zelf homo’s geen enkele bescherming biedt tegen discriminatie op grond van hun seksuele geaardheid. Het nieuw verworven recht van de Nederlandse homo’s en trouwens ook van de Nederlandse vrouwen op bescherming tegen discriminatie, liep gevaar, als aan moslimovertuigingen in dit land vrij spel zou worden gegeven.

Fortuyn vond dat hij op zijn minst het recht had om dit probleem in het openbaar aan de orde te stellen. Die opvatting had hij onder meer verkondigd in een interview met een journalist van de Volkskrant. Toen deze hem er op opmerkzaam maakte dat men tegen moslims als zodanig niet kon optreden zonder in strijd te komen met het grondrecht van de vrijheid van godsdienst, dat verankerd ligt in artikel 1 van de Grondwet reageerde hij daarop met de opmerking dat dan de Grondwet op dit punt moest worden aangepast. Zijn recht om niet vervolgd te worden als homo en het recht van hemzelf en ieder ander op vrije meningsuiting achtte hij hoger dan het recht op godsdienstvrijheid.

De discussie werd wat kort door de bocht samengevat door de redactie van de Volkskrant met “Fortuyn is voor afschaffing van het antidiscriminatie artikel in de Grondwet” en toen barstte de oorlog los.

Heel politiek Nederland, waaronder Pims eigen partij Leefbaar Nederland, viel over hem heen en riep in koor de meest ergerlijke en boosaardige dingen over hem. Thom de Graaf maakte het misschien wel het bontste door in een lezing in Amsterdam op te merken dat maar een paar kilometer van de plek waar hij stond in de oorlog Anne Frank geleefd had onder erbarmelijke omstandigheden. Hij suggereerde vervolgens dat deze omstandigheden wel eens zouden kunnen terugkeren, maar nu voor moslims als men Pim zijn gang liet gaan. Pim zelf en zijn naaste omgeving vonden dit alle perken te buiten gaan en naar mijn smaak hadden ze daarin gelijk. De opmerking  was feitelijk onjuist want Pim had nooit voor discriminatie of vervolging van moslims gepleit, maar juist voor hun integratie. In dat verband was hij ook voor een immigratiestop omdat juist de continue immigratie-instroom de integratie belemmerde.

De opmerking van De Graaf ging de grenzen van het politieke fatsoen te buiten. Zij kon ook wanneer men de extra vrijheid in aanmerking neemt die politieke debaters claimen, niet door de beugel, althans dat was de mening van de vrienden van Pim. Dat werd achteraf door De Graaf en D’66 ook wel toegegeven, zij het wat aarzelend en te laat.

De vraag die, als Hammerstein en Spong aan hun voornemen uitvoering hadden gegeven, beantwoord had moeten worden door de rechter, is of deze onbehoorlijke opmerking van De Graaf strafrechtelijk vervolgbaar was. Of zij, om in technische termen te spreken, onder de delictsomschrijving van artikel 137 d viel. Aanzetten tot haat was zeker wat Thom de Graaf deed, veel meer gericht op de persoon en eigenlijk waren zijn uitingen daarom ook kwaadaardiger dan die zijn collega Kamerlid Wilders, toen die door dezelfde Spong daadwerkelijk werd aangeklaagd.

Men kan in Nederland de bezettingsjaren en Anne Frank niet mobiliseren tegen iemand  zonder heftige emoties op te willen roepen. Demoniseren was de term die Fortuyn en zijn vrienden daarvoor hanteerden, maar zoals hierboven al werd uiteengezet, demoniseren of aanzetten tot haat is niet voldoende. Om strafrechtelijke vervolging mogelijk te maken moet het aanzetten tot haat of discriminatie zijn op een van de in artikel 137 d genoemde gronden. Van die gronden lijken levensovertuiging en homoseksuele gerichtheid als enige in aanmerking te komen.

Homoseksuele gerichtheid valt af, want niemand geloofd dat een D66’er homo’s zal haten of discrimineren om de enkele reden dat zij homo zijn. en Bovendien past dat helemaal niet in de context waarin de opmerking werd gemaakt. Levensovertuiging zou misschien wel kunnen. Als politieke overtuiging als sub-begrip onder levensovertuiging kan worden gebracht, dan is oproepen tot haat wegens iemands politieke overtuigingen strafbaar.

Of politieke overtuiging onder levensovertuiging begrepen moet worden is een kwestie van uitleg van het wetsartikel. De artikelen 137 d Sr. en 1 Grw. staan in de wet op grond van verplichtingen uit internationale verdragen, waarvan het belangrijkste is het I.C.C.P.R. Artikel 2 van het International Covenant on Civil and Political Rights verplicht Nederland en de andere verdragsluitende staten om de antidiscriminatie bepalingen, zoals artikel 26 van hetzelfde verdrag, in hun wetgeving te incorporeren en van strafsancties te voorzien.

Artikel 26 verbiedt ondermeer “discrimination on political grounds”. Hiermee lijkt de cirkel rond. Artikel 137 d Sr kan als een uitwerking van het ICCPR artikel worden gezien, een uitwerking die overigens heel goed past in de Nederlandse rechtsovertuigingen, zoals die ook voor het verdrag al bestonden.

Wel dient nog bezien te worden of het Nederlandse strafrecht of het Verdrag waarop de strafbepaling is gegrondvest, geen rechtvaardiging- of strafuitsluitingsgronden bevatten. Daarvoor had in aanmerking kunnen komen artikel 71 van de Grondwet als de gewraakte uitingen waren gedaan in het kader van de werkzaamheden van de Staten Generaal. Als men dat artikel ruim interpreteert kunnen partijpolitieke uitlatingen die in het kader van de verkiezingen worden gedaan daar misschien  onder worden begrepen. De geest van dat artikel is de vrijwaring van politici tegen civiele en strafrechtelijke vervolging om de vrijheid van het politieke debat te waarborgen. In de geest van het artikel past zeker een brede ruimte voor politiek debat ook buiten de Staten Generaal. Over de onderlinge prioriteit tussen grondrechten, waar Fortuyns meningsverschil met de Volkskrant over ging, kan men beslist in redelijkheid van mening verschillen. Het debat daarover mag best scherp gevoerd worden. Fortuyn heeft ooit gezegd niet zoveel bezwaar te hebben tegen de imam die hem voor lager hield dan een varken. Schelden doet geen pijn, meende hij, maar dat is iets anders dan aanzetten tot haat en het onmogelijk maken van politieke opvattingen door het demoniseren van politieke tegenstanders. Of de vrienden van Fortuyn nu wel een case hadden of niet, de hetze tegen Fortuyn ging de grenzen van het oorbare te buiten. Ik zou benieuwd geweest zijn wat de rechter er van gezegd had.

Uit een artikel in Vrij Nederland citeer ik met een paar kleine wijzigingen het volgende:

“Hoe sociaal is Wilders precies? Dat komen we te weten, zegt VN, uit een interview met Sandra Donker van het AD. ‘Het is stuitend,’ zo zegt Wilders, ‘dat de mensen die Nederland na de oorlog hebben helpen opbouwen nu luiers moeten dragen omdat er geen tijd is om hen naar de wc te brengen.’
Daarom wil hij een deel van de uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking schrappen en overhevelen naar de bejaardenzorg. Zo zou jaarlijks 3,8 miljard euro aan de zorg kunnen worden toegevoegd. ‘Hulp aan Afrika is prachtig,’ aldus Wilders, ‘maar problemen met veiligheid en zorg in ons eigen land verdienen voorrang.’ Om te voorkomen dat de Nederlandse bejaarden in hun broek plassen, kortom, laat hij graag het Afrikaanse continent verhongeren en creperen aan aids. Dat is blijkbaar wat hij onder ‘fatsoenlijk, rechts en sociaal’ verstaat. “

Tot zover het citaat via vrij Nederland uit het AD. Kun je zoiets nu in redelijkheid zeggen, dat Wilders graag het Afrikaanse continent wil laten verhongeren en laten creperen aan aids als daarmee voorkomen kan worden dat Nederlandse bejaarden in hun broek plassen? En als het AD het zeggen kan, mag Vrij Nederland het dan met kennelijke instemming citeren en zich erover beklagen dat niet meer Nederlandse media dit interview hebben opgepikt? Het kan en het mag want we hebben vrijheid van meningsuiting in dit land, maar fatsoenlijk is het niet.

Wie leest wat Wilders werkelijk zei ziet meteen dat deze conclusie van het AD en Vrij Nederland onzinnig is. Wilders beweerde in navolging van veel  verstandige mensen dat de hulp aan Afrika[1] in het verleden ondoelmatig is gebleken.  Hetzelfde geldt voor de hulp in het verleden aan Haïti, zoals na de aardbevingsramp daar weer eens in alle toonaarden te horen was.  Wanneer hij dus bepleit om begrotingsgeld liever te besteden aan onze eigen naasten dan aan abstracte behoeftigen elders, dan doet hij niets verkeerd maar volgt hij eigenlijk de leer van Jezus van Nazareth[2] in Lucas 10, 33-37.

Het is om meer dan een reden onzin om te beweren dat het schrappen van 3,8 miljard euro Nederlandse hulp hongersnood  ten gevolge zou hebben of een aidsramp op het Afrikaanse continent. In de eerste plaats is het geld dat  Nederland in de hulpindustrie stopt maar een fractie van het totaal en verder kan men op goede gronden beweren dat  de uitwerking van de hulp zowel op het aidsprobleem als op de structurele armoedeproblemen in Afrika imaginair is en in elk geval  nooit is gemeten.

 

[1] AFRICA NEWS MARCH 21, 2009Why Foreign Aid Is Hurting Africa Money from rich countries has trapped many African nations in a cycle of corruption, slower economic growth and poverty. Cutting off the flow would be far more beneficial.

[2] In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan wordt een definitie van naaste gegeven, maar kennelijk is die niet duidelijk genoeg om meningsverschillen te voorkomen. Jezus definieert op de bekende joodse manier door het stellen van een vraag. Wie van de drie mensen rond de man die uitgeschud werd door rovers was nu zijn naaste? Het kennelijk juiste antwoord was: degene die hem barmhartigheid bewees. Daar schieten we wel mee op, maar misschien toch onvoldoende. Wij willen niet alleen achteraf weten wie zich als naaste gedragen heeft maar liever nog wie de plicht had zich als naaste te gedragen.

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie, maatschappelijk, Nederland, strafrecht. Bookmark de permalink .