Henk Schoo.

Henk Schoo,  van Vrij Nederland en Opzij , was in zijn laatste jaren columnschrijver in De Volkskrant. Met het oog op zijn publicaties  in die krant werd hij op de internet site “De Fabel van de Illegaal” aangemerkt als een vertegenwoordiger van extreem rechts. Fortuijn, Wilders, Janmaat , Vlaams Belang, FPÖ, Le Pen, allemaal waren ze in de ogen van De Fabel net zo rechts, of misschien wel een graadje minder rechts, dan Schoo. Ik vond die man helemaal niet rechts en ook niet links, maar ik vond wel dat hij er soms vreemde ideeën op na hield. In een van zijn columns in De Volkskrant las ik dat hij  voorstander was van het gooien van zand in de wielen van het overheidsapparaat:  “Bestuurlijke raderen vragen niet om smeerolie maar om zand. Gestroomlijnd bestuur brengt alleen maar meer onheil te weeg”.

Dat was de slotzin van een stukje dat over de provinciale verkiezingen ging en een pleidooi bevatte voor het behoud van het landschap. De Staten blijken daar te weinig aan te doen en Schoo vroeg zich af wat iemand kan doen om daar verandering in te brengen. Niet het verhogen van de efficiency van de Staten in zijn optiek.  Schoo zag een efficiënte overheid, die haar gang kan gaan, ongehinderd door kritiek en tegenwerking uit de samenleving, als een bedreiging. Helemaal ongelijk had hij met dat laatste niet, vind ik. Alles wat zonder checks en balances zijn gang kan gaan is gevaarlijk. De overheid is monopolist en heeft dus de neiging de zaken die op haar agenda staan te regelen zonder zich veel van de burgers aan te trekken[1]. De fout in de gedachtegang van Schoo is dat die neiging zou kunnen worden beteugeld door de overheid minder efficiënt te maken. Daar wordt zij niet natuurvriendelijker en alleen maar duurder van.

Anderen, zoals de makers van de Fabel van de Illegaal, denken vaak dat het democratisch proces al een voldoende check op de overheid uitoefent. Een efficiencycontrole zou in hun ogen overbodig zijn. Dat is een misvatting. Het politieke proces is eerder een randversiering aan de overheid, een kers op de taart, een uithangbord dat eens in de vier jaar wordt vervangen, zonder dat er een verbouwing van de winkel plaats vindt. De overheid heeft de politiek alleen maar nodig om knopen door te hakken of bakens te verzetten, voor het overige opereert zij even goed zonder de politiek. En aangezien de overheid zelf heel onvolledig op de hoogte is van wat er binnen haar verantwoordelijkheid allemaal gebeurt, komen de politieke instanties in de meeste gevallen niet aan controle toe, al zouden zij het willen. Ik was het dus met Schoo niet eens. Maar al was zijn politieke stellingname  anders dan die van de Fabel van de Illegaal, rechts vond ik haar eigenlijk niet, eerder anarchistisch.

Wat we nodig hebben is naar mijn mening wel een efficiënte overheid, maar een die op een effectieve manier wordt gecontroleerd door een deskundige en actieve publieke opinie. Een overheid die kan worden aangepast aan de behoeften van de tijd en als dat nodig is kan worden weggestuurd via een ordelijk proces. Dat de politiek in zijn bestaande vorm nauwelijks tot een efficiënte overheidscontrole in staat is heeft twee oorzaken:

Zij bemoeit zich maar met een klein deel van het overheidswerk en volgt daarbij bovendien een publieke opinie die meer door hypes dan door deskundigheid wordt geleid.  De overheid is niet op een manier georganiseerd die controle door wie dan ook mogelijk maakt.

Dat eerste, dat vindt zo langzamerhand  iedereen wel. Kranten, TV en andere media kijken in de eerste plaats naar hun oplage of kijkcijfers en geven niet op een verantwoordelijke manier leiding aan de publieke opinie. De politiek volgt als regel de media. Maar dat tweede punt, over de organisatie van de overheid, daar hoor je nooit iemand over. De mensen die zelf in de overheid werken weten niet beter of het hoort zo. Alleen wie als buitenstaander met het overheidsapparaat te maken krijgt, als leverancier bijvoorbeeld of als adviseur, ziet hoe  inefficiënt de overheid is georganiseerd. En wie iets van de overheid gedaan wil krijgen merkt hoe weinig haar organisatie is ingesteld op de buitenwereld.

Voor een belangrijk deel is het gebrek aan effectieve organisatie het gevolg van een historisch proces. De drie of vier lagen overheid die we in Nederland hebben zijn voor het laatst grondig gereorganiseerd in de Franse tijd, d.w.z. in de eerste decennia van de negentiende eeuw. Het kostte in die dagen meer tijd om van Noord Groningen naar Amsterdam te reizen, dan tegenwoordig om te vliegen van Amsterdam naar Portland (Or)[2]. Afstanden en communicatie technologie maakten vóór 1900 drie of vier lagen bestuur onvermijdelijk. Communiceren ging per brief en reizen per koets of boot. Dat duurde voor veel zaken domweg te lang om ze vanuit Den Haag te kunnen regelen. Tegenwoordig zouden we waarschijnlijk best met twee bestuurslagen toe kunnen, een nationale en een regionale.

Maar belangrijker is dat de organisatie van de overheid in 1800 werd opgezet met het oog op problemen die er nu grotendeels niet meer zijn. Alle nieuwe problemen die sindsdien ontstaan zijn,  hebben geen eigen organisatie[3]meer gekregen maar zijn tamelijk willekeurig aan bestaande organisaties toegedeeld. Daarbij werd zelden gekeken of zij langs die weg het meest efficiënt zouden kunnen worden aangepakt. Neem het probleem van de ramppreventie, dat de vorige eeuw nogal aandacht heeft gehad, maar dat er maar één is uit een woud van nieuwe overheidsproblemen. Na de Bijlmerramp, de brand in Volendam, de Herculesramp op het vliegveld Eindhoven en de vuurwerkramp in Enschede is er langs verschillende wegen onderzoek gedaan naar onder meer de brandpreventie[4].

Steeds weer bleek het aantal verschillende overheidsinstanties dat daarbij verantwoordelijkheden heeft veel groter te zijn dan nodig is of efficiënt. Van coördinatie tussen die instanties bleek niet of nauwelijks sprake te zijn, zodat er in feite niemand was die eindverantwoordelijkheid droeg. Op die wonde plek zou door de Onderzoeksraad voor de Veiligheid de vinger dienen te worden gelegd[5].

Een betere coördinatie tussen verantwoordelijke overheden zou zeker de ramppreventie kunnen verbeteren. In plaats daarvan zoekt de Raad de laatste jaren naar die ene eindverantwoordelijke die er niet is, die in de ogen van de Raad wel steeds een politiek verantwoordelijke blijkt te zijn: de burgemeester of de minister in wiens portefeuille het rampobject voorkwam. In Volendam was het burgemeester IJsselmuiden die aftrad en bij de Schipholbrand waren het de ministers Donner en Dekker. Hiermee werd voldaan aan een psychologische behoefte die sterk leeft bij de media en het publiek. Maar in feite valt zo’n minister of burgemeester persoonlijk alleen bij toeval iets te verwijten. Het is eigenlijk altijd een gebrek aan organisatie, waardoor rampen kunnen gebeuren. De minister is maar zelden in een positie waarin hij aan die organisatie iets kan doen en de burgemeester eigenlijk nooit.

Een goede ramppreventie is een kwestie van risicoanalyse, gevolgd door maatregelen gericht op het verminderen van het risico. Hij gaat steeds gepaard aan een kosten-batenanalyse, waarbij de risico’s in omvang en te verwachten frequentie in kaart worden gebracht en de beschikbare middelen zo goed mogelijk over de diverse risico’s worden verdeeld. Organisatorisch betekent dit het nemen van zoveel mogelijk maatregelen die onafhankelijk van elkaar allemaal tot doel hebben de betrokken ramp te voorkomen.

Een botsing van twee vliegtuigen op de landingsbanen van Schiphol wordt, meen ik, op wel acht verschillende manieren voorkomen. Het is wel eens gebeurd dat zeven van de acht niet bleken te werken[6] en dat het ongeluk voorkomen is doordat het laatste middel (i.c. een oplettende piloot, die op eigen initiatief in de remmen ging) wel bleek te werken. Wanneer er niettemin een ramp of een bijna-ramp plaats vindt dan is het de taak van de onderzoekers om na te gaan welke van de voorzorgsmaatregelen hebben gefaald en wat er moet gebeuren om toekomstig falen zo goed mogelijk te voorkomen. Medewerking van alle betrokkenen is daarbij belangrijker dan het aanwijzen van een “dader”. Er is namelijk nooit één dader als alle bestaande voorzorgsmaatregelen hebben gefaald.

Zoals met ramppreventie dient het eigenlijk met alle overheidstaken te gaan. Het probleem dat men wenst op te lossen dient te worden geanalyseerd. Er behoren een of meer oplossingen te worden geformuleerd en geïmplementeerd. Als de bestaande organisaties van de overheid daarbij geen geschikte rol kunnen spelen, dan dient er een nieuwe organisatie te komen die het wel kan. Vooropgezette ideeën, de progressieve dat overheid als zodanig goed is of de neoconservatieve dat de overheid niet deugt helpen daarbij niet. Ook de vraag of marktwerking per saldo goed of slecht is zou geen rol  horen te spelen. Wat in casu goed of slecht is, dat zou de analyse uit horen te wijzen.

Ik begrijp wel waarom Schoo niet hield van de overheid, want hij zag er in Nederland geen die goed functioneerde. Ik begrijp ook waarom veel progressieve mensen niet houden van “marktwerking” want onder die naam heeft hier de laatste decennia op erg onoordeelkundige manier een reorganisatie van de overheid plaats gevonden. Progressief en conservatief bestrijden onder een verschillende vlag dezelfde gebreken in een niet goed functionerende overheid en als je het goed bekijkt is dat eigenlijk sneu.

 

[1] De politiek, die ook tot de overheid hoort, trekt zich van de burgers wel wat aan omdat het ook haar kiezers zijn, maar de politiek is maar een onderdeel van de overheid en mogelijk niet het belangrijkste.

[2] In de nalatenschap van mijn grootvader, die afkomstig was uit Onderdendam (Gr) trof ik een verslag aan van een groep jongeren die in de negentiende eeuw per koets, tram en veerboot via Stavoren en Enkhuizen de reis naar Amsterdam gemaakt hadden en daar dagen over deden. Zelf reisde ik een tijd lang een of twee keer per jaar naar Oregon, USA, waar mijn dochter woont. Dat duurt altijd veel te lang vind ik, maar toch beduidend minder dan een dag.

[3] Het enige echte nieuwe orgaan zijn de deelraden in de grote steden. Wat die bijdragen aan de oplossing van de overheidsproblemen is niemand duidelijk.

[4] Brandpreventie is op zich niet nieuw. In feite was dat al een taak van de lokale overheid in de Middeleeuwen, maar veel oorzaken zijn nieuw en voor een deel ook het bestuursniveau waarop de preventie is georganiseerd.

[5] Waarom hadden we anders een organisatie die indertijd onder voorzitterschap van de echtgenoot van een van de tantes van de majesteit, na rampen onderzocht wat er fout was gegaan. Die organisatie en die voorzitter rekenden het zich tot taak om bij iedere ramp een schuldige aan te wijzen. Het vooruitzicht publiek te kijk te zullen worden gezet of strafrechtelijk vervolgd te worden kan de bereidheid om bij het onderzoek informatie te verschaffen niet verhogen. Die Raad diende om de veiligheid te verbeteren en dus om organisatiefouten op te sporen. Niet om schuldigen aan te wijzen.

[6] Ondermeer omdat voorzorgsmaatregelen die als onafhankelijk van elkaar waren bedoeld in de praktijk elkaar wel degelijk bleken te beïnvloeden, maar meer nog door de werking van het toeval.

 

 

 

 

 

De Nederlandse verslaggever Pieter van den Blink en de Franse socioloog Laurent Mucchielli zochten allebei de oorzaak van het geweld dat woedde in de Franse steden bij een in sociaal opzicht falende Franse overheid. Zij zijn van mening dat de toenmalige Franse minister van binnenlandse zaken en latere president, Sarkozy eigenlijk zijn excuses zou horen aan te bieden aan de relschoppers, die hij tuig van de richel (racaille) had genoemd.

Ze hebben in één opzicht gelijk, de overheid is verantwoordelijk, maar niet omdat zij te weinig doet voor de relschoppers, maar omdat ze illusies heeft gewekt die niet kunnen worden waargemaakt.

 

Van den Blink en Mucchielli zijn vertegenwoordigers van een sociaal maatschappelijke stroming die in Nederland al sinds de dagen van  het kabinet Den Uyl de overhand heeft, en die h.t.l. wordt vertegenwoordigd door Marcel van Dam. In België en Frankrijk is die stroming pas de afgelopen decennia boven komen drijven.

Een politicus als de voormalige Franse president Chirac die ooit als rechtse gaullist en vertegenwoordiger van recht en orde is gekozen, maar die geen slachtoffer van zijn beginselen wenste te worden, sloot zich bij de nieuwe overheersende stroming aan. De Villepin, zijn eerste minister, had zomaar een broertje van Van den Blink of Mucchielli kunnen zijn, een echte linkse liberaal. Ook de Belgische europoliticus Verhofstadt is van de generatie die de overheid ziet als verantwoordelijk voor het welzijn en de welvaart van alle inwoners van het land. De overheid stelt zich daarmee impliciet aansprakelijk voor alles wat er verkeerd kan gaan en dat is veel.

 

De overheid  kan niet alles in de hand houden wat er in het land gebeurt. Niet in een moderne geglobaliseerde samenleving en eigenlijk kon ze dat ook al niet in de tijd dat de welfare state ontstond. Doen alsof, credit nemen waar geen verdienste bestaat, verwijten incasseren waar geen mogelijkheden tot ingrijpen aanwezig zijn, dat veroorzaakt voor een deel de toenemende desillusie met de overheid in alle Westerse landen.

 

Daar komt bij dat de politiek alleen de sluitsteen vormt op het overheidsgebouw. Zij is formeel aansprakelijk voor wat de overheid doet, maar de politieke kopstukken hebben in toenemende mate hun eigen ambtenarenapparaat niet meer in de hand.

Dat heeft verschillende oorzaken. Het ambtenarenrecht maakt het praktisch onmogelijk om incompetente of onwillige ambtenaren te corrigeren. Maar vooral:  organisatie van de departementen en andere overheidslichamen dateert uit een tijd dat alles veel kleinschaliger was en de problemen waar de overheid mee kampte van een andere orde waren. Iedere wijziging in ambtelijke instellingen is ad hoc geweest , een grondige reorganisatie heeft nooit plaats gevonden. Dat tegenwoordig steeds weer foutieve informatie uit het  ambtelijke apparaat naar boven komt is geen toeval. Er bestaat geen geordende communicatie van top naar bottom en omgekeerd en instructies worden vaak gebrekkig en ongecontroleerd uitgevoerd.

 

In Italië heeft Berlusconi de verkiezingen na zijn eerste periode als premier verloren omdat hij er niet in geslaagd was het totaal vastgelopen overheidsapparaat in Italië  te hervormen, terwijl hij dat wel had beloofd. Daarvoor had hij allerhande excuses, onder andere de buitensporige aandacht die hij heeft moeten besteden aan de rechtszaken die tegen hem werden gevoerd en de tegenwerking die hij bij iedere stap van alle overheidsdienaren en hun beschermheren in de politiek ondervond. Hoe dan ook, het is hem niet gelukt de overheid te hervormen, zomin als het per saldo aan Margaret Thatcher is gelukt. Die heeft wel de macht van de vakbonden gebroken maar de macht van de ambtenaren is ongeschonden uit de strijd gekomen. De paradox hoe overheden kunnen  worden hervormd met behulp van het overheidsapparaat dat hervormd moet worden is eigenlijk maar in één land en door één politicus redelijk succesvol opgelost: door Ronald Reagan in de VS. Hij had daarbij het voordeel dat daar nog niet zoals in Frankrijk en andere Europese landen bijna 50% van de bevolking direct of indirect van de overheid afhankelijk was. Bovendien heeft de politiek daar een werkelijke en niet alleen een virtuele grip op het apparaat waarmee het werken moet. In de Europese landen is het punt al gepasseerd waarop zelfreinigende werking nog een kans zou hebben. Het wachten is op een revolutie die ooit komen zal, maar dan zijn we al in alle opzichten  ingehaald door de snel groeiende landen in het verre Oosten.

17:09 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

03 juni

politiek, eigenwijsheid en de vrijheid van onderwijs

 

Leden van het CDA en de CU blijken tegen de verplichte opname van de historische canon in het curriculum te zijn geweest vanwege de vrijheid van onderwijs. Dat is opmerkelijk, omdat het met die vrijheid op zich niets van doen heeft. De overheid heeft vanouds het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs, ook op dat van het bijzonder onderwijs. Zij zou voor ieder schooltype een eindexamen verplicht kunnen stellen waarvan de kennis van de canon  onderdeel is als een minimumeis, zonder daarmee de vrijheid van het protestant Christelijk onderwijs aan te tasten.

Van Oostrom was al zo verstandig omJan de Bakker en de martelaren van Gorinchem buiten de canon te houden. Er staat voor zover ik kan zien eigenlijk geen enkel controversieel onderwerp in, dus waar  die Christenen het in ‘s Heeresnaam over hebben begrijp ik niet goed.

Wel zou er naast een canon voor de lagere school een wat uitgebreidere canon voor het middelbaar onderwijs op zijn plek geweest zijn. Die vijftig items van Van Oostrom zijn voor wat middelbaar opgeleide mensen toch wel erg mager. Bovendien is er weinig reden om het opstellen van canons te beperken tot het vak geschiedenis. Voor aardrijkskunde, maar ook voor wiskunde en staatsinrichting en nog een aantal andere vakken is een minimum kennis een vereiste voor iedere vorm van onderwijs. Over de inhoud mag je dan in de bevolking van te voren van mening verschillen zoveel je wilt. Maar de politiek hoort zich bij de politiek te houden. Die moet knopen doorhakken en zich niet  van te voren al met de inhoud van het curriculum bemoeien, behalve natuurlijk wanneer daar de grondrechten of andere gewichtige cultuurgoederen in het geding zijn. Maar dat warn ze hier niet.

De plaats van het historisch museum is een andere kwestie. Dat was van het begin af aan een politieke discussie en die museumdirecteuren zijn of van de ratten gebeten of willen eigenlijk dat nieuwe museum voor historische basiskennis niet. Ik zou als minister eerst een directeur hebben uitgezocht die het eens was met het politieke uitgangspunt en in overleg met hem een architect hebben gevonden die vorm kan en wenst te geven aan de gegeven uitgangspunten. Hopelijk was het dan dezelfde geworden, want het leek me een aardig ontwerp, maar dan had je dit malle probleem vermeden, dat twee willekeurige museumfreaks gaan beslissen wat een hoge symboolwaarde heeft voor de onderwijspolitici in Den Haag.

verkiezingsamusement

 

Wie bij de politieke discussies voor de verkiezingen de amicaliteit ziet waarmee de dames en heren elkaar bejegenen, zodra het debat even rust, die begrijpt dat er hier geen serieuze zaken aan de hand kunnen zijn. Den Haag is een vriendenclub, een soort sociëteit waarin theater wordt gespeeld en het is geen wonder dat ze het zo goed kunnen vinden met al die andere BN-ers. Ze staan er alleen voor hun act en die act dient om ons te amuseren.

Of de verschillen die zij voorstaan zijn een spelletje en hebben geen invloed op het bestuur van het land, of ze hebben niet in de gaten welke ongelukken er worden aangericht als sommigen van hen voor hun plannen een mandaat van de kiezer zouden krijgen. Geef die vriendelijke maoïst van de SP een kans en we zitten voor we het weten in een DDR. Ik houd het erop dat de politici zich zelf niet serieus nemen. Geregeerd kan er alleen maar worden met coalities die altijd min of meer in het midden uitkomen. Waar het op neer komt is dat het apparaat zijn gang gaat ongeacht wie er regeert.

Wie Balkenende hoorde beweren dat Nederland er onder zijn bewind zo op vooruit gegaan was, omdat buitenlanders daarover vriendelijke dingen tegen hem gezegd hadden, die gelooft zijn oren niet. Wie naar de staatsfinanciën kijkt sinds Zalm daar niet meer aan de touwtjes trekt, of naar de zorg, het onderwijs of justitie, die kan toch niet serieus menen dat we er onder Balkenende op vooruit gegaan zijn? Waar dan? Het nationaal inkomen per hoofd stokt al sinds jaren. Nederland doet het veel slechter  dan bijvoorbeeld Vlaanderen, dat objectief gesproken toch geen betere kansen had in diezelfde periode dan wij. Eerder het omgekeerde, want zij moeten de Franstaligen op hun schouders nemen en dat hoeven wij niet..

Niemand hoort meer iets over die Nederlanders die de Belgen zo’n slechte deal in de maag zouden hebben gesplitst met onze ABN Amro. Het blijkt nu wel dat de Belgen er eerder goed vanaf gekomen zijn. Het enige punt waar Balkenende iets bereikt heeft is met onze aanwezigheid bij een paar belangrijke financiële vergaderingen en wat hebben we daaraan als we kennelijk niet meer over de financiële bekwaamheid beschikken om daar een inbreng te hebben?

de PvdA?

 

Wie zoals de PvdA meer hoogleraren, rechters, bestuurders en schrijvers onder haar aanhang telt dan alle andere politieke partijen tezamen, die heeft een bijzondere verplichting  tegenover de samenleving. Dat de PvdA als partij het integratievraagstuk lang onder de mat heeft gestopt siert haar niet, maar dat het uiteindelijk, naast de liberaal Bolkestein,  toch het PvdA lid Paul Scheffer is geweest die het onderwerp in fatsoenlijk gezelschap bespreekbaar heeft gemaakt, dat siert haar weer wel. Het beestje is  nog niet dood, kennelijk.

De PVV wiebelt in de peilingen maar dat hoort de andere partijen niet zo gerust te stellen als het schijnbaar doet. Wilders heeft zijn aanhang niet te danken aan zijn eigen briljante  ideeën. Wat dat betreft had Pim Fortuijn misschien meer te bieden, ook al waren veel van diens voorstellen wat onuitgewerkt. Op die enkele leden van de kandidatenlijst van Wilders die nu zijn uitgestapt zullen er wel meer nieuwkomers volgen. Dit soort partijen trekt nu eenmaal mensen aan die wat te fantasievol en te instabiel te zijn voor een publieke rol. Maar dat zegt allemaal niet zo veel. Wilders is geen domme man en waarschijnlijk krijgt hij dit probleem na verloop van tijd wel onder de knie . Zolang hij achterover kan leunen en zitten wachten op de fouten van de anderen tenminste, want daar heeft hij zijn aanhang aan te danken. Dat al die  hoogleraren en andere hotemetoten van de PvdA  geen voorstellen hebben kunnen formuleren over het immigratie en integratieprobleem waar politiek wat mee gedaan kon worden en dat zij dat ook niet  doen voor de problemen die de overheid heeft op een hele reeks ander terreinen, daar ligt de bron van de Wildersaanhang.

Veel van die ontevreden kiezers willen helemaal niet zelf gaan regeren, zoals wel wordt beweerd, ze willen gewoon dat er behoorlijk geregeerd wordt. Niet eens foutloos of spectaculair, maar gewoon behoorlijk.

Laten we eens een stel issues onder de loep nemen waar de PvdA het heeft laten afweten die niets met het integratievraagstuk te maken hebben.

Het energievraagstuk.

Over dertig jaar raken de olie en gasvoorraden uitgeput. Kolen zijn geen behoorlijk alternatief in verband met de milieuproblemen en bovendien is dat uitstel van executie. Al de duurzame methoden van energieopwekking waar zo mee geleurd wordt zijn tot nu toe of te duur gebleken of hebben bij massaal gebruik weer  onverwachte nadelen. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor de biobrandstoffen. Windenergie is te duur in investering en onderhoud en levert bovendien bij een ruimere  toepassing een onvoldoende constante productie. Hetzelfde en sterker nog geldt dat voor golf- en getijdenenergie. Vreedzame kernfusie is niet werkzaam, terwijl kernsplitsing wel langer uitstel biedt dan kolen, maar dat ook geen blijvende oplossing is. Over de politieke problemen van de energietekorten die binnenkort met zekerheid hun schaduw vooruit gaan werpen is nog helemaal niet publiekelijk nagedacht of gediscussieerd. Dat we op dat punt politieke samenwerking met Amerika en Canada nodig zullen hebben ligt voor de hand en ook dat we zullen concurreren met China en Rusland, ongeacht hun politieke organisatie. Zonnecellen lijken wereldwijd voorlopig het beste alternatief voor koolwaterstoffen, maar hoe men de ontwikkeling ervan het beste kan stimuleren is nog steeds geen onderwerp van internationaal overleg. De PvdA zit met de handicap dat zij ideologisch op dit punt niet goed bewerktuigd is. Alleen de markt kan efficiënte zonnecellen ontwikkelen en de PvdA heeft niets met de markt.

Het veiligheidsvraagstuk.

Met de energie en grondstoffencrisis die eraan zit te komen komt er ook een probleem van veiligheid. De concurrentie en de onveiligheid zullen toenemen op dezelfde manier waarop  prijzen stijgen als er een acuut tekort in het verschiet ligt: met de afgeleide van de groei van de tekorten. Betrouwbare partners voor straks zul je nu moeten creëren. Daarom was het politieke besluit om het kabinet op te blazen over de Uruzgankwestie zo’n long term misser.

Het onderwijs.

Dijsselbloem heeft op dit terrein goed werk gedaan door een aantal van de problemen te analyseren in termen van politiek tekort schieten:

Er zijn grote risico’s genomen met kwetsbare leerlingen

De verantwoordelijke bewindslieden vertoonden een tunnelvisie

Het politiek draagvlak werd belangrijker gevonden dan het draagvlak in het onderwijs

De docenten, ouders en leerlingen zijn onvoldoende gehoord in ‘onderwijspolder’

Veel beleidskeuzen werden bepaald door het financiële kader

Parallelle ingrijpende veranderingen doorkruisten de vernieuwing

De genoemde didactische vernieuwingen werden door de scholen (deels ten onrechte) als verplicht ervaren

Er was achteraf een forse aanpassing in de regelgeving

De effecten van de onderwijsvernieuwingen op de onderwijsresultaten lopen uiteen

Er werd te veel waarde gehecht aan de goede positie van Nederland op de internationale ranglijsten

De wetenschappelijke onderbouwing van het ‘nieuwe leren‘ ontbreekt grotendeels

De wijze van invoering van het ‘nieuwe leren’ was risicovol

Allemaal waar, maar een programma hoe het onderwijs weer op de rails te krijgen ontbreekt. In het verkiezingsprogramma van de PvdA vinden we hierover  niets terug, net zo min als over de meeste andere grote problemen van de samenleving.

De zorg.

De kosten van de zorg lopen uit de hand als gevolg van een verkeerde organisatie en veel oneigenlijk gebruik van het zorgaanbod. Het achterliggende probleem is politiek en ideologisch. Het uitgangspunt: alle zorg op dezelfde wijze toegankelijk te maken voor iedereen, deugt niet. Het klinkt wel goed maar het kan niet. Het tast de kwaliteit aan en de ontoegankelijkheid die we via de voordeur naar buiten hebben gewerkt komt via de achterdeur weer binnen. Terwijl er hier mensen dood gaan toen ze nog op de wachtlijst stonden gaan de rijkeren naar het buitenland waar ze wel geholpen kunnen worden.

Justitie.

Lucia de Berk is uiteindelijk na negen jaar vrijgesproken. Niet door een zelfreinigend mechanisme van het justitiële apparaat maar als gevolg van onbaatzuchtig werk van een aantal particulieren. De affaire De Berk is er een uit vele, waarbij we gevoeglijk kunnen aannemen dat een veelvoud nooit boven water komt. Rechters en officieren blijken bevooroordeeld en onvoldoende competent. Maar dat is meer gevolg dan oorzaak. Het systeem deugt niet en stoot nu de competente mensen af. De wetboeken van strafrecht en strafvordering zijn hopeloos verouderd. De capaciteit van het systeem kan de veelplegers  niet aan, de reclassering boekt geen meetbare resultaten en de organisatie van de  opsporingsdiensten laat te wensen over. Gezien de dominantie van de PvdA in het bestuur en de rechterlijke macht weet de Partij dit allemaal als geen ander en ze doet er niets mee. Een treurige zaak.

gelooft U de politie?

 

Van de 1.200.000 aangiften die jaarlijks worden gedaan neemt de politie er 350.000 in behandeling. 700.000 worden om uiteenlopende redenen terzijde gelegd maar nog eens 150.000 aangiften die door de behandelende opsporingsambtenaar kansrijk worden geacht voor een geslaagde vervolging blijven op de plank liggen wegens gebrek aan capaciteit. Wie naar het aantal politieagenten en bijzondere opsporingsambtenaren kijkt die Nederland rijk is gelooft zijn oren niet. Dat kan niet waar zijn wat de politievertegenwoordiger daar zegt, dat de capaciteit ontbreekt. Tenminste als je capaciteit vertaalt door aantal politieambtenaren. Vertaal je het door een effectieve op het behandelen van zaken gerichte organisatie, dan zal het wel kloppen maar dan geloof je ook je oren niet. Hoe slecht moet de politie wel niet georganiseerd zijn, wil zoiets waar zijn. Als een politieagent tien aangiften per dag verwerkt, wat met zijn computer gemakkelijk moet kunnen, dan zijn dat in vijf en veertig weken per jaar 2250 aangiften per agent. Dan kunnen die 350.000 aangiften door nog geen 160 agenten worden verwerkt. De rest van de Nederlandse corpsen kunnen zich dan met de follow up bezig houden. Tien aangiften per dag. Vraag de mensen om eerst op hun eigen computer een formulier in te vullen en via het internet naar het betreffende politie bureau te sturen. Vul dat aan met de politiegegevens en print het formulier uit. De aangifte is dan voor 90% gedaan. Laat de betrokken naar het bureau komen en besteed desnoods een half uur aan controlevragen en nadere bijzonderheden en ondertekening van de aangifte. Dat moet kunnen. Dat is vijf uur voor tien aangiften plus een uur als U wilt voor de uitloop van de gesprekken. Zijn de aangiften eenmaal vakkundig gedaan dan is de opsporing in de helft van de gevallen een fluitje van een cent en de andere helft moet met de enorme hoeveelheid blauw die we hier hebben toch wel te doen zijn, zou je zeggen. De conclusie is dat of de organisatie van de politie niet deugt of dat ze maar wat zeggen om de bezuinigingen te omzeilen. Misschien wel allebei.

sociologisch gefundeerd beleid

 

In Delft promoveerde een sociologe op een proefschrift waarin ze aantoonde dat het beleid van gemeenten niet werkt om meer en minder welgestelde groepen uit de bevolking in één wijk samen te laten wonen. Dat gebeurt met het doel ze op deze manier met elkaar in contact te brengen en zo de minder bedeelden een beter netwerk te bezorgen.

Een goed voorbeeld is IJburg waar 30% van de huizen sociale huurwoningen zijn, die in hoofdzaak bewoond worden door allochtonen en de rest is koopwoning. Van verkeer tussen de twee bevolkingsgroepen is geen sprake.

Is dat een verrassing, deze uitslag van dit onderzoek? Niet echt. Het komt heel weinig voor dat een sociologisch onderzoek iets oplevert dat bij de bevolking die onderzocht wordt niet allang bekend was. Meestal is het ook voor buitenstaanders meteen duidelijk. Dat is ook niet de functie van dit soort onderzoeken. De functie is om overheden te legitimeren bij het wijzigen van beleid dat op eerdere sociologische onderzoeken was gebaseerd. Gemeenten en andere overheidsinstellingen  hebben beleidsafdelingen en die zijn bevolkt met sociologen. Beleid dat niet wetenschappelijk, d.w.z. sociologisch, is gefundeerd, mankeert legitimiteit en geen behoorlijke politicus of bestuurder durft er mee aan te komen.

Dat overheden beleid voeren is onvermijdelijk. Zij beschikken over een flink deel van het nationaal inkomen en ze kunnen het geld niet zo maar het raam uitgooien. Dat er onderzoek gedaan wordt voor dat uitgaven in een budget terecht komen en rechtsgeldig door de bestuurder kunnen worden gedaan, dat is oké. Maar waarom door sociologen?  De grote en onverantwoorde uitgaven die gemoeid zijn geweest met het bouwen van de huurwoningen op IJburg, die veel goedkoper ergens anders hadden kunnen worden gebouwd, zijn een gevolg van mislukt sociologisch beleid.

Niet alleen in Nederland maar overal in de westerse wereld is er geen voorbeeld aan te wijzen van beleid dat als gevolg van sociologisch onderzoek beter resultaat heeft opgeleverd dan beleid dat uitsluitend op basis van gezond verstand werd ontworpen. In Amerika heeft men intussen honderd  jaar sociologisch beleid in de getto’s achter de rug zonder een enkel positief resultaat. De gettobewoners die het nu beter hebben dan hun ouders zijn allemaal ex-gettobewoners, d.w.z. mensen die de omgeving zijn ontvlucht en zich aan de sociologische bemoeiingen hebben onttrokken Verbetering van het leefklimaat ter plaatse blijkt met behulp van sociologisch beleid niet mogelijk te zijn. We kennen zelf het voorbeeld van de Bijlmer. Op sociologische uitgangspunten gebouwd, maar de doelgroep wilde er niet aan. Vanwege de grote leegstand leek het de Amsterdamse overheid een goede opvangplek voor de massale stroom Surinamers die na de onafhankelijkheid  van dat land in 1975 naar Nederland trok. Zonder dat iemand dit ooit als beleid had bedacht werd de Bijlmer de eerste grote Afro-Europese wijk van Nederland. De koopwoningen waren daar vervolgens aan de straatstenen niet meer kwijt te raken en de verliezen op het dure project waren enorm.

Een ander voorbeeld van sociologische missers op grote schaal is de reclassering. Die dient ertoe om het recidivecijfer in Nederland omlaag te brengen. Er wordt heel weinig over gepubliceerd, maar wat we ervan weten wijst erop dat ook van werkzaamheid van deze psycho-sociologische  inspanning niets aantoonbaar is.

Karel van het Reve schreef ooit dat als er in de vijftig jaar dat hij het volgde iets gebeurd was in de sociologische wereld dat de moeite waard was, het hem dan zeker zou zijn opgevallen, maar dat was niet zo. Hij gaf daarbij een aantal voorbeelden van maatschappelijke misstanden die iedereen opvielen, maar waar nog nooit een beleidsambtenaar iets aan had gedaan. Ik heb daar eerder al eens iets over geschreven, nadat ik de moeite had genomen die voorbeelden na te trekken. Er bleken goede bureaucratische antwoorden te zijn op de vragen van Van het Reve. Maar ook dat is weer een probleem dat sociologen niet weten op te lossen. Zij gaan over de inrichting van bestuursapparaten en als die niet doen wat de burger redelijkerwijze  mag verwachten, dan faalt het sociologische  beleid.

Het is intussen weer tientallen jaren later en het is nog steeds zo. Wanneer in het kader van de bezuinigen de kaasschaaf nu eens zou worden thuis gelaten en we gingen daar bezuinigen waar dat ’t minste kwaad kon, dan zou afschaffing van alle sociologische disciplines op universiteiten en hoge scholen naar mijn mening hoge ogen gooien. Men mag dan verwachten dat in de toekomst beleidsafdelingen zullen worden bemand door lieden met een middelbare opleiding. Die zijn net zo goed en een stuk goedkoper. Maar ik veronderstel dat het beleidsadvies aan het nieuwe kabinet wel anders zal luiden.

waar schort het aan bij de overheid?

 

 

Een adviseur uit een grote IT firma, die ik sprak ,merkte op dat er nog al wat hoge functionarissen zijn in Nederlandse firma’s en instellingen, die niet mee kunnen op het hoge abstractieniveau waarmee  je op zo’n  plek met de materie hoort om te gaan. In de IT, zei hij, moet je op het hoogste niveau in de details kunnen gaan en tegelijk het overzicht over het geheel kunnen bewaren. Doe je dat niet dan gebeuren er ongelukken. Dat die daadwerkelijk gebeuren kunnen we regelmatig in de krant lezen. Door het gebrek aan kennis op besluitvormend niveau  vindt niet alleen veel kapitaalvernietiging plaats, maar wordt er ook lang niet uit de nieuwe technieken  gehaald wat  mogelijk zou zijn, wanneer de beslissingnemers beter  zouden zijn geschoold.

 

Wat er zo voor iedereen zichtbaar in de IT misgaat, zie je ook op alle mogelijke andere terreinen. Maar we zijn er zo aan gewend, het valt niet meer op en we zien het niet meer. Rechters die niet kunnen volgen wat statistici te melden hebben en premiers die wetten doordrukken waarvan ze niet weten dat die andere gevolgen zullen hebben dan zij hopen. Besluitnemers die zowel de grote lijnen als de details beheersen zijn schaars geworden in Nederland.

 

Neem de wetgeving. Formeel wordt die geproduceerd door de Kroon, d.w.z. Kabinet en de Majesteit aan de ene kant en de Staten Generaal aan de andere. In werkelijkheid wordt wetgeving gemaakt door de gespecialiseerde  afdelingen van de departementen, door het Ministerie van Justitie en door de Afdeling Wetgeving van de Raad van State. Diverse adviesorganen en commissies van de Tweede Kamer spelen ook een rol, zij het een ondergeschikte. De ministers zelf hebben  maar incidenteel met wetgeving  te maken. Meestal alleen vlak voor zij de wet moeten gaan verdedigen in de kamer. Er zou ergens vlak onder de minister een functionaris moeten zijn als door mijn IT zegsman werd bedoeld, iemand die van de grote lijn en van de details op de hoogte is.  Zo iemand was vroeger Albert Mulder, die zijn carrière beëindigd heeft als staatsraad, maar die voor die tijd jarenlang S.G. was op Justitie. Zo’n man zou moeten beschikken over een bekwame staf en met zijn mensen de kwaliteit van de wetgeving moeten borgen. Zulke mensen zijn er mogelijk niet meer bij de overheid en als ze er zijn horen we niet van ze.

 

Wetgeving is een van de belangrijkste overheidsfuncties. Het is de primaire beleidsreactie van de overheid op in de samenleving geconstateerde tekorten en misstanden. Op het ministerie horen voldoende mensen te zitten die deze tekorten en misstanden kunnen analyseren en na kunnen gaan welke maatregelen, waaronder regelgeving, nodig zijn om het gewenste effect te bereiken. Daarnaast zouden ze ook  in staat moeten zijn om te zien welke niet bedoelde neveneffecten  wetgeving kan hebben. Voor de wetgevende arbeid zouden zij personeel ter beschikking moeten hebben van de kwaliteit van het kabinet van de Franse president. Personeel dat in  georganiseerde afdelingen opereert, voor elk probleemveld een eigen afdeling. Aan het hoofd van iedere afdeling zou een directeur en een plaatsvervangend directeur horen te staan. De directeur zou de probleemeigenaar moeten zijn. Hij zou het veld waarvoor hij verantwoordelijk is zowel in grote lijnen als in de details moeten kennen. Hij heeft te zorgen voor het soort efficiënte en leesbare wetgeving, dat niet alleen het probleem oplost waarvoor de wet bedoeld is, maar ook nog voldoet aan de ideologische eisen van de minister, zodat deze het in de ministerraad en in de kamer kan verdedigen. Zijn plaatsvervanger moet er zoveel van weten dat hij hem op ieder gewenst moment kan vervangen.

Zo was het vroeger en zo zou het weer moeten worden. Maar het hebben van overzicht, ook al is het maar op een deelgebied, kan eigenlijk moeilijk  meer. Er is gewoon te veel wetgeving en de gebieden lopen te veel door elkaar heen.  Er zal eerst weer orde gebracht moeten worden in de overheid en vervolgens in haar wetgeving. Een Herculestaak, waar niemand zin in lijkt te hebben.

 

De hoge ambtenaren houden zich  niet meer bezig met de problemen in de samenleving waarvan ze meestal ook niet goed op de hoogte zijn, maar met de problemen in hun eigen wereld. Ze voeren stammenoorlogen met andere overheidsorganisaties die meestal beslist worden in  het kabinet. Daar bereiden ze hun minister op voor. Daarnaast zijn ze ook bezig met het uit de wind houden van hun minister in de pers en in de kamer. De echte maatschappelijke problemen komen alleen in een abstracte en afgeleide vorm op het bord van de beslissingnemers.

 

Het departement bestaat uit een mengelmoes van onafhankelijke organisatietjes, die allemaal hun eigen dingen doen op grond van een lijst met eigen prioriteiten. De minister met zijn staf van hoge ambtenaren heeft er nauwelijks vat op en ook onderling wordt er tussen de afdelingen maar weinig gecoördineerd. Ambtenaren zijn geen eigenaar meer van problemen, ze zijn eigenaar  van hun baan. Ze zijn praktisch gesproken niet te ontslaan of over te plaatsen en daarom als het er op aan komt nauwelijks beïnvloedbaar. Een wetgevend project wordt niet behandeld op grond van de eigen merites en de eigen prioriteit, maar in de eerste plaats op grond van het persoonlijke  prioriteitenschema van de betrokken ambtenaar, dan van de afdeling en vervolgens pas op grond van de politieke prioriteiten van de leiding van het departement. Maatschappelijke urgentie heeft er alleen invloed op in afgeleide vorm, via de politieke druk van de openbare mening.

Omdat ook een goede manager alleen maar goed leiding kan geven aan een organisatie waar hij vat op kan krijgen, worden departementen slecht geleid. Omdat ze slecht geleid worden komt er ook  geen kwaliteitsverbetering en hebben competente mensen de neiging hun heil elders te zoeken.

 

Mijn IT zegsman kwam de specifieke vorm van onbekwaamheid die hij signaleerde voornamelijk tegen bij de overheid maar toch ook wel bij het grote bedrijfsleven. Dat laatste zal sommigen verbazen, omdat bedrijven immers failliet kunnen gaan als de aanwezige kennis en assets niet doelmatig worden ingezet.. Dat is zo en daarom is het bij grote bedrijven ook minder algemeen dan bij de overheid, maar concentreert het zich daar bij de afdelingen die er voor de core business van de onderneming niet echt toe doen. De competente raad van bestuur van een groot bedrijf besteedt haar aandacht aan de goed renderende of cruciale afdelingen en bij de slecht renderende concentreert zich een soortgelijke incompetentie als bij de overheid, alleen een beetje minder.

 

problemen in het landsbestuur

We hebben er nu geen idee meer van hoe moeilijk het was om een land te besturen in de tijd dat de snelste vorm van communicatie een ruiter te paard was, of een schip, als het om werkelijk lange afstanden ging.

Het feodalisme, dat een extreme vorm van bevoegdheidsdelegatie inhield was in de vroege Middeleeuwen de primitieve oplossing voor dat probleem. Ook later, toen er weer een vorm van beschaving kwam en de communicatie verbeterde bleef een vergaande delegatie van bevoegdheden nodig om bestuurbare organisaties te creëren binnen grote territoriale eenheden.

 

Veel van de functionarissen die we nu nog hebben dateren in wezen uit die vervlogen tijden. Een commissaris van de koningin is een overbodige functie. Alle provinciale bestuurders zijn eigenlijk overbodig. Niet het werk dat ze doen, natuurlijk, dat zou ook gedaan moeten worden als ze er niet waren, maar de aparte bestuurslaag waarin het wordt uitgevoerd. Die veroorzaakt veel extra overleg en kosten die achterwege zouden kunnen blijven bij een modernere soort bestuursorganisatie.

Als ze niet zouden bestaan zouden ze nu niet meer worden uitgevonden. De functies worden niet afgeschaft om de paradoxale reden dat iedereen het druk genoeg heeft en niet om extra werk verlegen zit. Afschaffen van het provinciaal bestuur zou toch een behoorlijke herverdeling van taken meebrengen en dat betekent voor een aantal mensen nu extra werk, al zou het op den duur veel werk sparen. Ook ambassadeurs zijn functionarissen uit de tijd van vóór de elektriciteit. Het hebben van een ambassadeur is nu een vorm van internationale beleefdheid geworden. De hoffelijkheid tegenover het  buitenland staat het afschaffen in de weg, maar veel functie heeft een ambassade eigenlijk niet. Hoezeer zij er alleen maar zijn voor de sier blijkt bij calamiteiten. Als bij rampen in verre landen de Nederlandse ambassadeur de enige functionaris is die wat zou kunnen  doen voor zijn landgenoten dan hoor je maar zelden dat ze tevreden zijn over zijn prestaties. Voor calamiteitenzorg worden ze niet opgeleid, ze zijn er voor het ceremonieel.

 

Een ineenstorting van een samenleving, zoals bijvoorbeeld gebeurde bij de Franse revolutie, heeft ook zijn goede kanten. Het geeft gelegenheid om allerlei oude instellingen en gebruiken die nergens meer toe dienen in een klap af te schaffen. Daar komt het anders nooit van. Afschaffen heeft daarvoor te veel onvoorziene consequenties, we beginnen er niet aan, als het niet echt onvermijdelijk is. Er worden mensen mee op de tenen getrapt en hun emotionele bezwaren klinken harder dan de zakelijke instemming van de grote meerderheid. Die meerderheid profiteert wel van de veranderingen maar dat is lange termijn en het voordeel is diffuus. De nadelen zijn direct en treffen de kleine groep betrokkenen hard.

 

Veranderingen in het landsbestuur zijn op dit moment eigenlijk broodnodig. Niet alleen in het provinciale bestuur, want dat is per saldo heel ondergeschikt en doet niemand veel kwaad. Nee bij de rijksregering zouden de departementen grondig moeten worden hervormd en zou het ondoorzichtige kluwen van adviesorganen moeten worden opgeruimd, die verbeteringen op tal van terreinen blokkeren  maar dit soort veranderingen komen niet af, niemand durft het aan.

Allerlei overheidsinstellingen die ooit met een duidelijk doel zijn opgezet functioneren intussen niet meer goed, omdat het doel verdwenen is, of uit het zicht is geraakt, of omdat de samenleving zo is veranderd dat de instelling er niet meer in past. Instellingen zijn als machines, ze zijn niet zelfregulerend. Ze hebben geen geheugen en als er niet iemand is die begrijpt hoe ze in elkaar zitten en waar ze voor dienen, dan loopt er gemakkelijk iets mis. Mensen die werken in grote apparaten hebben de neiging niet meer te kijken naar de buitenwereld die van de instelling iets verwacht maar naar binnen, naar hun bazen en collega’s[1].

Instellingen die door de overheid worden gefinancierd blijven maar voortbestaan, ongeacht de door hen geleverde prestaties. Ze gaan een eigen leven leiden, los van de functie waarvoor ze ooit zijn opgericht, ze raken op drift. Dat lijkt een wetmatig verschijnsel. Revoluties zijn daarom misschien soms een blessing in disguise en het is jammer dat ze zoveel ellende met zich meebrengen. Anders zouden we er nu een moeten hebben.

 

Een van de redenen waarom overheden in westerse landen nu slechter functioneren dan ze vroeger deden is omdat het freies Ermessen van bestuursambtenaren overal vervangen is door regelgeving. Het grote manco van regelgeving is dat de onvermijdelijke beleidsfouten die er gemaakt worden zo moeilijk te repareren zijn en zo veel onverwacht bijverschijnselen opleveren.

 

Als de overheid tot een beleid besluit dat niet voor uitvoering vatbaar is, dan gebeurt er meer dan alleen de mislukking van dat beleid. Beleid wordt neergelegd in wetten en wetten hebben een uitwerking ook al is dat een andere dan de wetgever heeft bedoeld. Dat is bijvoorbeeld het geval geweest met de Wet op de Basisvorming in het Nederlandse onderwijs. Daar is de uitwerking van een mislukte wet nagenoeg het omgekeerde geweest van wat men er ooit mee beoogd had. Men wilde een tweedeling in de samenleving voorkomen en zo’n tweedeling  was er in Nederland bij de invoering van de wet helemaal niet. Maatschappelijke tweedeling was een probleem in Engeland en tot op zekere hoogte in Frankrijk, maar niet hier. Nu, na de onderwijsherzieningen die het VMBO in het leven hebben geroepen, hebben we de gevreesde tweedeling gekregen die men al wilde repareren toen hij er nog niet was. Verantwoordelijk daarvoor is het hele “onderwijsveld”, de collectieve beleidsmakers die de Nederlandse overheid in het onderwijs en op een reeks van  andere terreinen kent. Maar de spectaculaire mislukking van de onderwijshervorming staat niet allen. Zij is er een in een lange rij.

 

Ook de Nederlandse sociale wetgeving heeft neveneffecten gehad die niemand ooit gewild heeft. Hele generaties zijn opgegroeid met de mogelijkheid om door het plegen van lichte fraude een inkomen te verkrijgen zonder te werken. Een moeilijk vast te stellen maar zeker groot deel van de  immigratie van de laatste decennia is aan de sociale wetgeving te danken. Zij vormt de pot met honing waar de wespen of af zijn gekomen.

 

De achtereenvolgende wijzigingen in het zorgstelsel hebben de zorg voor de staat onbetaalbaar en voor het publiek verminderd toegankelijk gemaakt. Hoeveel mensen er jaarlijks als gevolg ervan onnodig sterven is onbekend, maar het moeten er veel zijn.

 

Dit is wat er gebeurt als men van boven af en door middel van wetten ingrijpt in de samenleving en problemen probeert aan te pakken die alleen in wisselwerking met de doelgroep op te lossen zijn.  Men meent door het gebruik van wetgeving als bestuursmaatregel het rechtskarakter van de  overheid te verzekeren, maar dat is een verkeerd begrip van de functie van wetten. Bestuursmaatregelen blijven maatregelen ook als men ze wetten noemt. Het enige wat men er mee bereikt is dat zij moeilijker zijn aan te passen als dat nodig blijkt. Het formele karakter van wetgeving brengt mee dat de invloed van de doelgroep altijd beperkt blijft hoezeer men ook zijn best doet haar bij de totstandkoming te betrekken. Ook de consultatie bij het tot stand brengen van wetgeving heeft immers een formeel en ritueel karakter gekregen. De doelgroep wordt daarbij vaak ongewild vertegenwoordigd en heeft bij de consultaties geen eigen stem of inbreng.

Als regel heeft men bij de wettenmakers over de problemen zoals die zich in de werkelijkheid voordoen niet voldoende specifieke informatie en bij de uitvoering niet voldoende feedback. De rijksoverheid is een te grote organisatie en de taken die men op zich heeft genomen zijn te uiteenlopend voor de topdown manier van werken die wetgeving impliceert.

 

Organisaties horen zo klein te blijven dat de beslissingnemers zelf de informatie kunnen verifiëren, op grond waarvan ze hun beslissingen nemen. Alleen dan kan hun aandacht gericht blijven op de problemen en op oplossingen. Wordt een organisatie te groot dan gaat de meeste aandacht naar problemen die de organisatie zelf opwerpt en komt de buitenwereld niet meer aan haar trekken..

Zijn beleidmakers voor hun informatie en kennis van zaken afhankelijk van een of meer lagen tussenmanagement dan gaan regels een eigen leven leiden en dan is het de in standhouding van de regels en van de organisatie zelf die de werkzaamheden gaan domineren. Dat is de belangrijkste oorzaak van het falen van overheden.

 

In Nederland en andere Westerse landen is de overheid  buiten haar  krachten gegroeid als gevolg van de grote lasten die zij op de schouders heeft genomen bij de invoering en het onderhouden van de welvaartstaat. Daarnaast speelt ook het normale verouderingsproces een rol dat iedere organisatie aankleeft.

 

De welvaartstaat die in Nederland en andere West Europese landen tot stand is gekomen in de tweede helft van de twintigste eeuw heeft twee opvallende kenmerken:

 

  1. Zij veronderstelt een overheid die zich verantwoordelijk acht voor alle aspecten van het welzijn van de burgers. Het werkterrein van de overheid is daarmee onbegrensd geworden, wat een effectieve organisatie bemoeilijkt.
  2. Zij hanteert wetgeving als het middel bij uitstek om haar beleid tot uitvoering te brengen. Wetgeving schept voor iedere burger gelijke rechten en wetgeving kan tegenover iedereen op gelijke wijze worden afgedwongen. Dat bevordert de gelijkheid van de mensen maar doet tekort aan de grote verscheidenheid van de problemen en van de behoeften die zich in de samenleving voordoen.

 

Honderd jaar geleden was er voor de welzijnsproblemen van de arbeidende bevolking in de nieuwe industriële samenleving nog meer dan één oplossing. Er  was nog niemand die er aan dacht dat voor de zelfstandige burger andere overheidsvoorzieningen nodig zouden kunnen zijn dan de klassieke zorg voor interne en externe veiligheid, voor de financiën van de overheid en de juridische en fysieke infrastructuur van het land.

Er waren vakbonden voor de arbeiders die (collectieve) arbeidsovereenkomsten afsloten, waarin diverse onderwerpen geregeld werden naast de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Maar vakbonden waren niet de enige organisaties die zich met het welzijn van de arbeider bezig hielden. Met name in Duitsland waren er veel bedrijven die zelf voor huisvesting en levensmiddelenwinkels, voor sport, vrije tijdbesteding en voor andere levensbehoeften zorgden van hun arbeiders. Bismarck en zijn opvolgers waren voorstanders van deze vorm van welzijnzorg, die tot voordeel had dat zij dichter bij de doelgroep stond en beter met de specifieke behoeften rekening kon houden.

Philips met zijn Duitse achtergrond was in Nederland een voorbeeld van een dergelijk bedrijf. De oplossing had het nadeel dat de arbeiders met gouden ketenen aan hun werkgever werden gebonden en zij in de praktijk niet meer vrij bleken om hun arbeidskracht elders op de markt aan te bieden. Van onafhankelijkheid van werknemers was nauwelijks nog sprake. Dat en de voor de hand liggende bezwaren van de vakbonden, die immers in dit systeem gepasseerd werden,  zijn de redenen geweest waarom het Duitse systeem in Nederland nooit op grote schaal navolging heeft gevonden. Maar de voorzieningen die het opleverde waren relatief goed en de bestaanszekerheid voor de employees ook. Uiteindelijk heeft echter iedereen gekozen voor de Angelsaksische oplossing van de Welfare State en de vakbonden. Niet Bismarck, maar Bevin en Beveridge hebben aan de wieg gestaan van de huidige verzorgingsstaat in West Europa.

 

Vrijheid en risico zijn twee kanten van dezelfde medaille en zo is het ook gesteld met collectieve verzorging en onvrijheid. De gedachte dat men zijn burgerlijke vrijheden kan bewaren en tegelijkertijd garanties van anderen kan krijgen voor zijn bestaan is een misvatting. De risico’s die men via de voordeur naar buiten werkt komen via de achterdeur weer binnen. De uitgebannen private risico’s keren terug als maatschappelijke risico’s van onbetaalbaar geworden verzekeringen of pensioenen die niet meer kunnen worden uitgekeerd.

 

De bejaardenzorg die bedoeld was om het welzijn van ouderen te vergroten kost hun de vrijheid en privacy waar zij recht op hebben. Alle goed bedoelde voorzieningen van de welfare state hebben hun keerzijde.

Als de Fransen massaal in opstand komen tegen een afnemende bescherming van hun job security dan realiseren ze zich niet dat ze pleiten voor een vergroting van de toch al hoge werkloosheid. Wanneer we in Nederland een onbegrensde toegang willen hebben tot de zorg met een gelijke kwaliteit voor iedereen, dan krijgen we wat we niet willen hebben: een inferieure nationale gezondheidszorg die tegelijk onnodig duur wordt.

 

Engeland en de voormalige Oostbloklanden laten zien waar een zorg met deze uitgangspunten toe leidt. Al deze goed bedoelde maar tot mislukken gedoemde overheidsbemoeienis  heeft tot uitgangspunt dat mensen niet voor zich zelf kunnen zorgen. Maar wat begonnen is als hulp voor degenen die dat nodig hadden, is verworden tot een systeem dat iedereen onmondig dreigt te maken, tot een DDR binnen een vrije samenleving. Voor erg veel overheidsgeld worden aan iedereen diensten aangeboden die door niemand in hun geheel worden afgenomen en die dus noodzakelijk voor een groot deel overbodig blijken. Overbodige diensten verminderen in kwaliteit, ook in dat deel van de gevallen waarin zij wel nodig blijken te zijn. De voorstanders van deze overheidsbemoeienis zonder grenzen gaan er van uit dat zij die de bemoeienis niet willen vijanden zijn van een sterke overheid, maar dat is niet zo. Zonder overheid is geen enkele samenleving mogelijk. De tegenstelling is niet tussen wel overheid en geen overheid, maar tussen een competente en een overspannen overheid.

 

Er is geen gebrek aan voorbeelden hoe een topdown aanpak van complexe problemen tot mislukkingen leidt.  Een enquête over de TBS laat zien hoe een opeenstapeling van wetten en maatregelen leidt tot risico’s die de samenleving onaanvaardbaar vindt en tegelijkertijd tot een minder goede zorg voor geesteszieken dan mogelijk en wenselijk zou zijn. En de achtergrond van deze mislukkingen is steeds dezelfde, het zijn steeds weer de systeemfouten.

 

Onze welvaartstaat is in hoofdzaak opgebouwd met de staatkundige instrumenten van de negentiende eeuw. We zitten nog steeds met de rijksdepartementen van 1815, maar hebben intussen de problemen van het derde millennium.

De overheidsorganisatie is  uit haar voegen gegroeid, maar nooit wezenlijk herzien of ingericht. Zij is kolossaal geworden zonder ooit duidelijk te zijn afgestemd op de moderne problemen die ze geacht wordt op te lossen. Het resultaat is dat niemand nu nog overzicht heeft op wat er in de overheid gebeurt. De politieke leiding verkeert in een soort luchtledig. Haar beleidsbesluiten worden niet meer volgens de bedoeling uitgevoerd en de informatie die ze uit haar  apparaat ontvangt is onvolledig en soms misleidend. De incidenten die in het afgelopen decennium tot het aftreden van ministers en andere bestuurders hebben geleid, zijn daar een illustratie van.

De politicus is verantwoordelijk maar hij kan zijn verantwoordelijkheid niet meer waar maken. Dat is niet alleen zijn probleem, het is ook het onze. Een onbestuurbare en slecht presterende overheid is een blok aan het been van de samenleving en een bedreiging voor ons welzijn. Wie meent dat het allemaal wel meevalt en wijst op een groot aantal buitenlandse overheden waar het allemaal nog veel slechter gaat heeft ongelijk. Wie zich aan de ontwikkelingslanden spiegelt, spiegelt zich zacht. Het is waar dat het in vergelijk met veel andere landen hier nog relatief goed gaat. Maar de problemen waar onze overheid het nu bij af laat weten vormen nog maar het begin. Voor de problemen die in een paar decennia op ons af gaan komen hebben we een goed georganiseerde en effectieve overheid nodig. Nu is het de tijd om daar wat aan te doen.

 

[1] Parkinson van Parkinson’s law geeft ergens het mooie voorbeeld van het Britse Ministerie van Koloniën dat bleef voortbestaan naast het Ministerie voor Gemene Best Zaken. In de naoorlogse periode werden voortdurende koloniën onafhankelijk en die kwamen dan in het Britse Gemene Best. Niettemin was het Ministerie van Koloniën nog nooit zo groot als op het moment dat de laatste kolonie uit de rij haar onafhankelijkheid verwierf. De ambtenaren op het departement hielden zich bezig met administratie, met beleidsvoorbereiding en het beantwoorden van hun toegezonden notities. Dat er geen koloniën meer waren om beleid voor te maken was daarbij niet van doorslaggevende betekenis.

 

11:52 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

30 mei

governance

In de Groene Amsterdammer van 8/4/10 staat een goed geschreven stuk over de gedwongen ontwikkelingshulp. In een halve bladzijde vertelt Yasha Lange wat dat is:  een nieuw systeem van financiering, waarvoor alleen nog organisaties (n.g.o.’s)  in aanmerking komen voor zover zij samenwerken met anderen en bovendien ook nog alleen als ze met zijn allen de subsidie gezamenlijk aanvragen bij de overheid. Alle ongecoördineerde aanvragen worden voortaan geweigerd. De grootste in dit soort ‘allianties’ wordt verantwoordelijk voor de aanvraag van de ( gemiddeld) 2.6 andere leden. Een alliantie, een verbond dus tussen ngo’s,  wordt alleen erkend als het bondje voor tenminste vijf jaar is aangegaan.

Het resultaat is, zegt Lange, dat de ambtenaren van de afdeling Ontwikkelingshulp van BuZa nog maar een keer per vijf jaar hoeven te beslissen en dat veel van het werk hen uit handen wordt genomen door de apparaten van Oxfam etc. die de kleinere broeders controleren omdat ze door BuZa verantwoordelijk worden gehouden.

Voor de organisaties zelf is het een ramp want een substantieel deel van hun managementtijd gaat nu heen met onderling overleg en onderhandeling over het verdelen van ontwikkelingsregio’s en functies. Ik vermeld dit omdat het typerend lijkt voor de manier waarop governance is georganiseerd in de ambtelijke wereld in Den Haag.

Een maand of wat geleden was ik bij het afscheid van een ambtenaar uit de wereld van de zorg, een afscheid dat plaats vond met een symposium. Een van de sprekers, een hoogleraar in het vak en lid van de Raad waar de ambtenaar aan was verbonden, merkte op dat uit een enquête , die onlangs was gepubliceerd, bleek dat het publiek in Nederland heel tevreden was over de kwaliteit van de zelf ontvangen zorg, maar veel minder over de organisatie die erachter stak, de ‘governance’ dus. Hij zag daarin een tegenstelling. Het merkwaardige, zei hij, is dat dit tien jaar geleden precies zo was en dat terwijl er in de tussentijd toch heel veel veranderd is in de organisatie. Die opmerking is op zich natuurlijk juist. Al sinds veel langer geleden, sinds het plan Simons uit 1990, is het niet meer rustig geworden in de wereld van de zorg. Maar om daar nu de conclusie uit te trekken dat het publiek het mis heeft met haar onvrede over de organisatie van de sector, die redenering is toch niet erg concludent. De spreker meende dat het de pers was die de onvrede van het publiek gecreëerd had en het leek hem onverstandig als men zich daar  iets van aan zou trekken.

Het punt is duidelijk. In Den Haag bemoeit men zich met Den Haag en niet met de rest van de wereld, ook niet met Nederland. Hoe en waarom het publiek op de veranderingen in de zorg heeft gereageerd als het doet, dat weet men in gouvernementele kringen niet en het interesseert daar ook niemand. Het zal wel de schuld van de pers zijn. Een duidelijk idee hoe de kosten in de hand kunnen worden gehouden die niet alleen absoluut maar ook relatief nog steeds aan het stijgen zijn, is er niet. Of als het er is, dat idee, dan wordt  het niet gepubliceerd. Misschien meent men in de club van Klink dat het publiek en de nieuwe regering straks de voorkeur zullen geven aan bezuinigingen op defensie en de politie en dat men daarom voorlopig nog wel goed zit.

En dat is onzin natuurlijk. Het is niet alleen een probleem voor dit jaar, het probleem zal blijven groeien. Er is geen natuurlijke grens aan de vraag naar het soort diensten die het zorgstelsel in Nederland aanbiedt. Hapsnap dingen uit het pakket halen of de wachtlijsten laten groeien zijn bewezen de verkeerde middelen om de vraag in te dammen. Men zal vroeg of laat het aanbod van zorg dat op dezelfde manier voor iedereen te verkrijgen is moeten beperken tot zorg voor  levenbedreigende kwalen en kwetsuren en tot datgene dat onduldbaar leiden veroorzaakt. Voor het overige zal het geld besteed moeten worden aan preventieve zorg en zullen de mensen zelf maar moeten betalen wat ze uit de zorg nodig vinden.

Het is niet leuk maar het kan niet anders en over dit alles hoorde ik op het symposium niets en  er valt ook niets over te horen in de campagnes van de politieke partijen. Ik denk niet dat alleen kenmerkend is voor de zorg maar dat de hele Nederlandse overheid leidt aan een gebrek aan een efficiënte, aan de tijd aangepaste governance. Dat is het probleem waar de verkiezingen over zouden horen te gaan, maar geen van de partijen heeft het in haar programma opgenomen.

Oud-burgemeester Cohen vertelde vandaag in Buitenhof trots dat zijn partij meer geld uittrok voor, ik ben vergeten wat, maar geld uitgeven als bewijs dat je het goed voor hebt met een behoefte van de mensen, dat is de politiek van de vorige eeuw. Partijen zijn  er om het roer om te gooien als er problemen zijn in de samenleving die met de oude organisatie van de overheid niet zijn op te lossen . Dat doen ze geen van allen en het verklaart het succes van ‘tegenpartijen” als die van Jacobse en Van Es of van Wilders. Die weerzin waar Wilders aan appelleert zal niet verdwijnen doordat de politici van andere partijen hem boycotten, integendeel. Het is niet Wilders waar we vanaf moeten want de kans is  te groot dat we er iets anders en ergers voor in de plaats krijgen. We moeten af van politici als Cohen, die menen dat met pappen en nathouden te regeren valt en dat de problemen zich dan zelf wel zullen oplossen.

 

13:28 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

De aanstaande nederlaag van de PvdA

De vorige grote nederlaag van de PvdA kwam niet uit de lucht vallen. De Partij beschouwt zich zelf als de vormgever van de Nederlandse overheid en doet dat terecht. Wie vindt dat de overheid het heeft laten afweten wijst met zijn vinger naar de PvdA en in mindere mate ook naar de andere progressieve partijen.

Een paar jaar geleden, op 8/5/06, stond er een artikel in het NRC over het functioneren van de Hoge Raad. U kunt het misschien nog vinden op het internet. Van de elf leden van de strafkamer van de Raad bleken er negen lid van een progressieve politieke partij te zijn, vooral van de PvdA. De twee anderen raadsleden waren sociale christendemocraten. AR noemden ze zich zelf nadrukkelijk en niet CDA. De benoemingen bij de rechterlijke macht zijn overwegend een zaak van coöptatie maar topambtenaren zijn politieke benoemingen. Niettemin is een groot deel van hen links, zij het minder extreem dan bij de Hoge Raad. De brede laag ambtenaren daar vlak onder is weer net zo links als de Hoge Raad en dat geld ook voor de andere hoge justitiële colleges, de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, de hoogleraren aan de Nederlandse universiteiten, de leraren van de middelbare scholen, de  journalisten van de meeste landelijke dagbladen, de publieke omroepen e.t.q. .Onderscheid tussen politiek en bestuur speelt bij de PvdA geen rol want het bestuur is haar verlengde.

Wanneer Wilders vaststelt dat de Nederlandse elite links is, dan heeft hij dus gelijk en ook als hij constateert dat die elite er de laatste jaren weinig  van gebakken heeft. Jos de Beus meent dat de establishment partijen hebben nagelaten om een duidelijk antwoord te geven op de verwijten van Wilders en zijn aanhang. Hij impliceert daarmee eigenlijk dat ze zo’n antwoord wel hebben. Dat is denk ik niet zo; individueel lopen er daar best goede mensen rond met  ideeën, maar als organisatie is de PvdA en is progressief Nederland niet in staat antwoord te geven op de problemen die nu spelen en die op ons af komen. Daarvoor zitten ze te zeer vast in een ideologisch verleden, dat de basis vormt voor hun organisaties. Wie bij een partij al te zeer uit de pas loopt met het daar berstaande erfgoed blijft niet verkiesbaar.

Neem Jet Bussemaker. Dat is zeker een talentvolle vrouw. Toen zij nog geen jaar geleden (7/6/09) door Clairy Polak werd ondervraagd hoe zij voor de 2.8 mio 75 plussers ging zorgen die we over tien jaar zullen hebben, moest ze het antwoord schuldig blijven. Ze bleek er  wel  een paar  ideeën over te hebben en ook wel in te zien op welke plekken de wetmatigheden van de welvaarstaat de zorg uit de rails  hadden laten lopen. Maar een duidelijk plan hoe het anders zou moeten, welke maatregelen politiek haalbaar zijn en hoe de kosten kunnen worden beheerst had zij niet.  Terecht wees Polak er op dat de lagere overheden op eigen houtje aan het uitvoeren zijn zonder dat er voldoende mogelijkheden tot correctie voorhanden zijn. Bussemaker had er geen antwoord op.

Tien jaar geleden was het sleutelwoord voor de problemen in de overheidsorganisatie verkokering. Iedereen was te veel bezig met zijn eigen ding. Coördinatie en duidelijke lijnen ontbraken. Tegenwoordig hoort men meer over een tekort aan contact tussen overheid en de diverse doelgroepen. Beide zijn aspecten van een algemene desorganisatie, niet alleen van de zorg maar van de hele overheid.

Die overheid is ooit opgezet voor de problemen van de vroege negentiende eeuw en is sindsdien doorgegroeid in dat oude stramien. Nooit is het oorspronkelijke systeem op essentiële punten vernieuwd . Men zou daarom kunnen zeggen dat dit allemaal niet aan de PvdA ligt. De ouderdom van de overheid  komt met gebreken, ongeacht welke partij er zijn stempel op drukt, maar dat is  maar de halve waarheid. Het is wel degelijk het progressieve deel van Nederland dat de overheid ongebreideld heeft laten doorgroeien. Rechts,zou men kunnen zeggen, staat voor een goede overheid, het linkse deel van het land staat voor een grote overheid. Een goede overheid doet wat nodig is om het overleven van de samenleving mogelijk te maken en stelt daarbij prioriteiten. Rechts wil de controle over de overheid stevig in politieke handen houden. Links streeft met behulp van de overheid naar een samenleving die zij ideaal vindt en neemt  mislukte goede bedoelingen en gebrek aan controle daarbij op de koop toe.

Dat het overzicht op de werkzaamheden van de overheid is komen te ontbreken is het gevolg van haar ongeremde groei.  De overheid is een rijdende trein. Die kan men niet stilzetten voor een grondige revisie. Reviseren  hoort al rijdende te gebeuren en daarin schuilen beperkingen. Wat in elk geval hoort te gebeuren is dat men van onder naar boven de organisatie zo transparant maakt, dat er weer overzicht komt over wat er gebeurt. Het lijkt simpel fatsoen om iedere organisatie die werkt met publiek geld verantwoordelijk te maken tegenover het echelon daar direct boven. Het lijkt simpel om het bestaande financiële systeem van de overheid te vervangen door een dat zijn waarde in het bedrijfsleven heeft bewezen of desnoods door een goed werkend buitenlands systeem voor overheden. Het is geen wet van Meden en Perzen dat iedereen negeert dat er overal binnen de overheid op grote schaal wordt verschreven, zodat alleen al om die reden er eigenlijk niets behoorlijk controleerbaar is. Er is binnen de beperkingen van de rijdende trein nog genoeg te doen om het land beter bestuurbaar te maken, maar het gaat niet samen met de ideologische preoccupaties van de Partij van de Arbeid.

Zou Wilders het beter kunnen? De Beus weet wel zeker van niet, omdat Wilders tot nu toe niet met alternatieven is gekomen, maar de man is een gewiekste politicus en daarom wel wijzer. Hij hoeft ook niet. Partijen die wel een programma hebben houden zich er evenmin  aan. De essentie van een  democratische staatsinrichting is dat een regering die de bevolking niet bevalt naar huis kan worden gestuurd. Als Wilders beschikt over een meerderheid dan mag hij aan de bak en dan zien we wel. Lukt het hem niet om verbeteringen aan te brengen dan wordt hij op zijn beurt naar huis gestuurd. Zolang hij toch geen meerderheid kan bereiken heeft hij politiek gelijk dat hij de PvdA laat spartelen en zich concentreert op wat de bevolking het meeste dwars zit, de manier waarop de Nederlandse overheid met de problemen van integratie en immigratie omgaat.

De Beus weet wel dat een oplossing voor de problemen die Wilders aan de orde stelt zal stuiten op verdragen, wetten en praktische bezwaren en dat er zonder samenwerking met serieuze gelijkgezinden in het buitenland  niet veel te doen is. Maar andere Europese landen hebben hetzelfde probleem en dezelfde bezwaren tegen de manier waarop de overheden die aanpakken. Wilders plannen impliceren inderdaad tamelijk revolutionaire wijzigingen en die komen er niet van de ene dag op de andere. Gelukkig maar, want men zal er wel op moeten toezien dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid. Maar nog veel langer doorgaan zoals nu is geen optie. De welvaartstaat en open grenzen gaan niet samen.. Niet alleen de kleine zelfstandigen en de laagstbetaalden die hun zekerheden zien verdampen steunen de oppositie nu maar ook een zesde van de kiezers die wel altijd naar de stembus gingen. Dat betekent dat de steun voor progressief  ook in het bovenste segment van de samenleving aan het afbrokkelen is.

10:30 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

De ontevredenheid van het volk met zijn overheid

 

Hans Boutellier van het Verwey Jonker Instituut schreef een artikel in de Volkkrant dit weekend over de in zijn ogen onbegrijpelijke ontevredenheid met onze overheid. Hij weet die aan allerhand sociologische factoren, maar niet aan het functioneren van de overheid zelf. Het was een veelgehoorde klacht uit dezelfde hoek, na het massale nee tegen de Europese grondwet in 2005,  dat er in Nederland een omgekeerde democratie zou zijn ontstaan. Het is niet de elite die nog langer leiding geeft aan de bevolking maar de bevolking die de toon zet en een elite die volgt. Dat was wat men hoorde toen. Men zag dat als een vorm van directe democratie die na Fortuijn de representatieve democratie leek te vervangen. Die beïnvloeding van de elite door het volk blijkt dan bij politieke calamiteiten, zoals de moorden op Fortuijn en Van Gogh en bij de uitslag van het grondwetreferendum, was de meninig.

 

Anderen vinden die hele idee van een omgekeerde democratie niet erg zinnig. De bevolking kan helemaal geen leiding geven al zou ze het willen. Maar protesteren tegen een onbekwame vorm van bestuur, dat is wel degelijk haar democratisch recht.

De Leidse historicus de Rooy betoogde dit  in een artikel in de NRC na het referendum. Het volk wil niet besturen, meende hij. Het wil alleen goed bestuurd worden. Met een verwijzing naar het verleden, toen in Nederland ook al eens een grondwet bij referendum werd verworpen, suggereerde hij dat we in zo’n afwijzing misschien  te maken  hebben met een blessing in disguise, het zou allemaal nog best eens goed af kunnen lopen.

 

De Rooy had naar mijn mening op beide punten gelijk. Het wantrouwen tegen de overheid dat nu al een paar maal zo massaal tot uiting kwam is een gevolg van het gevoel dat in Nederland overheerst, dat we sinds de zestiger jaren slecht worden bestuurd en dat ook Brussel er niet in slaagt de Europese problemen op een efficiënte manier op te lossen. Het lijkt me verder ook juist, wat hij zei, dat de Europese grondwet niet alleen nog langer is dan de Nederlandse uit 1797 maar ook tenminste even slecht.  Van Doorn, die toen nog leefde, suggereerde in Trouw in 2005 dat vooral de ja-stemmers de inhoud van de grondwet zwaar zouden hebben laten wegen. Dat was een gotspe. Als dat waar zou zijn, dat wegen,  dan kunnen we alleen maar concluderen dat onze hogeropgeleiden het stuk slecht gelezen of slecht begrepen hebben.

Het enthousiasme dat de Nederlandse elite in meerderheid toonde over het tweede deel bijvoorbeeld, het deel met de grondrechten, was totaal misplaatst. Niemand schiet iets op met nog een verdrag erbij over de grondrechten, naast de verdragen die we al hebben. We hebben het Europese verdrag voor de rechten van de mens met zijn eigen mensenrechtenhof in Straatsburg en we hebben het UN grondrechtenverdrag, met zijn uitlopers naar de rechten voor de vrouw en de rechten voor het kind. Het kan een juridische ramp worden als die al rechten door het Hof in Luxemburg gehandhaafd  gaan worden in concurrentie met het Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. Zoals het Luxemburgse Hof aan de vrijheid van het verkeer van kapitaal, goederen en personen een onverwachte en uitgebreide betekenis heeft gegeven in zijn jurisprudentie, zal het dit nu ook met de mensenrechten kunnen gaan doen

 

Al die mensen, die in 2005 zo tevreden waren over de gele kaart die Nederland kon uitdelen als het subsidiariteitsbeginsel zou worden aangetast, hebben geen oog voor de mogelijkheid dat het Nederlandse beleid op terreinen als euthanasie, homohuwelijk, abortus en drugsgebruik door datzelfde Hof EG nu kunnen worden opzij gezet omdat zij in strijd komen met de mensenrechten. Misschien dat dit op zich  niet zo erg zou zijn, want Nederland holt wel erg door op deze punten. Maar ik denk toch dat de dezelfde mensen die in 2005 zo tevreden waren dan het hardste zullen protesteren.

 

Een verdrag dat door niemand in zijn geheel gelezen en in zijn consequenties begrepen wordt is een bron van onverwachte ontwikkelingen. Vooral wanneer dat verdrag in hoogste instantie wordt uitgelegd door een Gerechtshof dat zijn eigen competentie afgrenst. Het argument dat veel ervan al in eerdere verdragen stond is niet  sluitend. De context is nieuw en dat maakt ook de betekenis nieuw. De noodzaak om een onwerkzame Brusselse machine aan te passen aan overhaast tot stand gekomen uitbreidingen is geen excuus voor broddelwerk. Het is onjuist en gevaarlijk om de daarbij gemaakte fouten te laten corrigeren door een rechter die daar iedere politieke  legitimiteit voor mist.

 

Met de kleine reparaties die in Lissabon zijn aangebracht in de eerder verworpen grondwet menen de Brusselse Eurocraten nu een reële basis te hebben gevonden voor de samenwerking tussen 27 Europese staten, maar het is evident dat dit niet het geval is. Een nieuwe algemene bestuurslaag plaatsen boven een aantal oude en slecht functionerende nationale bureaucratieën is geen oplossing van de bestaande problemen, het creëert er eerder een bij. De grondwetcommissie had er beter aan gedaan om niet voort te bouwen op de gebrekkige organisatie die nu in Brussel bestaat. Wat ze had horen te doen is heel iets anders.

 

Ze had om te beginnen een behoorlijke analyse moeten maken van de problemen in dit werelddeel. Dan hadden Giscard c.s. vast moeten stellen welke daarvan de hoogste prioriteit hebben. Hun taak was het geweest om voor die problemen een oplossing te bedenken en die oplossingen te institutionaliseren. De instituten moeten voortvloeien uit de probleemstelling en niet andersom. Zolang de Brusselse instellingen worden ingericht op grond van historische modellen, zonder dat iemand zich schijnt af te vragen waar die in een moderne wereld nog voor dienen, wordt er niets opgelost. Dan worden de instituten zelf tot een probleem. Dat is wat er in Europa is gebeurd. Vergelijk de tijd die de laatste jaren besteed is aan de verruiming van de  bevoegdheden van het Europese Parlement met de tijd die besteed is aan het tot stand brengen van een goede Europese infrastructuur. Een juridische, een financiële en een data infrastructuur is wezenlijk voor het goed functioneren van de markt en daarmee voor de welvaart. Het Parlement is dat niet.

 

Het is onwezenlijk dat binnen de Europese instellingen niet één taal, het Engels of het Duits, de werktaal is, alleen omdat Frankrijk geen afstand wil doen van haar achttiende-eeuwse positie van grote mogendheid. Het  Europese Parlement is in de praktijk irrelevant gebleken voor de controle van het Hof EG en van de Raad van Ministers. Dat zijn de twee enige Europese organen die er toe doen. Controle op de uitvoerende macht is de historische functie van een parlement, maar zolang die macht bij de lidstaten ligt en bij de rechter maar niet in Brussel bij de Commissie, functioneert het Europees Parlement in een luchtledig.

De Europese Rekenkamer heeft in al de jaren van haar bestaan nog nooit een goedkeurende verklaring kunnen geven aan de Europese jaarrekening. Hoe relevant is zo’n Rekenkamer, denk je dan.

 

Het komt niet alleen door hun Europese ergernis dat mensen in 2005 zo massaal nee hebben gestemd. Het was zeker ook een uiting van nationaal onbehagen, zowel in Nederland als in Frankrijk. Omdat de Nederlandse bestuurlijke elite zo uitgesproken voor een ja was gaf zij het volk de gelegenheid om met een nee zijn mening over de eigen overheid tot uiting te brengen. Dat was zeker nuttig, want bij reguliere verkiezingen kan men alleen maar kiezen tussen varianten op hetzelfde thema. Een nee tegen het functioneren van de overheid kan daarbij alleen worden getoond door thuis te blijven of blanco te stemmen.

Geen van de schrijvers die op het gebeuren commentaar hadden, ook De Rooy niet, gaf  aan waar het Nederlandse establishment  gefaald heeft, maar een lijst van mislukkingen is eigenlijk helemaal niet zo moeilijk te maken. Ik volsta hier met twee voorbeelden, de zorg en het onderwijs.

 

Een paar jaar geleden hadden we de zoveelste wijziging in de zorgwetgeving, opnieuw ingegeven door de uit de hand lopende kosten. Intussen weten we dat het nieuwe systeem niet werkt, n’en déplaise minister Klink, die van de Amerikanen zou hebben gehoord dat ze het Nederlandse systeem zo goed vinden. Het heeft opnieuw tot kostenoverschrijdingen geleid. Die overschrijdingen zijn een gevolg van een fout van de minister maar ze worden  op de medisch specialisten verhaald. Ze worden ook op die specialisten verhaald die als gevolg van de systeemwijziging  juist minder hebben gekregen in plaats van meer. Behalve de specialisten zelf lijkt niemand zich daar over op te winden, maar het is niettemin een schande. De minister lijkt dit nu op te lossen door de verantwoordelijkheid voor de betaling van specialisten over te hevelen van de verzekeraars naar de ziekenhuizen. Het lijkt wel een spel zwarte pieten en het is voorspelbaar dat ook dit weer geen succes gaat worden. De zorg gaat niet minder kosten omdat iemand anders nu de portemonnee beheert.

 

Terecht zijn ook de huisartsen in opstand gekomen tegen de ingreep van de overheid op hun medische vrijheid van handelen.

Het beste zou zijn als de medici met zijn allen de overheid duidelijk zouden kunnen  maken waarom op basis van het huidige systeem de zorg geen toekomst heeft. Er is geen natuurlijke grens aan de kosten van een zorg die voor iedereen op gelijke wijze toegankelijk is. Zo’n systeem vraagt om een vorm van distributie en dus om wachtlijsten of om weigering van medisch noodzakelijke verstrekkingen en verrichtingen. Het vraagt vooral ook om een eindeloze bureaucratie.

Het bizarre van dit alles is, dat met de indrukwekkende hoeveelheid geld die in de Nederlandse zorg wordt uitgegeven een voortreffelijke zorg mogelijk zou moeten zijn. Aan de bekwaamheid van het medisch personeel ligt het niet . Of nog niet, want vooral in de verpleging neemt de ervaring en competentie hand over hand af.

De voormalige fractievoorzitter van de SP, Agnes Kant, die deskundig is op het terrein van de zorg, zei dat het daar ontbrak aan voldoende ervaren en goed opgeleid personeel. Dat is zeker een juiste waarneming, maar waar zijn die ervaren krachten gebleven die we vroeger wel hadden? Mark Rutte, fractieleider van de VVD, wist het antwoord. Zijn zus en veel anderen met haar hebben genoeg van de drie lagen management die boven haar werden geplaatst en die betaald worden uit fondsen waar ook haar salaris uit moest komen. Ze had een hekel aan alle vergaderingen en het invullen van formulieren, waar de helft van haar tijd mee heen ging, terwijl om haar heen op haar collega’s werd bezuinigd en niet op managers. Ze moest harder werken voor minder geld en in steeds minder aantrekkelijke omstandigheden. Zij en al die anderen vertrokken liever naar andere banen met minder stress die beter werden betaald of zij concentreerden zich op hun kinderen en hun huishouding. Individueel weten de Kamerleden best wat er mis is in de overheidslichamen, maar collectief staan zij blijkbaar machteloos. Met alle ideologische bezwaren die ons establishment tegen de gezondheidszorg van vroeger heeft, moeten we toch constateren dat het toen en daar allemaal wel beter werkte.

Wat de reden is dat Nederland een eigen slechter en duurder zorgsysteem moet hebben dan elders in de wereld terwijl de overheid en de advieslichamen doen alsof het hier beter is dan in het buitenland, dat  kan niet worden uitgelegd. De reden is ideologisch, logisch is zij in elk geval niet. Maar ik beloofde U nog een ander voorbeeld.

 

Het onderwijs is in een complete staat van desorganisatie. Iedereen erkent het maar een duidelijk plan tot verbetering is er niet. In de zorg en bijvoorbeeld ook in het justitionele apparaat is er voldoende geld beschikbaar, maar moet men twijfelen of het aan de zaken wordt uitgegeven die de hoogste prioriteit hebben. Het onderwijs komt daarnaast geld te kort. Toch is het ook daar in de eerste plaats een kwestie van een verkeerde organisatie. Worden er onderzoeken gedaan door organisatiedeskunigen van buiten het onderwijs, dan is dat altijd het hoofdpunt in hun commentaar.

Met een verbeterde organisatie,waarvoor het model niet zo moeilijk zou moeten zijn, want we hebben het vroeger gehad, staat de zorg in een paar jaar weer op de rails. Maar het onderwijs is nu voor een volledige generatie verknoeid. De leerkrachten zijn onvoldoende opgeleid en gedemoraliseerd. De door de scholen zelf afgenomen examens zijn onbetrouwbaar als indicatie voor het kennisniveau van de leerlingen. Er heerst geen discipline en de  aangeboden leerstof blijkt voor veel van de leerlingen oninteressant. Absenteïsme en geweld zijn normale verschijnselen geworden en omdat de scholen daar zoveel mogelijk hun mond over houden is het allemaal nog veel erger dan het lijkt.

De weg waarlangs op termijn het onderwijs verbeterd kan worden is wel te zien:

 

  1. voer een staatsexamen in voor leraren en stel daaraan hoge eisen, aangepast per schooltype;  Voorzie in de nieuwe verbeterde lerarenopleidingen, die door het examenniveau noodzakelijk zijn geworden. Pas de honoreringen aan aan de nieuw gestelde  hogere eisen.
  2. Pas de leerplichtwet aan, zodat het verwijderen van leerlingen die het onderwijs aan anderen bemoeilijken praktisch mogelijk wordt. Zorg dat dit voor de betrokken scholen geen financiële consequenties heeft. Zorg voor een opvang van delinquente leerlingen. Berust er in dat het beter is goed onderwijs te hebben voor zeventig procent van de bevolking dan slecht onderwijs voor iedereen. Neem dat risico, maar wees niet verbaasd als ook het onderwijs voor de onwillige of onvoldoende begaafde leerlingen blijkt te verbeteren
  3. Schaf het ministerie van onderwijs af en vervang dit door een ZBO met uitgebreide bevoegdheden en een duidelijke opdracht. Schaf alle adviesraden af en breng hun functie onder in het ZBO
  4. Beperk de omvang van scholen en klassen zodat met één managementlaag per school kan worden volstaan. Schaf het onbegrijpelijke locatiesysteem af en concentreer al het management en de administratie die niet door de individuele scholen kan worden geleverd  in het ZBO.
  5. Start met de nieuwe leraren nieuwe scholen en schaf de oude scholen af naarmate er nieuwe ter beschikking komen. Maak een lijst van de slechtst presterende scholen en schaf ze af in de volgorde van disfuntioneren. In enige decennia zal het onderwijsprobleem dan zijn opgelost.

 

De bevolking houdt het landsbestuur verantwoordelijk voor de teloorgang van het onderwijs en de desorganisatie op andere terreinen en zij doet dat terecht.

Het utopisme dat ruim veertig jaar lang hoogtij heeft gevierd in onze samenleving heeft de blik op de werkelijkheid verduisterd en de aandacht afgeleid van de problemen die nu in tal en omvang toenemen. Nu is de wal bezig het schip te keren en ook dat is een blessing in disguise.

 

10:13 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

29 mei

Cohen over amerika

De chaos die in New Orleans ontstond na de orkaan Katrina was een gevolg van het disfunctioneren van de overheidsdiensten. Het disfunctioneren van de overheid van de staat Louisiana, maar vooral de plaatselijke overheid in de stad zelf. Met name door de totale afwezigheid van bestuurlijke capaciteit in de stad, was hulp van buiten nauwelijks te organiseren en kwamen de hulpdiensten van de federale overheid en van de staat Louisana in een soort luchtledig terecht. Kan men daaruit nu concluderen, zoals e.t. Burgemeester Cohen dat deed[i], dat er in de VS onvoldoende overheid is of dat die in elk geval onvoldoende gefinancierd wordt om haar functie te vervullen? Nee, dat kan men niet.. Zou men in een willekeurige stad in negen van de tien staten van de VS een vergelijkbare ramp hebben gehad als Katrina, dan zou de hulpverlening meteen op gang gekomen zijn en effectief zijn gebleken, zoals de Amerikaanse hulp bij rampen in heel de wereld effectief blijkt te zijn zolang er meer geen incompetente of Amerika vijandige overheid is die dat verhindert. In Louisiana is net als in Washington DC en in de zwarte getto’s in alle noordelijke stanten van de VS een subcultuur aan de macht waarin het aan competentie ontbreekt. Dat is ook zo in onze voormalige kolonie Suriname en in bijna alle staten van West Afrika beneden de Sahara.

 

[i] In Opinio 28 maart 2008

17:23 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

De bouwenquête

 

De Bouwenquête van 2002 is geëindigd in een verslag waar wel het een en ander op is aan te merken.

In de eerste plaats werd een forse portie schuld bij minister Korthals neergelegd die zich prompt gedwongen zag af te treden. Wie de enquête gevolgd heeft weet dat Korthals alleen betrokken is geweest bij de Schiphol affaire en daar toen terecht heeft besloten dat van vervolging van de betrokken bouwers geen sprake meer kon zijn, toen de Haarlemse officier eenmaal een schikking had aangeboden. Dat hij op een bepaald punt de kamer verkeerd heeft voorgelicht is overigens juist, maar uit de context bleek dat hij hierbij waarschijnlijk te goeder trouw was en dat een terloopse opmerking van de PG hem door het hoofd geschoten moet zijn. De nadruk die nu op het verkeerd voorlichten van de kamer komt te liggen trekt de zaken behoorlijk uit hun verband.

 

De hele Schiphol affaire berust op een hype, veroorzaakt door ex-kamerlid Van Gijzel van de PvdA, de latere burgemeester van Eindhoven. Gefeliciteerd daarmee Eindhoven! Hij deed dat al eens eerder in de Bijlmeraffaire, een hype veroorzaken, en ook hier heeft hij een jaarlang het goedgelovige publiek en de enquêtecommissie weten te overtuigen dat er een schandaal was, zonder dat daar eigenlijk ooit een reden voor gevonden is.

 

De Schipholtunnel was door een bouwcombinatie aangenomen voor een vast bedrag. Natuurlijk was er meer en minderwerk, zoals dat bij bouwwerken altijd het geval is, maar in principe werd het project gebouwd voor het bedrag waar het voor afgesproken was. De NS beschikt over een dochter die zich uitsluitend met onroerend goed bezig houdt en is groot aandeelhoudster in Structon, een van de leden van de bouwcombinatie. Deskundigheid genoeg dus. Het probleem zat hem in het feit dat de combinatie te veel winst maakte. Dat het project met andere woorden voor een te hoog bedrag was aangenomen of dat de bouwers tijdens de bouw onverwachte efficiencywinsten wisten te boeken. De overheid had dus niet goed onderhandeld of er is extreem goed gebouwd. In het laatste geval heeft de overheid niet te klagen, in het eerste dient ze naar zich zelf te kijken.

Het fraude element in de affaire, waarover zoveel te doen is geweest, bestond niet uit het sturen van valse facturen naar de overheid of de NS, maar had betrekking op een interne verschuiving van de winst van de combinatie naar de winsten van de moedermaatschappijen. Dat gebeurde door het sturen van rekeningen voor niet geleverde diensten van het ene deel van het concern naar het andere en daar werd de overheid dus niet door benadeeld. Daar had eventueel de fiscus mee kunnen worden benadeeld als de combinatie winst maakte en de moedermaatschappijen verlies, maar daar was voor zover ik weet geen sprake van. Verder was het een kwestie van de presentatie van de winsten van de moeders en voor zover dat beursfondsen waren lag hier misschien een taak voor beursautoriteiten. Maar dat was eigenlijk alles. Dit was dus een klassiek voorbeeld van een misdrijf zonder slachtoffer, maar zoals bekend, daar is het niet bij gebleven. Er was een klokkenluider en er kwam een rapport van KPMG. Het ministerie van mevrouw Netelenbos, dat de bouw had gesubsidieerd, zag in het rapport een mogelijkheid om een deel van de door haar aan Schiphol verleende subsidie terug te krijgen. Het Openbaar Ministerie stelde vervolging in. Dat kon ondanks dat de overheid niet benadeeld was, want geleden nadeel is geen element in de strafrechtelijke delictsomschrijving. De officier stelde als voorwaarde om af te zien van de vervolging dat een bedrag aan mevrouw Netelenbos zou worden betaald. Dat bedrag was vele malen hoger dan ooit door een rechter als boete had kunnen worden opgelegd. Die voorwaarde kon worden gesteld en die ongerechtvaardigde boete werd betaald, omdat de bouwmaatschappijen te horen hadden gekregen dat ze anders voortaan van overheidsopdrachten zouden worden uitgesloten. In het wetboek van strafrecht staat een dergelijk gedrag van mevrouw Netelenbos omschreven als knevelarij, een van de ambtelijke misdrijven waar gevangenisstraf op staat, maar waarvoor sinds mensenheugenis geen overheidsdienaar meer is vervolgd. Over dit element van de bouwfraude vindt U niets terug in de enquête, hoewel er in het NRC Handelsblad over is gepubliceerd en het Mevrouw Vos van de enquêtecommissie dus niet ontgaan kan zijn. Tot zover de Schipholaffaire, maar ook de rest van het rapport was niet indrukwekkend

 

Een onderdeel van het rapport en van het eraan ten grondslag liggende onderzoek, dat wel heel mager is uitgevallen, is de corruptie van de ambtenaren. Het is evident dat bij Verkeer en Waterstaat en ook bij de provincies en grote gemeenten, waar de grote bouwopdrachten  worden vergeven, veel deskundigheid zit. Zoals uit de verhoren bleek wisten de ambtenaren – dit in tegenstelling tot de politici – precies wat er gebeurde in de bouwwereld. Als de commissie gelijk heeft met haar overigens niet concludente redenering dat er door toepassing van de beschreven fraudemethoden gemiddeld meer dan 8% extra winst gemaakt werd op de door haar onderzochte projecten, dan is het zeker dat de ambtenaren daar in de meeste gevallen vanaf geweten hebben. Wat kan de reden zijn geweest dat zij de overheid en belastingbetaler hebben laten benadelen waar zij bijstonden? Gebeurde dat echt alleen maar met als tegenprestatie zo nu en dan een snoepreisje? Zijn al die verhalen van  ondernemers dat zij door ambtenaren gedwongen worden steekpenningen te betalen of diensten te verrichten buiten de sfeer van de opdracht nu echt uit de lucht gegrepen of heeft de commissie nagelaten er onderzoek naar te doen? Of zou het kunnen zijn dat de commissie gemeend heeft dat zij alleen kon rapporteren over wat strafrechtelijk bewezen kon worden? Ook als in het openbaar uitgesproken zou zijn dat een zeker percentage van de ambtenaren corrupt moet zijn ondanks dat een bewijs in individuele gevallen niet rond te krijgen is, zou daar de Nederlandse samenleving een grote dienst mee bewezen zijn. Door te volstaan met op te merken dat grootschalige corruptie niet in individuele gevallen bewezen kon worden heeft de commissie ten onrechte de suggestie gewekt dat het allemaal wel goed zit met de Nederlands ambtenaren.

 

Toen eind vorige eeuw een grote keten van fraudes bij het GVB in Amsterdam werd opgerold bleek dat de fraude zo endemisch was dat men niet eens al de betrokken ambtenaren kon ontslaan, omdat dan de dienst niet langer draaiende kon worden gehouden. De indruk van de advocaten die bij die zaak betrokken waren, was dat niet alleen bij het Vervoerbedrijf maar op veel meer plekken bij de Amsterdamse overheid de corruptie welig tierde en dat vaker wel dan niet het initiatief van de ambtenaren uitging en niet van de  bedrijven. Van de rijks- en provinciale waterstaat wordt hetzelfde gezegd en gezien de illegale sfeer die nu in de bouwwereld blijkt te bestaan is het prima facie niet onwaarschijnlijk dat dit vermoeden op waarheid berust. Vermoedens zijn niet voldoende voor een strafrechtelijke vervolging en terecht vermeldt het rapport dan ook niet dat er grootschalige corruptie is bewezen bij de ambtenaren, maar waarom is er zo weinig onderzoek naar gedaan? Als men aannemers amnestie zou hebben beloofd waren er ongetwijfeld meer zaken aan het licht gekomen. Voor de overheid was het maken van schoon schip in eigen huis nog een graadje belangrijker geweest dan het vangen van  een aantal grote vissen onder de aannemers. En met het vangen van grote vissen in de aannemerij is het per saldo ook wel meegevallen. Eigenlijk is die hele bouwfraude met een sisser afgelopen, behalve dan dat het de overheid veel geld heeft opgeleverd. Erg Hollands allemaal.

 

Nog even over de kwaliteit van het team van Mevrouw Vos waar de Kamer en de media achteraf zo lovend over waren:

 

Ik weet niet hoe het U ging, maar ik had vaak moeite mijn aandacht erbij te houden toen ik naar de verhoren in de bouwfraude enquête keek. De verhoren maakten op mij de indruk slecht te zijn voorbereid ; de parlementsleden leken niet helemaal op hun taak berekend. Het kostte de ondervraagden meestal weinig moeite zelf de lijn van het verhoor te bepalen en een duidelijk antwoord op de hun gestelde vragen te vermijden wanneer zij in beantwoording geen zin hadden.

Het ging de commissie, leek het, meer om punten te scoren bij publiek en media dan om de waarheid over fraude in de bouw en over corruptie bij ambtenaren bloot te leggen.

Mr. Kist, indertijd de voorzitter van het bestuur van de NMA en Mevrouw Jorritsma werden op dezelfde dag verhoord. Kist veegde de vloer aan met de commissie maar liet naar mijn smaak wat al te duidelijk merken korzelig te zijn over hun gebrek aan kennis van zaken. Meer in het bijzonder gebrek aan kennis van de werking van ambtelijke organisaties als de zijne.

 

Mevrouw Jorritsma was zenuwachtig en daar had ze alle reden voor. Maar ze hield zich verder kranig, al moet ik bekennen dat haar verhoor me niet blijvend kon boeien. Ik heb er tijdens mijn werk door zo nu en dan een paar minuten naar gekeken en vond dat genoeg. De sappige gedeelten, als die er al zijn geweest, over het bedrijf van haar man en haar reisjes met Koop heb ik daarom gemist en dat is misschien maar goed ook. We verwachtten van de commissie dat ze in het openbaar duidelijk maakt of er wel of niet corruptie op grote schaal voorkomt bij ambtenaren en of dat al dan niet  gepaard gaat met grootschalige fraude bij bouwbedrijven. De reisjes van Mevrouw Jorritsma kunnen daar niet echt toe bijdragen en over het bedrijf van haar man mag ze van mij haar mond houden. Tot dusver is er ook verder niets boven water gekomen wat we niet allang wisten en dat is toch wel jammer van al die moeite.

 

 

10:21 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

27 mei

staat en kerk

De scheiding van kerk en staat is iets anders dan de verbanning van de kerk uit het openbare leven. Een scheiding van kerk en staat wil niet anders zeggen dan dat die twee zich niet met elkaar bemoeien. Het is niet een variant op de vrijheid van godsdienst, al heeft het er in de verte wel mee te maken. De scheiding van kerk en staat gaat uit van een eerder bestaande situatie waarin er een staatskerk was en een staatskerk impliceert meestal het monopolie van de ene denominatie en een verbod of een beperkte vrijheid voor de andere. De scheiding van kerk en staat geeft in zo’n geval de andere godsdiensten automatisch grotere vrijheid, maar het blijft  theoretisch denkbaar dat daarnaast een verbod blijft bestaan voor een of meer godsdiensten. Er zijn godsdienstige sekten, zoals de scientology church en de mormonen, die veel  mensen graag uit de samenleving zouden willen weren. Wilders en zijn aanhang menen dat de islam een sekte is die in deze categorie thuis hoort, maar de meeste mensen zijn van mening dat het geloof van anderhalf miljard wereldburgers niet meer als een sekte kan worden aangemerkt. Veel mensen vinden bovendien dat ook sekten op godsdienstvrijheid aanspraak kunnen maken.

 

De staat valt niet samen met de samenleving. De Staat der Nederlanden is de juridische vormgeving van de Nederlandse overheid en die overheid heeft in de samenleving maar een beperkte taak. De kerk heeft, in de ogen van de gelovigen tenminste, een andere en wellicht meer omvattende  taak in dezelfde samenleving. Alleen daarom al zou de overheid geen recht moeten hebben de kerk de wet voor te schrijven.

De kerk zelf  valt niet samen met het geloof. Een kerk kan vanuit een godsdienstig oogpunt zelfs een gevaar zijn voor de religie waar zij uit voortkomt wanneer zij zich tussen God en de gelovigen plaatst en de uitleg van het Woord monopoliseert. Het is denkbaar dat een kerkelijke organisatie verboden wordt juist om de godsdienstvrijheid van de gelovigen te garanderen, zij het dat de overheid om te kunnen onderkennen dat zo’n ingrijpen nodig zou zijn, zich intensief met kerk en religie zou moeten inlaten, wat uit het standpunt van de scheiding van kerk en staat weer niet goed denkbaar is.

 

Tussen kerk en religie bestaat een soortgelijk onderscheid als tussen staat en samenleving. De kerk hoort het geloof te dienen en er niet over te heersen.

Mohammed bijvoorbeeld heeft zijn uiterste best gedaan om een kerkelijke organisatie, zoals hij die in het  Christendom had leren kennen, uit de Islam te weren. De kerk zag hij als de directe oorzaak van de verwording van de zuivere leer van de profeten. De Christelijke kerk vond hij de oorzaak van het bederf in de leer van Jezus van Nazareth. Geen mens, zei hij, dient zich te plaatsen tussen de Godheid en de ware gelovige die zich aan het Woord van de Allerhoogste heeft onderworpen. De grote verering van de moslim voor zijn Koran is vergelijkbaar met de joodse verering voor hun Thora en van de  orthodoxe protestanten voor de Bijbel. Die verering is te herleiden tot een gemeenschappelijke afkeer die profeten als Luther en Mohammed hadden voor priesters en schriftgeleerden, die in hun ogen het geloof ten eigen bate aangewend hadden.

 

Dat het Mohammed niet gelukt is om de imam, de sharia en de schriftgeleerden uit de islam te bannen is intussen wel duidelijk en ook dat hij gelijk had met zijn vrees dat zij in religieus opzicht de ondergang zouden beteken voor de islam. In plaats van een gezuiverd joods-christelijk geloof, waarin de gelovige in vrijheid leven kan, is de islam een geestelijke gevangenis geworden en is de islamitische orthodoxie verantwoordelijk voor de ondergang van wat eens de meest aantrekkelijke beschaving was  in ons deel van de wereld.

De herleving van de Grieks Romeinse beschaving in de eerste eeuwen van de Islam en de vruchtbare verbinding van die erfenis met de beschavingen van Perzië en India waren een direct gevolg van de veel grotere vrijheid die deze religie toestond dan de Byzantijnse orthodoxie of het primitieve Latijnse Christendom. De fossilisering van de Islam hield gelijke tred met de toenemende invloed van priesters (imams) en schriftgeleerden. De kalief heeft een tijdlang de cultuurdragers de hand boven het hoofd gehouden als zij in conflict kwamen met de geloofsfanatici. Maar na de ondergang van Bagdad en de versplintering van de Dar al Islam kregen de imams overal in de Islam de overhand.

 

Een scheiding van kerk en staat dient in de eerste plaats voor de bescherming van de gelovige. Het is noodzakelijk om het geweldsmonopolie van de staat uit handen te houden van de priesters en de schriftgeleerden, die door Jezus en Mohammed met enig recht als de belangrijkste vijanden van hun geloof werden gezien. Deze opvatting wordt op een fraaie manier verwoord in het verhaal van de Groot Inquisiteur in de Gebroeders Karamasov van Dostojevsky. De scheiding van kerk en staat dient niet in de laatste plaats om te voorkomen dat een van beide een te overheersende plaats in de samenleving kan innemen. We dienen daar bij stil te staan voor we het geloof opnieuw een overheersende positie toestaan in de publieke ruimte.

19:15 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Cohen en zijn opvattingen over staat en kerk

 

Ahmed Marcouch en Job Cohen, respectievelijk voormalig deelraadvoorzitter van Slotervaart en voormalig burgemeester van de Centrale Stad zijn beiden lid van de PvdA. Zij pleiten voor het geven van de ruimte aan de Islam in  het Amsterdamse ( en Nederlandse) openbare leven. Cohen deed dat acht jaar geleden al in zijn Cleveringalezing en later in een nota van B en W waarvan een uittreksel werd gepubliceerd in De Volkskrant van 28 /6/08. Men is nogal over Cohen en Marcouch heen gevallen. Of dat terecht is, zou nader  moeten worden bezien. Hun opvattingen zijn wel in strijd met het geldende staatsrecht maar daarom nog niet onverstandig en zo veel alternatieven lijken er niet te zijn voor het integratieprobleem dat ze proberen op te lossen. Hun gedachten lijken  in elk geval de moeite waard om er eens goed over na te denken.

 

Uitgangspunten Van Marcouch en Cohen zijn de volgende:

 

  1. geloof is voor immigranten een  houvast in een voor hen vreemde wereld
  2. het geloof geeft ethische normen en waarden die in een geseculariseerde samenleving lijken te verdwijnen of verdwenen zijn.
  3. alleen door het geloof van de immigrant te vernederlandsen kan voor hen een brug worden geslagen naar de Nederlandse samenleving.
  4. de overheid dient actief de vrijheid van godsdienst te bewaken.
  5. zij dient neutraal te staan tegenover alle godsdiensten en niet  van een voorkeur te laten blijken (gelijkheidsbeginsel).

 

Cohen gaat daarbij nog een stap verder. De overheid dient niet alleen neutraal te staan tegenover godsdiensten, zij dient de godsdiensten te faciliteren en wel zo dat ze allemaal een gelijk kans krijgen zich publiek te manifesteren. Omdat de Mohammedanen om te beginnen een achterstand hebben mag de overheid hun helpen een vorm van gelijkheid met de andere godsdiensten te bereiken. Dat betekent meer steun en het is een vorm van positieve discriminatie, een bevoordeling dus van de achtergestelde godsdienst, i.c. de islam. De discussie daarover kan vlug worden afgesloten: dat gaat een stap te ver, dat mag niet en een gemeente die het doet handelt onrechtmatig. De vrome fraude die de gemeente heeft gepleegd bij de verkoop van de grond aan Mili Görüs bij de bouw van de Westermoskee is een goed voorbeeld.

Het standpunt van Cohen en Marcouch lijkt overigens begrijpelijk voor wie integratie van moslimimmigranten voorstaat en voor wie tegelijkertijd een voorkeur heeft voor het hebben van normen en waarden boven de normloosheid die een deel van de Amsterdams jeugd nu lijkt te kenmerken. Er zitten aan de andere kant een paar tegenstrijdigheden in hun standpunt. Hoe men bijvoorbeeld neutraal kan staan tegenover een godsdienst die zelf onverdraagzaam is tegen anderen en wat de overheid zou kunnen doen om mensen te beschermen die de islam zouden willen verlaten, daarover wordt door beiden gezwegen. Wanneer er inderdaad een praktische oplossing zou zijn voor wat algemeen als het belangrijkste sociale probleem van deze tijd wordt gezien, dan kan het niettemin de moeite waard zijn om daar oude standpunten voor op te geven of om water bij de wijn te doen. Men dient zich wel goed te realiseren wat het niet alleen voor ons oude Nederlanders maar ook voor de moslims in Nederland zou betekenen.

 

Voor we op advies van de PvdA oude schoenen weggooien en nieuwe kopen heeft het zin om de nieuwe op kwaliteit te beproeven en na te gaan waarom de oude zo lekker hebben gezeten en  nu dan misschien niet meer. Eerst maar de oude schoenen.

 

West Europa had in de Middeleeuwen een algemeen aanvaarde godsdienst, het Latijnse Christendom, die door de kerkelijke en wereldlijke overheden zo nodig  met geweld tegen vreemde godsdiensten werd beschermd, maar vooral tegen interne schisma’s en ketterijen . Wat dat waren, schisma’s en ketterijen, dat werd door de overheden zelf bepaald. Ketters waren bijvoorbeeld de Katharen en Albigenzen. Een vreemde godsdienst hadden de Moslims  en de Joden. Later werden ook de aanhangers van vroege hervormers als Savonarola, Wycliff en Huss als ketters beschouwd.. Bevolkingsgroepen met afwijkende godsdiensten werden bloedig vervolgd. De islam[1], die oorspronkelijk als een schisma gold[2], werd binnen het bereik van het Latijnse Christendom alleen een tijdlang getolereerd op Sicilië, maar erg lang heeft dat niet[3] geduurd.

Wie als individu, zoals Galileo Galilei, een opinie had die strijdig was met de kerkelijke leer moest die in het openbaar  herroepen. Gevolg was dat nieuwe ideeën zelden een kans kregen en nieuwe godsdiensten al helemaal niet. Aan te nemen valt dat zonder het verval van reputatie van de kerk in de Renaissance en zonder al die tegenpausen die het gevolg waren van de ballingschap in Avignon, er nooit een hervorming zou zijn gekomen. Toen de hervorming er eenmaal was en daarnaast de oude godsdienst onder de naam van Katholicisme in stand bleef, kreeg men waar de autoriteiten altijd bang voor waren geweest: godsdienstoorlogen.

Godsdienstoorlogen zijn etnische conflicten van een extra virulente aard, omdat beide partijen menen de wil van God uit te voeren. Aan het einde van de Europese godsdienstoorlogen, bij de Vrede van Münster in 1648,  werd overeengekomen dat per land of regio de vorst maar uit moest maken wat de religie zou zijn. Europa werd daarna  een lappendeken van verschillende godsdienstige overtuigingen. Wie het in zijn eigen land niet uit kon houden, kon altijd wel ergens anders terecht. De afwezigheid van één enkele overheersende godsdienst opende de weg voor de Verlichting

 

Nederland was een bekende vrijhaven voor vervolgden elders in Europa en hier begon dan ook, met hulp van refugees van elders de Verlichting.  Godsdienstvrijheid voor iedereen is een verworvenheid van die Verlichting. Die vrijheid is een historisch toeval. Zonder Hervorming geen Verlichting en zonder Verlichting geen vrijheid van godsdienst. Dat we een moderne beschaving gekregen hebben is puur geluk geweest en aan de kerk en de godsdienst heeft het zeker niet gelegen.

 

Tot zover de oude schoenen. Die scheiding van kerk en staat is er dus niet voor niets. De geschiedenis laat zien dat waar kerk en staat elkaar de hand reiken en er geen daadwerkelijke scheiding bestaat de staat gebruikt wordt om een stationaire samenleving af te dwingen. Om vernieuwing van welke aard ook de kop in te drukken. De Europese godsdiensten waar de vrijheid van godsdienst voor is bedoeld hebben deze geschiedenis meegemaakt en hebben zich aangepast. Zij hebben zich op het bestaan van het gelden van andere waarheden dan de hunne ingesteld.

De islam is buiten die geschiedenis gebleven, haar ervaring is een heel andere. Eeuwenlang was zij ooit het briljante middelpunt van de Middeleeuwse cultuur  niet alleen in het Nabije Oosten maar ook in Noord Afrika en in Europa. Maar toen na de val van Bagdad de imams het in de Dar al Islam voor het zeggen kregen[4] en de vrijheid van meningsuiting er verdween, was het ook gedaan met de islam als levende beschaving. Na Ibn Chaldoen[5], die overleed aan het begin van de vijftiende eeuw, is de Arabische beschaving blijven stil staan. Uiterlijk en inhoudelijk is er weinig meer veranderd sinds het einde van de Middeleeuwen. Nog steeds komen er in een klein taalgebied als Nederland jaarlijks meer nieuwe boeken op de markt dan in de hele Arabische wereld. Islamitische Nobelprijs winnaars zijn er acht in totaal, waaronder begrepen de Nobelprijzen voor de vrede voor Yasser Arafat en Anwar el Sadat. Wetenschappelijke Nobelprijzen voor Moslims  zijn er precies twee, waarvan een voor een Pakistani en een voor een Egyptenaar, die beiden hun belangrijkste wetenschappelijke werk buiten hun vaderland hebben verricht. Wel een verschil met de periode tussen 800 en 1300 a.D. toen de Islam het briljante middelpunt  was van Kunsten en Wetenschappen.

 

De Islam en haar imams dwongen historisch gehoorzaamheid  af met geweld. Voor zover men kan nagaan en de publicaties erover kan geloven gebeurt dat nog steeds. Vertegenwoordigers van de Islam zeggen wel van niet en betogen dat geweld in strijd is met de voorschriften van Koran en Hadith, maar als geweld de enige manier is om het geloof te verdedigen tegen wat zij beschouwen als boze invloeden van buitenaf, dan wordt er voor gekozen als voor het minste kwaad. Dat gebeurt, naar Marcouch ook wel toegeeft, in Nederland en in andere Europese landen net zo goed als in het Midden Oosten. De overheid staat daar betrekkelijk machteloos tegenover, want zonder medewerking van de allochtone bevolking kan er niet effectief tegen worden opgetreden. Eerwraak en homo bashing zijn de bekendste voorbeelden van geweldgebruik, maar niet de enige. In geweldgebruik zit bovendien een vorm van reflexwerking. Weet men eenmaal dat geweld zo nodig gebruikt wordt dan is de dreiging meestal voldoende. De islamitische subcultuur wordt  voor een deel langs deze weg en dus met geweld gehandhaafd, zonder dat er veel gebeurt waar de overheid de hand op zou kunnen leggen.  Wanneer men zich zonder protest neerlegt bij een dreiging met geweld is de samenleving waarin men verkeert op geweld gebouwd. Dan kan niet gezegd worden dat er in vrijheid is gekozen voor het leven als moslim. Geweld en bedreiging met geweld voor een goede zaak vallen binnen het patroon van normen en waarden dat door het merendeel van de imams wordt gepropageerd of tenminste getolereerd. Van enige daadwerkelijk actie ertegen van de zijde van de officiële islam is hier en elders in de wereld geen sprake.

 

Dit alles wordt door Marcouch niet ontkend en Cohen zwijgt erover. Ze hopen waarschijnlijk beiden dat juist een Polderislam hier de wijziging in zal gaan brengen die op andere plaatsen in de wereld en eerder in de geschiedenis nooit tot stand is gebracht. Helemaal onmogelijk is dat niet en wenselijk is het zeker. We moeten ons bovendien goed realiseren wat het alternatief zou zijn. Willen we de kwalijke aspecten van de Islam uit onze samenleving bannen dan is de kans groot dat, nu ze eenmaal deel uitmaken van onze samnleving, we daar een deel van onze humanistische verworvenheden voor prijs zullen moeten geven. De keuze is dan om door de hond of door de kat te worden gebeten.

Misschien zijn de oude schoenen daadwerkelijk versleten en niet meer bruikbaar. Het is duidelijk dat Cohen er zo over denkt. Maar dat wil nog niet zeggen dat de nieuwe zullen passen. Daar zou de discussie over horen te gaan.

[1] Omgekeerd tolereerde de islam afwijkende godsdiensten wel, zolang er maar geen afgoderij aan te pas kwam. Dat tolereren moet men zich voorstellen als het toestaan van gemeenschappen met een zekere autonomie, maar strikt gescheiden van de Islam. Het maken van bekeerlingen en de overgang naar het Christendom of Jodendom was verboden. Daar stond de doodstraf op. Zo tolerant was het dus ook niet en vroeg of laat leidde het altijd tot etnische conflicten. De katholieke koningen van Spanje, die vrede wilden in hun land, hebben daarom islam en jodendom eruit verwijderd, zo vreedzaam mogelijk overigens.

[2] Mohammed kan in de hel van Dante worden aangetroffen onder de scheurmakers (schismatieken). Zie het 28e gezang.

[3] Van het vreedzaam samenleven van de verschillende godsdiensten in de Middeleeuwen op Sicilië en in Spanje wordt altijd hoog opgegeven, maar het liep op den duur altijd uit op moord en doodslag. De burgeroorlogen op de Balkan na het uiteenvallen van Joegoslavië moet daarom niet als iets bijzonders worden gezien. Zo ging het altijd, zolang er geen overheid was die dit soort etnische conflicten met geweld de kop in drukte.

[4] In plaats van de kalief die eeuwen lang kunsten en wetenschappen beschermd heeft tegen de geloofsfanaten.

[5] De laatste grote Arabische historicus en filosoof.

 

6 mei

Nederland moet op de schop

 

Thom de Graaf is als burgemeester van Nijmegen de opvolger van Guusje ter Horst. Vroeger was hij een weinig succesvolle partijleider van D66. Zijn artikel in de Volkskrant (23/3/10) over het politieke bestel zal misschien om die reden wel genegeerd zijn in Den Haag. Niet omdat het een verkeerd artikel was, want dat was het niet. Hij had gelijk dat het politieke bestel niet meer van deze tijd is, al leek hij weer geen gelijk te hebben toen hij suggereerde dat D66 daar een remedie voor in huis heeft.

Het  gaat lang niet alleen om het kiesstelsel dat niet deugen zou of om de televisiedemocratie waardoor de belangrijkste kwaliteit van Kamerleden hun affiniteit met de camera lijkt te zijn geworden. We hebben in Nederland en in een aantal andere Europese landen een overheid waarvan intussen de uiterste  gebruiksdatum is verstreken. Dat is het belangrijkste probleem. Aan het einde van de achttiende eeuw, toen in Frankrijk de revolutie uitbrak, was er iets dergelijks aan de hand. De samenleving was  grondig veranderd maar de overheid en de constitutie waren niet mee veranderd. Die functioneerde nog als twee eeuwen eerder. Dat zelfde gebeurt nu hier.Wat Nederland nodig zou hebben is een revolutie, maar dat heeft weer zo veel nadelen, daar begin je niet vrijwillig aan.

Ik zal proberen op de rij te zetten wat er allemaal veranderd zou moeten worden en ook een suggestie doen hoe dat zou kunnen. Of het idee politiek draagvlak zou hebben weet ik niet en daar ga ik ook niet over. Ik denk wel dat het beter zou werken dan wat we nu hebben. Als iemand zou vinden dat het lijkt op de ideeën van Pim Fortuijn dan zal ik dat niet ontkennen. Persoonlijk vond ik die ideeën zijn grootste verdienste al heeft hij er zich nooit erg druk over gemaakt hoe ze zouden kunnen worden uitgevoerd. Daar lag nog een hoop werk. Ik vind het in elk geval jammer dat daar na zijn dood helemaal niets meer mee gebeurd is. Maar nu eerst mijn ideeën:

  1. De democratie moet terug in het hok. Die hoort thuis daar waar  levensbelangen van de mensen in het spel zijn: in de landelijke politiek. Voor het overige hebben we allemaal meer baat bij efficiënt bestuur dan met inspraak op alle mogelijke niveaus. Die inspraak is schijn. Hij geeft mensen die daar  door niemand voor gemachtigd zijn een buitenproportionele invloed op de gang van zaken in de samenleving en vertraagt alle mogelijke processen zonder dat het een evenredig voordeel oplevert voor iedereen.
  2. Ook de invloed van de rechter op het bestuur veroorzaakt meer problemen dan zij oplost. Het bestuursrecht moet op de schop. De taak om alle belanghebbenden  bij overheidsbesluiten bijeen te brengen en hun belangen  in een vroeg stadium af te wegen moet terug naar de uitvoerende macht. Als er al rechterlijk ingrijpen nodig is dan aan het begin en niet aan het einde van een bestuurlijk proces. Zoals het nu gaat verroorzaakt het rechterlijke ingrijpen bij voortduring een onverantwoorde kapitaalvernietiging. Rechters horen alleen daar op te treden waar de uitvoerende macht zo duidelijk buiten haar boekje treedt dat daar voor geen redelijk mensn twijfel over kan bestaan. Haar macht moet met andere woorden beperkt worden tot een marginale toetsing van het werk van politici en ambtenaren die met de uitvoering zijn belast.
  3. Efficiënt bestuur betekent een minimum aantal bestuurslagen en een goede mix van top down en bottom up. Provincies als zelfstandig gekozen  bestuurseenheden moeten weg en deelraden ook. Wijkkantoren voor gemeentelijke diensten zijn voldoende. De politieke functie in de overheid moet beperkt blijven tot richting geven en beleidsbepaling. Nederland is één groot stedelijk gebied. De landbouw is overal industrieel van opzet. Het ligt voor de hand om het land te verdelen in steden of stedelijke regio’s en het platte land te laten besturen door de rijksoverheid of de dichtstbijzijnde stad, c.q. door de regio waar het deel van uit maakt. In elk geval horen steden of regio’s het enige bestuurlijk niveau te zijn naast een landelijke regering. Als gemeenteraadsverkiezingen over de landspolitiek gaan staat daarmee vast dat zij niet over de gemeentepolitiek gaan en dat zij dus geen geschikt middel zijn voor het selecteren van een gemeentelijk bestuursapparaat. Misschien is  een gekozen burgemeester een idee. Verder raden die benoemd worden vanuit de belangengroepen. Wijkraden die afgevaardigden sturen naar de centrale stad en die zelf worden samengesteld uit winkeliersverenigingen, scholen, kamers van koophandel e.t.q.;  maar hoe dan ook,  geen concurrerende bestuurslagen en natuurlijk al helemaal geen provincies meer. Die stammen uit de tijd van voor de elektronische communicatiemiddelen en het moderne transport.
  4. Op landelijk niveau hoort de Eerste Kamer te verdwijnen. Misschien zou zij vervangen kunnen worden door een Enquête Kamer, met deskundige ondervragers; dan blijven ons de taferelen bespaard die we bij de laatste Kameronderzoeken hebben gezien: incompetente vragenstellers die geen nieuwe informatie boven water krijgen en door de veel deskundiger ondervraagden van de tafel worden gespeeld.
  5. Het koningshuis is een archaïsme. Het is veel te afhankelijk van de toevallige competentie van degene die op de troon zit. De onvermijdelijke schandalen wanneer er iemand zit die het niet kan, ondermijnen het gezag, terwijl een gezaghebbend staatshoofd wel in het belang van het land is. Waarom zouden we niet teruggaan naar een republiek met een stadhouder? Is er in de Oranjefamilie een tijdlang geen geschikte kandidaat dan hebben  een stadhouderloos  tijdperk. Dat schept daarnaast meer ruimte voor een gezaghebbende raadspensionaris die gekozen kan worden door het volk uit de bestuurders van de grote steden.
  6. Belangrijker dan alle andere veranderingen is de vervanging van het systeem van departementen door een combinatie van permanente en tijdelijke organisaties. De permanente te verdelen in twee soorten, de taken waar het voortbestaan van de samenleving mee gemoeid is, zoals BiZA , BuZa, Defensie, Financiën en Fiscaliteit, Justitie en Verkeer en Waterstaat, die men mijnentwege departementen kan  blijven noemen, maar die ontdaan zouden moeten worden van alle taken die niet met het voortbestaan van de samenleving van doen hebben. Die departementen nieuwe stijl worden bestuurd door gekozen politici die worden bijgestaan door competente ambtenaren. Daarnaast zijn er de niet –basistaken, waarvoor ZBO’s met gewone werknemers meer geschikt zouden zijn. Voor de belangrijke en permanente taken die niet tot de basis van de overheidstaken behoren, zoals onderwijs, landbouw, sociale zaken, volksgezondheid, milieu etc. zouden permanente ZBO’s moeten komen. Projectorganisaties zouden er moeten komen voor de tijdelijke functies, zoals grote infrastructurele werken. ZBO’s hebben maar één samenhangend probleemgebied als taak en aan het hoofd van ieder ZBO komt iemand te staan die dat hele probleemveld kan overzien. De gekozen politieke bestuurders van de departementen vormen een kabinet dat wordt voorgezeten door de raadspensionaris. Het kabinet benoemt de bestuurders van ZBO’s, vertegenwoordigt de overheid intern en extern en legt verantwoording af over het overheidbeleid aan de Kamer. Alleen de Kamer en de Raadspensionaris worden rechtstreeks door het volk gekozen en of er een stadhouder komt wordt beslist bij referendum.

 

Tot zover een niet limitatieve opsomming van staatkundige ideeën. Deze veranderingen zouden Nederland beter bewerktuigen  voor de problemen die nu op ons af komen. De kiezers voelen heel goed aan dat de toekomst niet veilig is voor dit land. Beter  dan de politici zelf hebben ze gevoel voor de urgentie  van een competente overheid. Het is niet zinnig om te menen dat het volk zelf zou willen bepalen hoe er geregeerd moet worden. De meeste mensen weten heel goed dat ze daar de deskundigheid niet voor in huis hebben. Maar even goed weten ze dat het huidige politieke bestel dat ook niet heeft. Een slecht georganiseerde overheid die zich met zich zelf bezig houdt en met de media in plaats van met de problemen van het land is een risico dat we ons niet meer kunnen permitteren. Er verandert daarvoor te veel in de wereld in de komende decennia.

17:26 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

De PvdA en de regelstaat

 

Oudere bijstandtrekkers mochten  niet langer dan een maand uit het land weg van de regering, omdat anders gediscrimineerd zou worden tegen jonge bijstandmoeders, die dat vanwege de kinderen net konden. De PvdA constateerde dat dit een schandaal is, maar realiseert zich niet dat zij zelf daar de oorzaak van is. De PvdA is de richtingbepalende politieke groepering geweest in de tweede helft van de vorige eeuw. Zij is hoofdverantwoordelijk voor de overheid die toen tot stand gekomen is en die nu onveranderd blijft voortbestaan, ongeacht de kleur van het kabinet. Het is niet het kabinet dat vaststelt dat er geen onderscheid gemaakt mag worden tussen jonge bijstandmoeders en zestig jarigen, die niet meer aan de slag kunnen. Het is de overheid en het zijn de wetten die de overheid maakt.

 

We hebben een bureaucratische overheid, die zich verantwoordelijk voelt voor het wel en wee van alle burgers, die zij alle gelijk wenst te behandelen. Het middel waarmee de overheid haar beleid tot uitvoering brengt is de regelgeving[1]. Om alle regels in gelijke mate op alle burgers van toepassing te kunnen maken moeten de verschillen tussen de burgers en de verschillen in hun problemen en omstandigheden zo veel mogelijk worden beperkt. Het gelijkheidsbeginsel vergt een gelijke behandeling in gelijke gevallen. Omdat het aantal gevallen waarop een bureaucratisch apparaat kan reageren beperkt is[2] dienen noodzakelijk eerst ongelijke gevallen “gelijk” gemaakt te worden. Dan pas kan de wet erop van toepassing worden verklaard. De burger is het daar niet mee eens. Hij ziet zijn eigen problemen als uniek en vaak zijn ze dat ook wel. De behandeling door middel van regelgeving doet hem daarom noodzakelijk te kort. De rechtstaat heeft ingebouwde nadelen en gelijkheid is lang niet altijd prettig.

 

Dit is een van de oorzaken van ontevredenheid van de burger. De autonome groei van het aantal regels is een tweede.

Per 1 juli 2006 golden nieuwe regels voor de werknemersverklaring die de werkgever voortaan in moet dienen vóór een werknemer zijn werkzaamheden aanvangt. Op overtreding stond een boete van €1134,-.

Volgens een rapport van Deloitte reageerden maar 152 van de 400 ondernemers die zij over dit onderwerp vragen stelden en wist 76% van de respondenten niet precies waar het over ging.

Zoiets is niet uniek. Het aantal regels is zo groot dat iedere burger in dat bos de weg kwijt raakt en de meesten het al lang hebben opgegeven om zelfs maar de regels te kennen die rechtstreeks op hen zelf van toepassing zijn.

 

Op de website van de SVB staat een overzicht van de formulieren die deze instantie eist van degenen die met de sociale verzekering  te maken hebben en al bij de eerste aanblik duizelt het je. Het aantal verplichtingen uit hoofde van informatieverstrekking aan de overheid is voor de gemiddelde MKB ondernemer zo groot geworden dat het niet meer na te komen is. De regelgeving vormt een van de belangrijkste belemmeringen voor het ontstaan van nieuwe bedrijven en drijft  veel beginnende ondernemers in de illegaliteit[3].

Het is beleid van de huidige en een aantal vorige regeringen geweest om de hoeveelheid regelgeving terug te dringen, maar het succes daarvan bleef beperkt. Dat kan ook niet anders. Als regelgeving het beleidsinstrument bij uitstek is dan kan ook het terugdringen alleen plaats vinden door middel van nieuwe regelgeving en eindigt iedere poging in een vicieuze cirkel.

 

Nieuwe regels worden bedacht voor iuwe problemen die in de praktijk opkomen. Maar iedere nieuwe regel krijgt zijn plaats in een bestaand veld van regelgeving en heeft mede daarom al een andere uitwerking in de praktijk dan er in theorie voor was bedacht.

Om de uitvoering mogelijk te maken en het hoofd te bieden aan de niet verwachte gevolgen ontstaan voortdurend aanpassingen, hetzij door de rechter, hetzij door de wetgever of door de uitvoerende instantie[4] zelf. Van de voorspelbaarheid en rechtszekerheid, die een van de voordelen van regeren door middel van wetgeving zou behoren te zijn, komt daardoor minder terecht al naargelang de hoeveelheid regelgeving groter en hun werking gecompliceerder wordt. De groei van de regelgeving is exponentieel, maar de toename van de complexiteit van het systeem  is nog een orde groter. De regelgeving als middel van bestuur van de samenleving, die toch het kenmerk is van de democratische rechtstaat, zal daarom onvermijdelijk op den duur in haar eigen groei verstikken.

 

Er is geen alternatief voor de terugkeer naar het freies Ermessen van de verantwoordelijke ambtenaar. Alleen dan kan het aantal regels beperkt blijven. de rechgtsongelijkheid die dat onvermijdelijk mee brengt moeten we op de koop toe nemen. Die is toch het mindere kwaad.

 

[1] Zouden we het anders doen en ieder geval afzonderlijk willen beoordelen op de eigen merites, dan zouden we individuele ambtenaren de macht moeten geven om naar eigen inzicht te handelen. Dat zou noodzakelijk tot verschil in behandeling en dus tot rechtsongelijkheid leiden. Wie rechtsgelijkheid wil krijgt bureaucratie, dat kan niet anders.

[2] Kenmerkend voor een bureaucratisch apparaat is dat haar werkzaamheid door regels wordt bepaald en dat eigen initiatief van individuen daarbij geen dominante rol kan spelen. Regels kunnen alleen worden gemaakt voor voorzienbare gevallen en het aantal daarvan is per definitie beperkt.

[3] Zie bijvoorbeeld ‘ De economische potenties van het immigrantenondernemerschap in Amsterdam’, een gemeentelijke publicatie uit 1997

[4] zie de aanschrijvingen van de belastingdienst, die als regelgeving  de wetgeving zelf in aantal en omvang verre overtreffen.

17:10 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

22 mei

De efficiency van de overheid

 

 

Pieter Hilhorst, columnist van de Volkskrant, schreef in een van zijn artikelen dat naar zijn  mening  het bij de Nederlandse overheid niet ontbreekt aan nieuwe ideeën om problemen aan te pakken. Ook niet aan pilot projecten om die ideeën aan de praktijk te toetsen. Waar het aan ontbreekt is aan de mogelijkheden om bewezen goede ideeën op alle plaatsen in te voeren, waar zij van nut zouden kunnen zijn. Hij wijt dat aan de onwil van vooral lagere overheden om oplossingen over te nemen die anderen bedacht hebben , “alsof ze zelf niet in staat zouden zijn om wat te bedenken”. Hij noemt dat het “not invented here syndrome”. Er zijn veel laboratoria bij de overheid, maar geen productiehallen, zegt hij. Terloops vermeldt hij ook nog een andere oorzaak: er is meestal geen budget voor nieuw beleid.  Bij het bedrijfsleven, gaat hij verder, gaat dat allemaal  heel anders. Is er daar een goed nieuw idee, dan probeert iedereen daar een graantje van mee te pikken en voor je het weet heeft de nieuwe uitvinding zich door de hele bedrijfstak verspreid. De overheid probeert wel wat aan dit probleem te doen, bijvoorbeeld door het uitloven van prijzen voor nieuwe ideeën en methoden, maar echt veel helpen doet het niet. Hilhorst stelt nu voor een prijs uit te loven voor de overheidsinstelling die het beste ideeën van anderen geschikt weet te maken voor de eigen praktijk.

 

Leuk idee, maar ook dat gaat niet helpen. Hilhorst zei het al. Het budgetsysteem is er niet op ingericht. Wie het nieuwe idee niet op zijn begroting heeft staan kan het of niet uitvoeren of moet gaan verschrijven. Verschrijven is geld voor andere doeleinden gebruiken dan waarvoor het is gebudgetteerd en dat doet men liever niet als het niet nodig is, want het mag niet.

Voor het invoeren van nieuwe methodes is de toestemming nodig van hogerhand en daar heeft men er vaak politieke bezwaren tegen of het stuit op interdepartementale problemen. Behalve formele toestemming van hogerhand heeft men in de praktijk meestal de medewerking nodig van andere afdelingen. Er bestaat ook op de eigen afdeling concurrentie voor de mankracht m/v en voor de andere resources die het nieuwe idee vergt. Meestal is er ook een psychologisch verzet tegen nieuwlichters die de dingen anders willen gaan doen dan zij altijd zijn gedaan. Een krachtdadige DG of gemeentelijke directeur die over al die bezwaren heen zou kunnen stappen door degenen die tegenwerpingen maken over te plaatsen of desnoods te ontslaan zal merken dat ook daar wetten in de weg staan en praktische bezwaren. Dat maakt het allemaal moeilijk voor overheden om net zo alert op uitvindingen te reageren als het bedrijfsleven, maar er is meer.

 

In het bedrijfsleven spelen twee factoren een rol die bij de overheid ontbreken:

 

  1. aan het einde van een periode horen het verbruik van resources en de opbrengst van de verrichte diensten voor de buitenwereld met elkaar in evenwicht te zijn. Wordt er meer verbruikt dan er binnenkomt, dan legt het bedrijf op den duur het loodje. Bij de overheid kan een organisatie ongestraft heel duur zijn en weinig opleveren. Er bestaat geen systeem dat dit verhindert. De noodzaak om kostenbesparende of productieverhogende  veranderingen door te voeren ontbreekt bij de overheid.
  2. In praktisch alle bedrijven is er uiteindelijk iemand die knopen doorhakt. Net als bij de overheid kan er binnen een bedrijf een felle concurrentie zijn tussen afdelingen over de toedeling van resources, vooral de resources die bestaan uit veelbelovende jonge mensen, maar als men het niet eens wordt is er een baas die zegt wat er gaat gebeuren. Die duidelijke baas ontbreekt bij de overheid. De politiek is niet de baas, die past op de winkel, zoals oud premier De Jong dat eens zo mooi uitdrukte.

 

Dat de overheid geen winst maakt is onvermijdelijk. Een goede overheid doet vooral dingen waarbij winst geen rol speelt, omdat winstgerichte activiteiten van nature meer bij het bedrijfsleven horen. Maar er zijn andere systemen denkbaar om de efficiency te bewaken. De rekenkamer zou bijvoorbeeld een afdeling kunnen hebben die de efficiency van publieke instellingen meet en die bewerktuigd is om voorstellen te doen om de gemeten efficiency te verhogen, inclusief het daarbij behorende budget. Komt er dan weer eens een ronde bezuinigingen dan zou de rekenkamer voorstellen kunnen doen  hoe die bezuinigingen anders dan met de kaasschaaf kunnen worden doorgevoerd. Om nieuwe ideeën door te voeren in het overheidsapparaat moeten er eerst staatkundige en organisatorische maatregelen ter voorbereiding worden getroffen. Bij de overheid gaat niets van zelf.

 

Dat er doorgaans niemand is die knopen door kan hakken bij de overheid tenslotte en met name ook de minister of de wethouder niet, dat is een manco in de overheidsorganisatie die wel vermeden zou kunnen worden, maar waar men uit politieke of ideologische overwegingen kennelijk niet aan wil.

 

16:30 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

21 mei

Een totaal ander soort bezuinigingen.

 

 

Wetten zijn er om problemen in de samenleving op te lossen en om daarbij gelijke gevallen gelijk te behandelen. Daarbij doen zich twee soorten moeilijkheden voor: in de praktijk zijn gevallen nooit gelijk en wetten hebben meestal ook andere gevolgen dan het oplossen van het probleem waarvoor ze zijn gemaakt.

 

Wetten worden tegenwoordig niet vaak meer gemaakt door mensen die voldoende  kennis hebben van de problemen die ze proberen te regelen.. De wettenmakers opereren niet op grond van hun eigen ervaring maar met de informatie die hun door anderen wordt verstrekt. Dat is dan abstracte informatie die meestal ideologisch of op grond van andere belangen is gekleurd. De wettenmakers weten daarom te weinig van de praktijk om te kunnen voorspellen wat de uitwerking van hun nieuwe regels zal zijn buiten het terrein waarvoor zij zijn bedoeld. De mensen met praktijkervaring die dat overzicht wel hebben  worden niet systematisch geraadpleegd en hebben vaak ook onvoldoende kennis van het wetgevingsproces en daarom te weinig gezag. Wat men bij het maken van wetten doet is praten met geïnstitutionaliseerde adviesorganen en met lobbyisten.

 

Gelijke monnikken gelijke kappen zegt het spreekwoord, maar wat zijn monnikken en wat zijn kappen in dit verband? Neem het begrip werkloosheid, waar een hele reeks wetten op is afgestemd. Is iemand die een groot deel van zijn leven heeft gewerkt in een industrie die verouderd is en die nu wordt afgeschaft nu echt te vergelijken met een pas afgestudeerde die met behulp van een uitkering een jaartje vastknoopt aan zijn studententijd? Neem het allochtonen probleem, dat we in verband met de verkiezingen net weer even in de kast gezet hebben waar Wilders het uitgehaald had. Zijn alle allochtonen met elkaar te vergelijken of doen we met zekerheid onrecht aan de een door het nemen van maatregelen die voor anderen zijn bedoeld? Als we net hebben uitgerekend wat allochtonen gemiddeld kosten, levert dat nu bruikbare informatie op? Zegt dat gemiddelde wel genoeg? De gemiddelde jaartemperatuur in Nederland en Binnen Mongolië schijnt heel weinig af te wijken, maar de extremen van kou en hitte doen dat wel. Zit het net zo met onze allochtonen en zo ja is er een betere abstractie denkbaar dan het begrip allochtoon?

 

Wetten maken is moeilijk en eigenlijk veel te belangrijk om aan wettenmakers over te laten. Het wordt tijd dat de mensen zelf weer invloed krijgen op de wetten die hun belangen raken, Daarvoor is het nodig dat er eerst weer eens orde en overzicht wordt geschapen in het oerwoud van regels dat nu bestaat en dat ons allemaal dreigt te overwoekeren.

 

De sociale wetgeving van na de tweede wereldoorlog had tot doel om mensen die buiten hun schuld naast het arbeidsproces stonden van een minimum levensonderhoud te verzekeren. Vooral de ouden van dagen hadden het slecht en iedereen herinnerde zich in die tijd  nog de steuntrekkers uit de werkloosheidstijd van voor de oorlog. Dat het handjevol chronisch zieken en invaliden een inkomensgarantie nodig hadden vond eigenlijk iedereen, maar dat de W.A.O. zou kunnen leiden tot een leger van meer dan een miljoen uitkeringstrekkers had indertijd niemand verwacht. Het schandaal werd uiteindelijk zo groot dat de politiek het wel moest oppakken.

Het werd een ethische imperatief om er iets aan te doen, zoals het jarenlang een ethische imperatief geweest was om er niets aan te doen. Wie er aan wilde komen had geen sociaal gevoel, heette het eerst. Maar vergeleek men het aantal WAO gerechtigden en andere steuntrekkers in Nederland met de percentages in soortgelijke landen als het onze, dan kan het niet anders dan dat een deel van degenen die een beroep deden op onze wetgeving  fraudeurs waren.  Zo ziek of invalide dat ze niet (een deel van) hun eigen boterham zelf zouden kunnen verdienen konden zoveel mensen onmogelijk zijn. Met het proces van herziening van uit de hand gelopen sociale wetgeving is de politiek ruim twintig jaar bezig gebleven. Het probleem daarbij bleek vooral te zijn dat de gevallen die door de wet hetzelfde worden behandeld in de praktijk bleken niet hetzelfde te zijn. Bij de eindeloze discussies  tussen voor- en tegenstanders van veranderingen bleken de partijen aan weerskanten steeds weer hele andere gevallen voor ogen te staan. De begrippen waarmee gewerkt werd waren met andere woorden te abstract om deugdelijke wetgeving op te baseren.

 

Statistische zekerheid dat veel aanvragers van uitkeringen fraude plegen betekent niet dat in individuele gevallen nu gemakkelijk uitgemaakt kan worden wie wel en wie niet terecht een beroep doet op de sociale wetgeving. De praktijk leert dat bonafide gevallen uit de boot gaan vallen bij iedere reparatie. Minimaal leiden de wetswijzigingen ertoe dat rechthebbenden worden lastig gevallen met voor hen heel vervelende nieuwe onderzoeken en handenvol nieuwe voorschriften die hun onbedoeld het leven zuur maken.  Nederland is niet het enige land met sociale wetgeving en ook niet het enige land waar  misbruik wordt gemaakt, maar de schaal waarop was een tijdlang wel uniek[1]. Wij nemen de zorg voor de naasten serieus, maar het lukt niet om die via algemene regelgeving zo vorm te geven dat de zorg uitsluitend terecht komt bij wie het daadwerkelijk nodig heeft.

 

 

Het probleem lijkt te zitten in de uitgangspunten: we maken ongelijke gevallen gelijk in onze poging alles met wetgeving te regelen. En we proberen te veel zaken van boven af te regelen zodat we geen zicht meer kunnen houden op de kwaliteit van de regelgeving.

De sociale wetgeving is zo’n goed voorbeeld omdat iedereen er wel op een of andere manier mee te maken heeft en omdat de politiek en de media er zo lang al veel aandacht aan hebben besteed. Maar de onbedoelde gevolgen van wet- en regelgeving beperken zich niet tot de sociale wetgeving, ze zijn heel algemeen. Ze kosten de samenleving veel geld en als de mensen ontevreden zijn over hun overheid ligt hier vaak de oorzaak. Te veel en te abstracte wetgeving is een belangrijke bron van bureaucratie. Geconstateerd kan worden dat er geen gerichte pogingen worden gedaan om hier verbetering in te brengen terwijl er toch waarschijnlijk meer bezuinigingen uit te halen zouden zijn dan uit alle voorstellen uit de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen. Maar gemakkelijk is het natuurlijk niet. Goede en gerichte wetgeving vereist een kwaliteit van ambtenaren die misschien niet overal aanwezig is.

[1] Uniek in de huidige wereld maar niet uniek in de geschiedenis. Het moet iets te maken hebben met de volksaard. Ook in de late zeventiende eeuw had Nederland als enige Europese natie een uitgebreid systeem van armenzorg, via de hofjes en armenhuizen en ook toen leidde dat tot vrijwillige werkloosheid op grote schaal, aanzuiging vanuit het buitenland en behoorlijk veel economische problemen. Alleen de zorg voor ouderen lijkt toen en nu daarop een uitzondering te vormen, waarschijnlijk door de natuurlijke grenzen die gesteld worden aan de in- en uitstroom en de geringere mobiliteit van ouderen uit het buitenland.

 

11:17 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

19 mei

de salarissen in de politiek

I

k denk niet dat de Amsterdamse politiek er goed aan gedaan heeft met die zevende wethouder. De oproep vanuit de bevolking  om de kosten van het bestuurlijk apparaat wat te beperken, nu iedereen moet inleveren vanwege  de crisis, werd straal genegeerd. Politiek was de zevende wethouder onvermijdelijk  en inleveren van een deel van het riante salaris, ruim negen duizend euro per maand, was voor het Amsterdamse college niet bespreekbaar. Het Parool, de krant voor de gemiddelde Amsterdammer, publiceerde het lawaai rond deze kwestie wat spottend en dat was terecht.

De meeste van deze wethouders zou je niet aannemen als ze bij je zouden solliciteren en tussen dat salaris en die competentie zit er wel een discrepantie. Dat salaris wordt dan wel niet door de wethouders zelf vastgesteld, maar het is toch de politiek die erover beslist en zij hadden kunnen beslissen om een of meer dagen in te leveren. Het is dus in wezen weer zoiets als al die nieuwe managers die over het budget van hun woningbouwverenigingen en hun scholen en ziekenhuizen gaan, inclusief over hun eigen salaris. Bij de bevolking heten dat soort mensen uitvreters want daar voelt men sterk dat het allemaal van hun centen gebeurt.

Misschien  zou de kiezer wanneer hij zijn stem uitbrengt tegelijkertijd moeten kunnen zeggen hoeveel de man of vouw die hij heeft aangestreept volgens hem zou mogen verdienen. Niet veel ben ik bang en daarom zou het nog beter zijn als politici helemaal niets zouden verdienen aan het politieke werk, behalve een klein presentiegeldje  en een kilometervergoeding. Politiek zou weer liefdewerk oud papier moeten zijn net als vroeger, voor in de avonduren en de weekenden. Ook geen kostenvergoedingen meer. Voor zover er door de overheid  kosten moeten worden gemaakt voor politici moeten die maar door de gemeente zelf worden betaald en gecontroleerd door de gemeentelijke  of de Rijksrekenkamer. Dan zijn we ook van de potentiële declaratieschandalen af.

Politici zouden dan net als iedereen een gewone baan moeten hebben om de kost te verdienen en daardoor meteen ook weer met beide benen in de samenleving komen te staan.

We krijgen dan wel een ander soort politiek en een ander soort politici, zou het bezwaar kunnen zijn. Inderdaad krijgen we dat, maar zou dat een achteruitgang zijn? Ik denk het niet.

Politici zijn immers toch in hoofdzaak het uithangbord aan de winkel van de overheid. We doen met zijn allen alsof we door politici worden geregeerd, omdat we graag iemand hebben die we ergens op aan kunnen spreken. Maar de werkelijkheid is dat niet. Wel komen er van tijd tot tijd dilemma’s voor in het overheidsapparaat waarbij keuzes moeten worden gemaakt. Dat doen dan de politici. Maar dat kan allemaal prima in de avonduren. De tijd die politici nu overdag besteden aan alle mogelijke details waar ze zich helemaal  niet mee zouden moeten bemoeien zou vrij komen. De aandacht zou noodzakelijk gericht worden op hoofdzaken en dat is allemaal vooruitgang. Maar vooral de politici zouden veel onafhankelijker worden van de partijapparaten en van hun achterban. De politiek zou niet meer een tussenfase zijn in een ambtelijke of bestuurlijke carrière. Het zou het morele gehalte van de politiek verhogen, al is het natuurlijk denkbaar dat zich in de nieuwe constellatie ook weer nieuwe morele problemen zouden ontwikkelen want het blijft allemaal mensenwerk.

Een generatie geleden zou tegen het voorstel om politieke beloningen af te schaffen bezwaar komen van de kant van de linkse partijen: arbeiders zouden zich geen politiek meer kunnen permitteren, zou er worden gezegd. Nu er geen arbeiders meer in de linkse partijen en in de gemeenteraad van Amsterdam zitten gaat dit argument niet meer op. Trouwens,  houd maar een enquête in de volkswijken. Ik durf wel een weddenschap aan met Cohen dat de wethouders hun 9000 euro kwijt zouden raken als het aan zo’n enquête zou liggen.

13:13 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

De vrijheid van meningsuiting en andere grondrechten

 

De meeste rechtszaken gaan over het vaststellen van de feiten. Is dat eenmaal gebeurd dan is de juridische oplossing meestal niet moeilijk meer. De enkele zaak die juridisch echt interessant is gaat meestal over een conflict van rechtsregels, die op het eerste gezicht allebei van toepassing zijn, maar die tot een verschillend resultaat zouden leiden. Dat komt veel vaker voor, zo’n conflict, dan juridische leken denken. Geen enkele rechtsregel is absoluut en dat is de belangrijkste reden waarom er zijn rechters zijn. Waren de rechtsregels wel absoluut dan zouden we het met wetboeken afkunnen.

 

Neem de vrijheid van meningsuiting. Natuurlijk is dat een belangrijk recht, maar het is niet altijd van toepassing. Het voorbeeld dat ooit in  de Verdieping (Trouw) werd gegeven is heel verhelderend: Mag je in een volle bioscoopzaal brand roepen als er niets aan de hand is? Hoeft niemand over na te denken, mag niet. Is niet alleen dom, maar als er doden of gewonden bij vallen kun je er het gevang voor in. Dit voorbeeld is duidelijk maar niet interessant, omdat niemand anders dan een filosoof hierover twijfelen zal. Interessanter zijn de gevallen waar zinnige mensen verschillend over kunnen denken, zoals de Deense cartoons. Hoewel ik mij ervan bewust ben dat onze premier Balkenende en veel andere oprechte gelovigen de voorrang geven aan de bescherming van de gevoelens van gelovigen , omdat  die bescherming volgens hen in de vrijheid van godsdienst ligt opgesloten, doe ik dat niet. Ik erken wel dat het onfatsoenlijk is om mensen te kwetsen in hun gevoelens, godsdienstige of andere, en onfatsoenlijk en onrechtmatig liggen dicht bij elkaar, maar afwegend kom ik hier uit bij het zwaarder wegen van andere rechten.

 

Ik ga ervan uit dat er bij de cartoon-affaire sprake is geweest van een bewuste provocatie. Men heeft daar, zoals de Deense redacteur toelichtte, “de grenzen  opgezocht”.

Een auteur had tevergeefs een illustrator gezocht voor een kinderboek over Mohammed en de redacteur die dat hoorde wilde als het ware een verantwoorde steekproef nemen. Er bleken maar twaalf van de veertig uitgenodigde tekenaars bereid te zijn Mohammed te tekenen. Niet allemaal uit angst, denk ik. Sommigen omdat ze niets hadden met de krant die het vroeg of omdat ze het te druk hadden en sommigen misschien zelfs uit pure aardigheid tegenover hun Moslim medeburgers. Toch zegt dit onderzoek veel, want voor zover de weigering wel uit angst gebeurde bewijst zij dat geweldgebruik werkt. Geweld en dreiging  met geweld tegen gewoonten en opvattingen die hun niet zinnen worden gebruikt door een zo groot aantal Islamieten dat het sociologische gevolgen heeft. We krijgen er een andere en slechtere samenleving door. Dat is voor ons  vervelend, maar ook voor dat deel van de moslims die naar Europa gekomen zijn, juist vanwege onze geweldloze samenleving en de grondrechten die hier wel werden gerespecteerd en elders niet.

 

Dat de Deense krant tegen dit verschijnsel opkwam en die prenten publiceerde om dit probleem aan de orde te stellen was een moedige en verantwoorde daad. Het was een knuppel in het hoenderhok, maar er was een goede reden voor. Ik geef toe dat hierdoor geweld werd uitgelokt,  gegeven deze trek in de Islamitische cultuur. Zou voorspelbaar zijn geweest dat men alleen zou reageren door naar de rechter te lopen dan had ik de kant van de Imams gekozen, maar dan had de redacteur zijn actie waarschijnijk achterwege gelaten. Het geweld dat werd uitgelokt is niet incidenteel, het is een onderdeel van de Islamitische cultuur en het is onzin om daar de ogen voor te sluiten. Het is een foutief argument dat niet alle moslims zich zo gedragen en zelfs een meerderheid niet. Als voldoende moslims dat doen om hier de samenleving in ongunstige zin te veranderen dan is het wel degelijk onderdeel van de Islamcultuur en moeten we er wat aan doen. Doorgaan alsof er niets aan de hand is, zou gevaarlijk zijn. Dat de goede moslims daar mede onder lijden is niet onze  schuld, dan moeten ze in eigen huis maar grote schoonmaak houden.

 

 

10:40 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

18 mei

Wat kan de Nederlandse kiezer bereiken met zijn stem?

 

De democratische rechtstaat en de mensenrechten, die twee begrippen vormen samen de kern van de ethiek van de westerse samenleving, waarvan Nederland deel uitmaakt. Democratie is tegelijkertijd een ethisch en een staatkundig begrip. Dat maakt een analyse van het functioneren van de Nederlandse overheid als democratisch bestel extra gecompliceerd. Zou men immers tot de conclusie komen dat er staatkundig niet in alle opzichten wordt voldaan aan wat men democratische normen zou kunnen noemen, dan kan dat al licht worden opgevat als een ethisch verwijt en dat is  niet noodzakelijk een terecht verwijt. Van de andere kant zijn de twee aspecten van het begrip democratie in onze seculiere samenleving zo nauw met elkaar verweven dat het niet goed mogelijk is aan het begrip  iedere normatieve betekenis te onthouden. Anders gezegd: men moet kunnen zeggen dat democratisch niet zonder meer als ethisch goed en een tekort aan democratie niet onmiddellijk als ethisch slecht is aan te merken, hoewel ik persoonlijk democratie waar dat kan wel als een ethisch betere regeringsvorm beschouw dan de andere systemen die we kennen. Ongeveer de opvatting van Winston Churchill dus.

 

Het staatsbestel voor vrije burgers, zoals dat ontworpen is door Montesquieu in zijn Geest der Wetten bevat een aantal checks and balances en weerspiegelt de ratio van de Verlichting op een zo heldere manier dat het nog steeds als norm kan dienen voor de staatkundige vormgeving van een verlichte samenleving . Niettemin is er zowel op het functioneren van de rechtstaat als van de democratie kritiek mogelijk door de manier waarop aan beide in de moderne samenleving vorm is gegeven.

 

Een rechtstaat kent een overheid die zich zelf en haar burgers aan rechtregels onderworpen acht en een uitvoerende macht tegen wie de burger op essentiële punten door de wet en  de rechter wordt beschermd. Een rechtstaat is niet noodzakelijk een staat die uitsluitend door middel van rechtsregels regeert, al lijkt onze overheid dat wel zo op te vatten. Een overheid die geen bestuurlijk beleid meer heeft maar volstaat met voor ieder probleem een wet te vervaardigen is niet zozeer een rechtstaat als wel een regelstaat en doet in naam van de gelijkheid noodzakelijk onrecht aan de zeer uiteenlopende omstandigheden waarin de voor de wet gelijke burgers kunnen verkeren.

 

Democratie[1] is een overheid van het volk, voor het volk en door het volk, zei Lincoln in het Gettysburg Address. Een volk dat zich zelf bestuurt, zoals een vrij mens die voor zich zelf zorgt, zo zou het ongeveer moeten wezen, maar dat volk en overheid samenvallen zoals die zegswijze suggereert, dat is niet zo en in een zo grote samenleving als de onze zou dat ook helemaal niet kunnen. Maar hoe is het dan wel?

 

In een democratie staan tegenover de overheid zelfstandig opererende burgers, aan wie de overheid dienstbaar is. In de welvaartstaat die na de tweede wereldoorlog tot stand kwam is de vrijheid van de burger geslonken parallel aan de toenemende zorg die een vaderlijke overheid als een deken over hem heeft uitgespreid.

Het terrein van de bemoeienis is uitgebreid en daarmee ook de macht van de overheid . Tegelijk is de kwaliteit van een aantal  specifieke overheidsdiensten afgenomen. Dat geldt voor de kwaliteit van de rechtspraak en voor het functioneren van justitie in het algemeen. Het onderwijs is tegenwoordig naar het oordeel van een parlementaire onderzoekscommissie onder de maat en dat geldt ook voor de zorg. Het toezicht op banken en andere financiële instellingen schiet te kort, in hoofdzaak omdat de overheid heeft toegestaan dat deze elementaire maatschappelijke instituten te ingewikkeld en te groot werden om nog gecontroleerd te kunnen worden. Het aantal voorbeelden van een verzwakte overheid is groot en dat is paradoxaal, omdat tegelijk de invloed van de overheid op de samenleving is toegenomen. Veel van de gebreken zijn een rechtstreeks gevolg van een teveel aan  regelgeving van een gebrekkige kwaliteit.

 

Omdat de burger op zoveel terreinen afhankelijk is geworden van zijn overheid valt des te meer op hoezeer naast het aspect van de zelfstandige burger ook dat van de dienstbare overheid aan erosie onderhevig is geweest. De overheid is wel dienstbaar, maar niet meer aan de zelfstandige burger, maar aan een zelfgekozen ideaal, waaraan zij niet alleen zichzelf, maar de hele samenleving ondergeschikt gemaakt heeft. De overheid bepaalt wat goed is voor haar cliënten,  de burger bepaalt dat niet meer voor zich zelf. Via de media is de laatste jaren de directe invloed van de publieke opinie op het overheidsbeleid wel weer toegenomen. Maar de publieke opinie, dat is geen invloed meer van zelfstandige burgers, maar van onverschillige en op consumptie gerichte massa’s. Door de zelfstandige rol die de media zich hebben aangemeten zijn zij bovendien geen communicatiemiddel meer tussen volk en overheid maar proberen zij beide aan te sturen. Ook de media zijn minder democratisch dan zij zouden kunnen zijn.

 

Onder de overheid versta ik de personen en instellingen  bij wie de macht in de samenleving berust. Die overheid bestaat niet alleen uit een democratisch gekozen parlement en een regering die door en uit dat parlement wordt gevormd. Zij bestaat voor een belangrijk deel uit niet gekozen[2] functionarissen die in theorie wel onderworpen zijn aan gekozen politici maar dat geldt niet altijd voor de praktijk. Er zijn nogal wat overheidsinstellingen die allerminst een verlengstuk van de gekozen volksvertegenwoordigers vormen.

 

Dat de burger niet de overheid kan krijgen die hij wil hangt samen met onze representatieve partijendemocratie. De partijen bepalen welk regering er wordt gevormd en de kiezer kan alleen die regering weer naar huis sturen als zij hem niet bevalt.De overheid kan daarnaast alleen maar voor een deel, het politieke deel, door de kiezende bevolking naar huis worden gestuurd. En als de kiezer een regering naar huis stuurt is het bovendien alles of niets. Je kunt niet één minister tot aftreden dwingen, die  niet bevalt of één onderdeel van het regeringsbeleid verwerpen.

Die twee aspecten, de permanentie van de ambtelijke en raadgevende instituten en een controle achteraf  die beperkt is tot alles of niets, beperken de invloed van het volk op haar overheid in een mate, dat van een regering door het volk in elk geval niet kan worden gesproken.

De macht van de kiezers blijft beperkt tot het afwijzen van het beleid van de weggestemde regering als die niet zoals deze keer door onderling gekrakeel gevallen is. Wat de compromissen gaan opleveren tussen de coalitiepartijen die een nieuwe regering gaan vormen, dat blijft afwachten.

 

De complexiteit van de samenleving en van het besturende apparaat beperkt ook de macht van het kabinet, die in de ogen van het volk haar vertegenwoordiger bij uitstek zou moeten zijn. Het kabinet is niet meer het instituut dat de belangrijke beslissingen neemt. Die worden ergens genomen in het ondoorzichtige woud van instellingen die tezamen de overheid vormen en waar niemand meer een doorslaggevende invloed uit kan oefenen.

 

 

De leden van de tweede kamer worden door de politieke partijen voorgedragen en de ministers worden door de politieke partijen aangewezen[3] die samen de regering vormen in overleg met de formateur. Die partijen zijn dus een belangrijke machtsfactor binnen de overheid en als zodanig worden ze niet gekozen, zo formeren zij zich zelf.

Op het ambtelijke deel van de overheid heeft de politiek invloed voor zover het de ambtelijke top betreft. Die top wordt door de regering benoemd. Benoemen kan dus, maar een hoge ambtenaar naar huis sturen is niet gemakkelijk. Dat gebeurt alleen als hij echt niet meer met de minister door een deur kan en dan nog moet de minister een paar keer goed nadenken voor hij of zij er toe overgaat. Aan ministers is historisch zelden een lange carrière ten deel gevallen als zij ruzie maakten met hun ambtenaren[4] en zo’n slechte afloop werpt haar schaduw vooruit.. Het zijn, zoals Tjeenk Willink[5] constateert, de ambtenaren die het grootste en belangrijkste deel van de overheidswerkzaamheden initiëren.[6]

De Engelse televisieserie Yes Minister was een mooie illustratie van de permanentie van de ambtenaren en vooral zo geestig omdat de parodie hier heel dicht bij de werkelijkheid ligt.

 

De minister bepaalt het beleid, de ambtenaar geeft het vorm en voert het uit. De kamer controleert. Men neemt advies in ontvangst van adviesraden en lobby’s voor zover daar behoefte aan is, maar de minister houdt de regie en beslist. Zo is het democratisch ontwerp van onze overheid, maar zo werkt de praktijk niet meer.

We hebben in werkelijkheid een overheid die in hoofdzaak bestaat uit politieke partijen en uit ambtenaren. Daarnaast bestaan er de meebeslissende adviesraden, de semi-ambtelijke instellingen en maatschappelijke organisaties. Wie een publieke carrière wil maken komt op zijn tijd in al die verschillende afdelingen van een monolithische overheid terecht.

 

Plato had wel gelijk dat een regering door een volksvergadering, zoals Athene die in zijn tijd gekend had, niet alles was. Zo’n volksvergadering zit vol mensen die weinig verstand van zaken hebben en gemakkelijk door de eerste de beste leerlooier[7] op sleeptouw te nemen zijn. In zo’n vergadering zijn ze om een kleinigheid enthousiast te krijgen voor of tegen een belangrijk politiek standpunt. Dezelfde avond zijn ze al weer vergeten wat ze gedacht hebben en de volgende dag besluiten ze iets anders, want het is nu eenmaal hun vak niet.

Mensen van wie het hun vak wel is, maar die goed gecontroleerd worden en die eens in de zoveel tijd verantwoording afleggen en daarbij door het volk naar huis gestuurd kunnen worden. Dat is een stuk stabieler en in de praktijk ook beter. Tenminste als ze het goed doen en als er een alternatief is voor het geval ze het slecht doen.

 

 

In Amerika en Engeland met hun twee partijen systeem is er een alternatief. De partij die aan de macht is weet dat zij bij de volgende verkiezing kan worden afgelost. Een ander beleid is mogelijk. In Nederland is dat alternatief er niet of nauwelijks want in een coalitiesysteem is van te voren niet te bepalen wat er uit de onderhandelingen gaat komen. De kans dat dit het beleid is dat de kiezers in meerderheid hebben gewild is niet groot[8]. Gelukkig willen de kiezers meestal niet veel meer dan dat zij behoorlijk worden geregeerd en zijn ze niet kleinzielig op dat punt. Dat er in landen met een meer partijen systeem geen kiesbaar alternatief is, blijft toch een democratische tekortkoming. Maar in Nederland en ook in sommige landen met een tweepartijdemocratie is het alternatief er ook al om een andere reden niet, namelijk omdat een disproportioneel deel van het beleid niet door de politiek maar door de ambtenaren, de maatschappelijke instellingen en tegenwoordig ook door de media wordt bepaald[9]. De overheid is met andere woorden niet langer te vereenzelvigen met de politiek. De politiek vormt slechts een deel en misschien wel niet het belangrijkste deel.

 

 

Nederland en de meeste andere Europese landen hebben na de tweede wereldoorlog, geïnspireerd door de Britse Labourpartij,  een verzorgingsstaat opgebouwd. De belangrijkste kenmerken ervan zijn de theoretisch onbegrensde verantwoordelijkheid van de overheid voor het welzijn van de burgers en de dialectiek van voortdurende klachten en aanpassingen in de regelgeving. Het resultaat is dat er in de meeste landen die nu tot de EU horen sprake is van een democratisch gezinde en welwillende overheid, maar van een die daarnaast tegelijk machtig en onmachtig is.[10] Een staat die zich in beginsel het recht voorbehoudt in elk onderdeel van het leven in te grijpen als het welzijn van de burger daar in haar ogen om vraagt maar tegelijk niet in staat is haar bedoelingen in effectief beleid om te zetten. De zelfstandige en autonome burger is daarbij ongemerkt over de horizon verdwenen.

 

Dat de laatste jaren de overheid het recht heeft geclaimd om de opvoeding van jongeren over te nemen wanneer  in haar ogen de ouders daarover te zeer afwijkende opvattingen hebben, wordt nauwelijks nog als schokkend ervaren. Het gedwongen aborteren van vrouwen die voor het moederschap ongeschikt bevonden worden stuitte wel op bezwaren bij het publiek, maar die bezwaren hadden meer met het taboe op levensbeëindiging[11] te maken dan met de gedachte dat de overheid zich bezig hield met terreinen waarop zij van niemand een mandaat ontvangen heeft.

 

Zo nu en dan blijkt waarom het overheidsapparaat niet goed functioneert. Niet omdat de mensen die er deel vanuit maken onbekwaam zouden zijn of onvoldoende opgeleid, maar omdat  de overheid niet doelmatig is georganiseerd, omdat de ene hand met andere woorden niet weet wat de andere doet..

Niet lang geleden werden er openbare hoorzittingen gehouden over het functioneren van het TBS systeem in Nederland. Het was daarbij  opvallend hoeveel bezwaren de praktijkmensen bleken te hebben tegen het functioneren van een systeem waar ze dagelijks mee van doen hebben en hoe gemakkelijk die problemen zouden zijn te verhelpen, zo op het eerste gezicht tenminste. De Kamerleden voor wie de hoorzittingen zijn bedoeld keken of ze het voor het eerst horen en misschien was dat ook wel zo.

 

Als die observatie juist is, dan moet de conclusie zijn dat er binnen de overheid onvoldoende georganiseerde feedback van praktijk naar de beslissingnemer is, in dit geval van praktijk naar wetgever. Dat geldt niet alleen voor de justitiële organisatie waarvan de TBS klinieken deel uitmaken, maar ook voor het onderwijs[12], de zorg en andere overheidsorganisaties.  De informatie vanuit de praktijk over het functioneren van door de Kamer aangenomen wetten bereikt de Kamer niet. Waarschijnlijk bereikt het de ambtelijke instanties wel, maar niet op een manier dat er effectief iets mee kan worden gedaan. Het komt niet bij de verantwoordelijke beslissingnemers terecht of het wordt geformuleerd op een manier waar de ontvanger weinig mee kan. Ook de informatie op basis waarvan wetten en andere regels in eerste instantie worden gemaakt blijkt vaak ontoereikend te zijn geweest of niet ter zake dienende[13]. Is de wet eenmaal aangenomen dan krijgen de wetgevers onvoldoende feed back of de regels die ze gemaakt hebben wel doen wat ervan verwacht wordt.

 

 

De overheid meent dat zij functioneert binnen democratische verhoudingen en dat haar handelen daarom wordt gelegitimeerd door de instemming van het volk. Het lijkt erop dat dit meer mythe is dan werkelijkheid.

Legitimiteit van een overheid is een beloning voor succes bij de oplossing van maatschappelijke problemen en succes heeft deze overheid de laatste decennia maar in beperkte mate[14], althans in de ogen van de kiezende burger. Zij handhaaft zich omdat ze voor een groot deel van de mensen onontbeerlijk is geworden[15], maar de acceptatie gaat niet meer van harte.

[1] Een regering door een volksvergadering was in oorsprong de betekenis van het begrip democratie. Als men de kritiek van Plato, Aristoteles en Polybius op dit systeem wil begrijpen moet men deze definitie voor ogen houden.

[2] De permanentie van de ambtenaren en de raadgevende organen is nodig voor de continuïteit van het beleid. Dat is de opvatting van Tjeenk Willink en hij heeft ongetwijfeld gelijk met zijn constatering dat door het grote verloop onder de ambtenaren veel van de noodzakelijke departementale kennis in Nederland is weggelekt. Als een ambtenaar in Nederland de overheidsdienst verlaat is dat meestal voorgoed. In Amerika, waar een nieuwe regering haar eigen beleidsambtenaren kan benoemen en de bestaande kan ontslaan bestaat het gebruik dat de hoge ambtenaren gemakkelijk in het bedrijfsleven, het vrije beroep en de wetenschap terecht kunnen na een regeringswisseling. Dat komt hun kennis en ervaring later weer ten goede en vaak ziet men hen na een oppositie periode versterkt en gereviseerd weer terugkeren. Dit Amerikaanse systeem bevordert de democratie, het systeem van permanentie dat Tjeenk lijkt voor te staan doet dat niet.

[3] Formeel door de majesteit en de facto schijnt zij van tijd tot tijd wel enige invloed uit te oefenen, door het uitspreken van een veto. In wezen is haar invloed echter beperkt tot het aanwijzen van de formateur, waarbij de omstandigheden dan bovendien nog haar manoeuvreerruimte beperken.

[4] Er zijn twee spectaculaire manieren waarop iemands politieke carrière de mist in kan gaan. Een is als hij ruzie maakt met zijn ambtenaren, die hem dan vervolgens beentje lichten. Dat is ooit minister Vondeling overkomen als minister van financiën. Een andere manier is om de afspraken die binnen het kabinet of de partij gemaakt zijn te negeren. Minister Vredeling kocht niet alleen F-16’s tegen de wil van zijn partij maar leverde naar verluid op het kritieke moment wapens aan Israël tegen de in het kabinet gemaakte afspraken in, moest nog tijdens zijn ministerschap vertrekken naar Brussel en is in Nederland daarna nooit meer aan de slag gekomen.

[5] Verslag Raad van State 2005

[6] Dat ambtenaren overheidswerkzaamheden uitvoeren is onvermijdelijk, daar zijn ze voor, maar politici zouden het initiatief horen te nemen tot beleid. In de praktijk is het vaak omgekeerd en is het de taak van de minister om het beleid van ambtenaren te verdedigen in de ministerraad, de tweede kamer en vooral ook tegenover andere departementen.

[7] In de historische canon, die in dit opzicht vooral door Plato en Aristophanes is bepaald, komt Kleon, de leerlooierszoon waar hier op wordt gedoeld, er misschien slechter af dan hij verdient. Het beleid dat hij voorstond was zo slecht nog niet, maar het punt blijft dat in een volksvergadering vandaag het ene en morgen het andere beleidsvoorstel de doorslag kan geven en dat komt de continuïteit van het beleid niet ten goede.

[8] Behalve bij een goed geformuleerd referendum is het meestal niet goed mogelijk om vast te stellen wat de kiezers in meerderheid willen.

[9] Roland Plasterk, de voormalige columnist van Buitenhof en de Volkskrant merkte eens op dat in Nederland de grote veranderingen in de politieke opvattingen niet tot stand komen bij regeringswisselingen, maar dat de publieke opinie in een klap omgaat in alle politieke partijen tegelijk, van links tot rechts. Tenminste als het om werkelijk majeure veranderingen gaat. Hij noemde als voorbeeld het in diskrediet raken van de multiculturele samenleving, maar er zijn meer voorbeelden te geven

[10] De overheid is overmachtig in de zin dat er weinig in de samenleving kan gebeuren of zij is er bij betrokken, maar aan de andere kant ook onmachtig omdat zij niet gefocust is op de belangrijkste maatschappelijke problemen en niemand in staat is goed grip op het overheidsapparaat te krijgen.

[11] Dit is het soort levensbeëindiging waar onlangs een Italiaanse minister Nederland verwijten over maakte, waarbij hij verwees naar Hitler Duitsland. Hem was waarschijnlijk niet bekend dat lang voor dat Hitler aan de macht kwam euthanasie en abortus in Scandinavische landen wettelijk geoorloofd was om eugenetische redenen.

[12] Zie het een paar jaar gelden verschenen boek van dr. Leo Prick, genaamd Drammen, dreigen draaien, ISBN: 9053304614  Mets en Schilt Uitgevers, 2006

[13] Een voorbeeld is de informatie op grond waarvan de nieuwe 80 k.m. zones bij de grote steden werden ingevoerd. Die bleek gecompliceerder te zijn dan de wetgever had aangenomen. In elk geval werkte de zones (officieel) filebeperkend in Rotterdam, maar juist fileverwekkend in Amsterdam en deed het geen van beide in den Haag.

[14] Vanaf het eerste kabinet Lubbers hebben de achtereenvolgende kabinetten zich in plaats van met nieuw beleid in hoofdzaak met reparatie bezig gehouden, met bezuinigingen en pogingen tot herstel van bestaande en onsuccesvolle wetgeving. Dat dit een continu proces is geworden wijst erop dat het systeem als zodanig niet meer goed functioneert en op de helling zou moeten. Dat was in wezen wat Fortuijn betoogde, maar wat onvoldoende is opgepakt door de kabinetten Balkenende en overigens ook door de eigen partij van Fortuijn.

[15] In Frankrijk is ongeveer de helft van de bevolking direct of indirect van de overheid afhankelijk. In Nederland is dat minder maar niet zo heel veel minder.

 

 

10:41 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

02 mei

Bureaucratie I.

 

Het onderwerp bureaucratie houdt veel mensen bezig. Het heeft veel verschillende aspecten, waar ik het in dit verhaal ( in 8 afleveringen) over wil hebben. Maar een ervan heeft mij altijd gefascineerd. Dat is de bureaucratie die voortvloeit uit de omvang van organisaties.

De omvang van de kantoren waar ik in mijn leven heb gewerkt heeft gevarieerd van drie tot ongeveer vijf honderd. Mijn ervaring ermee is dat je het prettigst werkt in een middelgroot kantoor. Liefst niet kleiner dan zes of zeven personen en niet groter dan tachtig of honderd. Daar beneden komt een kantoorgemeenschap met een eigen bedrijfscultuur niet echt tot leven en de mensen blijven er  op eigen houtje opereren. Daarboven slaat de bureaucratie toe. Ben je te klein dan wordt je te afhankelijk van je cliënten en je afnemers. Bovendien heb je te veel last van toevalsfactoren, zoals een secretaresse die op een ongelegen moment zwanger raakt of een medewerker die minder goed blijkt te functioneren dan je had gehoopt en die je toch niet kwijt wil. Maar word je te groot, dan gaat de lol er af.

De meeste mensen associëren bureaucratie met overheden en het is zeker zo dat alle aspecten van bureaucratie daar voorkomen. Ik heb in mijn werk veel met overheden te maken gehad en van dichtbij kunnen zien dat die in vergelijk met het bedrijfsleven in het algemeen minder goed functioneren. Zo nu en dan heb ik ook heel duidelijk kunnen zien waarom. Overheid en bureaucratie, dat zijn de twee onderwerpen waar dit verhaal om draait.

 

Ik heb het eerste deel van mijn werkzame leven doorgebracht op de universiteit als student assistent, daarna op een aantal fiscale adviesbureaus, waaronder twee van mij zelf. Tenslotte, de laatste twintig jaar, heb ik deel uitgemaakt van een advocatenmaatschap. Met bureaucratie heb je in de advieswereld op zich niet zo veel te maken, al was de omvang van dat advocatenkantoor de laatste jaren dat ik er werkte zo mega dat het wel degelijk bureaucratische trekjes ging vertonen.

Toch, echte bureaucratie heb ik pas eind negentiger jaren aan de lijve meegemaakt. Dat was toen ik op verzoek van een interim bestuurder in een grote ambtelijke organisatie een juridische afdeling heb gesmeed uit de juristen die daar werkzaam waren, verspreid over een aantal afdelingen.

Ik deed dat door op één dag in de week gezamenlijk met hun allemaal een paar uur te vergaderen over het werkprogramma van de komende week, door met hun door te nemen waar ze zich de voorafgaande week mee bezig hadden gehouden en door de rest van die dag op individuele basis met iedereen over het onderhanden werk te praten. Zo hield ik overzicht en werd de groepsvorming bevorderd. Door de week was ik beschikbaar voor telefonische consultatie. Dat kon moeilijk anders want ik had ook nog andere cliënten en ik had een sectie op mijn advocatenkantoor waar ik verantwoordelijk voor was. Het was pressure cookerwerk, maar het ging.

 

Die juristen waren aardige en normale mensen, die niet hielden van bureaucratie. Tenminste niet wanneer ze daar zelf het lijdend voorwerp van waren. Wat ze niet in de gaten hadden was dat zij zelf andere mensen bureaucratisch behandelden. Dat deed zich bijvoorbeeld voor als mensen van buiten afhankelijk waren van onze afdeling voor het verkrijgen van vergunningen of voor een andere vorm van medewerking. Ik herinner me het geval van een vergunning voor een manifestatie, die ruim op tijd was aangevraagd maar die aan de betrokken medewerker om een of andere reden wat laat in behandeling was gegeven.

De organisatoren van de manifestatie werden ongerust en belden toen de vastgestelde datum naderde een paar keer op. De medewerker voelde zich niet verantwoordelijk voor de vertraging in de behandeling en raakte geïrriteerd door al die telefoontjes. “Ik zit hier niet alleen voor U”, was zijn reactie “en ik heb nog andere dingen te doen ook”. Ik hoorde dat toevallig en probeerde hem uit te leggen dat dit nu precies het soort gedrag van een overheidsinstelling was waar hij zich zelf aan ergerde, wanneer hij er slachtoffer van werd. Het kostte behoorlijk wat moeite om hem daarvan te overtuigen. Hij had gelijk dat hij nog veel andere dingen moest doen, terwijl voor hem het nagaan of aan de voorwaarden voor de vergunning voldaan was best veel werk betekende. En ook dat het niet aan hem te wijten was dat hij de aanvraag zo laat in behandeling had genomen. Het moet hem tot zijn eer worden nagegeven dat hij toch na het gesprek begreep dat naar de buitenwereld toe de fouten van anderen in de organisatie als eigen fouten moeten worden behandeld. Excuses en een snelle afhandeling zijn dan op hun plaats voor fouten waar je zelf geen enkele bemoeienis mee gehad hebt. Maar dat is kennelijk iets dat hele gewone aardige mensen niet uit zich zelf oppikken.

 

Onnodige bureaucratie wordt in mijn ervaring vermeden als mensen die in de organisatie werken zich met taken en doeleinden ervan kunnen identificeren en overal waar dat mogelijk is de ruimte krijgen om namens de organisatie op te treden in contacten met de buitenwereld. Dan blijft bureaucratisch gedrag vanzelf al wat achterwege. Hoe kleiner de organisatie hoe gemakkelijker het blijkt te zijn.

 

Meestal geven ambtelijke organisaties de mensen te weinig prikkels om de aandacht naar buiten gericht te houden en geeft men een te hoge prioriteit aan de belangen van de organisatie zelf, terwijl men die dan bovendien te eng definieert. Cliëntvriendelijkheid komt niet vanzelf, dat moet er in worden gebracht.

‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’. Die reclamezin herinnert  U zich misschien nog wel. Natuurlijk werd het daar niets gemakkelijker door voor de belastingplichtige, maar het gaf er wel  blijk van dat men aan de top van Financiën  door had dat hier een probleem ligt en dat er iets aan hoort te gebeuren.

 

De grondoorzaak van de irritatie die mensen ondervinden bij de omgang met grote organisaties is, dat hun prioriteiten en die van de bureaucraat zelden met elkaar matchen. De meeste overheidsorganisaties zijn naar binnen gericht. Ze kunnen zich dat permitteren en ze doen het. In een naar binnen gerichte organisatie worden de prioriteiten bepaald door de interne regels. Op het naleven van die regels wordt men afgerekend. Als handelen ergernis of ongelukken veroorzaakt in de buitenwereld, maar de betrokkene heeft zich aan de regels gehouden, dan kan hem weinig gebeuren. Wijkt hij om redenen van menselijkheid van de regels af en wordt dat achteraf als een vorm van ongeoorloofde bevoordeling van de geholpen burger beschouwd en dan zijn de rapen gaar. Wil men hier verandering in brengen dan moeten deze prioriteiten eerst worden omgedraaid. Mensen horen in de eerste plaats te worden afgerekend op de resultaten van hun werk voor de doelgroep.

Wil de overheid haar organisaties meer klantvriendelijk maken, zoals zij zegt te willen, dan zullen haar ambtenaren voortaan dus niet meer alleen aan het naleven van interne regels moeten worden gehouden,  maar zal bij promoties, functioneringsgesprekken, salarisverhogingen  e.t.q. ook rekening moeten worden gehouden met het oordeel van de buitenwereld op hun functioneren. Hoe die reacties van de buitenwereld moeten worden gemeten is een technisch probleem. Als de overheid daar zelf geen sjoege van heeft bestaan er genoeg deskundigen die haar daarover tegen goede betaling willen adviseren.

 

Tot nu toe hebben we het over bureaucratie gehad waar iedereen bezwaren tegen heeft, over regelknechterij, maar het woord staat ook voor een heel ander begrip. Max Weber ziet bureaucratie als een noodzakelijk uitvloeisel van de rechtsstaat en als de enige fatsoenlijke regeringsvorm voor mega samenlevingen. Onze eigen Westerse is er zo een en de Chinese en Romeinse samenlevingen waren het vroeger al. Bureaucratie in de definitie van Weber is het verdelen van taken over veel uitvoerende personen en een coördinatie van die taken door middel van regels en discipline. Houden de functionarissen zich niet aan de regels, maar gebruiken ze hun eigen verstand en initiatief, meent Weber, dan verdwijnt de coördinatie en loopt het dus fout. Individuele lagere functionarissen hebben meestal of te weinig capaciteit om verantwoord eigen initiatief te kunnen nemen, of te weinig overzicht over het geheel, of beide. Daar ontmoeten dan die twee begrippen bureaucratie elkaar en is meteen de onvermijdelijkheid gegeven van de bureaucratische tekortkomingen waar iedereen zich zo aan ergert. Die kunnen alleen worden beperkt, maar nooit helemaal vermeden. De kunst bij het inrichten van een bureaucratisch apparaat is om de juiste mix te vinden tussen betrouwbaarheid in de uitvoering en voldoende menselijk inzicht bij de leidinggevenden om de ergste gevolgen daarvan te voorkomen. Hoe die mix er in de praktijk moet uitzien, daar bestaan geen regels voor. Dat is een kunst en er zijn tegenwoordig nog maar weinig hoge ambtenaren die deze kunst beheersen.

 

Beperken doet men de gevolgen in de eerste plaats door apparaten nooit groter te laten worden dan strikt nodig is en in de tweede plaats door ze goed te organiseren. Regelmatig onderhoud van een organisatie is ook van groot belang. Onderhoud en aanpassing dienen te gebeuren met één oog op het doel van de organisatie en het andere oog op de ter beschikking staande middelen.

13:26 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Bureaucratie II

 

 

Als de mensen niet geïnteresseerd lijken te zijn in de verkiezingen dan ligt dat niet aan de media, zegt de Volkskrant een dag voordat er verkiezingen plaats vinden.

De krant bedoelt dat zij zelf, de andere kranten en de tv bijna nergens anders aandacht voor hebben, maar dat het publiek weg zapt en hun berichten overslaat. Daarmee is nog niet gezegd dat dit niet aan de media kan liggen. De mogelijkheid bestaat immers dat zij de verkeerde voorlichting geven en dat de er mensen daarom geen aandacht voor verkiezingen hebben. Of dat verkiezingen, anders dan de Volkskrant denkt, niet echt belangrijk zijn voor de mensen.  Een onderzoek naar de redenen van de ongeïnteresseerdheid van de mensen wordt in de media en in de peilingen niet vaak gedaan. Daarom hier een poging.

 

De strijd tussen de partijen interesseert de mensen niet erg want ze verwachten geen ander beleid of althans geen beter beleid van een andere regering. Dat schijnt me de belangrijkste reden te zijn voor hun desinteresse. Over het overheidsbeleid waren de mensen al lang voor de dagen van Fortuijn niet meer zo tevreden.  De media richten al hun aandacht op het Kabinet en de Tweede Kamer, maar de mensen hebben te maken met de overheidsinstellingen zelf, met de scholen, met de ziekenhuizen, de politie, de deelraden en al die andere instellingen waaronder ook verzekeringsmaatschappijen en banken, die  helemaal geen overheid zijn maar zich in het publieke leven wel als zodanig gedragen: monopolistisch, naar binnen gericht en allerminst klantvriendelijk.

 

De ontevredenheid van de mensen richt zich niet zozeer tegen de zittende regering als wel tegen het publieke bestel dat door de regering wordt vertegenwoordigd en waarvan zij het symbool is. Behalve de ambtenaren maken van dat bestel ook alle politieke partijen deel uit. Dat het geen verschil maakt wie nu precies in de regering zit, dat voelt iedereen wel aan en die wetenschap bevordert geen enthousiasme voor verkiezingen. Verkiezingen brengen geen veranderingen op de terreinen waar de mensen graag veranderingen zouden willen zien. Verandering willen ze vooral op het niveau van de overheidsinstellingen waar zij in de praktijk mee te maken hebben. De kiezer heeft heel goed door dat de macht van de politiek op dat punt juist niet bijster groot is en dat een gewijzigde regering voor hem niet meer betekent dan een ander uithangbord aan dezelfde winkel.

 

Die overheid waarmee hij te maken heeft is heel belangrijk voor de burgers. Ook al functioneert die in veel opzichten niet zo goed, ze zouden niet zonder overheid kunnen. Maar de politieke partijen zijn in het bestel een randverschijnsel geworden. Hun taak zou het moeten zijn om een concept te hebben voor het bestuur van het land. Bovendien zouden zij dat concept tot uitvoering moeten kunnen brengen als zij aan de macht zijn. Dat gebeurt niet en dat kan ook niet. Door ervaring wijs geworden schrappen de partijen al de programmapunten die er toch niet door te krijgen zijn. Maar ook de punten waar wel iedereen het over eens is, verbetering van de zorg, van het onderwijs, van de veiligheid op straat, de integratie van allochtonen, ook de verbetering op die punten zal er niet komen, of als hij er komt zal het niet aan het gewijzigde beleid liggen van deze of een volgende regering. De samenleving verandert, maar dat gebeurt buiten de overheid om, lijkt het wel. De overheid heeft de grootste moeite om de veranderingen bij te houden. Verkiezingen dienen dus niet om veranderingen in de overheid of in de samenleving te bewerkstelligen, maar waarvoor dienen ze dan?

 

De kiezer weet uit ervaring dat zijn stem niet veel meer is dan een pokerchip in handen van politieke dames en heren en dat die chip dient voor een spel in Den Haag, niet voor een correctie op de governance van het land. Veranderingen in het optreden van de overheid worden door andere krachten bepaald dan door zijn stem. Hij ziet dat de Haagse politiek de ambtelijke organisaties niet meer aanstuurt, dat een besluit dat in de ministerraad wordt genomen en dat de goedkeuring heeft van het parlement zelden of nooit leidt tot een voor de mensen herkenbare verbetering. Vrijwel altijd blijken de gevolgen van wetten anders te wezen dan vooraf bedoeld. Iedere keer blijkt dat de regering verkeerd is voorgelicht over wat er op het ambtelijk niveau gebeurt. Politieke besluiten komen in Den Haag tot stand op grond van onvolledige informatie uit de samenleving en uit het ambtelijk apparaat. De genomen besluiten worden voorts anders uitgevoerd dan de bedoeling is van de politiek.

 

Voor de slechte bestuurbaarheid van overheidsapparaten zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. De belangrijkste is het gebrek aan een heldere op de actuele problemen gerichte organisatie. Is er een nieuw, net opgericht overheidsapparaat, zoals de NMA of de AFM,  dan heb je kans dat het een tijdlang goed functioneert, maar veel langer dan de eerste decennia duurt dat meestal niet. Er lijkt een sociologisch mechanisme ten grondslag te liggen aan de kwaliteitsvermindering van overheidsorganisaties of misschien wel meer dan één sociologisch mechanisme[1].

 

Om te zien waarom de bestaande instellingen niet meer doen waarvoor ze ooit zijn opgericht is zou een kort historisch overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van onze huidige overheid dienstig kunnen zijn.

 

De staatsinrichting van Nederland is van Franse oorsprong en dateert uit de tijd van het Koninkrijk Holland, toen Lodewijk Napoleon, de broer van de Franse keizer het hier voor het zeggen had. Er zijn nog wat overblijfselen uit eerdere  perioden maar die zijn relatief onbelangrijk. De ministeries zijn bedacht door de familie Napoleon en de rest van de inrichting heeft haar uiteindelijke vorm gekregen in de periode van de Oranje restauratie kort erna. Dat was, zo in de eerste helft van de negentiende eeuw, helemaal geen slechte organisatie.

Nederland was in economische zin geruïneerd in de Franse tijd. De nieuwe organisatie van de overheid heeft zonder twijfel meegeholpen aan de grote economische en sociale opbloei die het land in de negentiende eeuw heeft doorgemaakt. De overheid bevorderde de industrialisatie en de verbetering van de landbouwmethoden .Ze deed dat ondermeer door kennis uit het buitenland naar Nederland te halen en door het onderwijs te bevorderen.. De indeling van de lagere overheden in waterschappen, gemeenten en provincies was historisch bepaald maar tegen de achtergrond van de eigentijdse verkeer- en communicatiemiddelen rond achttienhonderd nog steeds verstandig en efficiënt. De overheid deed vooral niet te veel en hield zich met een beperkt aantal goed gedefinieerde taken  bezig. Haar inrichting was helemaal op het vervullen van die taken gericht. Dit systeem heeft ongeveer tot de wereldoorlogen toe bevredigend gewerkt, en is daarna in het ongerede geraakt.

[1] Bespaar U overigens de moeite om die oorzaken in een sociologisch handboek te vinden. Ik heb daar verschillende keren mijn best voor gedaan en het is me niet gelukt. Het is kennelijk geen onderwerp dat sociologen interesseert.

 

13:25 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Bureaucratie III

 

 

De overheidsbemoeienis met onze samenleving is na de tweede wereldoorlog explosief toegenomen. De groeiende welvaart maakte een relatief groter beslag van de overheid op de middelen in de samenleving mogelijk. De door de Duitsers opgelegde belastingverhogingen die dienden ter financiering van de oorlogsuitgaven werden na afloop van de tweede wereldoorlog niet teruggedraaid. Achteraf gezien is dat een belangrijke fout van de wederopbouwkabinetten geweest en vooral van het parlement, dat daarbij haar controlerende taak heel anders heeft opgevat dan de grondwetgever die ooit had bedoeld. Men wilde het herstel van de oorlogsschade en de wederopbouw in overheidshand houden en men wilde een welvaartstaat naar het model van Beveridge en zijn Labour Party in Engeland. Men heeft daarbij te veel in eigen hand genomen en te weinig overgelaten aan andere krachten in de samenleving.

 

Voor de nieuwe taken die de overheid op zich nam werden in het algemeen de bestaande departementale organisaties gebruikt, die daar allerminst op waren ingericht. Het is achteraf wel duidelijk dat als er in 1950 of 1960 een  nieuwe start had kunnen worden gemaakt de overheid er heel anders zou hebben uitgezien dan in 1813 en dat ook de nieuwe middelen van communicatie en bestuur die ter beschikking kwamen op een heel andere wijze zouden zijn aangewend. Maar het is nu eenmaal onmogelijk om het bestuur een aantal jaren stil te zetten, en na een reorganisatie een herstart te maken. Daar is een oorlog of een revolutie voor nodig en dat middel is duidelijk  erger dan de kwaal. Bovendien zou een effectieve organisatie uit 1950 nu al weer aan een grote herziening toe zijn geweest, het soulaas was dan maar tijdelijk geweest.

 

Veel beter lijkt het om de bestaande overheid eerst langzaam om te vormen en dan permanent  zo te organiseren dat er zonder veel moeite periodieke aanpassingen kunnen worden doorgevoerd. Die aanpassingen zijn nodig wanneer aan de overheid nieuwe eisen worden gesteld of er nieuwe middelen ter beschikking komen om bestaande taken mee uit te voeren[1].  Dat betekent  weliswaar dat de overheid nooit helemaal zal voldoen aan de eisen van het moment, maar ook dat een uit elkaar groeien van overheid en samenleving, zoals nu het geval is, kan worden vermeden. De overheid zou bij voortduring naar buiten gericht moeten blijven en geconcentreerd op de problemen die vanuit de samenleving op haar af komen. Aan de volgende punten zou bij de reorganisatie de voorrang moeten worden gegeven

 

  1. Geen extreem naar binnen gerichte aandacht en energie meer, waar de stammenoorlogen tussen de departementen een uitwas van zijn.
  2. Geen beleidsafdelingen die alleen maar elkaar en zichzelf bezig lijken te houden. Laat beleid liever bedenken en voorkoken op de universiteiten en in denktanks en neem het af als het nodig wordt en niet eerder..
  3. Geen doorsudderende oude afdelingen, die geen aanwijsbare functie meer hebben.  Schaf periodiek af wat niet langer strikt nodig is.

 

De organisatie zou zo moeten worden ingericht dat het gemakkelijker wordt iets af te schaffen dat niet goed functioneert dan het te laten voortbestaan. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door aan meetbaar slecht functionerende afdelingen een steeds beperkter budget toe te kennen en ze op die manier te laten afsterven.

Fortuijn heeft een schets gegeven voor een gereorganiseerde overheid in een van de vele essays die hij aan het onderwerp overheid heeft gewijd. Zij hield ondermeer in een indeling van de overheidstaken in tijdelijke en permanente. De tijdelijke taken zouden in een projectvorm dienen te worden georganiseerd, niet bemand met ambtenaren maar met tijdelijk ingehuurde krachten of mensen van adviesbureaus. Belangrijke projecten, zoals bijvoorbeeld de Onderwijsvernieuwing, de Betuwelijn of de Deltawerken zouden worden aangestuurd door energieke en bekwame staatssecretarissen met politieke verantwoordelijkheid, minder belangrijke projecten door hoge ambtenaren.

Permanente taken zouden worden verdeeld in essentiële[2]en niet essentiële. De niet essentiële, maar wel nuttige taken,  zouden zoveel mogelijk worden uitbesteed aan ZBO’s of, als dat zou kunnen, aan het bedrijfsleven. De overheidsfuncties die onontbeerlijk zijn voor het voortbestaan van de samenleving, waaronder financiën, justitie, binnen en buitenlandse veiligheid, het onderhoud van de nationale infrastructuur, het onderwijs en de volksgezondheid  zouden departementen blijven. Maar de departementen zouden opnieuw moeten worden opgezet, met een beperkt aantal functies en een gerichtere organisatie. De ministerraad zou beperkt blijven tot vijf of zes superministers. Dat zou goede besluitvaardige vergaderingen mogelijk maken waarin staatssecretarissen alleen op uitnodiging zouden verschijnen.

 

Een dergelijke reorganisatie zou de greep van de politiek op het apparaat vergroten en het begrip democratie een nieuwe inhoud geven. De regering zou haar verantwoordelijkheid voor de overheid tegenover het parlement en het publiek weer waar kunnen maken en de kiezer zou weer iets te kiezen hebben.

Erg waarschijnlijk is het niet dat een zo grondige reorganisatie snel tot stand zal komen. Daarvoor zijn te veel belangen gemoeid bij de huidige organisatie en vooral: men heeft onvoldoende overzicht over wat er binnen het apparaat gebeurt om de consequentie te kunnen overzien van een zo grootscheepse verandering.

 

De wetenschap die dat soort veranderingen en hun consequenties zou moeten bestuderen is de sociologie of haar deelwetenschappen, de politicologie en de bestuurskunde.

Het veld dat deze wetenschap zegt te onderzoeken zit vol met de meest fascinerende problemen[3].

Het bedrijfsleven, profit zowel als non profit,  zou gebaat zijn bij harde informatie over groepsgedrag van mensen. Het zou ondernemers in staat stellen hun bedrijven beter te organiseren en de mensen in organisaties beter te laten functioneren, Dat is net zulke belangrijke informatie als de bedrijfseconomie kan leveren.

[1] De globalisering van de economie en de veranderde functie van de EU stellen bijvoorbeeld nieuwe eisen en nieuwe middelen komen ter beschikking door het ontstaan van het internet en het algemene gebruik van computers.

 

[2] Essentieel zijn taken waar het functioneren van de samenleving mee gemoeid is en die zonder ingrijpen van de overheid niet of onvoldoende zouden worden verricht. Maar ook belangrijke taken waarbij van de sturende werking van de markt niets verwacht kan worden omdat  het om monopolies of oligopolies  gaat, zouden onder overheidstoezicht moeten blijven staan;

 

[3] denk eens aan deze:

  1. Wie zelf ooit fusies heeft meegemaakt weet dat het voor zijn eigen werk en voor degenen in de organisatie met wie hij te maken heeft zelden een verbetering oplevert. Waarom zou het dan wel voor de organisatie als geheel een verbetering opleveren? De kostenbesparingen die men zich van een fusie belooft blijken er eigenlijk nooit te komen. Waarom zijn fusies en overnames dan nog steeds zo populair?
  2. In een organisatie van zestig tot tachtig mensen blijkt iedereen iedereen te kennen en ook in de persoonlijke sfeer elkaars doen en laten te volgen. In een organisatie van 130 mensen kent niet meer iedereen iedereen, maar het aantal mensen dat een coherente groep vormt, valt niet terug naar bijvoorbeeld vijf en zestig; nee: de organisatie deelt zich op in kleine groepjes en het aantal mensen dat men goed kent blijft voortaan beperkt tot tien of twaalf.
  3. Iedereen weet dat een minister onmogelijk op de hoogte kan blijven van alles wat er op zijn ministerie gebeurt en dat er bij voortduring beslissingen worden genomen waar hij niet in wordt gekend. Niet iedere ambtenaar is in staat om op de voet te volgen wat de minister in de kamer zegt, dus soms neemt hij beslissingen die in strijd zijn met wat een minister heeft beloofd, dat is onvermijdelijk. Waarom doet iedereen als of dat allemaal anders is? Dat heeft niets te maken met de politieke fictie dat een minister verantwoordelijk wordt gehouden voor de besluiten van zijn ambtenaren. De journalist spreekt en schrijft erover alsof wat de minister in de kamer verdedigt daadwerkelijk door hemzelf bedacht of gedaan is, met grote persoonlijke verontwaardiging soms tegen de persoon in kwestie. Heeft het publiek dat nodig om zich gerust te voelen over de wijze waarop het wordt geregeerd?

 

Het aantal jonge mensen dat vanwege hun interesse in dit soort problemen  zich ooit heeft voorgenomen het vak te gaan studeren moet niet gering zijn. Op het grote advocatenkantoor waar ik een deel van mijn leven heb doorgebracht liepen drie of vier advocaten rond die ooit enthousiast aan een studie sociologie waren begonnen maar al voor hun bachelors (kandidaats)examen teleurgesteld waren omgezwaaid naar rechten. Ik zelf heb mij na mijn eindexamen op dit en een aantal andere vakken georiënteerd en van sociologie afgezien omdat niemand daar  iets met mijn vragen kon.

 

 

13:24 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Bureaucratie IV.

 

 

Onderdeel van de biologie is de ethologie, de leer omtrent psychologie en het gedrag van dieren. Diergedragsleer is onderdeel van de evolutionaire biologie. De evolutie van gedragingen wordt door biologen  niet als iets wezenlijk anders beschouwd dan de evolutie van dierlijke organen zoals vleugels of staarten. Dat geldt zowel voor dierpsychologie als diersociologie.

Sinds Darwin aanvaardt de wetenschappelijke wereld dat mensen een diersoort zijn en dat wij door een evolutieproces zijn voortgekomen uit andere dieren. Dat geldt voor ons gedrag net zo goed als voor onze organen.  Niet dat na bestudering van de diergedragkunde de antwoorden op alle sociologische vragen meteen duidelijk zouden zijn, maar er zou vanuit biologische uitgangspunten  op een productievere manier over dit soort vragen kunnen worden nagedacht. Menselijk gedrag is een voortzetting in nieuwe vormen van het gedrag dat we kunnen waarnemen bij de aan ons verwante zoogdieren. Onze  samenlevingen zijn net zo zeer een biologische verschijnsel als een groep dolfijnen of een kolonie termieten. Veel van het dierlijk gedrag is minutieus beschreven en het biedt allerlei aanknopingspunten voor de studie van mensen.

 

Een paar jaar geleden kwam er het bericht dat de zeventien Nederlandse firma’s die in evenementenvuurwerk handelen niet aan alle regels voldoen die er zijn om de veiligheid van hun personeel te beschermen. Gedoeld werd op de Nederlandse Arbowetgeving en de relevante Europese regelgeving vor de bescherming van personeel, voor zover die directe werking heeft. Dat zijn weer andere regels dan de nieuwe die er gekomen zijn sinds de brand in Enschede om de veiligheid van het publiek te waarborgen.

Te vermoeden valt dat ook de gespecialiseerde adviesfirma’s en de overheidsfunctionarissen, die met de controle belast zijn, de Arbowetgeving niet in haar geheel meer kunnen overzien. Wie de moeite neemt haar op het internet op te zoeken gaat het al snel duizelen. Niet alleen is het aantal bladzijden tekst van de wetten, verordeningen, uitvoeringsbesluiten, bijlagen etc. die op het onderwerp betrekking hebben erg groot,  de ambtelijke nota’s die gemaakt zijn om het geheel begrijpelijk te maken worden in een proza geschreven dat zelfs een geschoolde jurist veel moeite kost. Dan gaat het niet over het Vuurwerkbesluit zoals dat in 2002 is hernieuwd en sindsdien vrijwel ieder jaar is gewijzigd en aangepast, laatstelijk  op 25/3/10, maar alleen over de Arbo regels voor de gezondheid en veiligheid van het personeel.

 

Er zijn websites van firma’s die pretenderen het allemaal uit te kunnen leggen. Zij zijn bereid tegen betaling cursussen te geven aan zowel de betrokken firma’s als aan de ambtenaren om iedereen op de hoogte te houden van de geldende wetgeving en de voortdurende wijzigingen, maar ik twijfel. Ik denk dat zelfs zij niet weten wat er allemaal precies staat en dat er eigenlijk niemand meer is die dat nog vast zou kunnen stellen.

We zijn al lang het punt gepasseerd waar in het woud van bestaande regelgeving nog iemand exact de weg weet te vinden en de regelgeving is haar doel dus kwijt geraakt. De mensen die zich er aan zouden moeten houden kunnen er niet mee omgaan. Ze zijn afhankelijk geworden van hun professionele adviseurs. De adviseurs en de controlerende ambtenaren bepalen in onderling overleg wat er als recht geldt, niet de wetgever. Als de professionals er niet uitkomen, stappen ze naar de bevoegde rechter. Dat doen ze liever niet want het is een gok wat er dan uit zal komen en die onzekerheid brengt voor iedereen last en ongemak mee. Wat die professionals en desnoods dus de rechter zeggen wat recht is, dat geldt als recht. Vaak heeft dat alleen een verwijderd verband met wat de wetgever ooit kan hebben bedoeld.

 

Zo werkt het in de Arbo wetgeving, bij de subsidiewetgeving, maar ook in oudere en eerbiedwaardige rechtsgebieden als de fiscaliteit. Niet de wet maar de uitleg van de praktijk bepaalt wat geldend recht is en geen burger is meer in staat om zonder hulp van deskundigen te weten te komen waar hij aan toe is.

Deze constatering is niet nieuw, maar oplossingen voor het probleem zijn er niet. Afschaffing van regelgeving is wel geprobeerd, maar ook dat werkt niet. De overheid opereert nu eenmaal door het maken van regels en zelfs de afschaffing ervan vindt plaats door het maken van nieuwe regels.

Veel beter zou het zijn als de overheid het aan zou durven om iedere branche een boekje, een klein boekje van een bladzijde of tien, te verstrekken in begrijpelijk Nederlands, waar duidelijk in zou staan aan welke voorwaarden zij zich zouden hebben te houden. Vervolgens zou de regelgeving in Brussel, Den Haag en bij alle andere overheden zo moeten worden aangepast dat wat er in het boekje staat ook kan worden waargemaakt. De rechters zouden dan net als de gewone mensen weer weten wat de bedoeling van de wetgever is en de mandarijnendeskundigheid kan zijn plek vinden op de wetgevende afdelingen van de overheden, in plaats van de gewone mensen geld te kosten.

 

Bureaucratie bestaat omdat moeilijke problemen in de samenleving moeten worden opgelost met gewone mensen zoals wij allemaal zijn. Van eigen initiatief moet daarbij niet te veel worden verwacht. De ervaring leert bovendien dat veel ongelukken juist gebeuren doordat in grote apparaten mensen te veel op eigen houtje werken en er te weinig coördinatie is. Niet teveel bureaucratie dus maar eerder te weinig.

Bureaucratie is onvermijdelijk. Daarom bestaan er regels en als het goed is worden de beambten geoefend in het automatisch toepassen van de regels, zodat ze het blind goed doen. Maar bureaucratie werkt alleen goed voor problemen die zich steeds opnieuw op de dezelfde manier voordoen. Krijgt men daarentegen steeds met nieuwe situaties van doen en verwacht men voor de behandeling daarvan initiatief van zijn ambtenaren dan behoort men de bureaucratie te beperken tot een minimum. De betrokken ambtenaren moeten dan een hogere graad van competentie hebben. Omdat het leven nu eenmaal een mix is van het herhaalbare en het nieuwe zal ook bureaucratische regelgeving en het  ingrijpen door  competente mensen binnen de overheid op een goede manier moeten worden gemixt.

 

Ab Osterhaus, hoogleraar aan de Erasmus universiteit en Nederlands grootste deskundige op het terrein van epidemieën, is een aardige man. Ik ken hem uit de tijd dat ik in het bestuur zat van het Koningin Wilhelmina Fonds. Osterhaus was helemaal niet nors of onaangenaam, ging niemand onnodig op de tenen staan en hij leek mij bovendien een competente man.

Een van de vragen die hem ooit in een interview werden gesteld was aan wat of wie hij de grootste hekel had. Dat bleek te zijn aan het soort ambtenaren, met wie hij veel te maken kreeg, het middenkader[1] ambtenaren dat met de uitvoering van beleid was belast. Ondeskundig, langzaam en niet berekend op de taak die hun is gesteld, vond hij.

 

De belangrijkste reden waarom de Nederlandse overheid de afgelopen decennia zo aan legitimiteit bij de bevolking heeft ingeboet is de oververtegenwoordiging van dit soort ambtenaren bij de uitvoering en het kennelijk onvermogen van de politiek om ze aan te sturen of te corrigeren.

Als uitvloeisel van de welvaartstaat is het aantal ambtenaren, zoals we zagen, sinds de tweede wereldoorlog sterk uitgebreid. Voor al de nieuwe taken die de overheid op zich nam zijn maar weinig nieuwe[2] organisaties opgezet. Het meeste nieuwe werk kwam terecht bij de bestaande departementen, die voor de gelegenheid van nieuwe namen en nieuwe afdelingen werden voorzien. Een reorganisatie van het gehele overheidsapparaat om het op de nieuwe taken en op de uitbreiding van de oude aan te passen heeft nooit plaats gevonden. Daardoor is het verband uit de overheid verdwenen, weet zelfs binnen hetzelfde ministerie vaak de ene afdeling niet meer wat de andere doet en ontstaan de communicatiestoornissen en vergissingen waarvoor de politieke gezagsdragers in de publiciteit en het parlement de schuld wordt aangewreven.

 

De bevolking stuit op de gevolgen van het overheidsbeleid, maar het ziet van buiten af niet wie het daar op aan moet spreken. De politiek dient als hoofd van Jut, maar het wegsturen van een regering door massaal op andere partijen te stemmen heeft in de praktijk maar weinig effect. Datgene waar men zich aan ergert, de beloftes die worden gedaan en niet nagekomen, de traagheid, de onverwachte en altijd tegenvallende gevolgen van veranderingen, die met veel tamtam in de media worden aangekondigd, het gaat allemaal gewoon door.

Ten dele komt omdat overheidsbeleid wordt uitgevoerd door los van elkaar opererende middenkader ambtenaren, over wie niemand het overzicht bewaart en die stuk voor stuk een andere agenda hebben dan de oplossing van het probleem waar ze met zijn allen voor staan. Maar ook op het niveau van de hoge ambtenaren is niet altijd de competentie aanwezig die noodzakelijk zou zijn op plaatsen waar over zulke grote belangen wordt beslist

Er zijn nogal wat hoge functionarissen bij de overheid en trouwens ook in het grote bedrijfsleven die niet mee kunnen op het hoge abstractieniveau, waarop men tegenwoordig vaak met de materie hoort om te gaan. Men moet op het hoogste niveau in de details kunnen gaan en het tegelijk het overzicht over het geheel kunnen bewaren, anders gebeuren er ongelukken. Dat die ook daadwerkelijk gebeuren kunnen we regelmatig in de krant lezen. Op het terrein van de automatisering bijvoorbeeld waar de meeste efficiencywinst gezocht moet worden voor de overheid vinden veel suboptimale investeringen plaats en wordt er lang niet zoveel uit de nieuwe technieken gehaald als mogelijk zou zijn. De beslissingnemers bij de overheid worden kennelijk op dit punt onvoldoende geschoold.

[1] Men zou verwachten dat de topambtenaren aansprakelijk zouden zijn voor de uitvoering van het beleid, maar dat is in Nederland niet zo. Topambtenaren sturen hun minister aan en bereiden zijn of haar optreden voor in de gremia waar het er echt om gaat, voornamelijk de ministerraad,  het parlement en zondags in Buitenhof. De laag eronder voert in wezen het beleid uit maar mist over het algemeen de rang en de bevoegdheid  die nodig zijn om waar dat moet van de regels af te wijken,

[2] De laatste tien of twintig jaar zijn de ZBO’s verschenen op het politieke toneel, de zelfstandige bestuursorganen. ZBO’s zijn er in alle kleuren en maten, rijp en groen, zodat het moeilijk valt er iets algemeens over te zeggen. Maar vaak waren het onderdelen van een departement die elders waren gehuisvest en waar door hun deskundigheid of om andere redenen weinig controle op viel uit te oefenen. Omdat ze om dezelfde reden ook vaak anders waren gehonoreerd en gefinancierd dan de rest vormden ze een vervelend precedent en was het veiliger om hen buiten te plaatsen. Niettemin, ZBO’s zijn een vooruitgang want ze zijn wel op specifieke taken gericht

13:23 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Bureaucratie V.

 

 

Het hart van de regelgeving zijn de wetten die door de Regering en de Staten Generaal worden vervaardigd.

Formeel wordt wetgeving inderdaad geproduceerd door de Kroon, d.w.z. door het Kabinet en de Majesteit aan de ene kant en door de Staten Generaal aan de andere kant. In werkelijkheid gebeurt het door de wetgevende afdelingen van de departementen, door het Ministerie van Justitie en door de afdeling wetgeving van de Raad van State en tenslotte door commissies in het Parlement. Diverse adviesorganen spelen ook een rol. Ministers hebben er maar incidenteel mee te maken. Meestal alleen bij het besluit om de wet te gaan maken en vlak voor zij de wet moeten gaan verdedigen in de Kamer.

 

Wetgeving is de primaire beleidsreactie van de overheid op in de samenleving geconstateerde tekorten en misstanden. Op het ministerie horen voldoende hoge beleidsambtenaren te zitten die in staat zijn om de gesignaleerde problemen te analyseren en om na te gaan welke wetgeving nodig is om het gewenste effect te bereiken. Misschien zouden ze ook nog in staat moeten zijn om te zien welke niet bedoelde neveneffecten de wetgeving zou kunnen hebben. Voor de wetgevende arbeid zelf zouden zij hooggeschoold en ervaren personeel ter beschikking moeten hebben, dat in goed georganiseerde afdelingen opereert, voor elk probleemveld een eigen afdeling. Aan het hoofd van iedere afdeling zouden een directeur en een plaatsvervangend directeur horen te staan. De directeur zou de probleemeigenaar moeten zijn. Hij zou het veld waarvoor hij verantwoordelijk is zowel in grote lijnen als in de details moeten kennen. Hij is verantwoordelijk voor efficiënte en leesbare wetgeving, die niet alleen het probleem oplost waarvoor de wet bedoeld is, het aantal ongewenste neveneffecten beperkt, maar ook nog voldoet aan de ideologische eisen van de minister, zodat deze het in de ministerraad en tegenover zijn achterban in de Kamer kan verdedigen. De plaatsvervangende directeur moet er zoveel van weten dat hij hem op ieder gewenst moment kan vervangen.

 

Zo zou het moeten maar zo gaat het niet. De hoge ambtenaren houden zich nauwelijks bezig met de problemen in de samenleving waarvan ze meestal niet goed op de hoogte zijn. Zij hebben eigen problemen en een eigen wereld. Ze voeren oorlogen met andere overheidsorganisaties die meestal beslist worden in  het kabinet. Daar bereiden ze hun minister op voor. Ze zijn daarnaast ook bezig met het uit de wind houden van hun minister in de media en in de kamer. De echte maatschappelijke problemen waar ze voor staan komen alleen in een abstracte en afgeleide vorm op het bord van de beslissingnemers. In de praktijk worden de meeste beslist door het soort ambtenaren waar Osterhaus zo veel kritiek op had (zie onder Bureaucratie IV).

 

Het departement in den Haag bestaat uit een mengelmoes van onafhankelijke organisaties, die allemaal hun eigen dingen doen volgens een lijst met eigen prioriteiten en zonder dat hun werkzaamheden behoorlijk op elkaar zijn afgesteld. Ambtenaren zijn geen eigenaar van problemen, ze zijn eigenaar van hun baan. Ze zijn praktisch gesproken niet te ontslaan of over te plaatsen en daarom ook nauwelijks beïnvloedbaar. Als ze incompetent zijn blijven ze zitten en vormen een blijvend obstakel. Als ze goed zijn maken ze carrière en verdwijnen. De wisseling van de wacht gaat door tot er iemand op de plek komt die niet competent is en blijft zitten.

 

Een wetgevend project wordt niet behandeld op grond van de eigen urgentie, maar in de eerste plaats op grond van het prioriteitenschema van de betrokken ambtenaar en vervolgens op grond van de politieke prioriteiten van de leiding van het departement. Maatschappelijke urgentie heeft er alleen invloed op in afgeleide vorm, via de politieke druk en de openbare mening.

 

Omdat ook een goede manager alleen maar goed leiding kan geven aan een organisatie waar hij vat op kan krijgen, worden departementen slecht geleid. Niemand krijgt er vat op. Omdat ze slecht geleid worden komt er ook zelden kwaliteitsverbetering en hebben competente mensen de neiging hun heil elders te zoeken.

Men komt deze specifieke vorm van door de organisatie bepaalde onbekwaamheid vooral tegen bij de overheid maar toch ook wel bij het grote bedrijfsleven. Dat laatste zal sommigen verbazen, omdat bedrijven immers failliet kunnen gaan. Dat is zo en daarom is het in het bedrijfsleven ook minder algemeen dan bij de overheid en concentreert het zich daar bij de afdelingen die er voor de core  business van de onderneming niet echt toe doen. De competente raad van bestuur van een groot bedrijf besteedt haar aandacht aan de goed renderende afdelingen of op de plaatsen die van cruciaal belang zijn voor de rest van de onderneming. Bij de slecht renderende en minder essentiële afdelingen ontstaat een soortgelijke desorganisatie als bij de overheid, alleen wat minder spectaculair.

 

We hebben er nu geen idee meer van hoe moeilijk het ooit geweest moet zijn om een land te besturen in de tijd dat de snelste vorm van communicatie een ruiter te paard was of een schip, als het om werkelijk grote afstanden ging.

Het feodalisme, dat een extreme vorm van bevoegdheidsdelegatie inhield was in de vroege Middeleeuwen de primitieve oplossing voor dat probleem. Ook later, toen de communicatie verbeterde, bleef een vergaande delegatie van bevoegdheden nodig om bestuurbare organisaties te creëren binnen grote territoriale eenheden.

Veel van de functionarissen die we nu nog hebben dateren in wezen uit die vervlogen dagen. Een commissaris van de koningin is een overbodige functie. Het hele provinciale bestuur is overbodig, al zouden een aantal van haar taken door het niveau er boven of eronder moeten worden overgenomen als we de provincies zouden afschaffen.

Als provincies niet zouden bestaan zouden ze er nu niet meer komen. Maar dit soort organen wordt niet afgeschaft om de paradoxale reden dat iedereen het druk genoeg heeft en niet om extra werk verlegen zit. Afschaffen van het provinciaal bestuur zou een herverdeling van deel van de provinciale taken meebrengen en dat betekent voor een aantal mensen nu extra werk, al zou het op den duur zeker veel werk sparen. Ook ambassadeurs zijn functionarissen uit de tijd van vóór de moderne communicatie. Zo iemand heette vroeger  ministre plénipotentiaire, hetgeen wil zeggen dat hij beslissingen kon nemen zonder nieuwe instructies van zijn regering.  Het hebben van zo’n soort ambassadeur was ooit een noodzaak maar is intussen een ambassadeur of gezant een vorm van beleefdheid geworden. De hoffelijkheid tegenover het  buitenland staat het afschaffen in de weg, maar een noodzakelijke functie heeft een ambassade eigenlijk niet meer.  We zouden het ook heel goed met consulaten kunnen doen en verder met elektronische communicatie tussen de regeringen en ambtelijke diensten.

13:22 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Bureaucratie VI

 

 

Een ineenstorting van een samenleving, zoals dat bijvoorbeeld gebeurde bij de Franse revolutie, heeft zeker ook zijn goede kanten. Het geeft gelegenheid om allerlei oude instellingen en gebruiken die nergens meer toe dienen in één klap af te schaffen. Daar komt het anders nooit van. Afschaffen heeft daarvoor te veel onvoorziene consequenties, we durven het niet aan, als het niet echt onvermijdelijk is. Bovendien, er worden mensen mee op de tenen getrapt en hun bezwaren klinken harder dan de instemming van de grote meerderheid. Die meerderheid profiteert wel van de veranderingen maar dat gebeurt pas op lange termijn en het voordeel is diffuus. De nadelen zijn direct en treffen de kleine groep betrokkenen hard.

 

Veel  functies die nu door de centrale rijksoverheid worden vervuld zouden moeten worden overgenomen door ZBO’s. Op sommige terreinen zijn die er al. De waterschappen met hun ingelanden en dijkgraven zijn er sinds mensenheugenis maar de Luchtverkeersleiding, de Nederlandse Mededingingsautoriteit en de APK stations zijn van recentere datum. Er zouden ZBO’s kunnen komen voor het onderwijs, voor de zorg, het verkeer etc.  Tijdelijke maar belangrijke projecten zouden moeten worden ondergebracht in nieuw op te richten projectlichamen. Zij zouden gemeen hebben dat zij worden bemand door in te huren functionarissen, op tijdelijke basis aangesteld en uit de markt gerekruteerd. Ze zouden geen ambtenarenstatus hebben en weer kunnen verdwijnen als de taak is volbracht.

Ambtenaren in de huidige betekenis van dat woord, met een vaste betrekking en rechtspositie bij de overheid zouden er nog maar weinig zijn. De op tijdelijke basis in te huren functionarissen zouden  z.z.p.-ers zijn of afkomstig uit organisaties van vrije beroepers die zich in kleinere of grotere maatschappen zouden kunnen organiseren. Ongeveer als tegenwoordig de interim managers.

 

De voordelen van een verandering in onze staatsinrichting zoals door Fortuijn is voor gesteld zijn duidelijk. Ik noem er slechts willekeurig een paar:

 

  1. De efficiency van de kabinetsvergaderingen wordt verhoogd. Vergaderen met vijf mensen gaat gemakkelijker dan met zestien. Om deze reden wordt er in crisissituaties en bij heikele problemen ook nu al vergaderd in een minikabinetje van de minister president, de vice-premiers en enkele belangrijke ministers.
  2. De tijd van de departementale top gaat nu vaak heen met het zo goed en kwaad als dat gaat verkrijgen van informatie uit de afdelingen en het verdedigingen van de departementale belangen tegenover andere ministeries. De interdepartementale concurrentie voor het verkrijgen van schaarse middelen staat hoger op de agenda dan het orde brengen in de chaos aan taken en taakjes die aan elk departement is toevertrouwd. Veel van het daarmee samenhangende onnodige werk zou door de voorgestelde reorganisatie verdwijnen.
  3. Natuurlijk kosten ook ZBO’s geld en voor de nog uit te proberen nieuwe taaklichamen van tijdelijke aard zal dat niet minder gelden. Het feit dat ze tijdelijk zijn en worden ontbonden zodra de taak, bijvoorbeeld de Betuwelijn, zijn beslag gehad heeft, betekent niettemin een beperking van de kosten in de tijd. Een belangrijk aantal uitgaven dat enkel wordt gedaan omdat ze ook het jaar daarvoor op de begroting stonden en er daarom gemakkelijk budget voor verkregen kan worden, zou na de beëindiging van een project automatisch worden geschrapt. Maar de belangrijkste potentiële besparing zit in de betere organisatie van de zelfstandige bestuurslichamen. Organisaties met een enkel doel en een speciaal voor dat doel uitgekozen bemanning zijn eenvoudiger op te zetten en te besturen dan de huidige departementen.
  4. Neem de gezondheidszorg, het Nederlandse uitkeringswezen en het onderwijs. Alle drie zijn slecht georganiseerd en men kan er op het verantwoordelijke departement geen grip op krijgen. Alle drie deze overheidstaken zouden beter vervuld worden als de betrokken ministeries zouden worden afgeschaft en vervangen door doelorganisaties die behoorlijk verantwoording af zouden moeten leggen over de uitvoering van hun taak. Elk zou een eigen en deskundig apparaat hebben dat zich uitsluitend bezig zou houden met de werkzaamheden dat het beste centraal en voor het hele veld tegelijk geregeld kunnen worden. Wat die werkzaamheden zijn zou door het veld van het onderwijs of de zorg dienen te worden aangegeven, omdat men daar het beste overzicht heeft over wat er centraal behoort te worden geregeld en wat beter ter plekke kan worden gedaan.
  5. Een voordeel zou zijn gelegen in de loutere afschaffing van bestaande organisaties en vervanging door nieuwe. In iedere organisatie waar onvoldoende druk op staat ontstaat op den duur wildgroei. Overheidsinstellingen maar ook monopolistische bedrijven, die een product maken waar veel vraag naar is, zijn daar de standaardvoorbeelden van. Het vervangen van dit soort instellingen en bedrijven door andere geeft al soelaas al verandert er helemaal niets in hun taakstelling. In plaats daarvan krijgen organisaties die zichtbaar onvoldoende functioneren tegenwoordig  meer geld, in de hoop dat daarmee hun prestaties zullen verbeteren.

13:21 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Bureaucratie VII

 

 

De politie krijgt meer geld om effectiever te kunnen optreden, want de veiligheid moet omhoog. Hoe weten we of de politie dan effectiever optreedt? Dat proberen we te meten. Doordat er meer processen verbaal worden opgemaakt bijvoorbeeld of doordat er meer arrestanten in politiecellen worden ingeboekt. Dat laatste overigens liever niet, om twee redenen: de politiecellen in de grote steden zaten al behoorlijk vol, onder andere met mensen die eigenlijk in het huis van bewaring thuis horen, waar ook geen plaats was. Verder kost de arrestantenzorg politiemensen die dan niet ergens anders kunnen worden ingezet. Meer arrestaties dus liever niet, maar bijvoorbeeld meer processen verbaal of andere formulieren. Liefst een formulier dat toch al gemaakt moet worden voor de statistieken van het CBS.

 

Hoe dan ook, de verhoogde veiligheid wordt nooit rechtstreeks gemeten, maar altijd op een afgeleide manier. Als een vergrote geldstroom wordt gekoppeld aan de verhoogde prestatie betekent dit in de praktijk dat ingevulde formulieren geld waard worden en daar stelt de organisatie zich op in, vaak met volkomen onbedoelde en ongewenste gevolgen. Zoals dit bij de politie gaat, gaat het ook elders.

 

 

Mensen, maar het geldt ook voor dieren en eigenlijk voor alle levende wezens, ze reageren allemaal op prikkels. In een organisatie is de belangrijkste prikkel datgene, waar je op afgerekend wordt. Afrekenen is goedkeuren of afkeuren, wel promotie geen promotie, wel meer geld of niet meer geld, uitbreiding van de organisatie of ontslagen.

Een grote organisatie wordt aangestuurd met dit soort prikkels. Die luisteren nogal nauw. Wie een organisatie niet goed kent kan gemakkelijk een prikkel geven die averechts werkt. Als de overheid verhoogde efficiency van de politie wil zullen ze zich om te beginnen dienen af te vragen hoe de politieorganisatie werkt. Pas dan kunnen ze een verandering invoeren die bevordert wat er moet gebeuren in plaats van vooral te bereiken dat er meer papier wordt geproduceerd.

 

Als er een constante is in het tekortschieten van de overheid waar de bevolking bij monde van de populisten bezwaar tegen maakt, dan is het dit gebrek aan kennis over de werking van het eigen apparaat.

Dat gebrek moet niet in de eerste plaats aan de politici worden verweten, want die zijn er goed beschouwd niet voor. Politici hebben een grotendeels  symbolische functie die zorgt voor de legitimering van de macht van de overheid. Het werkelijk bestuur vindt plaats binnen de departementen en andere ambtelijke en maatschappelijke organisaties. De verantwoordelijken zijn de mensen die het permanent bestuur vormen van die organisaties. In de eerste plaats dus de SG’s en de D.G.’s van de departementen en de afdelingsdirecteuren bij de gemeenten.

Zij zouden dienen te weten hoe hun organisaties werken en hoe de andere organisaties functioneren waarvoor zij afgeleide verantwoordelijkheid dragen. Maar vaak weten zij het niet.

 

Oudere Nederlanders hebben de tijd nog meegemaakt dat dit als regel anders was. Een DG als Mulder zat een generatie lang op Justitie en wist alles, niet alleen over de werking van zijn eigen departement in Den Haag maar ook over het gevangeniswezen, het openbaar ministerie, de politie en de rechterlijke macht. Zijn gezag was zo groot dat het hem geen moeite kostte om gedaan te krijgen wat hij nodig achtte. Voor financiën waar ik zelf ervaring mee heb, gold iets dergelijks. Van den Berghe, staatssecretaris en voorheen DG heeft daar een generatie lang de touwtjes in handen gehad met groot succes.

 

De naoorlogse periode waarin mensen als Mulder en Van den Berghe functioneerden is eigenlijk al de periode waarin het fout gegaan is. De bekwaamheid van de oude garde hoge ambtenaren onttrok voorlopig de achteruitgang van de gemiddelde kwaliteit van de ambtenaren aan het oog en camoufleerde de ontwrichting van de organisatie van de departementen.

 

Al de nieuwe taken die de overheid de laatste vijf en zestig jaar op zich genomen heeft zijn zonder plan en min of meer zoals het uitkwam in de oude organisaties geplakt. Ieder ministerie bestaat nu uit een aantal grotendeels zelfstandig opererende afdelingen en de hoogste ambtenaren hebben veel meer een politieke dan een bestuurlijke functie. Hun resterende bestuurlijke taak bestaat vooral uit het arbitreren tussen hun afdelingen. Hun interne gezag is gering, ze zitten daarvoor meestal ook niet lang genoeg voor op hun plek. Gedaan krijgen wat ze willen lukt vaak niet door gebrek aan detailkennis en gebrek aan autoriteit binnen het apparaat.

 

De taak van sommige departementen, zoals bijvoorbeeld van Economische zaken heeft een hoog abstractieniveau, daar hebben de meeste burgers niet rechtstreeks mee te maken. Andere, zoals Binnenlandse Zaken of Onderwijs hebben een taak waar iedereen in zijn dagelijks leven mee te maken krijgt. De ontwrichting van het onderwijs waar iedere ouder over mee kan praten is een rechtstreeks gevolg van het optreden van de beleidsafdelingen van het Ministerie van Onderwijs. In het midden latend of het wel mogelijk was om uitvoering te geven aan de nieuwe politieke ideeën over de functie van het onderwijs, het resultaat is in elk geval chaos geweest.

 

Onderwijs en zorg zijn de meest spectaculaire voorbeelden, maar overal in het overheidsapparaat piept het en kreunt het. Het heeft geen zin meer geld te voteren voor overheidstaken zolang niemand weet hoe men het apparaat moet laten doen wat men wil. Zolang men er niet meer grip op krijgt blijft de overheid een bodemloze put. Hoe die grip terug te krijgen, dat is de vraag waar niet alleen de overheid maar ook de wetenschap zich bezig zou moeten houden. Het volgende is een voorbeeld dat ik laatst met een docent bestuurskunde besprak.

 

 

Stel, er is een regel dat een nieuwe versie hulpmiddelen in een organisatie niet mag worden aangeschaft zonder deskundig en onafhankelijk advies. De bestaande leverancier komt met een nieuwe versie die in alle opzichten hetzelfde is als de vorige, maar die alleen betere batterijen heeft en daarom langer mee kan. Niemand heeft daar een rapport voor nodig maar het is nu eenmaal regel. Er komt een dik rapport waar in essentie niets anders in staat dan: “ja, dat is een goed idee”. Dat rapport wordt bijvoorkeur geschreven door een medewerker die in zijn vrije tijd een consultancybureautje heeft opgezet, want waarom dat dure geld gunnen aan een buitenstaander. Het geld voor dat advies  is weggegooid en eigenlijk is het gunnen van het schrijven ervan aan het bedrijfje van een medewerker ook een lichte vorm van fraude, maar de regels maken het advies nodig. Anders kan in andere voorkomende gevallen, die moeilijker liggen, niet worden geborgd dat de nieuwe aanschaffingen nuttig zijn en hun geld waard. Dat het geld voor advies in dit specifieke geval onnut wordt besteed en niet helemaal eerlijk, valt iedereen op. Het ergert de meesten, maar dat het de onvermijdelijke uitwassen zijn van regels die een grote organisatie controleerbaar houden, ziet men daarbij over het hoofd. Het is duidelijk dat hier een competente leidinggever moet opstaan en zeggen, het is misschien regel maar in dit geval doen we dit toch maar niet. Dat lijkt simpel en voor de hand liggend, maar het is in de praktijk moeilijker dan iedereen denkt.

 

Aan de top van een organisatie hoort iemand te staan die weet hoe een bureaucratische organisatie werkt en die oog houdt op het doel dat men met de organisatie tracht te bereiken. Hij hoort over de middelen te beschikken om fouten in de organisatie te redresseren en de onvermijdelijke gevolgen van toepassing van regels te verzachten. Aan doelloze bureaucratie heeft iedereen een hekel, maar bureaucratie als zodanig is onvermijdelijk.

 

Over de manier waarop een bureaucratie hoort te werken vindt U bij Weber behartenswaardige adviezen. Een daarvan is dat informatie niet op een soort netwerkachtige manier van de lagere ambtenaar in de ene organisatie naar een ambtenaar in een andere hoort te gaan. Niet omdat daar geheimhoudingsplichten mee worden geschonden, maar omdat de lagere ambtenaar de portee van de informatie niet altijd kan overzien en de reden vaak niet kent waarom die wordt gevraagd. Lagere ambtenaren horen de door hen verzamelde informatie door te geven aan hun superieur totdat die terechtgekomen is op het niveau waarop binnen de organisatie de behoefte aan de informatie is ontstaan. Ik geef U een voorbeeld, dat mij vanuit de ambtelijke wereld bereikte. Ik heb het niet geverifieerd, maar het komt mij plausibel voor.

 

Toen een prins van Oranje verkering kreeg met een meisje uit het volk schijnt de koningin in het regelmatige overleg met de MP dat aan de orde te hebben gesteld en gevraagd te hebben om informatie over deze jonge vrouw. Balkenende schijnt dit verzoek te hebben doorgegeven  aan een van zijn ambtenaren van A.Z. en die heeft het of doorgegeven aan BiZa zoals zou moeten, of rechtstreeks contact gezocht met de AIVD. Het schijnt daar in eerste instantie niet bij het hoofd van de AIVD te zijn terechtgekomen maar op persoonlijke basis tussen de twee ambtenaren te zijn behandeld. De betrokken ambtenaar van de AIVD heeft het bij een van de onderzoeksambtenaren van zijn dienst neergelegd, bij wie het op de stapel is gekomen.

 

Nu heeft de AIVD een aantal verschillende methoden om op een informatie verzoek te reageren. Zij kan dat doen door te zien of ze van de betrokkene een eigen dossier hebben. Zij kunnen in de andere dossiers binnenshuis kijken of de naam van de betrokkene daar voor komt. Ze kunnen dossiers van buiten de eigen dienst raadplegen middels daarvoor bestaande procedures. Tenslotte kunnen ze met interviews en andere opsporingsmethoden een nieuw dossier starten, als het belang van de aangelegenheid voldoende groot is. Wie daarover hoort te beslissen is het hoofd van de AIVD, want hij alleen kent zijn organisatie voldoende, weet hoe de regels zijn, wat het budget kan lijden en kan bovendien door zijn persoonlijk contact met de betrokken minister bepalen hoe zwaar het belang van de zaak is.

 

Wat er in feite gebeurde is dat de betrokken ambtenaar constateerde dat er geen dossier van de jonge dame bestond en dat haar naam niet voorkwam in een paar andere dossiers die hij geraadpleegd had. Dat bericht ging terug naar de vraagsteller. De laatste kon niet weten wat de aard was van het onderzoek dat deze gegevens had opgeleverd en berichtte aan de minister dat er niets ongunstigs over haar bekend was.

Toen de zaak na verloop van tijd dringender werd, omdat het paar trouwplannen kreeg en de eerste geruchten de kop op staken, werd het verzoek om inlichtingen nog twee keer herhaald. Beide keren gebeurde hetzelfde als de eerste keer: Nieuw onderzoek buiten de bestaande dossiers om werd niet gestart en ook de dossiers van de politie over het Bruinsma onderzoek werden niet geraadpleegd. Dat laatste kon ook moeilijk, voordat in de publiciteit het verband tussen de Koninklijke verloofde en Bruinsma was gelegd, maar de gebrekkige informatie in het eerdere stadium was een duidelijk gevolg van een organisatorische fout.

Als de weg was gevolgd die Weber daarvoor aanwijst en de Minister van BiZa had om inlichtingen gevraagd aan het hoofd van de AIVD, die had in het besef van het gewicht van het verzoek het hoofd van de betrokken afdeling geraadpleegd en die had een nauwkeurig schriftelijk dienstbevel gegeven, met daarin de te gebruiken methode en de termijn waarop de informatie diende te worden verstrekt, dan was het met dat onderzoek niet zo misgelopen..

 

Het voorbeeld geeft aan hoe belangrijk het is om te weten hoe informatie tot stand komt en hoe organisaties werken. Wil men bijvoorbeeld betrouwbare gegevens hebben over misdrijven dan zijn goed opgezette onderzoeken bij de slachtoffers en het hanteren van verantwoorde statistische technieken veel betrouwbaarder dan door de politie ingevulde formulieren Dat laatste geldt vooral als er voor de ambtenaar geen incentive is om het formulier betrouwbaar in te vullen. Wil men er zeker van zijn dat een apparaat doet waarvoor het is opgezet, dan moet men de werkregels strak handhaven en precies weten hoe de organisatie in elkaar zit. Dat strakke handhaven lijkt bureaucratisch en onaangenaam, maar dat is nu juist noodzakelijke bureaucratie. Men moet zijn best doen om de regels begrijpelijk en simpel te houden, maar ze moeten worden gehandhaafd. Het beste is om daarvoor methoden te gebruiken die het gemakkelijker maken om de regel te volgen dan om er van af te wijken. Zoals water bergaf stroomt en niet bergop zo doet een ambtenaar wat er van hem verwacht wordt als de gevolgen aangenaam zijn als hij het goed doet en onaangenaam als hij het verkeerd doet.

13:20 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Bureaucratie VIII

 

 

Het is duidelijk dat voor bureaucratie een terrein van studie braak ligt en dat de sociologie en de bestuurskunde in die leemte zou moeten voorzien. Bestuurskunde is het vak dat ons zou moeten leren hoe we organisaties op orde kunnen houden en onze bureaucratie efficiënter maken.

Bij mijn weten doet de Nederlandse bestuurskunde dat niet en afgaande op wat ik in het buitenland hoor is het daar niet  beter.

 

Een bestuursapparaat of een andere organisatie die belast is met het verrichten van een of meer specifieke taken is het beste te beschouwen als een machine met een paar specifieke kanten, die samenhangen met het feit dat de belangrijkste onderdelen geen voorwerpen van metaal of plastic zijn maar levende mensen. Worden de menselijke kanten, zoals vaak gebeurt, centraal geplaatst bij de opzet en het onderhoud van het apparaat dan gaat dat werken ten dienste van haar employees of bestuurders. Al snel staat het dan niet meer in dienst van de taken waarvoor het is opgezet. Dat wil niet zeggen dat het welzijn van de medewerkers van een organisatie niet belangrijk is. Dat is het best wel, maar een organisatie die de haar gestelde doelen niet kan bereiken heeft geen bestaansrecht en zal op de duur ook de belangen van de bij haar betrokken personen niet kunnen bevorderen. Een goed lopende productieve organisatie is een prettige plaats om in te werken en biedt meer perspectief op een blijvende werkgelegenheid dan een organisatie zonder redelijk doel.

 

Voor opzet en onderhoud van een apparaat ten dienste van een specifieke taak is, lijkt me, een ingenieursoog vereist. Ik was dus niet verbaasd toen ik hoorde dat in technische opleidingen aan dit onderwerp aandacht werd gegeven, maar wel over de kennelijke afwezigheid van enig zichtbaar resultaat van die opleiding in de overheidsapparaten van Nederland en andere Westerse landen. De curricula van de afdelingen bestuurskunde van de reguliere universiteiten  bevatten in hoofdzaak vakken als sociologie, recht, economie en politicologie. Dat zijn alfa of gamma vakken, die weinig aanknopingspunten bieden voor het goed laten functioneren van apparaten.

 

Bij het maken van een goede machine gelden een aantal uitgangspunten:

  1. De functie moet duidelijk zijn gedefinieerd. De machine moet liefst niet meer dan één taak hebben en die taak moet met zo weinig mogelijk energie en grondstoffen worden uitgevoerd. In samenhang hiermee dienen de eenheden van taakvervulling zo hoog mogelijk van kwaliteit en zo groot mogelijk in aantal per tijdseenheid te zijn. Daaraan wordt de efficiency van een apparaat doorgaans gemeten
  2. De machine moet robuust zijn, dat wil zeggen relatief weinig onderhoud vergen en dat onderhoud dient plaats te kunnen vinden met zo gering mogelijke verstoring van de productie.
  3. de machine moet adaptief zijn, gemakkelijk kunnen worden aangepast aan veranderende eisen

 

Vanuit deze doelstellingen zijn kwantitatieve criteria te formuleren. Toyota, de Japanse automaker, staat of stond bekend om haar succes bij het toepassen van productietechnieken. Ook bij chipfabrikanten zou veel te leren zijn over de manier waarop een Nederlands ziekenhuis moet worden ingericht of het ministerie van onderwijs. De faculteiten aan de Nederlandse universiteiten dragen daar zo te zien  weinig aan bij. Nu moet worden toegegeven dat het bedenken van efficiënte methoden voor het functioneren van Nederlandse ambtelijke instellingen ook geen dankbaar werk lijkt. De noodzakelijke randvoorwaarden ontbreken.

 

Wanneer die randvoorwaarden er wel waren, dan zou het volgende gelden: de ambtenaren op het departement zijn de dienaren van de politiek. De minister is verantwoordelijk. Dat kan hij ook zijn, want zijn aanwijzingen worden door zijn ambtenaren nauwkeurig uitgevoerd. Hij wordt goed op de hoogte gehouden van alles wat er op zijn departement gebeurt, van alles dus waarvoor hij als minister tegenover pers en publiek verantwoordelijk kan worden gehouden.

Zo was ooit het uitgangspunt van ons politieke bestel. In Nederland  tonen ministers steeds meer weerstand tegen de gedachte dat zij verantwoordelijk zijn voor wat zij niet geweten en niet gedaan hebben. Toen de ministers Donner en Dekker aftraden vanwege de cellenbrand op Schiphol was dat met het oog op de naderende verkiezingen en niet omdat ze zich werkelijk politiek aansprakelijk hielden  voor wat daar was gebeurd. Niet zij, maar hun ambtenaren bleken fouten te hebben gemaakt en als ze het parlement onjuist hadden voorgelicht dan gebeurde dat in commissie.

 

De minister wordt niet op de hoogte gehouden. De ambtenaar doet juist wat hij kan om heikele zaken buiten het oog van zijn meerdere te houden en buiten de publiciteit. Hij doet daarbij in de eerste plaats wat nodig is om zijn eigen hachje te redden. Het op de hoogte houden van de minister speelt daarbij niet zichtbaar een dominante rol. Aanwijzingen van de minister worden naar eigen inzichten geïnterpreteerd en naarmate er meer bestuurslagen tussen minister en ambtenaar komen wordt de beleidsvrijheid groter. Van veel ambtelijke bezigheden zijn de minister en diens hogere ambtenaren helemaal niet op de hoogte en zij komen pas onder hun aandacht nadat er eerst iets behoorlijk  is mis gegaan, d.w.z. negatief in de publiciteit is gekomen. De ambtenaar ziet  zich zelf niet meer als dienaar van de politiek maar als dienaar van het departement en het departement, dat is hij zelf. Dat klopt ook in de zin dat een paar maal gebleken is dat een minister alleen met de grootste moeite en met hoge kosten voor de schatkist een ambtenaar kan ontslaan die zich niet naar haar aanwijzingen voegt.

 

De Engelse televisieserie Yes, Minister was vooral zo leuk omdat hij zo herkenbaar dicht de werkelijkheid benaderde. De komische sketches hebben betrekking op de soms potsierlijke gevolgen van bureaucratisch gedrag[1], maar zij maken daarnaast overduidelijk dat het de functie van de minister is om beleid te verkopen en niet om beleid te maken. Zo ziet de ambtenaar het en daaraan conformeert zich de succesvolle minister. Het beleid komt voort uit het departement en voor een deel ook uit de samenwerking tussen ministerraad, staten generaal en media en maar zelden uit de persoonlijke koker van de minister. Beleid, met andere woorden, is diffuus. Er is input en beslissingsbevoegdheid aan alle kanten. Goed beleid is zeldzaam want het wordt onvoldoende kritisch bekeken. Alleen wat de media haalt is echt aan kritiek onderhevig.

 

De departementen zijn voor een deel al zo oud als het koninkrijk en sommige zijn nog ouder. Voor een ander deel zijn ze in de naoorlogse tijd tot stand gekomen als gevolg van de nieuwe taken die de overheid in het kader van de welvaartstaat op zich heeft genomen.

Men zou uit het voorgaande mogen afleiden dat de nieuwste departementen ook het meest efficiënt zijn. Doel en organisatie, mag men verwachten, zijn daar nog op elkaar afgestemd. In oudere departementen bestaan nog organisatievormen die geschikt waren voor de problemen van eeuwen geleden. Men zou Financiën of Buitenlandse Zaken niet meer zo inrichten als de organisatie vandaag zou moeten worden opgezet. Toch is Volksgezondheid niet een beter departement dan Justitie en Ontwikkelingssamenwerking[2] niet efficiënter dan Financiën. Om onduidelijke redenen zijn de jongste departementen kwalitatief vaak slechter dan de oude. Misschien ontbreekt het de laatste generaties hoge ambtenaren aan voldoende organisatievermogen of aan inzicht in de samenleving of aan beide, maar wat aan ambtelijke organisaties sinds de tweede wereldoorlog is opgezet overtreft in kwaliteit juist niet de oudere departementen. Toch lijden natuurlijk de oudere departementen die lang niet op de schop zijn geweest, zoals Justitie, wel degelijk aan alle ouderdomsverschijnselen die op grond van sociologische uitgangspunten zouden kunnen worden voorspeld.

 

Dat is mijn verhaal wel ongeveer. Bureaucratie is een noodzakelijk kwaad maar zo slecht als de overheid bij ons functioneert, dat hoeft niet. Het publiek in ontevreden over de manier waarop de overheid functioneert en het publiek heeft gelijk. Veel van het slechte functioneren wordt gecamoufleerd en komt niet eens in de publiciteit. Door de grote welvaart kunnen we ons veel fouten permitteren en de kosten ervan nu nog wel opbrengen. Maar daar komt een einde aan. De welvaart komt onder druk door de milieu- en energiecrisis en door de andere grote problemen die op ons afkomen. De overheid zou er goed aan doen om niet te wachten tot ze omstandigheden van buitenaf gedwongen wordt om te reorganiseren. Nu hebben we nog geld en nu kan het nog.

[1] Het begrip bureaucratisch slaat hier op gedrag binnen een organisatie dat alleen nog aan de regels en niet meer aan de functie van de organisatie relateert. Een van de mooiste staaltjes in de serie is het overtuigende betoog van de DG dat ziekenhuizen die leeg staan in vrijwel alle opzichten als ideaal zijn te beschouwen. Ze kosten het minste en het aantal problemen dat zij opleveren is nihil.

[2] Intussen onderdeel van BZ, maar nog met een eigen minister.

13:19 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

29 april

De Staat zijn wij.

 

Dat wij de staat zouden zijn en dat samenleving en staat dus samenvallen dat is een oude socialistische gedachte. Het is daarnaast ook een onjuiste gedachte. De Staat der Nederlanden is de overheid, vooral de overheid in juridisch opzicht. De samenleving speelt zich voor het grootste deel buiten de staat af in het privéleven van de mensen. Maar zelfs het publieke deel van de samenleving valt niet samen met de staat, behalve wanneer die totalitair is, zoals vroeger in de Sovjet Unie en nu nog op Cuba en in Noord Korea. In een vrije samenleving houdt de overheid zich alleen met zaken bezig die van belang zijn voor het overleven van ons allemaal en die niet gedaan zouden worden als zij het niet zou doen. De rest van de dingen doen we zelf. Wanneer een voetbalclub niet door de gemeente wordt gesteund dan heeft hij niets met de overheid te maken en ook Dance Valley en Koninginnedag worden grotendeels buiten de staat om georganiseerd. Gelukkig maar.

Dat Marcel van Dam een wat ouderwets beeld heeft van wat de staat is en de samenleving hoeft niet te betekenen dat hij geen verstand heeft van economie. Hij heeft trouwens best verstand van economie. Hij was in zijn tijd een heel behoorlijke ondernemer die het bedrijf waar hij aan het hoofd kwam te staan grondig heeft gereorganiseerd. Toen hij bij de VARA vertrok was dat een veel betere club dan toen hij er kwam. Maar dat is micro-economie. Zijn stukje van vandaag (Volkskrant 29/4/10) ging over de bezuinigingen en dat is macro-economie. Hij poneerde daar dat het toch allemaal lood om oud ijzer is. De staat, overheid en samenleving – in wezen alle drie hetzelfde – moet je zien als een systeem van communicerende vaten. Wat je er bij de een af haalt komt er bij de ander weer bij. Als we de ambtenarensalarissen verlagen dan kopen die ontslagen ambtenaren weer minder bij de winkelier. Als we op de uitkeringen bezuinigen dan zijn het de arme mensen die het haasje zijn. Het gaat er alleen om hoe we het verdelen en de rechtse partijen komen daarbij op de voor de belangen van hun clientèle, de rijken. De linkse partijen komen op voor de armen. Dat is het enige waar bezuinigingen over gaan. Hef nu gewoon wat meer belasting en verdeel dat eerlijk dan kun je die altijd nog weer teruggeven als het mee lijkt te vallen met die tekorten op de begroting, bijvoorbeeld door dat je dingen zuiniger blijkt te kunnen doen. Hogere belastingen zijn ook niet zo erg zo lang de economie maar harder blijft groeien dan de belastingen want dan komen we er per saldo beter uit. Scandinavische landen bewijzen dat je met hogere belastingen meer groei kunt hebben dan met de lage belastingen hier in Nederland en even gunstige andere economische parameters. Tot zover het verhaal van Van Dam

Op een punt heeft hij zeker gelijk: de hoogte van de belastingen is niet of in elk geval niet alleen bepalend voor de welvaart van een land. Hele arme landen hebben vaak hele lage belastingen, domweg omdat er daar niet meer te halen valt. Maar ook bij qua welvaart vergelijkbare landen is de overheid in het ene land veel beter georganiseerd dan in het andere en besteedt die overheid de belastingen veel efficiënter, zodat zelfs met hogere belastingen de welvaart er niet minder wordt. Zweden is overigens niet zo’n goed voorbeeld, want dat land heeft in het niet zo recente verleden grote problemen gehad met een te hoge belastingdruk en een inefficiënte overheid, dus daar moet je met het socialistische verhaal van Van Dam niet aankomen.

Belastingverhogingen als alternatief voor bezuinigingen stellen de overheid in staat om inefficiënter te opereren. De ervaring leert dat zij dat ook zal doen. We hadden voor de oorlog een redelijk efficiënte overheid met redelijk bescheiden belastingen. In de oorlog hebben we het nationaal socialistische  belastingsysteem  van de bezetter gekregen, dat een zeer aanzienlijk hogere opbrengst genereerde. Met dat geld werden de oorlogsuitgaven bestreden. Dat systeem hebben we na de oorlog gehouden met zijn hoge opbrengsten, eerst om de wederopbouw te financieren en daarna om de uitbreiding van de overheid mogelijk te maken die men zo goed aan het aantal en de omvang van de gebouwen van de departementen  kan afmeten. Ga maar eens kijken naar het oude en overzichtelijke ministerie van Financiën op de Kneuterdijk en vergelijk dat met het gigagebouw  op het Korte Voorhout, dat intussen al weer te klein schijnt te zijn.

De uitgaven van de overheid hebben de neiging om te stijgen tot de bodem van de schatkist is bereikt. Die uitgaven hebben een afnemend grensnut. Dat zou al zo zijn als de efficiency bij stijgende uitgaven gelijk bleef, maar dat is niet zo. Hoe groter de overheid hoe onoverzichtelijker en hoe onoverzichtelijker hoe minder controle en hoe minder controle hoe meer inefficiëncy.

Ook zonder stijgende overheidsuitgaven hebben overheidsinstanties en andere grote organisaties de neiging om door tijdsverloop minder efficiënt te worden, Inefficiëncy is een functie van de omvang en van de leeftijd. Een grote organisatie besteedt toenemend veel tijd en energie aan de instandhouding van zich zelf en relatief minder aan het doel waarvoor zij ooit werd opgericht[1]. Dat wordt erger naarmate in de loop der tijd de taken veranderen zonder dat de organisatie wordt aangepast of wanneer er meer taken bij komen. Dat heeft zich bij de Nederlandse overheid allemaal voorgedaan.

De tekorten op de begroting zijn daarom een blessing in disguise. We moeten nu bezuinigen en de enige goede manier om dat te doen is door efficiënter te gaan werken. Ambtenaren zijn net zulke mensen als U en ik. Ze doen zulke onaangename dingen alleen als het moet en als iemand ze meer geld geeft door de belasting te verhogen doen ze het niet. Zo simpel is het en Van Dam is slim genoeg om dat te weten. Waarom zegt hij dan zulke dingen? Geen idee. Hij heeft er kennelijk plezier in om zaken te verdedigen waar hij van weet dat ze niet waar zijn. Hij is een meester in wat vroeger retorica heette of ook wel Jezuïtisme: de kunst van de drogredeneringen.

 

[1] Parkinson van Parkinson’s Law geeft het mooie voorbeeld van het Britse Ministerie van Koloniën, dat zijn grootste omvang bereikte vlak voor het werd opgeheven omdat de laatste koloniën hun zelfstandigheid hadden verkregen. Op dat moment werd 100% van de tijd aan interne aangelegenheden besteed en waren alle affaires die met de voormalige koloniën van doen hadden overgedragen aan het Ministerie voor Gemene Bestzaken.

11:29 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

28 april

de bezwaren tegen nieuw beleid

Pieter Hilhorst, columnist van de Volkskrant en tegenwoordig ook ombudsman van de VARA, merkte ooit in een van zijn stukjes op dat het bij de Nederlandse overheid niet ontbreekt aan nieuwe ideeën om problemen aan te pakken en ook niet aan pilot projecten om die ideeën aan de praktijk te toetsen. Waar het aan ontbreekt is aan de mogelijkheden om bewezen goede ideeën overal in te voeren, waar zij van nut zouden kunnen zijn. Hij wijt dat aan de onwil van vooral lagere overheden om oplossingen die anderen bedacht hebben klakkeloos over te nemen, “alsof ze zelf niet in staat zouden zijn om wat te bedenken”. Hij noemt dat het “not invented here syndrome”. Er zijn veel laboratoria bij de overheid, maar geen productiehallen, zegt hij. Terloops vermeldt hij ook nog een andere oorzaak: er is meestal geen budget voor nieuw beleid. Bij het bedrijfsleven, gaat hij verder, gaat dat heel anders. Is er daar een goed nieuw idee dan probeert iedereen een graantje mee te pikken en voor je het weet heeft de nieuwe uitvinding zich in door de hele bedrijfstak verspreid.

Hilhorst stelt nu voor een prijs uit te loven voor de overheidsinstelling die het beste in staat lijkt om ideeën van anderen geschikt te maken voor de eigen praktijk.

 

Leuk idee, maar ook dat gaat niet helpen. Er zitten wetmatigheden in de organisatie van de overheid die meebrengen dat zowel nieuwe ideeën van anderen als uit de eigen geledingen weinig kans maken om te worden ingevoerd. Hilhorst noemde er zelf al een: het budgetsysteem is er niet op ingericht. Wie het nieuwe idee niet op zijn begroting heeft staan kan het of niet uitvoeren of moet gaan verschrijven. Verschrijven is geld voor andere doeleinden gebruiken dan waarvoor het is gebudgetteerd en dat doe je liever niet als het niet nodig is, want het mag niet.

Voor het invoeren van nieuwe methodes is de toestemming nodig van hogerhand en daar zijn vaak politieke bezwaren tegen of het stuit op interdepartementale problemen. Behalve formele toestemming van hogerhand heeft men in de praktijk vaak de medewerking nodig van andere afdelingen. Er bestaat ook op de eigen afdeling concurrentie voor de mankracht m/v en de andere resources die het nieuwe idee vergt. Meestal is er ook een psychologisch verzet tegen de nieuwlichters die de dingen anders willen gaan doen dan zij altijd zijn gedaan. Een krachtdadige DG die over al die bezwaren heen zou willen stappen door degenen die tegenwerpingen maken over te plaatsen of desnoods te ontslaan zal merken dat daar wetten in de weg staan en praktische bezwaren, zo niet weemoedigheid, die niemand kan verklaren, maar die des avonds komt. Dat maakt het allemaal moeilijk voor overheden om net zo alert op uitvindingen te reageren als het bedrijfsleven, maar er is meer.

 

In het bedrijfsleven spelen twee factoren een rol die bij de overheid ontbreken:

  1. aan het einde van een periode horen het verbruik van resources en de opbrengst van de verrichte prestaties met elkaar in evenwicht te zijn. Wordt er stelselmatig meer verbruikt dan er binnenkomt, dan legt het bedrijf op den duur het loodje. Bij de overheid kan een organisatie ongestraft heel duur zijn en weinig opleveren. Er bestaat geen systeem dat dit verhindert.
  2. In praktisch alle bedrijven is er uiteindelijk iemand die knopen doorhakt. Net als bij de overheid kan er een felle concurrentie zijn tussen afdelingen over de toedeling van resources, vooral de resources die bestaan uit veelbelovende jonge mensen, maar als men het niet eens wordt is er een baas die zegt wat er gaat gebeuren.

Dat de overheid geen winst maakt is onvermijdelijk. Een goede overheid doet zelfs vooral dingen waarbij winst geen rol speelt, omdat winstgerichte activiteiten van nature meer bij het bedrijfsleven horen. Maar er zijn andere systemen denkbaar om de efficiency te bewaken. De rekenkamer zou bijvoorbeeld een afdeling kunnen hebben die de efficiency van publieke instellingen meet en die bewerktuigd is om voorstellen te doen om een gemeten gebrek aan efficiency te verhelpen. Komt er dan weer eens een ronde bezuinigingen dan zou de rekenkamer voorstellen kunnen doen  hoe die bezuinigingen anders dan met de kaasschaaf kunnen worden doorgevoerd.

 

Dat er doorgaans niemand is die knopen door kan hakken bij de overheid en met name ook een minister niet, is een manco in de overheidsorganisatie die wel vermeden zou kunnen worden, maar waar men uit politieke of ideologische overwegingen kennelijk niet aan wil.

 

20:06 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

controle op de overheid

 

Zembla zond een tijd geleden een documentaire uit over verpleeghuizen om daarmee aan de kaak te stellen dat het kabinet aan die zorginstellingen te weinig geld ter beschikking stelt. De ontbijttelevisie ondersteunde dit verhaal maar nodigde wel een politica uit om haar reactie te geven. De politica wees erop dat de kwaliteit van de verpleeghuizen erg uiteenloopt en dat veel misstanden het gevolg zijn van een gebrekkige organisatie in de verpleeghuizen zelf. Niet alles is met geld oplosbaar was haar conclusie. De televisiejournalisten bleven herhalen dat het wel een kwestie van geld was.

Een bekend verschijnsel. Een enkel voorbeeld van een misstand wordt zonder nader onderzoek representatief geacht voor een gehele branche. Voor de oorzaken van het gebrek of tekort worden klakkeloos de redenen aanvaard die door de verantwoordelijke bestuurders worden aangedragen om hun eigen tekortschieten te camoufleren. Naar het toch redelijke argument om nu eerst eens te komen kijken hoe het ook anders kan wordt eigenlijk niet geluisterd. Het staat immers vast dat de oorzaak ligt bij een regering die van slechte wil is. Het feit dat de betrokken politica lid is van een progressieve partij en van de oppositie dringt niet eens door, zo is de ontbijtjournalist van de slechtheid overtuigd van ieder ander standpunt dan het hare.

Zijn dit soort televisiemakers nu te kwader trouw? Jein.

Ze geloven zeker in wat zij zeggen, dat het een schande is dat in verpleeghuizen mensen niet beter worden behandeld, dat het allemaal een kwestie van geld is, dat de overheid genoeg geld heeft en het simpelweg niet wil geven voor zielige doeleinden. Van de andere kant is het niet redelijk dat zij dit menen. Als ze even de moeite zouden nemen om te luisteren, zelf feiten te controleren of alleen maar na te denken, zouden ze snel beter weten. In het strafrecht noemen ze iets dat geen opzet is, maar zo stom en onverantwoordelijk dat geen redelijk mens het zou hebben kunnen doen, voorwaardelijk opzet en mensen worden er even goed voor veroordeeld als wanneer ze iets werkelijk met opzet zouden hebben gedaan. Zo is het hier ook. Zembla en de kinderjuffrouw van de ontbijt tv waren oprecht verontwaardigd maar hadden beter moeten weten.

Zijn dit soort dingen erg of moeten we het er op houden dat het toch mooi meegenomen is als er op grond van zulke uitzendingen extra geld komt voor een goed doel? Nee, het is echt erg. Het is erg omdat de werkelijke oorzaken van misstanden in de zorg, de gebrekkige organisatie, de ideologisch gedreven politieke besluiten van de overheid en de omstandigheid dat te veel mensen in zorginstellingen zitten die er niet thuis horen, onbelicht blijven. Het is erg omdat valse voorlichting en hypes de oorzaken zijn van veel verkeerd genomen politieke beslissingen en van veel verkwist geld, dat dan weer ten koste gaat van dringende uitgaven elders.

Het is ethisch niet in orde dat voorlichting kan worden gegeven over serieuze onderwerpen als dit, terwijl aan elementaire voorwaarden van objectiviteit en deskundigheid niet wordt voldaan. Televisiemakers die er zich schuldig aan maken zouden het consigne moeten krijgen zich voortaan alleen maar bezig te houden met dingen waar ze verstand van hebben, als die er zijn. Televisievoorlichting is een te ernstige zaak om over te laten aan door emotie gedreven amateurs. Maar emotionele bevlogenheid en tunnelvisie is niet de enige oorzaak van valse voorlichting.Een andere oorzaak is het verkeerd hanteren van statistische gegevens.

Over categorieën personen die bepaalde relevante omstandigheden gemeen hebben, bijvoorbeeld werkeloosheid of bewust ongehuwd moederschap of bejaard zijn, kan alleen statistisch iets zinnigs gezegd worden. Statistisch dat wil zeggen dat het harde cijfers zijn voor zover het gaat om groepen, maar dat individuele gevallen alleen een zekere kans hebben dat iets op hen van toepassing zal blijken. Over de grootte van die kans zegt de statistiek iets, maar die wordt daarnaast vrijwel altijd ook nog beïnvloed door factoren die met de onderzochte categorale omstandigheden niets te maken hebben.

Stel je behoort tot de categorie rokers. Je hebt dan een grotere kans op longkanker of op een hartaanval, maar die kans is ook groter als je te dik bent, te weinig groente en fruit eet of juist te veel, niet of onmatig rode wijn drinkt en vooral als je de verkeerde genen hebt. Hij is omgekeerd kleiner als al die andere factoren niet gelden. De categorale rokerskans is x, maar de daadwerkelijke kans van het individu is altijd een andere dan x.  Toch blijft het onzin om je van de kans x niets aan te trekken.

Voor statistiek hebben we geen instinct, we voelen het niet aan. Mensen geloven echt dat hun grootvader van vijf en negentig, die zijn hele leven heeft gerookt een tegenbewijs vormt tegen de longanker statistiek. Dat je om iets zinnigs over een grote populatie te kunnen zeggen een steekproef moet nemen die op een bepaalde representatieve manier is samengesteld en een omvang heeft die voor velen vaak verrassend klein blijkt te zijn, ligt niet voor de hand. Het wordt niet als logisch of redelijk aangevoeld.

Omroepen die het nieuws begeleiden met commentaar laten hun mening vaak bepalen door een enkel schrijnend voorbeeld, aangereikt door iemand die daar belang bij heeft. Dat om het effect te meten van een bezuiniging niet volstaan kan worden met één zorginstelling en dat de reactie van één directie niet maatgevend hoeft te zijn voor een hele branche dringt niet door of is in de ogen van de nieuwsmakers niet relevant. Niet de voorlichting, maar het emotionele effect van het voorbeeld is de maat waarmee journalisten elkaar meten. Dat het publiek daarmee verkeerd wordt voorgelicht is voor hen en hun werkgevers geen factor van grote betekenis. De leugen regeert zei de Majesteit. Dit is een van de manieren waarop er gelogen wordt. Maar er zijn meer manieren waarop het publiek verkeerd wordt voorgelicht. Een belangrijke oorzaak is een gebrek aan een controlerende organisatie binnen de journalistiek.

Misschien herinnert U zich het Hutton report over de BBC. Lord Hutton achtte bewezen in zijn rapport, dat op 28 januari 2004 verscheen, dat de BBC de Britse regering ten onrechte van leugens had beschuldigd, maar dat vond hij niet het belangrijkste. Niet het tekortschieten, maar de wijze waarop die fout had kunnen plaats vinden vond hij belangrijk. Die was niet incidenteel, maar structureel. De pers heeft in een democratie een belangrijke taak bij het controleren van de overheid, meende hij, en dient haar eigen integriteit en geloofwaardigheid te bewaren. De pers moet interne controlesystemen hebben die dit kunnen borgen. Als een persorgaan daarin te kort schiet dan is dat een gebrek in het uitoefenen van haar belangrijkste functie.

Geen van de woordvoerders van de BBC en geen van de kranten die later commentaar leverden op het rapport staken de hand in eigen boezem. Met enige moeite werd toegegeven dat de inhoud van de beschuldigen aan de regering niet overeenkwam met de aantekeningen die de betrokken journalist tijdens het interview had gemaakt en dat was het zo ongeveer. Een incident meende men. Twee functionarissen, de voorzitter van de raad van toezicht en de president directeur van de BBC traden af. Dat was, zoals ze duidelijk te kennen gaven, om erger te voorkomen. Het voortbestaan van de BBC stond op het spel, vonden ze, ondanks dat de in het gelijk gestelde Blair zich haastte om alle voornemens in die richting te ontkennen.

Intussen vroeg men zich openlijk af of het toeval is dat juist Lord Hutton was uitgezocht voor deze taak en of een andere law lord mogelijk niet tot een andere conclusie zou zijn gekomen. Men dacht eigenlijk van wel. Maar toen lord Hutton bezig was met zijn taak en publiekelijk de verhoren afnam werd er niet anders dan positief over zijn werkzaamheden bericht. Weliswaar werd er toen een andere uitslag verwacht, maar aan de aard en de inhoud van de verhoren en de daarbij aan het licht gekomen feiten doet dat niet toe of af. Wie het rapport leest kan niet anders dan vaststellen dat de conclusies met relevante feiten en logische argumenten zijn onderbouwd, dat Hutton met andere woorden zijn werk professioneel heeft gedaan zodat we in het resultaat ervan vertrouwen dienen te hebben.

Waarom heeft de pers van Engeland en in de rest van de westerse wereld dat vertrouwen dan niet en worden de conclusies van lord Hutton niet aanvaard? Aanvaarden van de kritiek van Hutton zou tot een herbezinning moeten leiden van de taak en het functioneren van alle media in de westerse landen en niet alleen van de BBC. In wezen wordt in het rapport de vinger gelegd op een wonde die niet zo gemakkelijk te genezen zal zijn. In alle Europese landen, maar in de VS misschien minder dan in Europa, zijn regering, parlement, politieke partijen en ambtenarenapparaat één geheel geworden en is van het oorspronkelijke systeem van checks en balances, zoals dat door de ontwerpers van de moderne regeringssystemen was bedacht maar weinig over gebleven. Het enige werkzame controleorgaan dat de samenleving over heeft is de pers. Alleen via de pers kan kritiek op de bestaande orde worden uitgeoefend.

Wat Hutton nu zei was dat die taak alleen vervuld kan worden als de pers zich zelf onthoudt van deelname aan de politiek en zich tot taak blijft stellen onwaarheden aan het licht te brengen, de juiste feiten te vermelden en daar organisatorisch zekerheden voor in te bouwen.

Uit de reactie op het rapport Hutton blijkt dat de valse beschuldigingen aan het adres van Blair geen incident waren, maar dat de pers de zelfbeperking die de Law lord haar voorhoudt niet wenst te aanvaarden. De pers kiest ervoor om van het complex deel uit te maken in plaats van als controleorgaan te functioneren en het ziet er daarom niet goed uit voor het systeem.

19:58 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

ideeën van het CDA

 

De opvolger van minister Klink als directeur van het wetenschappelijk bureau van het CDA heet Raymond Gradus.  Eind vorig jaar schreef hij over bureaucratie en haar gevolgen  in de Volkskrant (30/2/10). Dat was aan de vooravond  van de verkiezingen die we begin maart hebben gehad, in een periode waarin de regerende coalitie van socialisten en christenen al voor grote problemen stond. Die problemen hingen nauw samen met het onderwerp dat Gradus aansneed : hoe komen we aan de bezuinigingen die nodig zijn als het gevolg van de kosten van de crisis. Intussen liggen de adviezen van de commissie van ambtenaren op tafel. Ook in die adviezen komt als oplossing voor snijden in de bureaucratie. Dat idee blijkt nu brede steun te krijgen zowel links als rechts in de politiek.

Het stuk van Gradus is in wezen een pleidooi voor meer zelfredzaamheid van de burger en voor een terugtredende overheid. Hoe dat moet laat de schrijver in het midden en vandaar waarschijnlijk ook de algemene steun die het in het CDA kreeg.  Maar uit de gegevens die over hem op het internet te vinden zijn blijkt dat hij een bewonderaar is van de Amerikaanse[1] methode om de overheidswerkzaamheden te beperken tot de klassieke taken en de overige publieke werkzaamheden waar dat mogelijk en  verantwoord is uit te besteden bij het bedrijfsleven. Dat progressief Nederland daar voor zou zijn, dat zou me verbazen, maar we moeten wat nu, de tekorten op de overheidsbegroting stijgen de pan uit.

In zijn artikel beperkt Gradus  zich tot twee algemene observaties.

  1. dat er geen alternatief is voor het geven van vertrouwen aan degenen die met publieke taken worden belast en
  2. dat een bottom up organisatie in het algemeen de voorkeur verdient boven top down.  Laat de samenleving zich zoveel mogelijk zelf organiseren en laat de overheid alleen doen wat noodzakelijk is en dat anders ongedaan zou blijven.

Die twee observaties  liggen in elkaars verlengde en passen bovendien naadloos in het oude concept van de soevereiniteit in eigen kring. Dat concept stamt zoals bekend uit de antirevolutionaire wortel van het CDA.

De opvatting lijkt me juist dat het enige alternatief voor een voortwoekerende bureaucratie de herintroductie is van menselijke verantwoordelijkheid. In plaats van controle op de uitvoering (en van controle op de controle enzovoorts, met een eindeloze regressie), dient er vertrouwen te komen in de mensen  die met de uitvoering van taken zijn belast. Dat vertrouwen moet gerechtvaardigd kunnen zijn. Het stelt hoge eisen aan de selectie van personen en aan de doorzichtigheid van het systeem. Hoe minder top down hoe simpeler systemen kunnen blijven en in het algemeen geldt hoe simpeler hoe doorzichtiger.  De ideeën van het CDA op dit punt zijn dus consistent, maar politiek lijken ze moeilijk uitvoerbaar in een coalitie met de PvdA en met andere progresieve partijen.

De belangrijkste klachten van degenen die werkzaam zijn in de publieke sector liggen op het terrein van de onuitvoerbare voorschriften, de eindeloze vergaderingen, de vele formulieren die men in moet vullen en het gebrek aan vertrouwen waarmee dat alles gepaard gaat. De ideeën van Gradus en het Wetenschappelijk Instituut van het CDA vallen daarom bij de uitvoerenden in de publieke sector waarschijnlijk in vruchtbare aarde. Met uitzondering misschien van de uitdunning van het ambtenarenbestand, waar de bezuinigingen vandaan moeten komen, maar die zijn toch onvermijdelijk. Wel is de vraag die  men zich  stelt terecht: hoe ga je dat doen? Hoe kom je van het bestaande systeem naar een organisatievorm zoals  die Gradus voor ogen staat en hoe krijg je politiek draagvlak voor de veranderingen[2]?

Dat is een probleemstelling die men van een wetenschappelijk bureau van een politieke partij zou verwachten. Voor de politieke maatregelen die men wenst te nemen moeten immers coalitiepartners worden gevonden en die coalitiepartners moeten van te voren toch ongeveer weten wat ze te wachten staat. Wensen met betrekking tot de ontwikkeling van de samenleving of zelfs van de overheid zijn onvoldoende, als we geen idee hebben hoe die te verwezenlijken zouden zijn. Noch uit dit artikel, noch uit de uitvoeriger publicatie over het onderwerp van Gradus’ instituut, De bloedsomloop van de samenleving, ‘ Een christendemocratische visie op het belang van vertrouwen’, valt af te leiden hoe men zich die ommekeer in de overheidsorganisatie voorstelt.

Waar de Christendemocraten evenmin op ingaan is hoe de relatie tussen rechtstaat en bureaucratie precies ligt en in hoeverre een zekere afbouw van de rechtstaat  niet een noodzakelijke voorwaarde is voor het vermijden van een overmatige bureaucratie. Rechtstaat en regelstaat zijn immers de mooie en de lelijke kant  van dezelfde medaille. De wens van de progressieven om alle mensen gelijk te behandelen is moeilijk te verwezenlijken als niet langer de regels beslissen maar een vertrouwenswaardige magistraat zeggen kan wat de mensen toekomt. Als mensen in plaats van regels gaan beslissen wie wel en wie niet adressant is van de voor- en nadelen van het overheidsoptreden, dan zullen al die mensen dat  verschillend doen. Het vertrouwen geven aan bestuurders en ambtenaren in plaats van aan voorschriften is mooi. Maar het heeft zelfs bij de hoogste mate van integriteit tot gevolg dat het gelijkheidsbeginsel in de praktijk zal worden afgeschaft. Redelijke mensen kunnen in gelijke gevallen heel verschillend oordelen als ze naar eigen inzicht te werk gaan. En ze zullen van mening blijven verschillen over wat gelijk is als ze niet op regels kunnen terugvallen. Niet dat dit erg is, want het gelijkheidsbeginsel heeft ook om andere redenen zijn langste tijd wel gehad, maar men hoort zich bij het CDA te realiseren dat het wel de kern is van de humanistische leer en dat die leer ook buiten Nederland in de westerse wereld nog steeds heersend is.

[1] Hart, O., Shleifer, A. & Vishny, R.: The proper scope of the government: Theory and applications to prisons. Quarterly Journal of Economics. (1997)

[2] Wie de bezwaren van het CDA op dit punt deelt is Agnes Kant van de SP. Zij wijt de bureaucratie weliswaar aan de privatisering in onderwijs en zorg maar de voorbeelden die zij noemt zijn dezelfde die men ook bij het CDA, de VVD en de PVV kan horen. Voor maatregelen die de bureaucratische misstanden beloven aan te pakken moet dus een ruime politieke meerderheid te vinden zijn.

 

19:14 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

27 april

internationale organisaties en autonome staten

 

Een van de manieren waarop een nationale staat zich onderscheidt van een vager politiek lichaam, zoals bijvoorbeeld de Europese Unie of de Verenigde Naties, is door het uitvaardigen en handhaven van wetten. De EU en de VN kennen ook wel regels. Die gelden meestal uitsluitend voor de lidstaten maar werken een enkele keer ook wel eens rechtstreeks jegens individuen. Kenmerkend voor de internationale organisaties is dat zij hun eigen regels niet afdwingen.  Daarvoor zijn ze afhankelijk van de autoriteiten in de lidstaten. Goed beschouwd is het onderscheidende kenmerk van de nationale staat het monopolie op het afdwingen van haar regels, het geweldsmonopolie.

 

Staten waarvan het gezag door de inwoners als legitiem wordt aanvaard, zijn autonoom. Ze kunnen wetten uitvaardigen en afdwingen zonder daarover aan buitenstaanders verantwoording af te hoeven leggen. Ze kunnen zich door bilaterale of multilaterale verdragen verplichten jegens andere staten om zich in hun wetgeving en wetshandhaving op een overeengekomen manier te gedragen, maar zulke verdragen zijn opzegbaar. Het beëindigen van een legitiem en autonoom staatsverband daarentegen is alleen mogelijk door een revolutie. De EU heeft op sommige punten een grote invloed in Nederland, zelfs zo dat Nederlandse wetten er geheel of gedeeltelijk door buiten werking kunnen worden gesteld, maar dat is een voorwaardelijk buitenwerking stellen. Willen we het met zijn allen niet meer en treden we uit de EU, dan is het met de overheersende invloed van de Eu regels weer afgelopen.

 

Zwitserland is geen lid van de EU of van de VN en heeft daar in de praktijk weinig last van. Voor ons land zou het opzeggen van het lidmaatschap van de VN weinig gevolgen hebben, maar met een opzegging van de EU ligt dat anders.

We zijn vanaf 1956 lid en waren bij de oprichting betrokken. Onze economie onze wetgeving en onze infrastructuur is zo met die van de andere oude EU staten verweven, dat een uittreding onvoorzienbare en ingrijpende gevolgen zou hebben. We moeten het daarom niet te lichtvaardig doen, maar het is goed te bedenken dat het kan als een ultimum remedium, wanneer  belangrijke nationale belangen worden bedreigd, als de nadelen, integraal en op lange duur gemeten, groter worden dan de voordelen. Dat is nu niet zo en in de voorzienbare toekomst niet zo, maar dat het zou kunnen is geruststellend.

 

27 april

yes, minister

 

Ministers zijn politiek verantwoordelijk voor wat er op hun departementen gebeurd en staatsrechtelijk worden zij geacht er leiding aan te geven. Dank zij de Engelse serie Yes, Minister weten we dat dit in werkelijkheid niet het geval is . Het zijn de topambtenaren die niet alleen het departement[1] maar ook hun minister aansturen, de secretaris generaal voor het organisatorische gedeelte en de directeuren generaal voor wat betreft het beleid in de afdelingen die zij onder zich hebben.

 

Toch zou het verstandig zijn van ministers als ze zich zo snel mogelijk na hun benoeming een inzicht verwierven van de organisatie en de kwaliteit van het departement waarvan ze afhankelijk zijn. Ik denk dat de goeden dat ook wel proberen: systematisch kennis maken met de ambtenaren met wie ze het meeste te maken krijgen en organogrammen laten maken van de manier waarop op hun departement de besluiten tot stand komen. Probleem daarbij is dat ze meteen na hun aantreden[2] tot over hun oren in het werk zitten en dat kennismaken en organisatieschema’s bestuderen wel belangrijk is, maar altijd nog wel even uitgesteld kan worden. De doos waar “heden” op staat moet daadwerkelijk vandaag geopend en doorgenomen worden.

Bovendien blijkt in de praktijk een departement vaak heel anders te werken dan het officiële schema aangeeft. De hiërarchische lijnen waarlangs opdrachten behoren te worden verstrekt, uitgevoerd en gerapporteerd, zijn allang verlaten. Ambtenaren nemen buiten hun meerderen om de contacten met andere organisaties, en regelen vaak zonder dat hun leidinggevenden daarvan op de hoogte zijn, in die onderlinge netwerken de belangrijkste zaken.

 

Tijdens de kabinetsformatie van het laatse kabinet Balkenende in Lauswolt in het Friese plaatsje Beetsterzwaag hebben de Secretarissen Generaal aan het kabinet in wording een reorganisatieplan voorgelegd, dat een voorzichtig begin leek van het plan van Fortuijn om het klassieke departementale systeem te verlaten. Fortuijn stelde voor om er een probleem- of projectgerichte wijze van aanpak voor in de plaats te zetten. Omdat men denkt dat er op die manier veel doublures kunnen worden vermeden en bestaande resources efficiënter gebruikt belooft de reorganisatie een bezuiniging op te leveren en een vermindering van het aantal rijksambtenaren.

 

Het aardige is dat het erop lijkt dat officieel nu gaat gebeuren wat onofficieel al lang bestaat. Dat betekent niet dat de reorganisatie overbodig zou zijn omdat de mensen het oude systeem in de praktijk al niet meer toe passen. Dat wil immers niet zeggen dat ze het nieuwe  projectsysteem op een gerichte en efficiënte manier toepassen. In feite doet iedereen op het ogenblik maar wat. Een organisatorische lijn brengen in het overheidswerk is long overdue.

 

Blijft de vraag of al die ambtenaren zich ooit weer zullen voegen in de discipline die Max Weber zo fraai beschreven heeft.  Of ze ooit weer zullen gaan doen wat ze wordt opgedragen en dat dan op een heldere manier vastleggen, zodat de politieke leiding weer weet waarvoor zij aansprakelijk is en politiek verantwoording af kan leggen.

[1] Misschien is dat in Engeland nog zo,  maar in Nederland zijn het ook de topambtenaren niet meer die het departement besturen. Niemand weet eigenlijk wie departementen bestuurt. Waarschijnlijk moeten we ze  zien als bundels zelfbesturende eenheden van wisselende samenstelling die door polderen tot besluiten komen die door de officiële bestuurders naar buiten worden gebracht en verdedigd in de gevechten die plaats vinden in de ministerraad, tussen de departementen onderling en in het parlement.

[2] Dit kabinet heeft eerst een aantal maanden vrijaf genomen en is het land ingetrokken om zich per descente op de hoogte stellen van de problemen die er in de samenleving leven.

19:31 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

realisten en romantici

 

Militairen met oorlogservaring zijn realistische mensen. In een oorlog worden slordigheid en een overmaat aan fantasie snel afgestraft. Als gevolg van een proces van natuurlijke selectie komen dat soort eigenschappen bij bevelvoerende officieren in een veteranenleger niet meer voor.

 

Bij inlichtingendiensten is dat anders. Deze diensten bestaan uit twee heel verschillende soorten mensen. Men heeft informatiegaarders (spionnen) en informatie analisten. In de hogere regionen is het type (ex-)spionnen meestal oververtegenwoordigd. Spionnen bepalen vaak welke inlichtingen uit een berg van aanwezige informatie worden geselecteerd en naar buiten gebracht.

Spionnen behoren tot de minst realistische soort mensen in overheidsdienst.

CIA personeel en militairen zijn veroordeeld tot samenwerking, maar van nature hebben beide soorten daar een hekel aan. Inlichtingendiensten willen militairen aansturen en militairen hebben een gezond wantrouwen tegen de kwaliteit van de informatie op basis waarvan zij door inlichtingendiensten gestuurd zouden worden. De spion is een soort filosoof, militairen zijn meer wetenschappers. De een leeft in een wereld van eigen maaksel, de ander in de realiteit. Spionnen overleven door kameleongedrag, militairen overleven door zich niet gek te laten maken en eerst te zien en dan te geloven. De militair rekent uit, de spion veronderstelt en hoopt er het beste van. De spion is een romanticus, maar de romantische militair sneuvelt[1].

 

Als de betrouwbaarheid van inlichtingen geen kwestie is van leven of dood voor de spion en er op het thuisfront weinig onafhankelijke methodes zijn waarmee inlichtingen kunnen worden gecheckt, dan krijgt de fantasie vrij spel. Fantasie-inlichtingen zijn sexier dan betrouwbare informatie. Het soort mensen dat binnen een inlichtingendienst floreert heeft een hekel aan saaiheid. Politici zijn de afnemers van de producten van inlichtingendiensten. Zij hebben een hekel aan inlichtingen die leiden tot impopulaire beslissingen, die stemmen kunnen kosten. Daarmee houden de spionnen rekening. Hun bestaan is van de politici afhankelijk.

 

Met dit soort ingebouwde mechanismen moeten verantwoordelijke ministers rekening houden. Militaire organisaties en inlichtingenapparaten hebben ieder hun eigen makken. Ze moeten in vredestijd van buiten af op orde gehouden worden. Laat je aan zichzelf over dan hebben ze een neiging om te verwelken als snijbloemen in een vaas.

 

[1] In een leger dat te lang geen actie heeft meegemaakt werkt het systeem van natuurlijke selectie niet, of liever gezegd, het werkt op een andere manier. In plaats van professionele bevelhebbers kweekt een vredesleger politiek en ambtelijk begaafde officieren, bekwaam in het omgaan met formulieren en notities. Mensen die hun weg omhoog weten te vinden in de organisatie zoals iedere andere ambtenaar, door te kijken naar wat hun meerderen wensen en vooral ook door dicht bij het vuur te zitten

12:06 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

de nadelen van de totalitaire staat

De gedachte dat staat en samenleving twee aspecten zijn van hetzelfde fenomeen en elkaar dus overlappen is socialistisch.[1]. Zij was ook onderdeel van het nationaal socialistische gedachtegoed[2] al noemden de Nazi’s de samenleving “ volk” en noemde de socialisten haar  “arbeidende klasse”. De gedachte is hoe dan ook niet liberaal. Een staat die zich vereenzelvigt met de samenleving en een overheid die zich verantwoordelijk voelt voor alle aspecten van het gemeenschapsleven is totalitair. Het maakt daarbij niet uit of zij democratisch of autocratisch[3] is. Totalitaire staten zijn op termijn tot mislukken gedoemd, omdat ze de samenleving haar vrijheid ontnemen en daarmee haar vermogen om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Een samenleving is geen construct, het is een biologisch fenomeen. Een staat is wel een construct, een middel om in de samenleving een aantal essentiële functies te verrichten. Een staat die zich voor alles op haar territoir verantwoordelijk voelt is onvoldoende in staat om prioriteiten te stellen. De werkelijk belangrijke taken worden dan maar zelden goed vervuld. De Sovjet-Unie en haar satellieten, zoals de DDR waren voorbeelden van een samenleving die door haar overheid top down wordt georganiseerd. De communistische landen hebben om die reden gefaald , maar de welvaartstaten van West Europa zijn op hun manier ook totalitair en lopen dezelfde risico’s in afgezwakte vorm..

In een liberale samenleving doet de overheid de dingen waar zij goed in is en houdt de handen af van zaken die beter door de mensen zelf gedaan kunnen worden. Over wat ze doet legt ze verantwoording af[4].

 

Wanneer de staat zich beperken zou tot de belangrijke taken die niemand anders dan de staat kan verrichten, dan zouden de tijd, de energie en het geld die vrij zouden komen ons in staat stellen om wat er gedaan moet worden ook goed te doen. Bovendien zou een overzichtelijk pakket taken de overheid beter controleerbaar maken. Dat is nu allemaal niet het geval.

 

Dat de overheid in Nederland en andere West Europese landen zich met een zo groot aantal aspecten van het leven is gaan bemoeien is niet een kwestie geweest van machtshonger van de regeerders. Het was een reactie op problemen in de samenleving waarvan de bevolking vond dat zij door de overheid dienden te worden opgelost. In het socialisme was voor deze nieuwe functie van de overheid een ideologisch uitgangspunt aanwezig en ook een onmiddellijk doel: de bestrijding van de armoede van een deel van de bevolking, met name de ouderen, de invaliden en de gehandicapten, die zelf niet in hun onderhoud konden voorzien of dat maar ten dele konden.

Daarnaast kwamen er maatschappelijk taken, die door de veranderingen in de samenleving niet meer in de oude bestaande kaders konden worden verricht. Die taken werden door de overheid overgenomen, voordat de samenleving spontaan in de ontstane leemtes kon voorzien. Dat gold met name voor de werkzaamheden die vanouds door de kerken[5], de buurtorganisaties en door de families van de betrokkenen werden verricht. Door de toegenomen welvaart en de grotere belastingopbrengsten kon de overheid nieuwe taken op zich nemen zonder dat zij zich af hoefde te vragen of het verdwijnen van de oude kaders niet inhield dat de dringendheid van de sociale taken minder goot was dan vroeger wel.

 

De kwaliteit van de diensten van de overheid is sinds de tweede wereldoorlog achteruitgegaan, terwijl de omvang van de overheidsdiensten in snel tempo is toegenomen. Tussen die twee ontwikkelingen bestaat een verband[6].

De overheid hoort zich zelf prioriteiten te stellen. Die prioriteiten blijven wellicht door de tijd heen niet dezelfde zodat er een mechanisme hoort te zijn waarbij prioriteiten met regelmatige tussenpozen worden heroverwogen. Een uitgangspunt daarbij zou kunnen  zijn dat de overheid zich uitsluitend bezig houdt met zaken die met de  overleving van de samenleving van doen hebben[7]. Een paar voorbeelden kunnen deze stelling toelichten.

 

De gezondheidszorg is een voorbeeld van een maatschappelijke voorziening die er zonder de overheid ook wel zou zijn, zij het dat zij zonder het ingrijpen van de overheid niet voor iedereen op dezelfde manier toegankelijk zou zijn[8].

Goed onderwijs daarentegen is een zaak van overleven op lange termijn voor de samenleving en de overheid dient daarom de aanwezigheid en de kwaliteit van het onderwijs te garanderen.”Ieder in Nederland wonend kind heeft recht op het best mogelijke onderwijs waartoe zijn of haar capaciteiten hem of haar in staat stellen”.

Dat is een ideologische wenselijkheid, die in de lijn ligt van het lange termijn belang van de samenleving. Het zou in de plaats moeten komen van “ gelijk onderwijs voor iedereen”, een minder bruikbare slogan, in naam waarvan aan het onderwijs veel schade is toegebracht zonder dat het te bereiken doel, een grotere maatschappelijke gelijkheid, er daadwerkelijk door bevorderd is.

 

Wat een andere taak is die het overleven van de samenleving aangaat en waarin niet of niet geheel door de markt kan worden voorzien is de toekomstige energievoorziening. Dat is een ingewikkelde aangelegenheid. Het marktmechanisme heeft twee gebreken die het ongeschikt maken om de toekomst van de energievoorziening uitsluitend aan haar over te laten. De markt werkt vooral goed op korte termijn en is minder geschikt om te voorzien in de maatschappelijk behoeften die pas over enige tientallen jaren aan de orde zullen komen maar die nu al moeten worden voorbereid. Bedrijven die zich daar in hoofdzaak mee bezig zouden houden zullen waarschijnlijk failliet zijn voor ze aan de uitvoering van de hun gestelde taak zouden toekomen. Het tweede gebrek betreft de garantie tegen energie uitval.

De energiemarkt is vooral geschikt om te voorzien in een regelmatige gemiddelde behoefte en veel minder om te voorzien in incidentele piekbehoeften. Als de energieproducent groot genoeg is en de pieken voldoende ruimtelijk gespreid dan valt ook de lokale piekbehoefte onder de werking van de wet van de grote getallen. Zijn de pieken onregelmatig in de tijd verspreid en niet lokaal, maar treden zij tegelijk op in de hele regio waarvoor het energiebedrijf verantwoordelijk is, dan valt een piek niet op te vangen door een bedrijf. Tenminste niet als het met haar prijzen concurrerend wil blijven. Energie uitval kan het gevolg zijn en de daaraan verbonden maatschappelijke risico’s zijn groot.

Als de bedrijven in onderlinge samenwerking niet in staat zijn om het probleem op te lossen (of dat niet mogen vanwege concurrentiebevorderende regels) dan dient de overheid in te grijpen door een piekcapaciteit dwingend voor te schijven en  op naleving van die regel toe te zien. Dan zijn de concurrentievoorwaarden voor iedereen weer gelijk[9]  en kan uitvoering aan het bedrijfsleven worden  overgelaten.

 

Een alternatieve energievoorziening, voor de tijd wanneer de olievoorraden eenmaal zullen zijn uitgeput, zal door het bedrijfsleven moeten worden ontwikkeld. Het productierijp maken van de benodigde technieken is niet iets dat een overheid zelf zou kunnen. De overheid kan wel de voorwaarden scheppen waaronder een dergelijke ontwikkeling aantrekkelijk wordt voor het bedrijfsleven. Door te voorzien in voldoende technisch onderwijs kan de overheid meehelpen om de middelen te scheppen waarmee dit soort grootschalige problemen dient te worden aangepakt.

 

[1] Marx meende dat de staat zou afsterven als de communistische samenleving zou zijn gerealiseerd, maar ook dat is een vorm van samenval van staat en samenleving.

[2] Ein Volk, ein Reich, ein Fuehrer was de slogan van de Nazi’s.

[3] Autoritair wil zeggen dat de overheid geen verantwoording aflegt aan de bevolking, maar aan God of aan zich zelf.

[4] Ook in een democratisch autoritaire staat legt de overheid geen verantwoording af, dat doet alleen de regering. Overheid en regering overlappen maar hier maar voor een klein gedeelte. De regering stuurt formeel wel de overheid aan, maar in werkelijkheid is zij weinig meer dan een uithangbord aan de overheidswinkel. Het onvermogen van de politieke regering om de overheid aan te sturen en het gebrek aan doelmatige organisatie in de overheid die daar de oorzaak van is, vormen tezamen het belangrijkste probleem waar onze samenleving mee wordt geconfronteerd.

[5] De armenzorg en de diaconie waren kerkelijke taken, de buurtorganisaties speelden een rol in het gezelligheidsleven terwijl de families, net zoals dat nu nog in de ontwikkelingslanden het geval is een vangnet vormden voor het individu.

[6] Wanneer een taak erg dringend is bestaat op de uitvoering ervan een natuurlijke controle vanuit de samenleving en is de betrokken ambtenaar zich van het gewicht van zijn taak bewust. Is de taak overbodig dan is dat demotiverend, maar er is ook geen natuurlijke reactie in de gevallen waarin zij slecht wordt uitgeoefend.

[7] Dat in de Westerse landen in de periode na de tweede wereldoorlog de staten in staat geweest zijn zo’n overmaat aan maatschappelijke taken op zich te nemen en ze inefficiënt te vervullen, was een luxe die mogelijk werd gemaakt door een ongekende en ononderbroken welvaart. De wereldoverbevolking  en de daarmee samenhangende problemen maken het onwaarschijnlijk dat die periode erg veel langer zal duren dan onze generatie.

[8] Deze algemene toegankelijkheid en gelijkheid was een ideologisch geïnspireerde politieke wens waarvoor in de medische wereld en in de samenleving als geheel best begrip bestaat. Zij blijkt  nu in de praktijk niet te verwezenlijken te zijn. De kosten zijn te hoog en de groei van de kosten is onbeheersbaar. Men zal terug moeten naar een zorg die voor iedereen een acceptabele voorziening biedt in levensbedreigende situaties en in andere acute noodgevallen. Voor het overige zal de markt haar werk moeten hervatten. Het betere is hier de vijand gebleken van het goede.

[9] Omdat grotere bedrijven van nature gemakkelijker een piekbelasting kunnen opvangen bevoordeelt een dergelijk voorschrift de grote bedrijven, maar in wezen doet de overheid hier niet iets anders dan het vertalen van de behoeften van de markt op een punt waar het prijsmechanisme dat niet kan.

 

 

11:03 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

de toestand in het onderwijs

 

Aleid Truijens van de Volkskrant had het vandaag (27/4/10) over de kwaliteit van Pabo-opleidingen. Mensen met aanleg en ambitie, die graag meester of juf willen worden knappen af op de truttigheid en het lage niveau van de Pabo’s. Dat maakt het waarschijnlijk dat voor de volgende generatie kinderen de kwaliteit van de basisschool al niet meer te redden is. Die kinderen zullen afhankelijk worden van de media en van hun huiselijke omgeving voor hun basisopleiding. De school laat het afweten en dat is een ramp voor met name veel allochtone kinderen. Die verstaan het Nederlands te slecht om veel kennis op te kunnen pikken uit de media en van hun ouders hebben ze op dit punt weinig te verwachten.

 

Zwakke Pabo’s komen niet uit de lucht vallen. Zij passen in een onderwijssociologie die verwacht dat het kind zich zelf zal vormen als het van de school maar de ruimte krijgt om zijn creativiteit te ontplooien. Dat onderwijskundigen die pleiten voor meer creativiteit  zich al jaren verzetten tegen centrale schoolexamens is geen toeval.

Het bezwaar dat men hoort in onderwijskringen als het centraal schoolexamen aan de orde komt, of andere middelen om het niveau van het onderwijs te bewaken,  is immers dat het de creativiteit inperkt van de leraren.

Dat is maar één van de dingen die het doet. Wat het ook doet is het stellen van minimumeisen waaraan iedere school en iedere leraar moet voldoen. Voor een enkeling betekent dit misschien dat zij aan haar eigen scheppende kracht niet de vrije teugel kan geven, maar voor anderen betekent het veel meer dat er harder gewerkt moet worden, of dat een leraar die niet aan de eisen voldoet moet worden vervangen. Bijvoeglijke naamwoorden als creatief zijn hoogst misleidend. Ze verdoezelen wat er werkelijk gebeurt in het onderwijs als het niet aan van boven af gestelde normen wordt onderworpen. Wat er gebeurt is vaak alles behalve positief voor de betrokken leerlingen.

 

Dat “vrij”onderwijs in specifieke gevallen tot kwaliteitsverbetering kan leiden ligt voor de hand. De diversiteit tussen de scholen en de leraren wordt groter en er zullen er wel tussen zitten waar dat een verhoging van de kwaliteit tot gevolg heeft. Maar dat is minder interessant dan de vraag wat er gebeurt met het gemiddelde. De stelling dat het loslaten van centrale onderwijs- en examennormen tot een verhoging van de kwaliteit van het onderwijs zal leiden, kan uitsluitend worden afgemeten aan de statistische gemiddelden. Dat gemiddelde is lastig te bepalen zonder een centraal examen maar ik durf de stelling aan dat leraren net mensen zijn en dat hun werk gemiddeld achteruit gaat wanneer het niet regelmatig wordt getoetst.

 

De overheid mengt zich zo weinig mogelijk in het onderwijs en de examens behalve op het punt waar het werkelijk nodig is: om de landelijk normen te bewaken, waaraan de leerlingen hun latere toegang tot de arbeidsmarkt kunnen ontlenen. Dat wil zeggen: dat is de taak van de overheid. Of die goed vervuld wordt valt te betwijfelen. In elk geval wordt dit met kracht van argumenten ontkend door Leo Prick in diens in 2006 verschenen kritische werk over de onderwijshervormingen. Daarna hebben de commissie Dijsselbloem gehad die de analyse van Prick heeft bevestigd en daarna kwam de economische crisis en de kwestie Wilders en is de aandacht voor het onderwijs weer weggeëbd. Veranderingen in de zin die Dijsselbloem bepleitte hebben niet plaats gevonden. Minister Plasterk had het te druk met andere dingen.

 

Onderwijs dat uitsluitend is afgesteld op de exameneisen verdort. Dat is een stelling waar veel mensen het wel mee eens zullen zijn, met name als het gaat om het middelbaar onderwijs.. Maar het is niet het een of het ander. Het verleden heeft bewezen dat het heel goed mogelijk is om in goed georganiseerd onderwijs vanaf de eerste klas de eindexameneisen in de gaten te houden. Daarnaast en tegelijkertijd kunnen goede leraren door de jaren heen kennis en vaardigheden over  brengen op de leerlingen waar ze ook na het examen nog wat aan hebben. Het aantal lesuren en de verplichte lesstof zal toereikend moeten zijn om met gemak het eindexamen te halen, maar in de praktijk blijft er dan voldoende tijd over voor lessen buiten het voorgeschreven curriculum om. De creativiteit en de ambachtelijkheid van de leraren komen juist  beter tot hun recht als zij worden ingebed in een raamwerk van verplichte lesstof. Hoe duidelijker en hoe meer up to date die lesstof is, des te gemakkelijker voor de leraar en des te vruchtbaarder voor de leerlingen. Tenslotte is voor veel leerlingen de motivatie niet in de eerste plaats dat zij het aangebodene zo interessant of creatief vinden, dat is meegenomen. Essentieel is dat ze er later wat aan zullen blijken te hebben.

 

De ontwikkelingen in het onderwijs zijn de laatste decennia de andere kant opgegaan. De lerarenopleidingen zijn niet meer gericht op pedagogie  en kennisoverdracht, ze zijn ideologisch geïnspireerd. Aan vaktechniek wordt bij de opleiding veel minder aandacht besteed dan vroeger. Het zijn de nieuwe, slecht opgeleide leraren die nu de lesboeken schrijven. Daarmee is ook de inhoud van het onderwijs voor een groot deel van haar kwaliteit beroofd. De generatie leraren die aan de universiteit hun kennis hebben opgedaan sterft daar uit en managers maken op de scholen de dienst uit.

 

Als de kwaliteit van de leraren achteruit gaat kan het niet anders of ook de kwaliteit van het onderwijs gaat achteruit. Het maakt daarbij niet uit of de leraren het in de eerste plaats van hun kennis of van hun creativiteit moeten hebben. Die tegenstelling is vals. Pas als leraren kennis van zaken hebben en weten waar ze over praten zal het hun lukken om hun intellectuele bagage op een creatieve manier aan de man te brengen. Creatief onderwijs bestaat niet en als het al zou bestaan zou het niet te organiseren zijn. Woorden als creatief, élan en ambachtelijk zijn Bergsoniaans en ouderwets. Ze zijn komen overwaaien uit het Frankrijk van voor de tweede wereldoorlog . Het zijn met name, zoals Amerikaanse kennisgeleerden zouden zeggen, labels without referent. Wat ze gemeen hebben is hun vaagheid. Ze dienen om gebrek aan competentie te maskeren en horen eigenlijk in een discussie over het onderwijs niet  thuis.

 

10:36 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

de economie en de toezichthouders

 

De media hebben sinds oktober 2008 , toen de bankencrisis doorbrak, de aanval geopend op de ondernemingsgewijze productie. Dat is opmerkelijk, want aan dit economische systeem heeft de wereld haar uitzonderlijke welvaart te danken. Zes een half miljard mensen worden wereldwijd met dit economische systeem in leven gehouden, waarvan ongeveer de helft in relatieve welstand, d.w.z. met een inkomen van meer dan dubbel het officiële armoede niveau van de VN. Dat zijn meer mensen en dat is meer welstand dan ooit eerder op de wereld zijn voorgekomen. Dat zijn ruim tien keer zoveel mensen als er leefden voor de industriële revolutie en voor de verspreiding over de wereld van het economische systeem dat daar zowel oorzaak als gevolg van is. Naar schatting leefde voor de Verlichting, naar de huidige geldeconomiemaatstaven gemeten, meer dan 90% van de mensen in armoede. Een alternatief economisch systeem, waarin zes miljard, of zelfs maar twee miljard  mensen gevoed, gehuisvest en gekleed kunnen worden is er niet. De aanval op het kapitalisme, zoals de tegenstanders haar noemen, zal dus niet slagen.

Maar men blijft in progressieve kringen hechten aan het socialisme dat sinds de tachtiger jaren als alternatief economisch model voor een industriële samenleving zo spectaculair heeft afgedaan. De productie was te laag en kwalitatief te slecht. De milieuvervuiling die het veroorzaakte was niet langer tolerabel. Het socialisme was het systeem waarvan de DDR, die op drie oktober 1990 ter ziele ging, zo’n aanschouwelijk voorbeeld was. Kenmerkend voor de DDR en haar bondgenoten was dat economische beslissingen er niet op economische gronden werden genomen maar op politieke. Niet door de markt maar door politieke leiders die beter wisten wat goed was voor anderen dan de mensen zelf. Ideologen en niet ondernemers stonden aan het hoofd van productie-eenheden. Zij lieten zich door regels aansturen, niet door wat hun zelf het beste voorkwam maar door de plannen en de wensen van hun superieuren.

We kennen in Nederland geen genationaliseerde productie van goederen.  Maar er is een dienstenproductie die in Nederland door de  in leven wordt gehouden,  de zorgsector, het onderwijs, de culturele instellingen en de talloze maatschappelijke gedragsbeïnvloedende instellingen die we hier kennen. Tezamen vormen die een soort DDR binnen de Nederlandse samenleving. Ze functioneren economisch op een soortgelijke manier.

Engeland was het westerse land dat ooit het verste op die weg was voortgeschreden, omdat daar ook winstbeogende  ‘normale’ bedrijven in het overheidscircuit waren opgenomen en niet zoals bij ons alleen maatschappelijke dienstverleners die geen winst beogen en zonder overheidssteun ook in theorie niet zouden kunnen bestaan.

Op 4 mei 2009 was het dertig jaar geleden dat Margaret Thatcher aantrad als premier van Groot Brittannië. Zij volgde toen de socialist Jim Callaghan op maar meer nog dan van Callaghan was zij de opvolger van diens voorganger  Harold Wilson. Callaghan had al vergeefs geprobeerd de ergste uitwassen van het Wilsontijdperk te bestrijden maar zonder veel succes. Wilson was de vertegenwoordiger van het Tribune socialisme, het socialisme van de vakbonden en van de derde weg in de buitenlandse politiek. Zijn regering werkte met belastingtarieven die op konden lopen tot 98%. Hij en zijn conservatieve voorganger Heath tolereerden stakingen voor tientallen procenten loonsverhoging, die de inflatie opjoegen en de Engelse economie aan de rand van de afgrond hebben gebracht.

Toen Thatcher aan de regering kwam was Engeland technisch gesproken bankroet. Het land kon, zoals Griekenland nu, zijn schulden niet meer betalen zonder hulp van buiten. Niet alleen de economie maar ook de sociale voorzieningen stonden aan de rand van een breakdown. De genationaliseerde industrieën leden structurele verliezen en verbruikten een disproportioneel deel van het overheidsbudget. Tot de genationaliseerde industrieën hoorden de negentiende-eeuwse staalindustrie en de even oude kolenmijnbouw, de twee grootste werkgevers van het Koninkrijk. Economische beslissingen werden onder druk van de vakbonden genomen en vooral vaak niet genomen. Engeland was hard op weg een DDR te worden in economische opzicht. Het kapitaal en de werkgelegenheid stroomden het land uit en eigenlijk gaf in het buitenland dertig jaar geleden niemand meer een cent voor de toekomst van Groot Brittannië.

Dat Thatcher het land gered heeft leidt geen twijfel. Ze had de moed om de impopulaire maatregelen te nemen die toen nodig waren. De belangrijkste ervan, de privatiseringen[1] en het breken van de macht van de vakbonden hebben zichtbaar heilzaam gewerkt. Latere labourleiders zijn haar in stilte dankbaar gebleven. Tony Blair heeft haar beleid in grote lijnen voortgezet en daarmee de conservatieven een  generatie lang overbodig gemaakt. In de periode daarvoor hadden Wilson en andere democratische socialisten bewezen dat ook met vreedzame middelen een socialistische economie tot stand kan worden gebracht en dat de gevolgen ervan even heilloos zijn als het autocratische socialisme uit de landen van het voormalige Oostblok.

Dat de overheid zich bij haar leest hoort te houden en niet de economie moet proberen aan te sturen staat nu historisch wel vast. Dat wil niet zeggen dat de overheid geen taak zou hebben in de samenleving of in de economie. Zonder een competente overheid kan er zowel van een vreedzame samenleving als van een goed functionerende economie geen sprake zijn.

Er zijn taken in de samenleving en in de meest liberale economie die alleen de overheid vervullen kan. Dat liberalen of conservatieven daarom ‘tegen de overheid’ zouden zijn is domweg niet waar.  Met uitzondering van een hand vol anarchisten is de  vraag  voor niemand ‘wel overheid’ of ‘geen overheid’, maar wat kan de overheid wel met succes doen en wat kan zij niet.

Thatcher had net als haar Amerikaanse tijdgenoot Reagan een ideologische antioverheidsinstelling die in praktisch alles het fotografische negatief  was van het socialisme : wat Wilson goed noemde, noemde  zij fout en omgekeerd. Misschien is het politiek wel onvermijdelijk om te polariseren, maar daarmee is het nog niet verstandig. Het gegeven dat het socialisme niet werkt betekent niet automatisch dat overheidsingrijpen onder alle omstandigheden uit den boze is. Het is geen wet van Meden en Perzen dat wat de markt doet ook welgedaan is. Er zijn omstandigheden waaronder de markt niet werkt en er zijn economische prikkels die perverse gevolgen hebben, zelfs als men die vanuit een puur economische gezichtshoek bekijkt en het welzijn van de bevolking daarbij buiten beschouwing zou laten. Maar juist in dat welzijn speelt de natuurlijk overheid een belangrijke rol. De overheid heeft er bovendien voor  te zorgen dat norm en en waarden gehandhaafd blijven, ook in de economie. Aan normhandhaving doet een markt niet uit zich zelf. De markt heeft geen moraliteit maar wel een ingebouwde voorkeur voor korte termijneffecten. Een verstandige overheid grijpt daarom in op punten waar ze  het overduidelijk fout ziet lopen, zowel in moreel als in technisch economisch opzicht.

Economische toezichthouders als functie van de overheid zijn een noodzakelijk complement van een vrije markteconomie. Zij zorgen ervoor dat er geen monopolies ontstaan, dat markten in schijnproducten geen kans krijgen, dat oplichters gesignaleerd en vervolgd worden en dat in het algemeen de economie blijft functioneren in het belang van de samenleving. Die economie mag daarbij ook best in het belang van de mensen werken die haar runnen, maar daar mag de samenleving niet onder te lijden hebben. Daar ligt de belangrijkste taak van de toezichthouders.

Uitgangspunt daarbij is dat toezichthouders niet op de stoel van ondernemers gaan zitten. Toezicht houden is iets anders dan een planeconomie runnen.  Aansturen van een vrije economie is een contradictio in terminis. Het kan niet en een overheid moet het niet willen. Een vrije economie werkt omdat het initiatief voor economische beslissingen in de markt genomen wordt en omdat de overheid afwacht wat er gebeurt. Ingrijpen vindt pas plaats daar waar de markt zichtbaar uit de rails loopt.. Een toezichthouder corrigeert, hij dirigeert en plant niet[2]. Doordat men weet dat hij corrigeert houdt men zich aan de normen en regels ook voordat er wordt ingegrepen. Voorspelbaar gedrag van de toezichthouder vormt een van de gegevens in de markt waar een ondernemer rekening mee houdt.

Ingrijpen vindt ondermeer plaats omdat het mechanisme van de vrije markt in bijzondere gevallen niet werkt, zoals dat in het algemeen het geval is bij monopolievorming.

Ook disfunctioneren van niet monopolistische markten komt voor. Dat gebeurt wanneer de markt wel functionneert maar ongewenste resultaten oplevert. Dat doet zich tegenwoordig voor op de energiemarkt, waar  lage en sterk wisselende prijzen van gas en  olie de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen blokkeren. Toch zijn voor iedereen zichtbaar de voorraden koolwaterstoffen op termijn van  een mensenleven uitgeput. Er zijn er dus nieuwe energiebronnen nodig over enkele decennia[3].  Niet de markt maar de samenwerkende overheden van de grote industrielanden horen in een geval als dit te beslissen wat de ondergrens van de internationale olieprijzen zal zijn.

Toezichthouders horen inzicht te hebben in de markten waarvoor  zij verantwoordelijkheid dragen. Wie niet begrijpt hoe het werkt kan ook niet ingrijpen als het nodig is of weet elk geval niet wat hij aanricht als hij ingrijpt. De bankencrisis was een goed voorbeeld. Nederland had het voordeel dat we op dat moment een minister van financiën hadden die zijn stage op het departement gelopen had onder de beste minister die we daar in tientallen jaren had gehad, minister Zalm. Bos wist welke ambtenaren hij kon inschakelen voor de klus en heeft dat foutloos gedaan. Duitsland en Frankrijk waren minder gelukkig en in de VS, waar de administratie wel juist handelde (op de Lehman affaire na) vertraagde het congres de maatregelen op een onverantwoorde manier. Hoe het niet moet heeft Brussel laten zien; de federale Belgische regering daar maar ook het Brussel van de EU. Alles bij elkaar waren de eerste maanden van  de bankencrisis een hele leerzame periode voor toezichthouders. De economische onvervangbaarheid van nationale overheden werd voor zover dat nodig was weer aangetoond en daarnaast de dringende noodzaak van kennis bij de overheid van de markt.. Bovendien werd in die periode aanschouwelijk gemaakt wat een overheid wel kan en wat niet.

In een geglobaliseerde markt horen overheden internationaal samen te werken. Niet op alle terreinen van het toezicht, maar wel daar, waar marktpartijen zich anders aan effectief toezicht zouden kunnen onttrekken. Daarvoor is geen samenwerking op VN niveau nodig. Die zou eerder onwenselijk zijn, omdat het format[4] van de volkerenorganisatie aan een effectieve samenwerking in de weg staat. Effectief zou zijn een geïnstitutionaliseerde samenwerking tussen de vier of vijf grootste economische blokken. De rest zal daar vrijwillig aan meewerken uit welbegrepen eigenbelang.

Ingrijpend toezicht hoort met een minimum aan middelen plaats te vinden. Daarvoor is het nodig dat de toezichthouder helder communiceert met zijn doelgroep. Men moet weten wat men aan hem heeft en met name ook dat de pakkans bij een overtreding van de regels maximaal is. Overeenstemming tussen toezichthouder en doelgroep over het nut en de ethische aanvaardbaarheid van de regels is wenselijk, al moet er rekening mee worden gehouden dat toezichthouders geen verantwoording af horen te leggen aan de doelgroep maar aan de samenleving als geheel. De waarden en normen zoals die binnen een gesloten groep gelden hoeven niet noodzakelijk door de toezichthouder te worden gedeeld. Wel is het wenselijk dat door zijn optreden de eigen normen van de doelgroep zich aan die van de toezichthoudende overheid aanpassen. Een blijvend verschil in normbesef zou het toezicht onwerkbaar kunnen maken.

Het sanctiesysteem moet zo zijn opgebouwd dat het praktisch altijd gemakkelijker is voor de doelgroep om zich aan de regels te houden dan om die te overtreden. Het controlesysteem hoort zo te zijn dat overtredingen snel zichtbaar worden, althans dat geen onnodige energie aan opsporing van overtredingen hoeft te worden besteed.

Toezicht hoort efficiënt te zijn. Niet efficiënt toezicht bouwt aan de eigen ondergang. Het ideale toezicht is dat waarbij de toezichthouder volledig op de hoogte is en nooit hoeft in te grijpen.

[1] Dat waren echte privatiseringen. Wat in ons land later onder de kabinetten Lubbers en Kok als privatiseringen werd gepresenteerd was het “op afstand zetten” van overheidsfuncties, zoals zorg en onderwijs. Die kwamen voortaan niet meer ten laste van het budget van de betrokken departementen, wat scheelde bij de bezuinigingen, maar zij bleven hun publieke karakter en hun monopolistische positie houden. Dat er van marktwerking in de economische betekenis van dat woord geen sprake was daarbij, dat was iedereen duidelijk behalve Den Haag.

[2] De plannende overheid is een aspect van de DDR.  De besluiten bijvoorbeeld van de Europese overheden om op wetenschappelijk en economisch terrein de Verenigde Staten in te halen of van Nederland om de hightech industrie te stimuleren zijn tot mislukken gedoemd. De overheid kan zoiets niet. Ze kan wel de voorwaarden scheppen waaronder ondernemers beter kunnen functioneren of ze kan de belemmeringen voor een beter onderwijs uit de weg ruimen, d.w.z. haar eigen functioneren verbeteren..

[3] Waar politici geen rekening mee lijken te houden is, dat een naderende uitputting van de bronnen van goedkope energie haar schaduwen vooruit zal werpen. Als tien of vijftien jaar van te voren de waarschijnlijkheid van alternatieven te gering is, zal de markt instorten. Dat zal gebeuren lang voor de voorraden daadwerkelijk zijn uitgeput en de gevolgen daarvan zullen niet meer vreedzaam zijn op te lossen.

[4] De besluitvormingsprocessen van de VN zijn niet op toezichthoudende economische functies gericht. De Veiligheidsraad is er voor veiligheidsvraagstukken en kent landen met een vetorecht.  De Algemene Vergadering vertegenwoordigt niet de relevante economische beslissingsnemers. De Wereldbank en het IMF zijn adviseurs en ze zijn niet representatief.

 

 

5:30 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

26 april

De affaire Docters van Leeuwen

 

Die zaak wordt ook wel, maar met minder recht, de affaire Sorgdrager genoemd. Het ging om een aanvaring tussen de e.t. minister van Justitie Sorgdrager en enkele van haar hoge ambtenaren. In wezen ging het om de manier waarop het verschil van mening in de publiciteit is gekomen.

De PG bij het Hof van Leeuwarden, Steenhuis,  had bij een onderzoek naar de verhoudingen tussen bestuur, justitie en politie in zijn ressort de schijn van belangenverstrengeling op zich geladen door niet tijdig en ter bestemde plaatse bericht te doen van het feit dat hij adviseur was van het bureau dat met het onderzoek werd belast. In feite was van beïnvloeding van het onderzoek geen sprake geweest.  De Kamer meende van wel en gelastte de minister om daar weer een onderzoek naar  te laten doen. Docters van Leeuwen, voorzitter van het college van PG’s  sprong in de bres voor zijn collega en nam publiekelijk afstand van de reprimande die Sorgdrager maar vast aan Steenhuis uitdeelde. Steenhuis ging nog een stap verder door met een kort geding tegen de minister te dreigen toen hij naar zijn mening onvoldoende tijd kreeg om te reageren op een verslag dat staatsraad Dolman van de affaire had gemaakt. Hij kreeg inderdaad maar iets meer dan een  uur voordat het verslag aan de Kamer zou worden overhandigd. Maar daar kon de minister weer niets aan doen, want de Kamer had om die haast  gevraagd. Het verslag vermeldde trouwens dat van daadwerkelijke belangenverstrengeling niet gebleken was, zodat Steenhuis niet echt te klagen had en eigenlijk ook niet meer dan een uur nodig had om dat te constateren.

De minister was terecht heel boos en ontsloeg Docters van Leeuwen. Dat laatste was  misschien een te zware reactie, maar een ontslag van Steenhuis was zeker op zijn plaats geweest. Publiekelijk dreigen met een kort geding tegen de eigen minister voor een politieke beslissing waar een persoonlijk belang van een ambtenaar mee gemoeid is, is niet tolerabel. Docters van Leeuwen had zijn best gedaan de affaire te sussen, maar door het college van procureurs bij elkaar te roepen dat  zich daarna  gezamenlijk tegen de minister opstelde, wekte hij in de pers de indruk van insubordinatie op top niveau. Hij ondermijnde daarmee het gezag van de politiek onervaren minister veel meer dan ooit zijn bedoeling kan zijn geweest. Hij was voorzitter van het college vanwege zijn ervaring als ambtenaar, niet als jurist. Als ambtenaar had hij gefaald in zijn taak om de minister uit de wind te houden. Maar omdat daarbij de loyaliteit tegenover zijn directe ondergeschikte zo’n belangrijke rol speelde, had de minister misschien meer compassie met hem kunnen hebben. Dat was zeker haar eigen positie ten goede gekomen. Van de andere kant moet in aanmerking worden genomen dat Sorgdager zelf PG was geweest voordat zij minister werd en zij zich niet alleen als minister maar ook persoonlijk door haar voormalige collega’s in haar hemd gezet voelde. Dat minister president Kok het nodig vond om haar in bescherming te nemen door het college kinderachtig gedrag te verwijten, met daarop weer voorspelbare reacties van het journaille, dat zal ook wel niet geholpen hebben.

Wanneer een onafhankelijk ambtelijk college zich opstelt  tegenover de minister, dan wil dat eigenlijk zeggen dat het zich opstelt tegenover  het departement. Iets dergelijks hadden we bij de Srebrenica affaire toen het leek als of de Landmacht bij monde van haar bevelhebber Couzy zich tegen de minister en staatssecretaris Gmelich Meyling had gericht, maar waarbij het in wezen ging om een stammenstrijd  tussen de Landmacht en het Departement van Defensie. De politici traden daarbij alleen maar als woordvoerders op. Waarschijnlijk wilden Docters c.s. in de eerste plaats de positie van het college tegenover het departement markeren  met hun openbare optreden, maar hoe dan ook, staatsrechtelijk kon het van geen kanten. Wanneer een hoge ambtenaar het niet eens is met een uitbrander die hij van de minister krijgt, dan kan hij ontslag nemen of in stilte naar de ambtenarenrechter lopen. Openlijk stelling nemen is uit den boze en niemand had dat eigenlijk beter kunnen weten dan Arthur Docters van Leeuwen, de superambtenaar.

 

19:29 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

kwaliteitsbewaking in het onderwijs

 

Het bezwaar dat men hoort in onderwijskringen als het centraal schoolexamen aan de orde komt, of andere middelen om het niveau van het onderwijs te bewaken,  is dat het de creativiteit inperkt van de leraren.

Dat doet het inderdaad wel onder omstandigheden, maar het is maar één van de dingen die het doet. Wat het eerder doet is het stellen van minimumeisen waaraan iedere school en iedere leraar moet voldoen. Voor sommigen betekent dit dan dat zij aan hun eigen scheppende kracht niet de vrije teugel kunnen geven, maar voor anderen betekent het veel meer dat er harder gewerkt moet worden, of dat een leraar die niet aan de eisen voldoet moet worden vervangen. Bijvoeglijke naamwoorden als creatief zijn bovendien misleidend. Ze verdoezelen wat er werkelijk gebeurt in het onderwijs als het niet van boven af aan algemeen geldende normen wordt onderworpen. Wat er gebeurt is vaak alles behalve creatief.

 

Dat “vrij”onderwijs in specifieke gevallen tot kwaliteitsverbetering kan leiden ligt voor de hand. De diversiteit tussen de scholen en de leraren wordt groter en er zullen er wel tussen zitten waar dat een verhoging van de kwaliteit tot gevolg heeft. Maar dat is minder interessant dan de vraag wat er gebeurt met het gemiddelde. De stelling dat het loslaten van centrale onderwijs- en examennormen tot een verhoging van de kwaliteit van het onderwijs zal leiden, kan uitsluitend worden afgemeten aan de statistische gemiddelden. Dat gemiddelde is lastig te bepalen zonder een centraal examen maar ik durf de stelling aan dat leraren net mensen zijn en dat hun werk gemiddeld achteruit gaat wanneer het niet regelmatig wordt getoetst.

 

De overheid mengt zich zo weinig mogelijk in het onderwijs en de examens behalve op het punt waar het werkelijk nodig is: om de landelijk normen te bewaken, waaraan de leerlingen hun latere toegang tot de arbeidsmarkt kunnen ontlenen. Dat wil zeggen: zo is de taak van de overheid. Of die goed vervuld wordt op het moment valt te betwijfelen. In elk geval wordt dit met kracht van argumenten ontkend door Leo Prick in diens in 2006 verschenen kritische werk over de onderwijshervormingen.

 

Onderwijs dat uitsluitend is afgesteld op de exameneisen verdort. Dat is eens stelling waar vel mensen het mee eens zullen zijn. Maar het is niet het een of het ander. Het verleden heeft bewezen dat het heel goed mogelijk is om in goed georganiseerd onderwijs vanaf de eerste klas de eindexameneisen in de gaten te houden en tegelijkertijd door de jaren heen kennis en vaardigheden over te brengen op de leerlingen waar ze ook na het examen nog wat aan hebben.. Daarvoor zal het aantal lesuren toereikend dienen te zijn om de eindexamenstof te leren, maar in de praktijk blijft er dan voldoende tijd over voor lessen buiten het curriculum om. De creativiteit en de ambachtelijkheid van de leraren komen des te  beter tot hun recht als die worden ingebed in een raamwerk van verplichte lesstof. Hoe duidelijker en hoe meer up to date die lesstof is, des te gemakkelijker voor de leraar en des te vruchtbaarder voor de leerlingen. Tenslotte is voor veel leerlingen de belangrijkste motivatie niet dat zij het aangebodene zo interessant of creatief vinden, maar dat ze er later wat aan zullen blijken te hebben.

 

De ontwikkelingen in het onderwijs zijn de laatste decennia de andere kant opgegaan dan hier wordt bepleit. De lerarenopleidingen zijn ideologisch geïnspireerd. Aan vaktechniek wordt bij de opleiding minder aandacht besteed dan vroeger. Het zijn de nieuwe, slecht opgeleide leraren die de nieuwe lesboeken schrijven. Daarmee is ook de inhoud van het onderwijs voor een groot deel van haar kwaliteit beroofd. De generatie leraren die aan de universiteit hun kennis hebben opgedaan sterft uit en managers maken op de scholen de dienst uit.

Als de kwaliteit van de leraren achteruit gaat kan het niet anders of ook de kwaliteit van het onderwijs gaat achteruit. Het maakt daarbij niet uit of de leraren het in de eerste plaats van hun kennis of van hun creativiteit moeten hebben. Die tegenstelling is vals. Pas als leraren kennis van zaken hebben en weten waar ze over praten zal het hun lukken om hun intellectuele bagage op een creatieve manier aan de man te brengen. Woorden als creatief, élan en ambachtelijk zijn trouwens Bergsoniaans. Ze komen uit het linkse Frankrijk overwaaien. Het zijn, zoals Amerikaanse kennisgeleerden zouden zeggen, labels without referent. Wat ze gemeen hebben is hun vaagheid. Ze dienen om gebrek aan competentie te maskeren en horen eigenlijk in een referaat over de kwaliteit van het onderwijs niet  thuis..

19:04 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Van Drees naar Job Cohen.

 

Is armoedebestrijding een gerechtvaardigd onderdeel van het overheidsbeleid? Ik meen van wel. Het is het belang van de samenleving als geheel, dat extreme armoede wordt uitgebannen. Het is bovendien wenselijk dat de samenleving mensen helpt die zich zelf niet helpen kunnen. Zowel de Christelijke als de humanistisch ethiek schrijven dat voor. Ook de Koran verlangt van een gelovige Moslim dat hij de armen  in zijn omgeving bijstaat. Binnen onze samenleving, zou je zeggen, moet er voor armoedebestrijding voldoende politiek draagvlak zijn.

Of de seculiere overheid de instelling in de samenleving is die deze taak op zich moet nemen is daarmee nog geen uitgemaakte zaak. Maar wie zou het anders moeten doen? De kerken beschikken niet over de middelen en bovendien,  te weinig mensen zijn nog praktiserend lid. Particulieren lijken over het algemeen andere prioriteiten te hebben. De taak komt bij de overheid terecht, gewoon omdat het moet gebeuren en er niemand anders lijkt te zijn die het doet.

Toen minister Drees kort na de Tweede wereldoorlog de eerste vorm van ouderdomspensioen introduceerde, die later  is uitgegroeid tot de AOW, toen is denk ik de belangrijkste stap in de armoedebestrijding genomen. Pensioenen waren toen buiten de overheidssfeer nog uitzonderingen en de meeste ouderen waren voor hun onderhoud aangewezen op steun van hun kinderen,  die het over het algemeen ook niet breed hadden. Wie toen armoede meegemaakt  heeft in zijn onmiddellijke nabijheid, die zal gezien hebben dat  die overheidsmaatregel het welzijn in de samenleving meer heeft bevorderd dan alles wat daarna is gekomen.

Drees was nog een SDAP-er van de oude stempel. Bij hem moest je niet met flauwekul aankomen, maar het verhelpen van de ergste nood bij de ouderen, dat moet hij als  een van de belangrijkste politieke verworvenheden hebben beschouwd uit zijn carrière. Dat succes heeft de weg vrijgemaakt voor een hele reeks van sociale verzekeringen en volksverzekeringen waar de naam van de KVP-er  Veldkamp  aan verbonden blijft en die geen van allen de impact gehad hebben van de Noodwet Drees.

Het probleem met sociale wetgeving is dat zij niet alleen doet waarvoor ze ooit bedoeld was, de extreme armoede bestrijden. Als sociale wetten er eenmaal zijn dan gaan de mensen er zich op instellen. Ze  maken gebruik van de mogelijkheden die de wetgeving biedt,  ook al verkeren ze niet in de omstandigheden die hulp van anderen rechtvaardigen. Wie de sociale wetgeving gebruikt om zich van een arbeidsloos inkomen te voorzien, die maakt niet alleen misbruik van de wet.  Hij verarmt de samenleving. Hij legt wel beslag op resources en levert zelf geen bijdrage aan de voortbrenging van die resources. Het werkt twee kanten op.

Het misbruik van sociale voorzieningen liep in de zeventiger en tachtiger jaren de spuigaten uit. Het percentage van mensen in de werkzame leeftijd,  tussen 15 en 65 jaar, die een uitkering genoten van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering was hier ruim twee keer zo hoog als in de ons omringende landen en substantiële  delen van de bevolking leefden van de bijstand of gebruikten die als aanvulling op  hun (zwarte) inkomen. Er zijn nu mensen met een academische opleiding en zonder zichtbare handicap die AOW genieten en nog nooit in hun leven een vinger hebben uitgestoken. Dat vereist vernuft en ook een zekere sobere stijl van leven, maar het kan. Vooral als een groepje uitkeringen poolt, tezamen woont, bijvoorbeeld in een kraakpand en gezamenlijk voor voedsel en andere eerste levensbehoeften zorgt, dan is het heel goed mogelijk om op kosten van de samenleving te leven zonder er iets voor terug te doen. Wie Voskuil leest merkt dat er een tijd geweest is waarin dit soort leven als ideaal gegolden heeft.

Dat dit kan en dat mensen een parasitair leven leiden dat hun op den duur waarschijnlijk niet eens zelf bevalt, is de schuld van de overheid die een oncontroleerbaar systeem ontwerpt en er zo de mogelijkheden toe biedt. Dat is niet wat Drees voor ogen stond en het is de belangrijkste reden waarom eerst zijn zoon en later hij zelf de Partij van de Arbeid hebben verlaten.

Wouter Bos die voldoende verstand van zaken had om het probleem onder ogen te zien had onvoldoende politieke moed om het aan de orde te stellen. Van Job Cohen die economische bijles is gaan nemen bij Arnold Heertje moet men vrezen dat hij onvoldoende verstand van zaken heeft. Dat zal hij voor 9 Juni bij Heertje ook niet verwerven, moet men vrezen.

 

13:35 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

17 april

Clusterfuck in Rotterdam

 

Clusterfuck is zo’n mooi woord, een samenstelling uit clusterbom en fucking up.  De Engelse politie betitelt zo een voorval dat in de publieke belangstelling komt, aan de politie wordt toegerekend en dan links en rechts  de meest onvoorspelbare gevolgen heeft. De gebeurtenissen in Hoek van Holland zijn volgens een kenner van het politieapparaat een Nederlands versie van het fenomeen. De maatregelen die op grond van een clusterfuck worden genomen werken eigenlijk altijd averechts. Ze leiden tot meer bureaucratie, te grote voorzichtigheid op de verkeerde plaatsen en de consequenties treffen als regel de verkeerde mensen.

Het is goed dat Hoogenboom ( Volkskrant 18/12/09) hier dit voorbeeld noemt want dank zij het rapport van het COT en het debat in  de Rotterdamse gemeenteraad weten we wel ongeveer waar we over praten met dat incident. Misschien moeten we wisten zeggen in plaats van  weten, want het rapport is intussen van het web gehaald, zodat een buitenstaander er niet zo gemakkelijk meer toegang toe heeft.

Hoogenboom citeert Adang van de politieacademie die, kort samengevat,  er voor waarschuwt dat bij clusterfucks achteraf een schijnorde wordt aangebracht in een situatie die in principe chaotisch is. Vervolgens worden dan de gebeurtenissen beoordeeld vanuit een virtuele orde in plaats vanuit de chaos die er in werkelijkheid was .

Dat is een schrandere observatie. Mensen hebben inderdaad twee gewoontes die bij het analyseren van gebeurtenissen roet in het eten kunnen gooien. De eerste is het waarnemen van patronen en regelmatigheden waar die niet uit zich zelf aanwezig zijn. De tweede is op momenten van chaos in paniek te raken en te handelen zonder een grondige analyse vooraf.

Tegen dat tweede verschijnsel kan men zich wapenen, door voor veel voorkomende situaties vaste draaiboeken te ontwikkelen en die te oefenen.

Ik ben ooit ondercommandant geweest van een mobile medische brigade van de Bescherming Burgerbevolking. Dat was een goed voorbeeld van een organisatie waar die geoefendheid mankeerde. Procedures werden een of twee keer per jaar in een wat lacherig sfeertje op papier geoefend. De medici hebben in mijn tijd nooit uit hoeven te rukken, maar de BB brandweer wel, bij de brand in het Westelijk havengebied in Amsterdam, de brand bij de Marbon. De afdeling kwam van de Weesperzij en wilde door de Utrechtse straat richting Centraal Station en vandaar het havengebied in. Op het Frederiksplein, dus na een paar honderd meter,  werden ze tegengehouden door de politie en teruggestuurd. Helemaal terecht, ze hadden de professionals bij de brand alleen maar voor de voeten gelopen. De BB was een klassiek voorbeeld  van een organisatie die nooit had kunnen werken door een gebrek aan geoefendheid in haar procedures. Dat zij zonder veel publieke aandacht is opgeheven en haar dure materiaal is overgedragen aan wel professionele organisaties was een verstandig besluit.

 

Als het COT haar vak verstaat dan heeft het wat er werkelijk is gebeurd in Hoek getoetst aan de binnen de Rotterdamse politie en de Rotterdamse  driehoek bestaande procedures. Dan moet de kwaliteit van die procedures in de beschouwingen zijn betrokken.  De burgemeester en de hoofdcommissaris hebben daadwerkelijke verantwoordelijkheid voor zowel het bestaan van die procedures als voor de kwaliteit. Hoe langer ze in functie zijn  hoe meer verantwoordelijkheid.

Hun eigen operationele verantwoordelijkheid in een crisissituatie kan niet anders dan een afgeleide zijn. Het is duidelijk dat zowel de burgemeester als de hoofdcommissaris te veel werk op hun bord hebben liggen om alles goed te kunnen doen. Te veel in elk geval om voldoende geoefend te zijn in alle crisissituaties die zich onder hun verantwoordelijkheid voor zullen doen. Waar ze wel voor kunnen en moeten zorgen is dat de juiste mensen op de juiste plaatsen zitten en dat er behoorlijke procedures zijn. Misschien horen ze zich ook regelmatig op de hoogte te stellen dat de procedures geoefend worden. Voor de rest zijn ze afhankelijk van wat hun door hun ondergeschikten wordt voorgelegd. Doen ze het anders dan loopt het zeker fout. Dan vergroten ze alleen een al bestaande chaos.

Het COT was nogal kritisch over het gebeuren en dat moet dan gelegen hebben aan de gevolgde procedures. Ik bedoel dan de noodprocedures die in werking worden gesteld als iets al grondig fout is gelopen. Niet het feit dat er om te beginnen niet voldoende ME aanwezig was bij het strandfeest. Als dat vaste procedure zou zijn kunnen er beter geen strandfeesten meer georganiseerd worden. Het is praktisch niet mogelijk om de ME bij alle feesten en gelegenheden te laten uitrukken. Zelfs niet bij alle gelegenheden waar drank of drugs aanwezig zijn. Misschien had in dit specifieke geval geen vergunning moeten worden gegeven. Dat hangt af van de informatie waarover de autoriteiten beschikten, maar de verantwoordelijkheid van Aboetaleb en Meijboom daarvoor is wel erg indirect.

Het gaat om de noodprocedures. Er hoort altijd een meldpunt te zijn waar in geval van nood agenten die in de verdrukking komen contact mee kunnen krijgen. Via de mobilofoon of een speciaal nummer via de mobile telefoon. Liefst allebei. Het meldpunt moet beschikken over een telefoonnummer van de permanent bereikbare commissaris of andere functionaris die verantwoordelijk is voor noodgevallen[1]. Deze beschikt over een logboek met telefoonnummers van mensen die gebeld moeten en welomschreven acties die moeten worden genomen. Die acties zijn zo vaak geoefend dat op ieder gewenst moment de betrokkenen ze uit kunnen voeren zonder er bij na te hoeven denken.

Bleek de persoon in kwestie niet bereikbaar te zijn dan hoort, bijzondere omstandigheden daar gelaten, die man of vrouw ontslagen te worden. Heeft een van de tussenschakels gefaald, dan geldt voor hem hetzelfde. Was er geen behoorlijke procedure of was die onvoldoende geoefend, dan komt het functioneren van Meijboom in het geding. Was het incident een jaar later gebeurd dan misschien het functioneren van Aboutaleb. Nu was er alleen sprake van een politiek spel zwarte pieten en van de vraag waar de Raad de verantwoordelijkheid neer wenste te leggen. Het echte probleem lijkt, aan de berichten in de media te zien, niet aan de orde te zijn geweest. Dat is waar de Rotterdamse politie zich terecht zorgen over maakt. Want de Raad is wel in staat om verdragende besluiten door te voeren. Als dat gebeurd op politieke in plaats van organisatorische gronden, dan zijn de politie en het publiek daar de dupe van.

 

[1] Dat is de man die daar de speciale toelage voor krijgt waar laatst wat over te doen was, de toelage dus  om permanent bereikbaar te zijn

17:46 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Wim Kok, Cees Fasseur en de politiewet

Cees Fasseur schreef een paar maanden geleden een artikel over de gevolgen van de politiewet die hij ooit zelf had geschreven toen hij nog raadsadviseur was op Justitie. Die wet had de opsplitsing te weeg gebracht in 25 corpsen, die naar achteraf bleek, wel erg veel onnodige overlappingen meebracht en er bovendien toe had geleid dat de leiding van de corpsen zich zelf arbeidsvoorwaarden kon bezorgen die Wim Kok als een vorm van exhibitionistische zelfverrijking zou hebben aangemerkt! Prachtige uitdrukking dat, vooral uit de mond van iemand die op grond van de ideologie die hij zijn leven lang heeft uitgedragen zelf nooit van zoiets beschuldigd zou moeten kunnen worden.

Of Fasseur trouwens gelijk had met dat andere kritiekpunt op de zelfgemaakte wet, dat weet ik niet. Ik denk dat we eerst eens de kosten van  een groot monolithisch politiekorps zouden moeten berekenen op basis van ervaringen van vroeger en een vergelijking met de diverse buitenlanden. Verder zou de Rekenkamer ook eens kunnen kijken naar de verschillen in kosten en efficiency  tussen de vijf en twintig corpsen. Misschien zitten er wel een of twee tussen die als model voor de anderen kunnen dienen en werd het eindresultaat dan beter en goedkoper dan het ene grote corps.

Hoe dan ook, ik vind het prima dat een wettenmaker eens de moeite neemt om te kijken wat er van zijn werk geworden  is en in welke opzichten het anders heeft uitgepakt dan zijn bedoeling was. Dat gebeurt veel te weinig en eigenlijk zou het tot het vaste protocol moeten behoren. Iemand moet eindverantwoordelijkheid hebben niet alleen voor de redactie van een wet maar ook voor de nazorg. Kijken met andere woorden of de wet doet wat ermee bedoeld was en zo niet zou hij de bevoegdheid en de plicht moeten hebben om aanpassingen voor te stellen.

17:31 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

een fatsoenlijke overheid

De Ombudsman heeft een klacht gegrond verklaard van iemand die door zijn buurman, werkzaam bij de belastingdienst, werd geïntimideerd.

Deze had zich tegenover een huisschilder die aan het werk was  bij zijn buurman als belastingambtenaar geïdentificeerd ( hij was op het ontvangkantoor werkzaam) en had diens persoonsgegevens opgevraagd en genoteerd. Hiermee gaf hij in de ogen van zijn buurman te kennen dat met behulp daarvan zou worden nagetrokken of het werk zwart gebeurde.

Dat de Ombudsman de klacht gegrond verklaarde is niet opzienbarend, maar dat de belastingdienst in eerdere instantie eenzelfde klacht afwees is opmerkelijk en werpt een bijzonder licht op de bedrijfscultuur die bij de dienst lijkt te bestaan.

De belastingman was geen onderzoeksambtenaar en trad trouwens helemaal niet op in zijn functie als ambtenaar. Hij handelde op eigen initiatief en in zijn vrije tijd. Hij wekte op zijn minst de schijn dat hij om persoonlijke redenen – hij had al een verstoorde verhouding met de buurman – van zijn functie gebruik maakte om de man dwars te zitten. Waarschijnlijk was hier sprake van een détournement de pouvoir en door zo te handelen bracht de ambtenaar zijn dienst in diskrediet.

Dat de instanties binnen de dienst die belast zijn met de afhandeling van dit soort klachten hier geen neus voor hebben is opmerkelijk.

Rechters en andere personen die namens de overheid belast zijn met het afhandelen van klachten van burgers horen zo goed mogelijk kennis te nemen van de feiten en daarbij alle betrokkenen te horen. Vervolgens nemen zij op grond daarvan een beslissing die in de eigen ogen billijk en rechtvaardig is en die beslissing horen ze te toetsen aan de daarvoor bestaande regels. Blijkt de beslissing in overeenstemming met de wet en de jurisprudentie dan spreken ze hem uit en leggen aan de betrokkene uit waarom ze het zo doen en niet anders. Staat het recht niet toe om in de gegeven omstandigheden een beslissing te nemen die de betrokken ambtenaar redelijk en billijk vindt dan voert hij de wet uit maar legt ook dat uit aan de betrokkenen.

Alleen dan hebben klagers het gevoel dat hun recht wordt gedaan, ook al krijgen ze niet altijd gelijk. Het laatste wat overheidsinstanties zouden moeten doen is de eigen ambtenaren dekken à tort et à travers. Dat ondermijnt het morele gezag van de overheid en is bovendien een heel verkeerd personeelsbeleid

17:04 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

De publieke opinie en de PvdA.

 

 

De openbare mening of publieke opinie is niet een erg scherp omrand begrip. Het betekent met name niet meningen die door alle burgers of zelfs maar door de meerderheid van de bevolking worden gehouden. De openbare mening dient in de eerste plaats in overeenstemming te zijn met het heersende ethos. Wat algemeen als slecht wordt aangemerkt wordt niet aanvaard in de openbare mening, ook al is een meerderheid er stilzwijgend wel voor. Mensen die in staat zijn om te verwoorden wat de zich ontwikkelende ethos inhoudt en die gezag hebben bij het publiek bepalen de publieke opinie.

Bij wet van 17 september 1870 werd de doodstraf in Nederland afgeschaft, terwijl een duidelijke meerderheid van de bevolking toen  tegen de afschaffing was en dat misschien nog wel steeds is. Handhaving van de doodstraf werd gezien als in strijd met het nieuwe beschaafde ethos[1] en een aanvankelijke meerderheid in de Staten Generaal van handhavers week voor de morele druk van de afschaffers[2]. De bevolking heeft zich daar bij neergelegd en zo hebben wij een publieke opinie die op een belangrijk punt misschien al bijna anderhalve eeuw afwijkt van wat de meerderheid van de bevolking zou wensen.

 

Iets dergelijks gebeurde in het allochtonendebat. Tientallen jaren was een zwijgende meerderheid van de bevolking van mening dat de overheid de instroom van vreemdelingen verkeerd behandelde en dat de overlast die aan de eigen mensen in de volkswijken werd toegebracht onduldbaar was. Die mening werd door de opinieleiders als onethisch beschouwd, met name omdat hij gemakkelijk in strijd kwam met het discriminatieverbod, dat door de tweede wereldoorlog en de holocaust een bijzondere ethische lading had gekregen. Toen iemand met gezag bij het publiek, de hoogleraar en publicist Fortuijn, de meerderheid een ethisch alibi verschafte werd de volksmening opeens publieke opinie, zoals een oververzadigde zoutoplossing kan uitkristalliseren rond een enkel kristal dat in de vloeistof wordt gegooid.

 

Een paar jaar geleden heeft het volk van zijn inspraakrecht gebruik gemaakt door massaal tegen de Partij van de Arbeid te stemmen, de partij die het identificeert met de moloch van de welvaartstaat. Mede misschien wel uit piëteit voor Pim Fortuijn, die toen net overleden was, stemde men op de partij die zijn naam draagt.

Die keuze voor de LPF  is geen succes geworden en dat kon ook niet. De LPF was net opgericht en het bleek een rommeltje zonder leiding toen de oprichter wegviel[3]. De PvdA kreeg de tijd en de gelegenheid om haar wonden te likken en nieuwe leiders te kiezen, de onvoorbereide LPF om zich zelf de afgrond in te werken.

De afwijzing van het volk die bleek bij de verkiezingen na de moord op Pim Fortuijn was intussen niet alleen gericht geweest tegen de PvdA. Die partij wordt door de samenleving weliswaar als de verpersoonlijking van de welvaartstaat gezien, maar geen van de andere partijen bood een alternatief. Ook het CDA niet, die als niet-paarse partij nog enigszins profiteerde bij de verkiezingen.

Het hele bestel bleek aan revisie toe. De overheid als geheel en dat zijn in de eerste plaats de ambtenaren, maar ook het politieke systeem, dat het bestuur vormt van de samenleving. Een dergelijke reorganisatie had Fortuijn waarschijnlijk wel in zijn achterhoofd, maar daar is sinds hij van het toneel verdwenen is geen sprake meer van. Het voortbestaan van het slecht functionerende bestel maakt een voortdurende labiliteit in de verkiezingsuitslagen waarschijnlijk. Geen van de partijen is in de ogen van het volk nog voldoende gelegitimeerd en heeft nog aanspraak op de loyaliteit van een hechte achterban. De mensen willen iets anders, maar hun wordt niet meer geboden dan een keuze voor het minste kwaad.

 

De media die eigenlijk tot functie hebben om het publiek voor te lichten over wat er in hun samenleving gebeurt hebben zich in de loop van de tijd een andere functie toegeëigend, die van controleur van de overheid en hoeder van de publieke opinie. De gemiddelde Nederlandse krant voert zelf politiek en van de voorlichtende functie komt weinig meer terecht.

 

Een paar jaar geleden, om precies te zijn op 4 Maart 2004, besprak wijlen Bart Tromp in het Parool het Hutton rapport in verband met het Irak beleid van de Britse regering. Hij constateerde dat dit rapport tekort schoot maar hij had het slecht gelezen en gaf er een misleidend beeld van.

 

Bart Tromp zegt: “Lord Hutton vond (..) dat de BBC alleen iets over iemand mag uitzenden als men er zich van had vergewist dat het bericht geen onjuiste feitelijke beschuldiging bevatte die de integriteit van de betrokkene betwist”. Lord Hutton zei in werkelijkheid: “De publicaties van de media (waaronder informatie verzameld door reporters) over zaken van publiek belang en gewicht zijn een vitaal onderdeel van het leven in een democratische samenleving. Maar het recht om zulke informatie te publiceren is aan de nadere voorwaarde onderworpen (welke voorwaarde er is in het belang van een democratische samenleving) dat feitelijk valse beschuldigingen die de integriteit van anderen, waaronder politici, in twijfel trekken, niet worden geuit door de media.”

Hutton vervolgt dan uitvoerig met de observatie, die ik hier kort samenvat, dat zodra er sprake is van te publiceren feiten die de integriteit van een publieke figuur in twijfel stellen ieder nieuws medium er een systeem op na hoort te houden dat de zorgvuldigheid van de publicatie kan borgen. Op dit punt en nog enige andere was de BBC in de ogen van Lord Hutton te kort geschoten.

 

De weergave van Tromp wijkt verder op de navolgende belangrijke plaatsen af van het Hutton rapport:

 

  1. Tromp heeft het alleen over de BBC, maar Hutton geeft een regel die voor alle nieuwsmedia geldt. Het is een regel die trouwens ooit door de BBC met grote zorgvuldigheid werd gehanteerd; de reputatie van de BBC was in het verleden wel degelijk verdiend, ook volgens Lord Hutton.
  2. Tromp’s weergave suggereert dat dezelfde zorgvuldigheid in alle gevallen en op alle berichtgeving moet worden toegepast. Dat is feitelijk meestal niet mogelijk door de haast waarmee een krant of nieuwsuitzending gemaakt wordt. Hutton heeft het niet over de algemene berichtgeving maar wijst in het bijzonder op de publieke functie van de media als controle op de politiek, die uitsluitend kan functioneren als ten aanzien van de politiek integriteit wordt betracht.
  3. Hutton legt de nadruk op de plicht van een krant of omroep om er een intern controle systeem op na te houden waardoor beschuldigingen van ernstige aard aan het adres van publieke persoonlijkheden op hun feitelijke juistheid gecontroleerd worden voor ze worden gepubliceerd en constateert dat dit systeem bij de BBC niet alleen niet goed functioneerde, maar er in feite helemaal niet was. Tromp verzuimt om dit, het belangrijkste, onderdeel van Hutton’s beschuldiging aan het adres van de BBC te vermelden.

 

De stelling van de BBC was dat Blair het publiek en het Lagerhuis had voorgelogen, een politieke doodzonde in Groot Brittannië, net als in Nederland. Daar ging het onderzoek over en dat was belangrijk genoeg. Niet Blair bleek te hebben gelogen maar de BBC en veel Britse en niet-Britse media met haar. Niet de feiten en de logica van de conclusies  van Hutton werden vervolgens aangevochten, maar de “terms of reference” van het rapport. Het Hutton Rapport had eigenlijk  in de ogen van Tromp en andere journalisten ergens anders over moeten gaan.

Die terms of reference waren echter vanaf het begin van het Hutton onderzoek bekend. De verhoren waren openbaar en werden met scrupuleuze objectiviteit en nauwgezetheid gevoerd. De BBC, de Independent, de Guardian en ook Tromp hebben tijdens het onderzoek bij mijn weten nooit van enige reserve over de terms of reference blijk gegeven. Dat het onderzoek deze uitslag zou hebben was kennelijk voor hen een volkomen verrassing.

Dat een uitslag niet goed zou vallen die zo in strijd kwam met wat ieder fatsoenlijk mens in progressieve kringen voor de waarheid hield, was wel te verwachten. Maar de massaal negatieve en ongefundeerde reacties op het rapport zijn dat niet. Men had tenminste enige zelfreflectie mogen verwachten naar aanleiding van een zo zware beschuldiging uit een zo onverdachte bron. Het ging tenslotte niet over zomaar iets, maar het raakt het hart van het journalistieke metier. Iets van die zelfreflectie heeft in Engeland naderhand ook wel plaats gevonden, maar in Nederland in het geheel niet.

 

Dit voorbeeld van het functioneren van de pers is misschien wat al te gedetailleerd in zijn uitwerking maar het is daarom zo nuttig omdat Lord Hutton de kern beschrijft van de democratische functie van de pers en tegelijk ook haar falen.  De situatie in dit opzicht is in Nederland niet beter dan in het Verenigd Koninkrijk.

 

Misschien zijn twee meer typisch Nederlands voorbeelden op hun plaats.

Hoe het sturen van troepen naar Srbrenica tot stand kwam was onderwerp van een uitzending van Buitenhof op 17-11-2002 en van die uitzending heb ik wat aantekeningen bewaard. Het was in hoofdzaak een discussie tussen de Volkskrant journaliste Bleich en de generaal Van Vuren. De eerste als  vertegenwoordiger van de pers en  de tweede van de krijgsmacht, de twee maatschappelijke krachten die bij de uitzending naar Bosnië een hoofdrol hadden gespeeld,

Mevrouw Bleich is een intelligente en ethisch georiënteerde journaliste. Beter dan de meeste politici weet zij onder woorden te brengen wat de publieke opinie bezielde toen het de besluiten afdwong die tot Srbrenica hebben geleid. In deze discussie zeiden de partijen, kort samengevat, het volgende:

 

Mevrouw Bleich: in Bosnië vonden martelingen, verkrachtingen en moorden plaats. Het kon niet zo zijn dat we er bijstonden en er naar keken, we moesten wel wat doen.

 

Van Vuren:  ik begrijp wat U zegt Mevrouw, maar laten we kijken naar de opties die we hadden. Er waren er drie:

  1. ingrijpen met een behoorlijke militaire overmacht, zoals na het gebeuren in Srbrenica onder leiding van de Amerikanen uiteindelijk ook is gebeurd.
  2. ingrijpen zonder behoorlijk mandaat, zonder adequate bewapening en zonder behoorlijke organisatie, zoals in eerste instantie en vóór Srbrenica is gebeurd;
  3. niets doen;

 

De volgorde van wenselijkheid van deze opties was volgens de generaal 1, 3, 2  en  niet 1, 2, 3 zoals Mevrouw Bleich suggereerde. Als optie 1 niet voorhanden is, is het beter om te wachten, dan te kiezen voor optie 2 en het is ook niet juist om dat als niets doen aan te duiden, zolang men zijn best blijft doen om de voorwaarden voor optie 1 te verwezenlijken. Dat laatste was de taak van de politiek geweest en niet het nemen van een beslissing toen de voorwaarden daarvoor nog niet aanwezig waren.

 

Mevr. Bleich stelde daar tegenover dat de ontoereikendheid van de militaire voorbereiding achteraf wel duidelijk is, maar dat die vooraf door niemand was voorzien.

 

Van Vuren weerlegde dat. Hij haalde de uitspraken aan van de legertop en van een aantal andere militaire deskundigen die zich tegen de uitzending hebben verzet en die aan duidelijkheid niets te wensen over lieten.

Mevrouw Bleich merkte op dat de verantwoordelijke militairen zich uiteindelijk hebben geschikt, waarop Van Vurens weerwoord was dat dit hun militaire plicht was. De militairen waarschuwen en de politiek beslist. Hun enige alternatief zou zijn geweest om ontslag te nemen, hetgeen de Bosniërs nu ook niet direct zou hebben geholpen.

 

De discussie is hier, zoals gezegd, wat kort samengevat maar zij stond op aanzienlijk hoger niveau dan de verhoren die onder leiding van het D66 kamerlid Bakker in de kamer hebben plaats gevonden. Na het NIOD rapport waren die qua informatievoorziening in veel opzichten overbodig en irrelevant. De vinger werd in de Buitenhofdiscussie op de wonde plek gelegd: de kamer en de regering hebben onder druk van de publieke opinie een actie doorgezet waarvan de slechte afloop te voorzien was en waartegen ze waren gewaarschuwd.

 

De politieke invloed van de media is groot en zij zelf worden niet serieus gecontroleerd.  Zij zijn ook door niemand gekozen en hebben voor de macht die zij uitoefenen geen enkele legitimatie.

 

Derde voorbeeld, Afghanistan.

 

De enquêtecommissie die onder zijn leiding Srbrenica onderzocht wandelde met een grote boog heen om de verantwoordelijkheid die de tweede kamer zelf heeft gedragen voor het débâcle Srbrenica, maar kamerlid Bakker had zijn les niettemin geleerd: hij had zich zichtbaar voorgenomen dat nooit iemand verantwoordelijkheid bij hem zou kunnen neerleggen voor een toekomstige uitzending van militairen.

Hier wreekt zich dat noch in de enquête, noch in het rapport van professor  Blom de onderliggende oorzaak van Srbrenica aan de orde is geweest: het bezwijken van de politiek onder de druk van een ondeskundige publieke opinie, het negeren van het advies van de deskundige militairen. Bij de uitzending naar Afghanistan was zowel de richting van de publieke opinie 180 graden gekeerd als het oordeel van de militaire deskundigen. Dat laatste omdat de voorbereiding nu in orde was en de geallieerden bereid waren de verzekeringen te geven die voor een redelijke mate van veiligheid van onze troepen nodig waren. In wezen gingen Bakker en D’ 66 dus voor de tweede keer en op een vergelijkbare wijze de fout in.

 

Dat zij opnieuw de publieke opinie volgden tegen het advies van de eigen deskundigen van de overheid in, bewijst dat een parlementaire enquête niet het geschiktste middel is om het falen van de politiek aan de orde te stellen in een tijd dat het parlement geen controleorgaan meer is van de regering, maar zelf mee regeert vanuit de kamerbanken. Dat een enquêtecommissie de rol van de pers onbesproken laat is, gezien de afhankelijkheid die de politiek voelt tegenover de media misschien wel verklaarbaar. Law lords die een onafhankelijk oordeel kunnen vromen over de pers die hebben wij jammer genoeg niet.

 

De overheid is in de jaren na de tweede wereldoorlog een onbestuurbare moloch geworden. Een entiteit waarin de scheiding van machten slecht functioneert en die in een aantal opzichten als monolithisch en oncontroleerbaar moet worden aangemerkt. Omdat het parlement meeregeert in plaats van controleert zijn de pers en de publieke opinie de enige overgebleven controle op het gedrag van de overheid, maar ook die functioneren minder goed dan zou kunnen. De pers heeft in veel opzichten haar positie van objectieve waarnemer prijs gegeven en beïnvloedt overheid en publiek opinie in een door haar zelf gekozen richting. De publieke opinie is gevoelig voor hypes en onderbuikgevoelens. Door dit alles is van een democratie, in de zin van een stabiele en competente overheid die regeert in overeenstemming met de volkswil in afnemende mate sprake. Dat is niet alleen een Nederlands probleem, maar een Europees of Westers probleem. De EU die een extra bestuurslaag aan de overheid toevoegt kan in dit opzicht niet als een verbetering worden gezien. Doordat het apparaat van de Unie nieuw is, is het relatief efficiënter dan dat van de lidstaten en in zoverre een verbetering van de gemiddelde kwaliteit van de overheid. Maar in absolute zin moet het worden gezien als een verzwaring van de bureaucratische druk op de Europese bevolking en als een vergroting van de problematiek, niet als een deel van de oplossing.

 

 

 

[1] Dit ethos hield in dat straf er toe diende om zowel de dader als de samenleving te verbeteren en de doodstraf deed met name dat eerste niet, zodat legitimatie daarvoor ontbrak.

[2] Vgl G.E. Mulder, Strafrecht en publieke opinie toen en nu, bijdrage aan  honderd jaar rechtsleven, Tjeenk Willink, Zwolle 1970.

[3] Als tactische move was daarom het besluit om de verkiezingen door te laten gaan, zo pal na de dood van Fortuijn, een slimme move van minister president Kok, al wordt vrij algemeen aangenomen dat hij het uit angst deed en niet op grond van tactisch inzicht.

3:38 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

16 april

gemeentebeleid V

Indien de overheid ertoe overgaat om bijvoorbeeld taalcursussen te organiseren, of opvoedingsondersteunende maatregelen aanbiedt, dan zijn die voorzieningen in principe voor een ieder toegankelijk die daarvoor in aanmerking komt. Het College hanteert hiervoor het principe van algemene diensten voor specifieke noden.

Het zou de integratie ondersteunen als het gebruik van vreemde talen van overheidswege ontmoedigd zou worden, onder meer door subsidie achterwege te laten van alles wat het gebruik van niet Westerse talen faciliteert.

Tot slot: een overheid die optreedt en actief investeert in mensen en instituties is een overheid die politieke en bestuurlijke aandacht heeft voor de organisatie en uitvoering van het beleid en dus voor ons ambtenarenkorps. Investeren hierin is en blijft een vereiste.

  1. De uitgangspunten toegepast op enkele hete hangijzers van het integratiedebat

Het integratiedebat wordt gevoerd aan de hand van allerlei lastige onderwerpen, van de rol van de islam tot de discussie over witte en zwarte scholen, van de vraag hoe vol Nederland is tot de vraag of migratie niet veel te ver is doorgeschoten of juist niet.

Wie de vraag of Nederland vol is in het openbaar wenst te bespreken loopt gevaar om door de rechter te Zwolle strafrechtelijk veroordeeld te worden voor het aanzetten tot haat en discriminatie.

Nu wij de hoofdlijnen hebben geschetst van een mogelijk gemeenschappelijk kader waarbinnen de discussie over integratie en het vormgeven van een integratiebeleid van de gemeente Amsterdam kan plaatsvinden, is het interessant te bekijken of we met dit denkraam in de hand uitspraken kunnen doen over een aantal van deze hete hangijzers in het huidige integratiedebat.

  • Onzekerheid over wat nu precies de Nederlandse identiteit is of wat nu precies de Nederlandse normen en waarden zijn waaraan migranten en nieuwkomers zich dienen aan te passen. Wat zijn Nederlandse normen? Demografische ontwikkeling die een toename van allochtonen laat zien wekt gevoelens van angst en onbehagen.

Misschien heeft het meer zin om vast te stellen wat de Nederlandse identiteit niet is. Zij omvat niet het spreken van Turks en Arabisch, geen gebruik van geweld bij het beslechten van meningsverschillen tussen burgers, geen discriminatie van homo’s en vrouwen. Het in het openbaar vreemde vrouwen uitmaken voor hoer omdat hun kleding niet bevalt of de eigen vrouwen maltraiteren omdat ze van de Nederlandse vrijheden gebruik maken, dat  hoort allemaal niet tot de Nederlandse identiteit.

De overheid kan de individuele onzekerheid van burgers over normen en waarden, eigen (Nederlandse) identiteit etc. niet wegnemen. Wel kan de overheid proberen samenhang te brengen in een samenleving van individuen. In dat opzicht kunnen de in deze notitie uitgewerkte onderwerpen: rechtstaat, regels, eigen verantwoordelijkheid, burgerschap en optredende overheid, voor de rol van overheid en haar burgers als een exercitie worden gezien voor het formuleren van normen en waarden voor onze samenleving en het vorm geven aan onze identiteit voor de toekomst.

  • Wat is de positie van de Islam in Nederland? Krijgt de Islam even veel ruimte als andere religies c.q. levensbeschouwingen in Nederland? De discussie over Islamitische scholen, AEL, positie van de vrouw, de scheiding van Kerk en Staat, uitspraken imams, gesluierde vrouwen etc. hangt rechtstreeks hiermee samen

De vrijheid van godsdienst brengt mee dat mensen in Nederland even veel recht hebben om de islam te belijden als het katholicisme en het protestantisme. Dat hoort ons niet blind te maken voor het feit dat veel van de problemen die de nieuwe Nederlanders meebrengen gekoppeld zijn aan hun religie. De moskee is niet neutraal als het gaat om integratievraagstukken. Vanuit de Moslimwereld wordt een actieve politiek gevoerd om de eigen identiteit van de mensen te bewaren en de normen en waarden die wij hier op goede gronden veroordelen te handhaven. Dit probleem hoort bespreekbaar te worden gemaakt en niet vanwege vermeende of reële godsdienstige connotaties in de taboesfeer te worden getrokken.

Uit het stelsel van de Grondwet en de grondrechten als uitgangspunt (zie onder 4.1: rechtstaat), volgt dat de Islam net zo behandeld moet worden als andere godsdiensten en levensbeschouwingen in Nederland. Moslims hebben net als andere burgers in Nederland het recht om hun godsdienst te belijden en uit te oefenen en ook de rechten en de vrijheden die samenhangen met bijvoorbeeld de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering vanzelfsprekend met inachtneming van de grenzen van de wet. In principe is er in Nederland dus plaats voor islamitische scholen, moskeeën islamitische politieke partijen (zoals bijvoorbeeld de AEL) en islamitische verenigingen.

Godsdiensten horen op hun eigen merites te worden beoordeeld. Voor zover de praktijk van het gedrag van de gelovigen of de verkondiging in strijd komt met de wet of de goede zeden is er alle reden om de godsdienst in kwestie anders te behandelen dan de godsdiensten waarbij dit niet gebeurt. Vanwege de vreemde talen die in de moskees en de Koranscholen worden gebruikt en vanwege de afwijkende normen en waarden die er worden gepropageerd zou om te beginnen iedere vorm van subsidie achterwege horen te blijven.

Ook moslims, en dus ook imams hebben het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting. De houding van de overheid jegens moslims is dezelfde als die jegens niet-moslims: de overheid heeft de plicht om enerzijds hun uitoefening van hun fundamentele rechten te faciliteren, en anderzijds de grenzen van de wet te handhaven. Of de grenzen van de wet daadwerkelijk zijn geschonden bepaalt uiteindelijk de rechter. Het principe van scheiding tussen Kerk en Staat, dat in Nederland sinds het einde van de negentiende eeuw geldt, doet daar niet aan af. Dit principe houdt kort samengevat in dat de kerken zich niet met staatsaangelegenheden mogen bemoeien, en de staat niet met de interne organisatie van de kerken en de inhoud van de geloofsbelijdenis.

Dat in dit beleid van een aantal ernstige contradicties sprake is, is duidelijk. Men kan niet tegelijk de rechtstaat en de democratische waarden propageren en de Islam, zoals die in het merendeel van de Turkse en Arabische moskeeën wordt gepropageerd.

  • Is migratie is een tijdelijk verschijnsel? En is de noodzaak tot inspanningen op het gebied van inburgering dan niet eveneens een tijdelijke, die eens moet ophouden?

Ons College gaat ervan uit dat migratie géén tijdelijk verschijnsel is; vgl. de analyse die wij van het migratievraagstuk hebben gemaakt (zie paragraaf 3.1) Wij hebben als uitgangspunt gekozen voor de stelling: migratie hoort bij stedelijkheid en is een zaak waarmee de lokale overheid permanent rekening moet houden.

Hier is sprake van een ernstige vorm van misleiding. De migratie in het verleden had nooit  betrekking op anderhalf miljoen vreemdelingen met een criminogene cultuur, die door de Nederlandse overheid in het verloop van enige tientallen jaren toegang tot het land werd verschaft. Nooit is er in het verleden sprake geweest van zoveel mensen die hier een arbeidsloos inkomen konden krijgen en die in staat gesteld werden hun kwalijke gewoonten uit het buitenland mee te importeren. Altijd werden zij met klem uitgenodigd om verkeerde leefgewoonten aan de poort achter te laten en zich hier te gedragen zoals van fatsoenlijke medemensen mag worden verwacht.

  • Samen wonen en samen leven: zijn eenzijdig samengestelde, zwarte wijken of scholen nu goed of slecht?

De vraag hoort thuis onder het punt eigen verantwoordelijkheid van de overheid (vgl. paragraaf 4.3). Daar hebben wij geconstateerd dat afgezien van het non-discriminatie beginsel, de wijze waarop de overheid gestalte geeft aan voorzieningen op de gebieden van zorg, werk, wonen, scholing etc, de keuzes die hieraan ten grondslag liggen en de partners met wie wordt samengewerkt, niet eenduidig zijn vast te stellen, maar dat ze de inhoud vormen van het debat tussen politieke partijen. Dat betekent bijvoorbeeld dat er in een algemeen denkraam voor een integratiebeleid, geen algemeen geldende uitspraken kunnen worden gedaan over vragen als de (on)wenselijkheid van zwarte scholen of zwarte wijken, of bijvoorbeeld over de vraag of de overheid hierin moet interveniëren of niet. De politieke werkelijkheid, de politieke verhoudingen en het politieke debat zijn bepalend voor de antwoorden hierop. Die antwoorden zullen wij in de komende tijd moeten zien te vinden.

Wanneer een probleem onoplosbaar lijkt, zoals het probleem van de zwarte scholen, dan is dat meestal een kwestie van een verkeerde formulering. De naam ‘zwarte school’ duidt op een probleem dat uit de Verenigde Staten is komen overwaaien: de gebrekkige samenleving in de getto’s die gebrekkige scholen en andere maatschappelijke tekortkomingen opleveren. De Nederlandse ‘zwarte scholen’ zijn maar zeer ten dele zwart, in overgrote meerderheid zijn zij blank en Islamitisch. Ze zijn leertechnisch onder de maat om een aantal redenen:

  1. Het onderwijs is in Nederland over de hele linie achteruitgegaan om redenen die in het rapport Dijsselbloem ‘Tijd voor Onderwijs’ zijn uiteengezet
  2. Het onderwijs is te individueel voor de omvang van de klassen, waardoor ieder van de leerlingen aandacht te kort komt en zij tegelijk het belangrijke element van het “groepsleren” moeten missen.
  3. Allochtone leerlingen en vooral de Islamitische leerlingen lijden onder taaltekorten, omdat ze naast Nederlands ook Turks en Arabisch moeten leren en daarmee ook in hun sociale omgeving worden geconfronteerd. Ze spreken en schrijven op den duur geen van deze talen goed.
  4. De discipline die er op straat niet is, ontbreekt ook in de scholen. De leraren hebben niet de middelen om daar wat aan te doen. Straffen mag niet of maakt geen indruk. De klas of de school uit sturen mag niet van de schooldirectie, de inspectie leerplicht en de wet.

 

  • Vindt de integratie van allochtonen nu plaats via eigen organisaties (seculier en/of religieus) of belemmeren deze organisaties nu juist de integratie?

Onder het punt burgerschap (paragraaf 4.4) hebben wij gezegd dat de overheid burgerschap moet stimuleren door steun te geven aan en de dialoog aan te gaan met organisaties en verbanden van burgers die:

  • het “erbij horen” en meedoen (dus: de integratie) van een bevolkingsgroep bevorderen en/of
  • het vertrouwen tussen bevolkingsgroepen onderling versterken en/of
  • uitnodigen tot participatie in de samenleving in dienst van anderen.

Dit lijkt een praktisch uitgangspunt en zou het ook zijn als het beleid werd uitgevoerd door een overheid die wist wat zij deed en met wie zij te maken heeft. Tot nog toe blijven Marcouch en Aboetaleb eenzame uitzonderingen, die door hun voormalige landgenoten als overlopers worden gezien, als mensen van de “overkant”. Het probleem is te formuleren als “er niet bij willen horen” wantrouwen hebben tegen alles wat zich als Nederlands aandient. Bij Turken zou dit beleid  misschien enig resultaat kunnen hebben, want in de Turkse samenleving zit samenhang, maar bij Marokkanen niet. Er is geen individualistischer volk dan Arabieren. Een samenleving in dienst van anderen bestaat in geen enkel Arabisch land en een beroep op deelnemen in de samenleving in dienst van anderen valt op dovemansoren.

Dit kunnen zowel seculiere als religieuze en zowel gemengde als etnische organisaties zijn als ze de integratie maar bevorderen. De overheid gaat er niet over op welke noemer burgers zich willen organiseren (grondrecht van vrijheid van vereniging en vergadering en eigen verantwoordelijkheid van de burger) en dus in principe ook niet over de vraag langs welke weg een burger tot emancipatie komt.

  • “Vreemden” thematiek: velen (wit en zwart) voelen zich in het huidige tijdsbestek er alleen voor staan. De overheid is teruggetreden, de maatschappelijke solidariteit is afgebrokkeld, de verzorgingsstaat wordt ontmanteld en we hebben een niet altijd goed functionerende rechtstaat (we kunnen zelfs niet meer onze eigen wetten handhaven!). Voeg daarbij de internationale situatie: oorlog in Irak, 11 september 2001. Aandacht voor allochtonen leidt tot wijdverspreid ressentiment; “er wordt alleen aan hen gedacht en niet aan mij; terwijl ik het ook niet makkelijk heb”.

De keuze van ons College om als uitgangspunt een breed begrip integratie te hanteren dat “erbij horen en meedoen” betekent en zich daarmee richt tot alle Amsterdammers, is een begin van een antwoord op dit heet hangijzer. De uitwerking van de in deze notitie geformuleerde hoofdlijnen, rechtstaat, regels, eigen verantwoordelijkheid, burgerschap en optredende overheid kunnen de verdere richting bepalen.

Het bovenstaande deel van de beleidsnotitie is typisch Nederlandse overheid. Vage abstracties die niet voor verwezenlijking vatbaar zijn. “De verzorgingsstaat wordt afgebroken” zegt de schrijver, maar door wie? De verzorgingsstaat is niet te handhaven door het hoge percentage arbeidsloze allochtonen en door het grootscheepse misbruik dat van de wetgeving wordt gemaakt. De oorzaken liggen bij de overheid. Slechte wetgeving, slechte handhaving en een eenzijdige nadruk op discriminatie bestrijding.

  • Het relatief grote aandeel van allochtone jongeren in de criminaliteit: de aanpak hiervan en de wijze waarop hierover wordt gecommuniceerd.

Hoort bij de hoofdlijnen eigen verantwoordelijkheid van de overheid (paragraaf 4.3) en optredende overheid(paragraaf 4.5). Die criminaliteit moet worden aangepakt, ongeacht de vraag naar de herkomst van de plegers.

Zolang de overheid niet aanvaarden wil dat de criminaliteit geen fenomeen is van een individuele criminele aanleg of opvoeding  maar een groepsfenomeen, zal de bestrijding geen resultaten afwerpen.

  1. Tenslotte

Deze notitie biedt kader en richting; het biedt nog geen nieuwe voorstellen voor beleid. Het is als gezegd een eerste stap in de discussie over integratie, zoals die noodzakelijk is geworden door de veranderingen die de afgelopen jaren wereldwijd, maar ook in Nederland en ook in Amsterdam hebben plaatsgevonden. Vele stappen erna zijn zonder twijfel nodig; maar zij kunnen voortvloeien uit en passen in het hier ontwikkelde kader, dat, als gezegd, antwoorden probeert te vinden op de vraag hoe wij in onze stad aankijken tegen vragen van integratie, van burgerschap, van diversiteit, van inburgering, en tegen de rol van de locale overheid daarin. Een nadere uitwerking op de terreinen van inburgering, werkgelegenheid, onderwijs en wonen kunt u zoals gezegd binnenkort tegemoet zien.

De notitie stemt niet optimistisch. De analyse van de problemen is oppervlakkig. De voorstellen tot veranderingen in het beleid zijn abstract en voor het merendeel niet voor verwezenlijking vatbaar. De oplossing om Moskee en Koranschool bij de integratie te betrekken is een variant op het thema if you cann’t beat them, join hem. De hier niet passende normen en waarden worden vanuit deze inrichten verspreid. Het is waarschijnlijk onjuist om te veronderstellen dat er vooruitgang zou worden geboekt als meer Mohammedanen van hun geloof af zouden vallen. Dat verandert niet direct iets aan hun cultuur. Maar dit neemt niet weg dat het geloof de kern is van de gewelddadige cultuur die overal op de wereld de landen kenmerkt waar de Islam heersend is. Zou het mogelijk zijn om een massale bekering tot het christendom te bewerkstelligen dan zou dat een vooruitgang zijn, dat leidt geen twijfel. De godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat verbiedt dat de overheid zich daar mee bemoeit. Hoe het zou moeten weten we: Hoofdgeld, een extra belasting voor Moslims en belastingvrijstelling voor Christenen, verbod op openbare uitoefening van hun godsdienst en op de bouw van moskeeën, onbenoembaarheid in ambten, het dragen van vernederende kleding. Al de methoden waarmee een jonge Islam Christenen en Joden van hun geloof heeft afgeholpen. Die methoden zijn in strijd met onze humanistische opvattingen en we zouden ze niet willen gebruiken ook als de wet het niet verbood. Maar de idee dat de islam de integratie zou kunnen bevorderen is een bewijs van de onkunde en wanhoop die heerst bij onze overheid.

Het College van Burgemeester en Wethouders

De gemeentesecretaris de burgemeester

Bijlage bij Integratienotitie “Erbij horen en meedoen”.

Geraadpleegde bronnen en teksten

  • Programakkoord Amsterdam 2002-2006, april 2002
  • Amsterdamse polyfonie :Opkomst en stemgedrag van allochtone Amsterdammers bij gemeenteraads- en deelraadsverkiezingen van 6 maart 2002 Laure Michon en Jean Tillie, Instituut voor Migratie en Etnische Studies, UvA, AmsterdamseBureau voor Onderzoek en Statistiek, Instituut voor Publiek en Politiek, 2002.
  • Amsterdam in Cijfers Jaarboek 2002 van het Amsterdamse bureau voor Onderzoek en Statistiek 2002.
  • Toespraak Geert Mak op 19 november 2002 bij de aanvaarding van Y-prijs
  • Cleveringa Rede van Job Cohen, november 2002
  • Werkplan Diversiteit 2003, Bestuursdienst Gemeente Amsterdam december 2002.
  • Notitie van PvdA fractie in gemeenteraad Amsterdam “Integratie in Amsterdam”, februari 2003.
  • Essay van de Wetenschappelijke Raad voor Amsterdam “Minderheden in Amsterdam: contacten, concentratie en integratie”, maart 2003.
  • Rapport van Wetenschappelijk Instituut voor het CDA “Investeren in integratie: reflecties rondom diversiteit en gemeenschappelijkheid”, maart 2003.

  Jaarverslag 2002 van de Raad van State

  VNG Nota “Operatie Integratie”, maart 2003

  Kees Schuyt: “Uitdijende rechtstaat gevaar voor zichzelf”, Opiniepagina NRC Handelsblad 15/16 maart 2003.

  Toespraak wethouder Geert Dales op 27 maart 2003 bij de herdenking van de aanslag op het bevolkingsregister van 27 maart 1943.

 

 

 

21:33 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

socialisme, redelijkheid en democratie

 

De democratie is een vorm van landsbestuur, met als belangrijkste kenmerk dat er niet tegen de meerderheid in geregeerd kan worden. Een democratie kent daarnaast een vreedzame opvolging in de macht. Die principes kunnen op meer dan één manier worden uitgewerkt en dat worden ze ook in de praktijk. Nederland met zijn evenredige vertegenwoordiging en coalitiekabinetten doet het anders dan Groot Brittannië met zijn districtenstelsel en winner takes all. In Amerika is er een verdeling van de macht tussen president, congres en hoogste rechtscollege. Daar heeft de grondwet voorzien in een systeem van checks en balances. In Nederland en  andere Europese landen vormen parlement, regering en ambtenarij een kluwen, waarbij van checks en balances binnen de overheid nauwelijks nog sprake is. Alleen de rechter tikt hier overheden nog wel eens op de vingers, maar dat gebeurt incidenteel, niet systematisch. Toch is ondanks deze mankementen in het systeem ook hier in Nederland sprake van een vorm van democratische legitimiteit.

Democratie en rechtsstaat gaan in de opvatting van de meeste mensen hand in hand. De vreedzame en democratische opvolging in de macht houdt verband met de vreedzame beslechting van conflicten in de samenleving, die door de rechtstaat wordt geborgd[1]. Democratie is nodig waar mensen in een gedwongen verband met elkaar leven en zij voor hun voortbestaan van dat verband afhankelijk zijn. Democratie binnen een staatsverband dus, maar geen democratie bij doelorganisaties waar mensen vrijwillig deel van uitmaken en die ze zo nodig in kunnen ruilen voor andere.

Vanuit deze opvatting is het begrijpelijk dat veel mensen niets moet hebben van democratie op de werkvloer.  Vroeger hadden we op de universiteiten een bestuur dat werd gevormd uit de wetenschappelijke staf, de studenten en het administratief personeel. Studenten zijn  niet gedwongen om naar de universiteit te gaan. Ze kunnen een andere opleiding kiezen of meteen na de middelbare school gaan werken. Die onverplichtheid geldt ook voor het personeel van een universiteit. Maar burgers van een land kunnen niet uitstappen als de regering hun niet bevalt. Ze kunnen emigreren maar niet alle vreemde landen laten dat toe en niet ieder regime laat zijn burgers vertrekken. Bovendien is emigratie veel ingrijpender dan de meeste mensen zich voorstellen. Het partir c’est mourir un peu van de Fransen is daar bij uitstek op van toepassing. Democratie garandeert dat mensen niet hoeven te emigreren als zij een meerderheid vormen.

Vanwege die onontkoombaarheid van het landsbestuur is democratie op dat niveau een must als men geweld wil vermijden. Wil men de interne vrede duurzaam behouden dan is het daarnaast nodig dat meerderheden niet willekeurig optreden maar met de legitieme belangen van minderheden rekening houden[2]. De meerderheid beslist, maar dat ontneemt haar niet de plicht te luisteren en zich te laten overtuigen door redelijke standpunten van minderheden.

Nederland is het land van het poldermodel. Hier regeert niet de partij die door een meerderheid is gekozen, hier regeren coalities. In coalities is iedereen een minderheid en wordt gedwongen rekening gehouden met de belangen van de coalitiepartners. De uiteenlopende belangen worden afgeruild en het resultaat wordt in een regeerakkoord neergelegd. Daar houdt men zich dan verder aan. Omdat dat al  moeilijk genoeg is wordt met de belangen van de oppositie hier niet of nauwelijks rekening gehouden. Die komen pas weer aan de beurt als ze de volgende keer deel uitmaken van de coalitie.

In democratische landen zonder poldermodel wordt er geregeerd namens de meerderheid en houdt de regering zonder daar voortdurend met coalitiepartners over te hoeven overleggen in grote lijnen rekening met minderheden. Dat vrijwillig rekening houden bevordert het democratisch besef. En omgekeerd, alleen waar voldoende democratisch besef aanwezig is functioneert een meerderheidregering goed.

Er bestaat daarnaast een heel andere, een socialistische opvatting van het begrip democratie. Daarbij gaat het vooral om de gelijkheid van alle mensen. Niet alleen gelijkheid voor de wet, maar gelijkheid in de samenleving. Iedereen dezelfde kansen en liefst ook iedereen dezelfde leefomstandigheden. Aangezien die gelijkheid niet kan worden gerealiseerd door de armen te verheffen moet het maar door rijken en machtigen van hun voorsprong af te helpen. Als die daar niet vrijwillig aan mee werken dan dient de overheid ze daar toe dwingen. Die soep wordt door het poldermodel hier nooit zo heet gegeten, ook niet als de socialisten aan de macht zijn, maar men werkt wel in die richting als het kan.

Anderen vinden het logisch dat landen geregeerd worden door mensen die verstand hebben van regeren, maar willen over het algemeen wel degelijk dat ze daar eerst voor worden gelegitimeerd in een democratische proces. Liefst met verkiezingen als in Engeland of in Amerika, maar desnoods met verkiezingen als bij ons.

Waar die mensen helemaal niets mee hebben is met de socialistische opvatting van democratie, die zo beeldend wordt beschreven in de twee satires van George Orwell, Animal Farm en Nineteen Eighty Four.

Orwell die het socialisme in de Spaans burgeroorlog aan den lijve ondervonden had beschrijft wat er gebeurt waar gelijkheid wordt gepreekt die er in de praktijk natuurlijk nooit is. De varkens in Animal Farm namen het roer in handen onder het motto dat sommige dieren nu eenmaal meer gelijk zijn dan anderen. De boer, die de baas was op de boerderij voordat de varkens (namens alle andere dieren) de macht overnamen, werd uitgeschakeld. Dubbeldunk noemde Orwell de neiging in dat soort regimes om de taal te manipuleren om hun bedoelingen te camoufleren. Dubbeldunk of ook wel witzwart. Prachtige uitdrukkingen voor het woordgebruik dat aan te treffen is in alle quasi democratische samenlevingen en waar in feite het tegenovergestelde mee bedoeld wordt als wat normale mensen daaronder verstaan.

Neem de gemeente Amsterdam, al socialistisch sinds het begin van de vorige eeuw.

In de notitie van B en W van Amsterdam over de scheiding van kerk en staat zegt het College ondermeer het volgende:

Wij hebben tot nu toe gezien dat drie beginselen de verhouding tussen godsdienst en

overheid in Nederland beheersen..

Maar er is een vierde beginsel: de overheid, als vertegenwoordiger van de hele samenleving, moet ten opzichte van de godsdienst ook neutraal zijn: wat ten opzichte van de één is toegestaan, moet ook ten opzichte van de ander worden toegestaan. Wat ten opzichte van de een wordt verboden, moet ook ten opzichte van de ander worden verboden. De overheid mag geen partij kiezen.

 

Wij zullen hierna drie verschillende uitwerkingen van dit beginsel bespreken. Daar zal blijken dat context en maatschappijvisie tot op zekere hoogte een rol spelen bij de keuze die men uit die verschillende interpretaties maakt. Wij spreken in deze notitie dan ook van contextuele oordeelsvorming. In navolging van Prof. Dr. Wibren van der Burg, hoogleraar metajuridica aan de Universiteit van Tilburg, onderscheiden wij exclusieve, inclusieve en compenserende neutraliteit

1.

2

3 Compenserende neutraliteit. Dit concept van neutraliteit geeft burgers eveneens de

ruimte om godsdienst of levensbeschouwing te uiten en onderdeel te laten zijn van

de publieke sfeer, maar wat betreft de rol van de overheid gaat het een stapje verder.

Er kan een taak voor de overheid weggelegd zijn, wanneer er sprake is van

bijzondere omstandigheden die gelegen kunnen zijn in historische of structurele

ongelijkheden of in maatschappelijke achterstanden van bepaalde godsdiensten of

levensbeschouwingen. Om de gelijkheid van alle godsdiensten en

levensbeschouwingen daadwerkelijk te garanderen kan de overheid in voorkomende

gevallen groepen die achterblijven extra ondersteunen.

Dit is het beste voorbeeld van dubbeldunk dat deze eeuw in Nederland is gepubliceerd.

Zo gaat het over de hele linie met de  gelijkheid  waar  men in progressieve kring  voor pleit. Alle mensen zijn gelijk maar de bestuurder zelf  is als de varkens van Orwell in de praktijk gelijker dan de anderen. Toen Marcel Van Dam voorzitter was van de VARA was hij daar in alle opzichten de baas en niks gelijkheid van de andere werknemers van die club, zelfs niet van de andere bestuursleden. En dat was maar goed ook, want zijn democratische voorganger dominee Van den Heuvel had er een potje van gemaakt met zijn egalitaire aanpak. Van Dam heeft die omroep hoogstpersoonlijk weer op de rails gezet. Als iedereen daar toen daadwerkelijk gelijk geweest was, dan waren ze met zijn allen de afgrond ingeschoven.

De samenleving is van ons allemaal. Wie haar bestuurt moet met de belangen van iedereen rekening houden en wie de macht krijgt moet daar op een democratische manier verantwoording over afleggen. Maar de idee dat iedereen even veel te zeggen zou hebben is echt onzin en wie meent dat dit soort gelijkheid pas democratie is moet zijn begrippenapparaat bijstellen. Wie doet alsof, die speelt een spel, zoals de varkens in Animal Farm. En dat blijkt dan vaak tot ongelukken te leiden. Vooral als de varkens er zelf in gaan geloven.

 

[1] Dat lijkt ook een goede reden om nooit een democratisch staatsverband te introduceren in een land zonder dat daar eerst een rechtstaat is gevormd. Die voedingsbodem blijkt in de praktijk steeds weer noodzakelijk te wezen.

[2] De een-partij regeringen op etnische basis die in veel ontwikkelingslanden voorkomen en die de belangen van minderheden vaak met voeten treden zijn daarom niet democratisch al winnen ze alle verkiezingen met grote meerderheden.

18:56 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

de PvdA en de DDR in Nederland

Wallage, de voormalige burgemeester  van Groningen, vertegenwoordigt veertig jaar  politiek van de PvdA.  Hij is Groninger van geboorte en heeft in die stad het grootste deel van zijn carrière doorgebracht. Hij heeft er gestudeerd en les gegeven, is er wethouder, locoburgemeester en burgemeester geweest. Maar ook op de Haagse politiek heeft hij zijn stempel gedrukt. Hij was een vooraanstaand Kamerlid en is fractievoorzitter geweest van zijn partij. In het onderwijs en op sociale zaken heeft hij als staatssecretaris  belangrijke wetgeving[1] geproduceerd met gevolgen waar we nog steeds mee zitten. Overal waar sinds het begin van de zeventiger jaren spectaculaire wijzigingen in linkse richting tot stand werden gebracht komt men Jacques Wallage tegen. Als er in Nederland sprake is van een DDR die is ontstaan  temidden van een democratische samenleving, dan zijn het mensen als hij die daar het voortouw bij hebben genomen.

Dat begon met het linkse programcollege in Groningen waar onder leiding van de latere partijvoorzitter Max  Van den Berg  studenten de macht in de stad naar zich toe trokken. Het bereikte zijn hoogtepunt met de mislukte invoering[2] van het basisonderwijs en de nieuwe financiering van het hele onderwijsveld. Dat is de wetgeving die tot gevolg heeft gehad dat er overal in het land kleine ministerietjes van onderwijs zijn ontstaan die nu ‘school’ genoemd worden en die het voor het zeggen hebben gekregen over een aantal scholen, die nu ‘locaties’ heten. Bemand met betaalde toezichthouders en een overmaat aan managers  hebben ze het zelf in de hand hoe hun budget jaarlijks wordt uitgegeven. Dat het aandeel van de salarissen van leraren en onderwijzers steeds verder achteruit loopt en dat van managers maar blijft stijgen is terug te voeren tot de wetswijzigingen van Wallage. Iets soortgelijks heeft men in het bestuur van de grote gemeenten kunnen zien: deelraden zijn tegen de zin van de bevolking en tegen de wil van burgemeesters doorgevoerd door de PvdA om partijgenoten aan een baan en een politieke opleiding te helpen. Een woud van door de overheid gesubsidieerde instellingen is in de laatste veertig jaar in het leven geroepen, waarvan het nut hoofdzakelijk bestaat in het verschaffen van een boterham aan een politieke clientèle. Ook de vanouds bestaande departementen en  lagere overheden zijn intussen gevuld met linkse politieke benoemingen. Alles tezamen een hele wereld van onnutte maar goed betaalde politieke organisatie ten koste van de kwaliteit van het bestuur en ten laste van de rest van de samenleving en de normale economie: dat is de DDR van Wallage.

Dijsselbloem, zijn partijgenoot maar niet zijn medestander,heeft met zijn commissie duidelijk gemaakt dat het onderwijs niet alleen verpolitiekt is maar dat ook de kwaliteit door de wetten van Deetman en Wallage ernstig heeft geleden. Dat wist iedereen die zelf kinderen of kleinkinderen heeft op Nederlandse scholen, maar het was opzienbarend dat het nu ook officieel  vanuit de Partij werd  vast gesteld.

De politieke wijziging aan de top waardoor er daar niet meer mensen als Wallage en Marcel van Dam aan het roer staan maar  Bos c.s., en nu dan Job Cohen, ging gepaard aan een herziening van de prioriteiten van de partij. Niet langer de belangen van de apparatsjiks maar het landsbelang zou in de ogen van Bos, Plaumen en Dijsselbloem centraal moeten staan. Niet iedereen in die partij is daar blij mee en tot hun woordvoerder heeft Wallage zich nu opgeworpen. Hij valt Dijsselbloem en Bos niet aan op de nieuwe inzichten inzake het onderwijs, maar op de gewijzigde politiek t.a.v de immigratie en haar gevolgen voor de autochtone Nederlanders. In De Volkskrant van 12/3/09 berispt hij de nieuwe partijleiding over hun integratienota, die bij de partijachterban niet goed gevallen is.

Aan die nota liggen de ideeën ten grondslag van Paul Scheffer, die als eerste PvdA’er de knuppel in het hoenderhok gooide met zijn boek Het Land van Aankomst. In dat boek en in de nota worden de gevolgen van de massale immigratie besproken voor de traditionele achterban van de PvdA. Hij beschrijft de gevaren van de etnische tegenstellingen wanneer integratie van de beide soorten Nederlanders, de oude en de nieuwe, achterwege zou blijven. Van de mislukte integratiepolitiek van zijn eigen partij, waar Wallage  een belangrijke rol in heeft gespeeld, wordt afstand genomen in het boek van Scheffer en nu ook  in de  nota . De  Partij wordt opgeroepen tot een discussie over  nieuw te voeren beleid.

Wallage, die op geen enkel punt afstand neemt van de oude politiek[3],  maakt zich over de integratie, die bij de achterban wat gemakkelijker ligt dan zijn onderwijsbeleid, tot spreekbuis van de apparatsjiks. Hier worden de belangen van al die DDR’ers rechtstreeks geraakt. Wallage is zeker geen domme man en hij heeft gelijk dat het moeilijk is voor een partij met zoveel boter op haar hoofd om de draai te kunnen maken die door het nieuwe bestuur wordt voorgestaan. Van de andere kant, als de lijn Wallage het pleit wint kant het wel eens voorgoed afgelopen zijn met de machtspositie van de PvdA. De meerderheid van de bevolking  vindt het hoog tijd worden dat het land anders wordt bestuurd en beter.

 

 

[1] Hij bracht in 1992 en 1993 een groot aantal nieuwe wetten tot stand, waaronder  een herziening van het wettelijk bekostigingsstelsel in het voortgezet onderwijs. Daardoor krijgen scholen in het voortgezet onderwijs een grotere beleidsvrijheid en beleidsverantwoordelijkheid ten aanzien van financiële en personele beslissingen. In hetzelfde jaar voerde hij het formatiebudgetsysteem in in het basisonderwijs, met hetzelfde doel. Hij besloot op politieke gronden en met voorbijzien van de onderwijsbelangen de  invoering van de basisvorming in het voortgezet onderwijs versneld in te voeren: dit heeft geen betrekking op de basisschool, maar op de onderbouw van het voortgezet onderwijs en op het lager en voortgezet beroepsonderwijs. Deze basisvorming duurt drie leerjaren, waarin ten minste 1280 lesuren van 50 minuten moeten worden gegeven, en bestaat uit een verplicht deel en een vrij pakket. Het oorspronkelijke ontwerp was van minister Deetman en staatssecretaris Ginjaar-Maas uit 1987. Maar de invoering was Wallage. Hij bracht in 1992 een nieuwe Wet medezeggenschap onderwijs tot stand waarin de bevoegdheden van schoolleiding t.a.v. arbeidsvoorwaarden werden uitgebreid en de medezeggenschapsraad ingevoerd. Ook van zijn hand is de wet opheffing of vermindering van onderwijsachterstanden(1993).

[2] Niet alleen Wallage was verantwoordelijk. Hij was dat tezamen met zijn partijgenoten Van Kemenade, Ritzen en Netelenbos. Ook de voormalige Haagse burgemeester Deetman (CDA) en niet te vergeten de premiers Lubbers en Kok dragen een deel van de verantwoordelijkheid,  door aan  coalitiepolitiek en Haagse besognes een hogere prioriteit toe te kennen dan aan de kwaliteit van het onderwijs. Terecht zegt Wallage ook als hij op zijn beleid wordt aangevallen dat hij het nooit had kunnen doorvoeren zonder steun uit het onderwijsveld.

[3] Tijdens de hoorzittingen van de commissie Dijsselbloem liet hij weten de basisvorming nog steeds een goed idee te vinden. Hij achtte de megascholen noodzakelijk omdat er anders te veel locaties zouden zijn verdwenen en omdat het enige manier was om zoveel mogelijk leerlingen onder een dak te krijgen. Ook Ritzen had nergens spijt van. In vergelijk met het buitenland was het hier nog steeds goed, vond hij. Netelenbos bleef achter de tweede fase staan, dat was een ‘onomstreden onderwijsvernieuwing’.

11:08 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

Een PvdA minister

 

De commissie Van den Haak die de moord op Fortuyn onderzocht kwam tot de conclusie dat een officiële  beveiliging Pim Fortuyn niet gebaat zou hebben. Het soort beveiliging waarin het systeem toen nog voorzag  was daarvoor onvoldoende. Aan de gebreken in de beveiliging van bedreigde politici, die overigens links en rechts wel geconstateerd werden, kon niet de conclusie worden verbonden dat de overheid verantwoordelijkheid droeg voor de moord.

 

De stelligheid van deze conclusie verbaasde en zij werd in de persconferentie die de voorzitter hield ook wel wat afgezwakt. Natuurlijk weet men niet wat er gebeurd zou zijn als er wel een vorm van beveiliging zou zijn geweest zoals die in veel andere landen gebruikelijk is. Uit Amerikaanse cijfers zou zijn gebleken, vertelde een van de commissieleden, dat de daar gebruikelijke beveiliging niet effectief is bij een gerichte moord. Ook die constatering lijkt verder te gaan  dan op grond van de gegevens verantwoord is. Uit het feit dat een aantal gerichte moordpogingen zijn geslaagd ondanks de beveiliging kan men onmogelijk de conclusie trekken dat beveiliging de kans op moord niet vermindert. De commissie zei zich niet in speculaties te willen begeven, maar deed dat impliciet dus wel. Men weet domweg niet hoeveel aspirant moordenaars van hun daad hebben afgezien als gevolg van een zichtbare beveiliging. Het is bovendien de vraag of  Amerikaanse situaties zonder meer op Nederland zijn te transponeren. Er is alles bij elkaar wel reden om aan te nemen dat het soort beveiliging dat men op grond van de toenmalige wet en regelgeving aan Fortuyn had kunnen geven waarschijnlijk niet doeltreffend zou zijn geweest tegen een gerichte aanslag van een vastberaden moordenaar. Minimaal had de commissie zich over dit onderwerp wat helderder dienen uit te drukken.

 

Minister de Vries heeft voorafgaande aan de moord zijn ambtenaren twee keer om een risicoanalyse gevraagd en er gebeurde niets, of althans niets dat door de commissie achteraf kon worden vastgesteld. Hij controleerde niet of aan zijn verzoek gevolg was gegeven en deelde daarom ten onrechte aan de Kamer mee dat er een volledige veiligheidsanalyse had plaats gevonden. Hij voegde er aan toe dat daar geen bedreiginggevaar voor Fortuijn uit kon worden afgeleid. Dat De Vries van Van den Haak niet duidelijker een veeg uit de pan gekregen heeft is een tamelijk ernstige omissie van de commissie.

 

Wat voor veel journalisten en burgers uit zo’n rapport onvoldoende duidelijk wordt is dat het persoonlijk ingrijpen van ministers en andere hoge overheidsdienaren in de meeste gevallen veel minder een rol kan spelen dan men zou verwachten.

Men gaat er vaak automatisch van uit dat ministers zelf alle belangrijke besluiten nemen, maar dat is niet zo. Zelfs al zou de minister persoonlijke gegevens hebben en wel wat hebben kunnen doen aan het tot stand brengen van een veiligheidsanalyse of van een daadwerkelijke beveiliging, dan nog zou hij dat waarschijnlijk niet hebben moeten doen. De minister werkt uitsluitend via zijn diensten. Dat kan niet anders. Op het moment dat hij de dingen zelf gaat doen komt hij aan zijn werkelijke functie niet meer toe. De minister stuurt zijn apparaat aan en communiceert met de buitenwereld en daar heeft hij zijn handen meer dan vol aan. Het apparaat voert uit. De minister moet beoordeeld worden op de wijze waar op hij zijn ministerie aanstuurt.

 

Men moet zich voorstellen dat tussen de minister en de uitvoerende ambtenaar of ambtenaren meestal een aantal schakels zitten en dat bij ieder van die schakels ruimte is voor interpretatie van de opdracht en eigen initiatief wat betreft de wijze waarop deze wordt uitgevoerd.

Nederland kent geen traditie van nauwkeurige schriftelijke opdrachten met protocollen die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn. Dat wordt hier voor te Pruisisch gehouden. In Nederland wordt een opdracht vaak mondeling gegeven en dan is de ruimte voor misverstanden maximaal. Uit de verhoren over Srebrenica bleek bijvoorbeeld dat de eminent belangrijke opdracht voor de debriefing aan de landmacht nooit schriftelijk was gegeven, maar dat de minister meende dat de notulen van de vergadering waarin de debriefing was besproken als een schriftelijke opdracht kon worden aangemerkt.

 

Wie weet hoe grote organisaties werken weet ook dat alleen routine klussen op een voorspelbare manier door een organisatie worden afgewerkt en dat het voor opdrachten  die niet aan die omschrijving voldoen altijd de grootste moeite kost om gedaan te krijgen wat men wil. Een minister die zijn vak kende en die werkelijk gewild had dat Fortuijn beveiligd zou worden had nooit volstaan met alleen om een risicoanalyse te vragen. Dit wordt min of meer bevestigd door de latere minister van Biza, Remkens, die volhield dat er wel een risicoanalyse was gemaakt en dat de BVD haar werk goed zou hebben gedaan. Zowel het een als het ander blijkt nu uit het rapport van Van den Haak een departementale fantasie te zijn geweest. In het midden latend hoe werk beoordeeld kan worden waar geen schriftelijke opdracht noch een schriftelijk verslag van is, noch positieve resultaten van bekend zijn, zijn voorganger komt er door in een merkwaardig licht te staan. De lichte verwijten die de commissie in haar rapport richt aan de minister van binnenlandse zaken richt schieten te kort, niet omdat hij niet persoonlijk voor de beveiliging heeft gezorgd maar omdat hij zulke ongedetailleerde en weinig controleerbare opdrachten heeft gegeven en er niet dagelijks achterheen heeft laten zitten. Dat is niet noodzakelijk bewijs van een gebrek aan goede wil, maar dan in elk geval geen voorbeeld van grote bestuurlijke bekwaamheid. Minister de Vries heeft zichzelf altijd als een van de betere PvdA-ers gepresenteerd, dus wat moet men daar van denken?

10:51 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

de manco’s van de rechtstaat

 

Pieter Hilhorst is nu  ombudsman bij de VARA, een late opvolger van Marcel van Dam en Frits Bom. Veertig  jaar geleden gaf  dit programma al ruimte aan de burgers om hun kritiek op de  overheid kwijt te kunnen  en het is de bedoeling dat het dit in zijn nieuwe vorm weer gaat doen. Hilhorst blikt in zijn column in De Volkskrant ( 5/1/10) terug op die beginperiode. Hij meent dat het programma en haar opvolgers wel resultaat gehad hebben en dat de overheid nu een heel stuk minder autocratisch en paternalistisch is dan toen. Maar ook veel minder zeker van zich zelf en veel bureaucratischer, voegt hij daar aan toe. De overheid controleert zich zelf veel uitgebreider dan veertig jaar geleden maar dit heeft voor iedereen veel extra administratief werk tot gevolg. Bovendien worden ambtenaren steeds angstiger om beslissingen te nemen die niet helemaal in de regels passen. Logisch wel, lijkt me, die beschouwing. Daar zijn die controlemaatregelen voor bedoeld, om te zorgen dat de ambtenaren volgens het boekje handelen. Maar er is uiteindelijk geen vervangingsmiddel voor integere en verstandige ambtenaren die de wet uitvoeren. Je kunt niet blijven controleren, dat wordt een eindeloze regressie. Je zult vertrouwen moeten geven aan de uitvoerders en de controle op hen moeten beperken tot een vorm van marginale toetsing, dat kan niet anders. Anders gebeurt er op den duur niets meer.

. Op dezelfde pagina staat een ingezonden stuk van het Wilders Kamerlid Raymond de Roon, die zich beklaagt over een disfunctionerende overheid. Hij doet dat naar aanleiding van de jaarlijkse rellen met Oud en Nieuw. Hij spuit kritiek op minister Ter Horst vanwege de onmacht van de politie om de daders aan te pakken die immers voor een belangrijk deel  bij haar bekend zijn. Het stuk is kennelijk geschreven voor het recente oplaaien van de oorlog tussen Marokkanen en Molukkers in Culemborg. Die vormen een nog betere illustratie van het onvermogen van de overheid op dit punt.

Het geweld op straat is niet precies waar Hilhorst het over had maar de onmacht van de politie om iets aan het etnische conflict te doen of aan de steeds terugkerende hooliganrellen met Oudjaar en bij grote voetbalwedsrijden is een gevolg van de bureaucratisering waar Hilhorst het over heeft. Vooral ook de angst van de politie om buiten de regels te treden als de omstandigheden dat nodig maken.

Wat we de laatste veertig jaar hebben meegemaakt is een wildgroei van de rechtstaat. Wie meent dat al het overheidsoptreden gereguleerd kan worden, vergist zich. Het aantal mogelijke incidenten waar de overheid mee te maken kan krijgen is oneindig en het aantal regels is per definitie eindig, dus dat gaat niet lukken. Wel is het zo dat de politie geen geweld kan gebruiken en een rechter niet kan straffen zonder een voorafgaande wetsbepaling die dat toestaat. Daar willen we natuurlijk ook niet vanaf. Dat is wel degelijk de kern van de rechtstaat. Maar de regels op basis waarvan de overheid maatregelen kan nemen tegen wetsovertreders dienen beperkt en overzichtelijk te zijn. In de uitvoering van wettelijke taken dient de overheid zich in haar gedrag aan de omstandigheden te kunnen aanpassen. Dat  de politie daarbij van tijd tot tijd buiten haar boekje gaat is onvermijdelijk en ook niet zo erg, maar we moeten er wel voor zorgen dat dit te goeder trouw gebeurt en dat er daarbij geen dingen plaats vinden die geen normaal mens meer tolereren kan. Dat is marginaal toetsen. Dat is misschien ook wel hoe men het probeert te doen bij de politie, maar het gebeurt dan wel erg chaotisch. De politie is daarnaast een veel te groot deel van haar tijd bezig met het invullen van papieren om controle mogelijk te maken. Zij richt zich meer en  meer op de reacties van boven af in plaats van zich met de problemen op straat bezig te houden. Dat moet anders. Controle met een menselijke maat in  plaats van met formulieren. Dat is punt één.

Als de wet verhindert dat justitie effectief tegen groepen op kan treden, dan hoort de wet  zo te worden aangepast dat dit wel mogelijk is. Als verdragen of de grondwet dat verhinderen dan horen die te worden aangepast. Wetten zijn er voor ons en wij zijn er niet voor de wetten. Dat is punt twee.

De Roon vindt dat we niet kunnen volstaan  met jaar in jaar uit de constateren dat we hooligans niet kunnen arresteren en straffen omdat we niet iedere schade nauwkeurig aan iedere individuele hooligan kunnen vastknopen en hij heeft wel gelijk.

Als er een afweging wordt gemaakt tussen het belang van de samenleving om tegen het geweld van groepen jongeren te worden beschermd en het recht van die jongeren om alleen gestraft te worden voor wat persoonlijk tegen hen bewezen kan worden dan valt die afweging uit ten voordele van de burger. Die is immers alleen slachtoffer en de hooligan is behalve individuele dader ook lid van de groep die het criminele gedrag pleegt. Het daderschap van het individu kan niet van het groepslidmaatschap worden losgemaakt. Zonder groep geen hooliganisme. Het is mogelijk dat men na grondige bestudering van het probleem vindt vindt dat het strafrecht voor de samenleving een te bijzonder en te kostbaar bezit is.  Dat men om die reden  niet wil gaan morrelen aan het bewijsrecht of aan de individualisering van straf en daderschap. In dat geval zou het optreden tegen hooligans niet via het strafrecht, maar via de burgerlijke rechter of via het bestuursrecht moeten lopen. Het onmiddellijke optreden van de politie zou dan onder een uitgebreide vorm van ordehandhaving kunnen worden gebracht. De burgemeester is daarvoor politiek verantwoordelijk en als het de spuigaten uitloopt dan treedt hij af. Zijn opvolger vervangt de verantwoordelijken bij de politie. De verantwoordelijkheid ligt dan weer waar hij hoort: bij de politiek en niet bij de rechter. In dat kader  zou de politie dan bij publieke gelegenheden en in bepaalde wijken meer vrijheid  moeten hebben om te beslissen welke korte termijn maatregelen door de omstandigheden worden geboden.

Ons recht is in haar individualisering te ver doorgeschoten. Als er binnen een groep een vorm van wederzijdse steun en verantwoordelijkheid bestaat dan is er geen doorslaggevende reden om die groep ook niet straf- of bestuursrechtelijk aansprakelijk  te houden. Natuurlijk komen er dan problemen bij het identificeren van groepen en van het vaststellen van het lidmaatschap van individuen. Dat zijn technische problemen waar we uit zouden kunnen komen als we dat willen. Dat deden we tenslotte met Al Qaeda en de Taliban ook. We zullen de wet en eventueel ook de verdragen er voor aan moeten passen. We zullen  goed moeten kijken wat de onbedoelde gevolgen zouden kunnen zijn van de aanpassing en die proberen uit te sluiten. Allemaal tot Uw dienst, maar wat we niet kunnen doen is jaar in jaar uit zeggen: we kunnen niet ingrijpen want de wet verbiedt dat. Dat is het paard achter  de wagen spannen.

5:56 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

15 april

uiterste houdbaarheid van overheden

 

We hebben er nu geen idee meer van hoe moeilijk het was om een land te besturen in de tijd dat de snelste vorm van communicatie een ruiter te paard was, of een schip, als het om werkelijk lange afstanden ging.

Het feodalisme, dat een extreme vorm van bevoegdheidsdelegatie inhield was in de vroege Middeleeuwen de primitieve oplossing voor dat probleem. Ook later, toen er weer een vorm van beschaving kwam en de communicatie verbeterde bleef een vergaande delegatie van bevoegdheden nodig om bestuurbare organisaties te creëren binnen grote territoriale eenheden.

 

Veel van de functionarissen die we nu nog hebben dateren in wezen uit die vervlogen tijden. Een commissaris van de koningin is een overbodige functie. Alle provinciale bestuurders zijn eigenlijk overbodig.

Als ze niet zouden bestaan zouden ze nu niet meer worden uitgevonden. De functies worden niet afgeschaft om de paradoxale reden dat iedereen het druk genoeg heeft en niet om extra werk verlegen zit. Afschaffen van het provinciaal bestuur zou toch een behoorlijke herverdeling van taken meebrengen en dat betekent voor een aantal mensen nu extra werk, al zou het op den duur veel werk sparen. Ook ambassadeurs zijn functionarissen uit de tijd van vóór de elektriciteit. Het hebben van een ambassadeur is nu een vorm van internationale beleefdheid geworden. De hoffelijkheid tegenover het buitenland staat het afschaffen in de weg, maar veel functie heeft een ambassade eigenlijk niet. Hoezeer zij er alleen maar zijn voor de sier blijkt bij calamiteiten. Als bij rampen in verre landen de Nederlandse ambassadeur de enige functionaris is die wat zou kunnen  doen voor zijn landgenoten dan hoor je maar zelden dat ze tevreden zijn over zijn prestaties. Voor calamiteitenzorg worden ze niet opgeleid, ze zijn er voor het ceremonieel.

 

Een ineenstorting van een samenleving, zoals bijvoorbeeld gebeurde bij de Franse revolutie, heeft ook zijn goede kanten. Het geeft gelegenheid om allerlei oude instellingen en gebruiken die nergens meer toe dienen in een klap af te schaffen. Daar komt het anders nooit van. Afschaffen heeft daarvoor te veel onvoorziene consequenties, we beginnen er niet aan, als het niet echt onvermijdelijk is. Er worden mensen mee op de tenen getrapt en hun emotionele bezwaren klinken harder dan de zakelijke instemming van de grote meerderheid. Die meerderheid profiteert wel van de veranderingen maar dat is lange termijn en het voordeel is diffuus. De nadelen zijn direct en treffen de kleine groep betrokkenen hard.

 

Veranderingen in het landsbestuur zijn op het moment eigenlijk broodnodig, maar ze komen niet af, niemand durft het aan.

Allerlei overheidsinstellingen die ooit met een duidelijk doel zijn opgezet functioneren intussen niet meer goed, omdat het doel verdwenen is, of uit het zicht is geraakt, of omdat de samenleving zo is veranderd dat de instelling er niet meer in past. Instellingen zijn als machines, ze zijn niet zelfregulerend. Ze hebben geen geheugen en als er niet iemand is die begrijpt hoe ze in elkaar zitten en waar ze voor dienen, dan loopt er gemakkelijk iets mis. Mensen die werken in grote apparaten hebben de neiging niet meer te kijken naar de buitenwereld die van de instelling iets verwacht maar naar binnen, naar hun bazen en collega’s[1].

Instellingen die niet van de markt afhankelijk zijn en blijven voortbestaan ongeacht de door hen geleverde prestaties. Ze gaan een eigen leven leiden, los van de functie waarvoor ze ooit zijn opgericht, ze raken op drift. Dat lijkt een wetmatig verschijnsel. Revoluties zijn daarom misschien wel onvermijdelijk op hun tijd, maar het is jammer dat ze zoveel ellende met zich meebrengen.

[1] Parkinson van Parkinson’s law geeft ergens het mooie voorbeeld van het Britse Ministerie van Koloniën dat bleef voortbestaan naast het Ministerie voor Gemene Best Zaken. In de naoorlogse periode werden voortdurende koloniën onafhankelijk en die kwamen dan in het Britse Gemene Best. Niettemin was het Ministerie van Koloniën nog nooit zo groot als op het moment dat de laatste kolonie uit de rij haar onafhankelijkheid verwierf. De ambtenaren op het departement hielden zich bezig met administratie, met beleidsvoorbereiding en het beantwoorden van hun toegezonden notities. Dat er geen koloniën meer waren om beleid voor te maken was daarbij niet van doorslaggevende betekenis.

19:27 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

14 april

het creëren van banen

 

Mevrouw Noorlander Den Uijl, vroeger kamerlid van de PvdA, kondigde in 2004 aan voor de stadszender ATV, dat er het daarop volgende jaar 100.000 werklozen bij zouden komen en dat dit de schuld was van de regering die een verkeerd beleid voerde. Die voorspelling is zoals we nu weten niet uitgekomen.  Verkiezingspropaganda zult U zeggen, moet je niet te zwaar aan tillen, maar feit is dat leden van  progressieve partijen werkelijk menen dat de regering het aantal werkende mensen of werklozen in de hand heeft en er dus ook op aansprakelijk is als het aantal werklozen stijgt en terwijl ze credit verdient als het aantal afneemt.

Het is mogelijk om een politiek te voeren die met een bepaalde waarschijnlijkheid tot meer werkloosheid zal leiden. Zou de rente bijvoorbeeld drastisch omhoog gaan, iets waarover de regering  niets meer te zeggen heeft sinds dat in Frankfurt wordt beslist, of de belastingen worden verhoogd om iets anders te financieren dan productieve investeringen, dan heb je kans dat een bestaande trend naar hogere werkloosheid wordt versterkt. Het omgekeerde is veel moeilijker. Is er een neerwaartse trend in de conjunctuur dan is het voor geen Nederlandse regering te doen om die op eigen kracht weer om te buigen.

Voor wat de regering wel en niet kan zou men de beleidsnota’s moten nalezen die op economische zaken werden gemaakt toen Van den Brink daar minister was en Winsemius DG. Dat zijn de mensen die het economische beleid in de wederopbouwperiode na de oorlog hebben bepaald en daar geweldig over in de clinch hebben gelegen met de PvdA. Drees heeft de conflicten daarover in het rooms-rode kabinet dat hij leidde beslist in het voordeel van Van den Brink.

Het wekken van de suggestie dat de overheid meer kan dan zij kan is gevaarlijk. Het vraagt van haar om zich op te stellen als een soort tovenaarsleerling met als gevolg dat we van de ene onmachtige maatregel in de andere vallen, met per saldo  alleen maar negatieve resultaten.

Het scheppen van nieuwe overheidsbanen lijkt op het eerste gezicht de gemakkelijkste manier om meer werkgelegenheid te creëren en waarschijnlijk zijn het dat soort banen waar mevrouw Den Uijl op doelde. Meer ambtenaren, meer werknemers van gesubsidieerde instellingen of meer banen in het bedrijfsleven die geheel of gedeeltelijk door de overheid worden betaald. Dat zijn dan over het algemeen banen waaraan in het economisch proces geen behoefte bestaat en die dus geen productie opleveren die evenredig is aan de loonkosten. Het bedrijfsleven kent in principe alleen banen waarvan de opbrengst in extra productie gemeten op zijn minst gelijk is aan de extra kosten en liefst hoger. Dat garandeert de bestendigheid van de werkgelegenheid en heeft bovendien een multiplier effect; productieve  banen creëren nieuwe banen. Banen waar geen behoefte aan bestaan doen dat niet. Die blijven alleen in stand zolang de overheid er belastinggeld in blijft pompen. Op zijn best zijn zij een vorm van uitkering, op zijn slechtst vormen zij oneerlijke concurrentie voor echte en efficiëntere banen, die daardoor ook niet in stand kunnen blijven. Onechte banen vergroten de werkloosheid op termijn.

Het gaat natuurlijk niet alleen om die honderdduizend banen waar Mevrouw Den Uyl op zinspeelde, het gaat ook om de honderdduizenden banen die op die manier in het verleden zijn gecreëerd en die nog steeds bestaan en soortgelijke aantallen banen die ooit nuttig zijn geweest maar dat nu niet langer zijn. Veel ervan zitten verstopt in het ambtenarenapparaat. In het gewone bedrijfsleven verdwijnen ze door ontslagen, vaak ook door normaal verloop omdat de beloning ervoor stagneert of de mensen het gewoon niet aardig vinden om iets te doen waar niemand behoefte aan heeft. Onder bedrijfsleven moet hier vooral worden verstaan het soort bedrijfsleven dat direct van de markt afhankelijk is. Ook bij grote en onoverzichtelijke bedrijven kunnen namelijk dit soort ‘overheidsbanen’blijven bestaan zolang de onderneming als geheel per saldo nog maar winst maakt. In kleine en middelgrote bedrijven waar verliezen al snel tot faillissementen leiden vallen ze het eerder op en wordt er als eerste iets aan gedaan.

Vaak vertonen het nut van een baan en het plezier dat mensen erin hebben een  correlatie. Als mensen niets of niets nuttigs te doen hebben vervelen ze zich, maken ruzie met hun collega’s en gaan op zoek naar bezigheden die niets met hun baan te maken hebben,  om hun dag te vullen. De gemeten baantevredenheid in kleine en middelgrote bedrijven is daarom ook altijd groter geweest dan die bij de overheid en in het met de overheid vergelijkbare grote bedrijfsleven.

Dat zou de overheid en mevrouw Den Uyl iets moeten zeggen maar dat doet het kennelijk niet.

10:34 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

04 april

ongewenste gevolgen van regelgeving

Wetgeving in dit land is vaak een reactie op een plotseling in de publieke opinie opgemerkte misstand. Men vindt dan in de pers en in de Kamer dat er iets aan gedaan moet worden en dat zet een machine in beweging.

De ambtenaren van het betrokken departement produceren na verloop van tijd een concept wettekst. In het proces van voorbereiding is er meestal met een aantal maatschappelijke groeperingen overleg geweest die hun eigen verlangens hebben mogen inbrengen. Bij de behandeling van het ontwerp, soms jaren later, als iedereen de hype al weer vergeten is, vindt in de kamer een gedeeltelijke herhaling plaats van dit proces, want de maatschappelijke groeperingen hebben meestal hun eigen kamerleden of worden – omgekeerd – door kamerleden gebruikt voor het aanleveren van ideeën en teksten. Het hele wereldje van ambtenaren, maatschappelijke vertegenwoordigers en kamerleden is een vrij gesloten circuit, dat redelijk los staat van de rest van de wereld en vaak geen idee heeft van wat zich in de werkelijkheid afspeelt. Het enige wat men weet is meestal de berichtgeving van de journalisten en de publieke discussies die zich naar aanleiding daarvan hebben afgespeeld.

 

Wat weinig gebeurt is onderzoek ter plaatse en een analyse van de waarschijnlijke effecten van de nieuwe wet. De gevolgen van de nieuwe wetgeving zijn in de praktijk vaak heel anders dan wat de verontwaardigde publieke opinie voor ogen stond bij de hype.

 

Neem de wet die onze twee religieuze partijen, de PvdA en het CDA gezamenlijk willen invoeren, de bestraffing van de prostitueebezoeker voor geval de tippelaarster die hij treft illegaal of druggebruikster blijkt te zijn.

Dat is iets wat de betrokkene meestal aan de neus van het meisje niet kan zien en waarom alleen al het voorstel geen goed uit te voeren wet is. Erger is het dat alle hygienewinst van de laatste jaren weer verloren gaat, omdat belangrijke categorieën prostituees weer de illegaliteit worden ingedreven en een negatieve selectie ontstaat op het niveau van de hoerenlopers. Het soort klanten dat een prostituee graag wil hebben komt niet meer en de bescherming die ze in de gereguleerde situatie heeft raakt ze in de nieuwe illegaliteit weer kwijt. Averechts dus, de effecten van de wet. “Maar we willen toch alleen het misbruik maar criminaliseren” zegt een wat preutse mevrouw Sinnema, “we komen helemaal niet aan de prostituee zelf”.

Dat ze dit zeggen kan en oprecht menen komt omdat mevrouw Sinnema geen verstand heeft van wetgeving en van de samenleving waarvoor ze toch als politica verantwoordelijkheid op zich genomen heeft. Wat gebeurt er immers in de praktijk? Wie aan de klant komt, komt aan het metier van de prostituee en drijft haar van haar werkplek.

Als men geen verslaving wenst of geen door verslaving aangedreven leefgewoonten, dan dient dat ergens anders aangepakt te worden, maar niet langs deze weg. Als men eigenlijk geen prostitutie wenst, zoals men van het type feministe als Mevrouw Sinnema zou vermoeden, zeg dat dan en laten we die discussie nog een keer hebben. De voorgestelde wet gaat in elk geval anders werken dan men zegt te bedoelen en dat zou niet de eerste keer zijn dat zoiets gebeurt.

Het is niet altijd mogelijk precies te voorspellen wat een nieuwe regelgeving voor gevolgen gaat hebben, maar men zou in ieder geval moeten onderzoeken wat de waarschijnlijke gevolgen zullen zijn. Een rapport over de mogelijke gevolgen zou dienen te worden gepubliceerd en deel uit moeten maken van de discussie die aan het proces van wetgeving vooraf gaat.

Het zou in de grondwet verboden moeten worden om wetgeving in te voeren, zonder een dergelijk onderzoek..

 

6 december

gemeente beleid I

 

Wie aan een doorsnee autochtoon in Amsterdam vertrouwelijk vraagt wat hij vindt van Marokkanen krijgt vaak een negatief gekleurd antwoord. Vraag je hem of hij een hekel heeft aan individuele Marokkanen zoals Marcouch en Aboutaleb, of aan mensen die hij van dichtbij kent, van zijn werk bijvoorbeeld, dan ligt dat opeens heel anders.

Op het kantoor waar ik een tijd lang iedere week een keer kwam is de meerderheid van de secretaresses allochtoon en niemand let erop. De meeste kantoorgenoten zouden denk ik niet eens weten, hoeveel allochtonen en autochtonen er zijn. Het is geen item en het maakt  in de praktijk geen verschil. Er wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten allochtonen. Als ze hun werk maar goed doen. Dat laatste is natuurlijk belangrijk. Wie niet goed is wordt niet aqangenomen of verdwijnt na korte tijd. Wat er overblijft is misschien geen representatieve selectie meer, niet van allochtonen, maar trouwens ook niet autochtonen.

In de praktijk van het openbare leven lijkt er een groot verschil te zijn tussen autochtonen en allochtonen en  tussen allochtonen onderling. Surinamers zijn een  ander soort mensen dan Antillianen. Turken beledig je door ze voor Marokkanen te houden. Ook bij allochtonen onderling is er sprake zijn van een negatieve houding tussen etnische groepen, en zonder dat dit noodzakelijk negatieve gevolgen hoeft te hebben voor de relatie tussen individuen uit die groepen. Als individuen samenwerken blijken meestal de persoonlijke eigenschappen zwaarder te wegen dan de groepsinvloeden. Dat is ook de reden waarom werk zo’n goede integrator is. Dat neemt niet weg dat maar weinig mensen zich aan groepsinvloed kunnen onttrekken.

De Nederlanders in het voormalige Nederlands Oost Indië hadden vaak een sterke persoonlijke band met hun huispersoneel en verwachtten geen moment dat die met de opstandelingen gemene zaak zouden maken. Maar in de kampong heerste de opstand en het huispersoneel dat daar vandaan kwam deed gewoon mee, dat kon niet anders. Groepsinvloeden zijn dominant en de humanistische leer die in Nederland geldend is en die deze invloeden verwerpt,doet alleen maar alsof, humanisten lijden op dit punt aan zelfbedrog. Etnische problemen ontstaan overal waar we etnische groepen de kans geven zich als zodanig te organiseren. Hoe meer de groep er afwijkende normen en waarden op na houdt, hoe groter het probleem, maar ook: hoe meer een etnische groep zich tegen anderen afzet, hoe groter het probleem. En tenslotte: hoe slechter de groep of delen van de groep zich gedragen, hoe groter het probleem.

Het is duidelijk dat we in Amsterdam niet zozeer een allochtonenprobleem hebben, maar een moslimprobleem en mindere mate een probleem met Afro-Europeanen. Met de andere allochtonen, met Chinezen en Hindoestanen gaat het meestal goed en met andere Westerlingen helemaal. Maar ok Oost Europeanen vormen weer een probleem. En het gaat  niet om de Islam als godsdienst, maar om de Islam als leefgewoonte, met van de onze afwijkende normen en waarden en met een vijandbeeld van alles en iedereen buiten de eigen gemeenschap. Dat is ons probleem en ook het probleem van de moslims zelf.

Een verklaring voor dat verschijnsel, dat mensen een hekel hebben aan de groep, maar niet aan willekeurige individuen uit de groep, zult U in de onderstaande notities van de gemeente Amsterdam niet aantreffen. Groepen worden daarin niet als zelfstandige entiteiten beschouwd maar als min of meer willekeurige verzamelingen van individuen. U zult in de notitie weinig vinden over de werkelijke oorzaken van de etnische problemen.  De mogelijke oplossingen die gesuggereerd worden komen wat uit de lucht vallen, ze zijn nooit ergens anders met succes geprobeerd. Maar het beleid dat erin wordt voorgestaan wordt intussen wel al systematisch uitgevoerd. In den blinde dus.

Aan deze en andere  notities van de gemeente is, toen zij verschenen, betrekkelijk weinig aandacht gegeven.  Toch roepen ze op tot commentaar en discussie. Alsnog dus. Klein gedrukt is de notitie en de grotere letter is het commentaar.

Integratienotitie “Erbij horen en meedoen”.

In de vergadering van de gemeenteraad van 5 februari 2003 is een motie aangenomen waarin het College van B&W wordt gevraagd een beknopte notitie te vervaardigen met uitgangspunten voor een integratiebeleid van de gemeente Amsterdam.

Het integratiedebat wordt in Nederland in alle hevigheid gevoerd. De discussie rond “het multiculturele drama” van Paul Scheffer, de terroristische aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington, de opkomst en moord op Pim Fortuijn, de verkiezingsuitslag van mei 2002, de oorlog in Irak dat alles heeft de discussie aangewakkerd.

Het debat en het daarop geënte beleid hebben een hoog incidenten en ad-hoc karakter. Als we tot een integratiebeleid willen komen, dan is het van belang dat er overeenstemming bestaat over de kaders waarbinnen de discussie over integratie en het beleid daarover kan plaatsvinden. Een integratiebeleid veronderstelt met andere woorden, een algemeen denkraam, dat politiek wordt onderschreven en waarbinnen de discussie en het beleid over integratie in samenhang kunnen plaatsvinden.

Deze notitie beoogt dat algemene denkraam te schetsen. Deze notitie kan daarom slechts worden gezien als een eerste aanzet voor een discussie over integratie in de Gemeenteraad. Een nadere uitwerking in beleid kan daarna plaatsvinden, in dialoog met de stadsdelen en met verschillende groeperingen, organisaties en instellingen in de stad.

De Raad kan dan ook op korte termijn een nadere uitwerking tegemoet zien, op het gebied van:

  Inburgering

  werkgelegenheid

  onderwijs

  wonen

  1. Analyse

Amsterdam is in 2003 een prachtige welvarende stad met 735.000 inwoners en een rijke geschiedenis die binnen de Nederlandse rechtsorde functioneert.

Steden overal ter wereld, en vooral welvarende steden, trekken altijd in meerdere of mindere mate nieuwkomers aan.

Amsterdam is vanaf de 16e eeuw altijd een immigratiestad geweest: joden, Hugenoten, Friezen, vestigden zich hier, later gevolgd door Duitsers, Polen, Russische joden en vanaf de jaren 50 van de twintigste eeuw achtereenvolgens de mensen uit voormalig Nederlands Indie, gastarbeiders uit Zuid-Europa, Marokko en Turkije, Surinamers en Antillianen om alleen de grootste groepen te noemen. Het heeft te maken met de vrije cultuur van een handelsstad en het feit dat er meestal werk in overvloed was. De dekolonisatie en de internationalisatie (Europese eenwording, globalisering en mondialisering)

hebben dit proces enorm versneld. Niet alleen hebben we anno 2003 ruim 170 nationaliteiten, maar ook bestaat bijvoorbeeld in de Binnenstad de bevolking voor meer dan 17% uit mensen uit de zogenaamde industriële landen. In Amsterdam Zuid is dat zelfs meer dan 24% – wat op straat en in de supermarkt niet te zien, maar wel te horen is. Daar staat tegenover dat onze zonen en dochters in die geïndustrialiseerde landen op stage gaan, en er vaak ook werken en wonen.

Wat de schrijver hier wil betogen is dat we naast de immigratie uit de derde wereld ook een migratie hebben binnen de geïndustrialiseerde wereld. Die twee stromen zijn op vrijwel geen enkel punt met elkaar te vergelijken maar in de notitie gaat alles op de grote hoop.

Het is dus een feit dat hier in Amsterdam, als gevolg van migratie, mensen wonen die qua land van oorsprong verschillen. Daarmee is de diversiteit van de bevolking een feit. Wat de gemeentelijke overheid daarvan vindt doet niet ter zake.

Als dat niet ter zake deed, zou deze notitie niet zijn geschreven. Het probleem neer te zetten als een van diversiteit (en daar bij alle soorten allochtonen over een kam te scheren) miskent de ware aard ervan. Het zijn niet de buitenlanders van Amsterdam Zuid, maar die van de Dappermarkt en het August Allebéplein die ons de problemen bezorgen. De scholen waar leraren en leerlingen worden vermoord en de buurten waar ambulances en stadsbussen niet meer veilig kunnen rijden  liggen niet in het centrum of in Amsterdam Zuid. Het is een retorische truc van de gemeente om de tegenstanders van haar Marokkanenbeleid af te schilderen als tegenstanders van iedere vorm van migratie of immigratie. Een kleurrijker Amsterdam is een aardiger Amsterdam, maar een Amsterdam met twee of meer vijandige bevolkingsgroepen is op den duur voor niemand meer een prettige stad.

Wel dient de gemeentelijke dienstverlening toegesneden te zijn op de diverse stad en dienen op al die verschillende mensen dezelfdealgemene uitgangspunten van toepassing te zijn over de taak van de overheid en haar relatie tot de burgers.

Dit is een non sequitur en daarnaast ook als zodanig geen plausibele stelling. Aan de ene kant wonen in Amsterdam  hoog opgeleide mensen uit de industriële wereld, die hier meestal maar tijdelijk verblijven maar die tijdens hun verblijf een belangrijke bijdrage leveren aan de lokale welvaart en cultuur. Aan de aan de andere kant zijn hier niet opgeleide en onproductieve mensen komen wonen uit de derde wereld. In de tweede groep is er een subgroep die streeft naar integratie, naar werk en aansluiting bij de bestaande gemeenschap. Daarnaast is er een grotere groep die zich afsluit, vaak van uitkeringen leeft en hel en verdoemenis belooft aan de rest van de wereld. Die groepen hebben weinig tot niets gemeen. Waarom zouden ze dan gelijk behandeld moeten worden? Men hoort mensen toch verschillend te behandelen in de mate waarin ze van elkaar verschillen? Alle mensen zijn niet gelijk. Alle groepen mensen zijn niet gelijk. Sommige doen aan vrouwenbesnijdenis en andere niet. Sommige mishandelen homo’s en andere niet. Het gelijkheidsbeginsel verplicht alleen de overheid om de verdelende rechtvaardigheid te betrachten en de wetten te laten gelden voor iedereen. Het verplicht de gemeente niet om bevolkingsgroepen weg te laten komen met een verhoogde criminaliteit op gronden ontleend aan hun kleur, godsdienst of ras onder het motto van een Orwelliaans begrip als “compenserende neutraliteit”.

Hier horen dan ook woorden thuis als (non-) discriminatie en participatie. Op het niveau van de stedelijke samenleving als geheel speelt vervolgens het punt van de absorptiecapaciteit m.b.t. nieuwkomers. Het is plausibel dat het om een veelheid van redenen allemaal niet te snel moet gaan, en dat daarom een landelijk migratiebeleid in de rede ligt.

De minister van sociale zaken van Balkenende IV heeft eindelijk het taboe laten varen dat eerder verbood om Marokkaanse jeugdcriminelen bij de naam te noemen. Ook de burgemeester van Amsterdam wil niet langer suggereren dat het de Japanners uit de Beethovenstraat zijn die homo’s aftuigen en ziekenbroeders met de dood bedreigen. De schrijver van de notitie bepleit een landelijk beleid op het punt van een immigratie die in Amsterdam  op sommige plekkenondraaglijke overlast veroorzaakt. Dat lijkt verstandig, want het zal voor een belangrijk deel strafrechtbeleid moeten zijn. Het is evident dat het huidige strafrecht is toegesneden op een samenleving met een grote sociale cohesie en een christelijk-humanistische ethiek. Die samenleving ontglipt ons nu en de strafrechter zal hieruit de consequenties moeten kunnen trekken. Daarvoor is een aangepaste wetgeving nodig. Een groep jongeren heeft een arts mishandeld die een van hen bijstond en de rechter oordeelt dat zij overtuigend bewezen acht dat de groep de mishandeling heeft gepleegd. Ook constateert zij dat degenen die voor haar staan deel uit hebben gemaakt van de groep. Toch meent zij niemand te kunnen veroordelen. In zulke omstandigheden schiet overduidelijk of de rechter of het strafrecht te kort. Waarschijnlijk allebei maar in elk geval het laatste.

Tenslotte is daar de vraag of we met zijn allen willen dat er tussen al die verschillende mensen, die de huidige diverse Amsterdamse samenleving vormen, enige samenhang bestaat. Samenhang is het begrip dat slaat op de hele groep, integratie is de vertaling daarvan op het individuele niveau.

Het probleem dat ondermeer door Scheffer aan de orde werd gesteld is dat tussen de verschillende groepen immigranten onderling en tussen hen en de autochtone bevolking geen samenhang bestaat en dat het beleid van de lokale overheid de integratie tot nu toe in de weg heeft gestaan. De gedachte dat integratie een individuele en geen groepsaangelegenheid is, is een van de redenen waarom het integratiebeleid van Amsterdam en van de rijksoverheid zo weinig succesvol is geweest.

  1. Uitgangspunten

Dit alles overwegende komt het College tot het formuleren van de volgende uitgangspunten:

  Migratie : hoort bij stedelijkheid en is een zaak waar de lokale overheid permanent rekening mee moet houden.

  Diversiteit : de gemeente Amsterdam beschikt over een goed en weloverwogen diversiteitbeleid, dat wordt gecontinueerd.

Als dit uitgangspunt juist zou zijn dan hadden we tenminste een deel van de  problemen niet gehad.

  Integratie : betekent erbij horen en meedoen en is daarmee een begrip dat betrekking heeft op alle Amsterdammers.

  Inburgering : het voorportaal voor integratie dat zich richt tot de allochtone nieuwkomers en oudkomers in de Amsterdamse samenleving.

  Taak van de overheid met betrekking tot integratie: dezelfde algemene uitgangspunten over de taak van de overheid en haar relatie tot de burgers zijn op alle Amsterdammers van toepassing.

Het is een verkeerd begrip van haar taak waardoor de overheid de integratie heeft laten mislukken. De lokale overheid voert bedoeld of onbedoeld een voorkeursbeleid voor immigranten van de verkeerde soort, t.w. arme, slecht opgeleide, niet westerse immigranten. Dat is een beleid dat sterk heeft bijgedragen aan de vergroting van de toestroom, want zulke potentiële immigranten zijn er genoeg. De rijksoverheid laat wetgeving in stand –  met name sociale wetgeving en strafwetgeving –  die past bij een gesloten en coherente samenleving, maar niet bij een samenleving zonder grenzen, waar Nederland nu deel van uit maakt. We hebben een sociale wetgeving waardoor de armen uit andere landen worden aangetrokken als vliegen door de stroop. Tenslotte hebben we een asielbeleid en een gezinsherenigingbeleid die beide onverantwoord fraudegevoelig zijn

In de rest van deze paragraaf werken wij deze uitgangspunten uit.

3.1 Migratie

Migratie is een van de hete hangijzers van het integratiedebat. Sommigen denken dat dit een tijdelijk verschijnsel is en, in het verlengde hiervan, dat de inburgering van nieuwkomers een tijdelijke inspanning is die eens moet ophouden. De tijd is wellicht gekomen om deze gedachtegang vaarwel te zeggen. Migratie hoort tot de moderne wereld en we zullen ons in Nederland moeten instellen op een continue maatschappelijke inspanning om nieuwkomers op te vangen en te laten integreren.

Op zich is juist dat migratie niet tegen te houden is en dat de keuze vooral lijkt te gaan tussen legale en illegale immigratie, beide van de verkeerde soort, d.w.z. van de soort die bijdraagt aan de problemen waar deze notitie over gaat. De suggestie dat dit zou gelden voor alle soorten immigratie is vals.

Migratie naar de stad is bovendien een verschijnsel van alle tijden. Dat geldt zoals we hierboven hebben vastgesteld, zeker voor de stad Amsterdam, met een migratiegeschiedenis die teruggaat tot de 16e eeuw. Thans wonen er meer dan ooit mensen van verschillende nationaliteiten in Amsterdam. De Amsterdamse bevolking is daardoor veelkleuriger en diverser dan ooit tevoren. Bevolkingsprognoses geven aan dat deze veelkleurigheid en diversiteit zich de komende tijd zullen voortzetten. Over 20 jaar is meer dan de helft van de Amsterdamse bevolking van allochtone komaf. Dat zal niet alleen het aanzien, maar ook de cultuur van de stad veranderen. De geschiedenis van eerdere migraties vanaf de zestiende eeuw leert dat vrijwel alle immigranten in de samenleving zijn geïntegreerd. Maar het kost wel tijd. Diezelfde geschiedenis leert immers dat het vestigingsproces van immigranten en het opgenomen raken in de samenleving, minimaal twee en meestal drie generaties in beslag neemt.

Dit zijn de conclusies van Scheffer. Scheffer haalt veel van zijn voorbeelden uit Amerika. Daar bleek ook in de eerste generaties meer dan gemiddelde criminaliteit voor te komen onder de landverhuizers. Ook daar onder de aanhangers van minderheidsgodsdiensten ( Joden en Katholieken) meer dan onder aanhangers van protestants christelijke kerken, die in Amerika de dominante godsdienst vormen. De verschillen waren in Amerika alleen veel minder catastrofaal. Men had daar bovendien wel een zinnig immigratiebeleid, dat immigranten tot werken dwong en hen niet met uitkeringen en vluchtelingenkampen van het werken afhield. In Amsterdam zijn in het verleden  alle immigranten populaties op den duur geïntegreerd. Dat kwam omdat ze altijd of aan het werk gingen of weer verdwenen. Werk is de belangrijkste motor voor de integratie en een motor die  in het verleden gefunctioneerd heeft  zonder dat daar veel overheidsbeleid voor nodig was. Dat automatisme is nu doorbroken, door de onzinnige immigratieprocedures die vele jaren kunnen kosten en door het uitkeringsbeleid van de afgelopen decennia. En de wet van de drie generaties kent bovendien haar uitzonderingen.  in Amerika zijn er voorbeelden van niet integrerende populaties, te weten  de zwarte gettobewoners uit de binnensteden in het Noorden van de VS. In Joegoslavië blijken populaties die  eeuwen naast elkaar geleefd hebben niet te zijn geïntegreerd. Het voormalige  Ottomaanse rijk geeft een reeks van dergelijke voorbeelden. Uit het voormalige Ottomaanse rijk komen niet alleen de Turken maar ook alle Arabieren. Een optimistisch vertrouwen is hier dus niet op zijn plaats.

17:41 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

gemeente beleid II

Voor ons College geldt dan ook: migratie hoort bij stedelijkheid en is een zaak waar de lokale overheid permanent rekening mee moet houden.

Het formuleren en implementeren van een migratiebeleid is een zaak van de Rijksoverheid. Demografische, economische en integratie vraagstukken, mede in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie, maken een landelijk c.q. Europees migratiebeleid blijvend noodzakelijk.

Eens

Demografische prognoses voor de komende 20 jaar geven voor de landen van Europa een beeld te zien waarin de bevolking sterk krimpt en tegelijkertijd sterk vergrijst. Tegelijkertijd zie je in de armste landen van de wereld een beeld van een groeiende bevolking en een niet afnemende armoede. Deze ontwikkelingen scheppen het migratievraagstuk van de toekomst en werpen de vraag op hoe bij een dergelijke ontwikkeling de huidige economische welvaart, het dienstenpeil en de verzorgingsstaat niet alleen in Europa, maar in het verlengde ervan ook in Nederland in stand kunnen worden gehouden. Bovendien doet zich het vraagstuk voor naar de integratie van steeds nieuwe groepen migranten. Dat vraagstuk heeft twee kanten: de integratiebehoefte van de nieuwkomers en het opnamevermogen van de ontvangende maatschappij. Deze problemen kunnen alleen het hoofd worden geboden als er op enige wijze sprake is van gecontroleerde migratie.

Het falen van de overheid bij het voeren van een beperkend beleid bij immigratie van niet westerse allochtonen en de mislukking van de integratie van met name de Islamitische immigranten is de voornaamste reden voor de impopulariteit van de overheid bij de Nederlandse autochtone bevolking. Met name bij het deel van die bevolking dat hethardst met de gevolgen van falend beleid wordt geconfronteerd. De politieke partij die het sterkste met de overheid wordt geïdentificeerd ondervindt daarvan de sterkste gevolgen.

3.2 Diversiteit

Sinds 1998 voert Amsterdam een diversiteitbeleid. Dit beleid wil alle Amsterdammers aanspreken op basis van de overeenkomsten in maatschappelijke wensen en noden. Diversiteit raakt alle beleidsvelden, is relevant voor al onze diensten en producten en speelt een rol in al onze communicatie met de inwoners van Amsterdam. Voor het behoud van Amsterdam als sterk merk is en blijft de implementatie van diversiteit bij alle gemeentelijke en maatschappelijke partijen noodzakelijk.

Behalve dat er geen sprake is van beleid dat aan de problemen van de Nederlandse bevolking tegemoet komt, voelt de gemiddelde Nederlander zich ongelukkig door de merkwaardige terminologie waarin de overheid zich tot hem richt. Wat betekenen bijvoorbeeld de bovenstaande zinnen in normaal Nederlands? Wat is een diversiteitbeleid? Wat betekent een beleid dat alle Amsterdammers ( allochtonen en autochtonen?) ‘wil’ aanspreken op basis van de overeenkomsten in maatschappelijke wensen en noden? Allochtonen en autochtonen hebben heel andere wensen en noden, net als Hindoestaanse allochtonen heel andere wensen en noden hebben dan Moslims of Creolen. Ze worden door de overheid dan ook heel verschillend  behandeld. Gevangenissen zitten vol met Moslims en Creolen en Hindoestanen ziet men er weinig. Autochtonen, uit wat we vroeger de volkswijken zouden noemen en nu een tijdlang de Vogelaarwijken, voelen zich benadeeld in het huisvestingsbeleid en bij de verstrekking van vergunningen. Wetsovertredingen van de lastveroorzakende allochtonen worden gedoogd, waar dat bij autochtonen niet het geval is. Hoezo overeenkomsten in wensen en noden? De hele passage is een in slecht Nederlands gestelde reclame zin van de overheid.

De inzet van het diversiteitbeleid is het waarborgen van de aantrekkingskracht van de stad. Zaak is om te zorgen dat alle Amsterdammers zich hier thuis voelen, hier kunnen blijven wonen en hier hun talenten kunnen ontwikkelen. Kortom: behouden blijven voor deze stad en betrokken blijven bij de toekomst van Amsterdam.

Het is evident dat de zestig procent van de Nederlanders die zich op onderdelen van diens beleidvoornemens met Wilders verwant voelt een deel van de nieuwe Amsterdammers liever kwijt is dan rijk. Het gaat daarbij niet alleen om individuen met een strafblad of om de kinderen die de scholen en de  jeugdzorg overbelasten en hun ouders. Het gaat om de bevolkingsgroepen waar deze individuen uit voort komen en die als zodanig een voedingsbodem vormen voor de criminaliteit en de maatschappelijke desorganisatie waar de grote Nederlandse steden onder lijden. Het zijn ook deze bevolkingsgroepen en niet de individuen die er deel van uit maken die de integratie blokkeren. Een beleid dat op de desintegratie van criminogene groepen is gericht ontbreekt in Amsterdam.

De inwoners vormen gezamenlijk de draagkracht en dynamiek die nodig is om de stad verder uit te bouwen. Het diversiteitbeleid had in de periode 1998-2000 vier doelstellingen:

  1. Betere afstemming gemeentelijk beleid en dienstverlening op diversiteit Amsterdamse bevolking;
  2. Weerspiegeling diversiteit Amsterdamse bevolking in personele samenstelling en organisatiecultuur van de gemeente;

Waar we behoefte aan hebben zijn nieuwe strafrechtmaatregelen waardoor de ouders van delinquente kinderen bij de straftoemeting worden betrokken en waarbij groepscriminaliteit gemakkelijker kan worden aangepakt. Terwijl het zeker efficiënt zou zijn om lieden van Marokkaanse afkomst zoals Marcouch of Aboutaleb bij het beleid te betrekken om hun landgenoten hier te integreren, zou het aan de andere kant juist niet om vertegenwoordigers moeten gaan van de groepen waarop de gemeente doelt. Eerder om mensen die juist afstand hebben genomen van hun Marokkaanse achtergrond en van de instructies van de Marokkaanse regering. We hebben mensen nodig die zich afzetten tegen de normen en waarden waarvan wij op zulke  goede gronden niet willen weten.

  1. Participatie van alle Amsterdammers stimuleren en negatieve beeldvorming en uitsluiting actief bestrijden;

Hier duikt het taboe weer op dat wij niet zouden mogen zeggen dat er een overmaat aan criminaliteit voorkomt in wijken met een overmaat aan Marokkanen. Dat is wat er bedoeld wordt met negatieve beeldvorming. Als Koerden vaker eerwraak plegen dan Marokkanen en als dat delict bij Nederlanders niet voorkomt, waarom zou dat verborgen moeten blijven? Versluierend taalgebruik en struisvogelpolitiek heeft ons in de problemen gebracht. Paul Scheffer heeft dat in alle duidelijkheid uiteengezet. Punt één in een effectief beleid zou moeten zijn daar afscheid van te nemen.

  1. Een brede maatschappelijke coalitie in beweging zetten die zich richt op het positief benutten van de Amsterdamse diversiteit.

Het positief benutten van diversiteit, daar is iedereen waarschijnlijk voor. Maar wat verstaan we daar onder? Ik zelf zou daar onder verstaan een samenleving waar men aan elkaars diversiteit en verschillende inbreng genoegen beleeft. Daarvoor is het om te beginnen nodig dat men met zijn stadsgenoten wil samenleven en een terugtrekking in getto’s van de hand wijst. Daarvoor is het gebruik nodig van een gemeenschappelijke taal. En daarvoor is tenslotte nodig een gemeenschappelijk systeem van normen en waarden, waarbij  de bergrede en de parabels uit het nieuwe testament een beter uitgangspunt zijn dan de koran en de hadith. Anders dan veel Nederlanders denken liggen die twee uitgangspunten ook weer niet zover uit elkaar dat ze onoverbrugbaar zouden zijn.

Als we het erover eens kunnen worden dat we van criminogene subculturen afmoeten en dat alle hier permanent verblijvende  vreemden horen te integreren of te verdwijnen, dan kunnen we praten. Dan kunnen we waarschijnlijk ook met de aanhang van Wilders praten. Maar dat lijkt de meerderheid van de Amsterdamse Raad nu juist niet te willen. Dat zou kunnen samenhangen met het feit dat de huidige Raad maar door een minderheid van de Amsterdamse bevolking is gekozen en het College daarom een minderheid van een minderheid vertegenwoordigt. Mensen stemmen niet meer in Amsterdam omdat de geschiedenis leert dat het niet blijkt te helpen op wie zij stemmen. Bij de komende raadsverkiezingen komt er een partij met als lijsttrekker Ma Flodder, die tot enige programmapunt lijkt te hebben het afwijzen van de huidige raad en haar beleid. Ik ben benieuwd.

Deze doelstellingen zijn in het Werkplan Diversiteit 2003 door ons College herbevestigd. Afgesproken is dat de vier doelstellingen van het diversiteitbeleid worden gecontinueerd.

In de komende periode zal de wethouder Diversiteit het gesprek met de stad over de toekomst van de stad bovendien voortzetten aan de hand van 7 dilemmas die verband houden met de diverse stad.

3.3 Integratie

Integratie is een veel gebezigd, maar niet altijd eenduidig gebruikt, begrip.

Volgens de definitie in de Grote Van Dale is integratie: “het maken tot of opnemen tot een geheel”. Integreren is: ” tot een geheel, een eenheid worden”.

In de sociologische literatuur wordt er onderscheid gemaakt tussen structurele integratie en sociaal culturele integratie. Structurele integratie wordt dan gedefinieerd als volwaardige deelname aan de maatschappelijke instituties. Sociaal-culturele integratie heeft betrekking op de aard en de mate van contacten tussen de leden en organisaties van minderheden met de leden en organisaties van anderen in de hen omringende samenleving.

 

Onder maatschappelijke instituties wordt hier kennelijk verstaan de instituten die door de lokale overheid worden gerund of gesubsidieerd. Maar echt deel maakt men van een samenleving uit wanneer men een aandeel heeft in de instandhouding ervan. Dat is in de eerste plaats door te werken. Wanneer men in Nederland net als in Amerika immigranten pas een uitkering geeft als  zij eerst geïntegreerd zijn en zo met hun werkzaamheden de uitkeringen aan anderen hebben  helpen financieren, dan zou daar een grote stimulans tot integratie van uitgaan en een rem op immigratie. En dan het beroep dat in de notitie gedaan wordt op de sociologische wetenschap. Om met een lid van dit kabinet te spreken:

Noem mij drie echte  maatschappelijke problemen, die met behulp van de sociologische wetenschap zijn opgelost. Nee? Twee dan. Ook niet? Noem dan tenminste één probleem, hier of ergens anders in Europa, of in Amerika, of waar dan ook op de wereld, waar met toepassing van sociologische kennis een oplossing voor gevonden is.

In het dagelijkse spraakgebruik heeft integratie c.q. integreren vaak de betekenis van “aanpassen” of “assimileren” en dan meestal in de zin van “zij moeten doen zoals wij doen”. Voor anderen is integreren hetzelfde als “inburgeren”. In de notitie “Integreren in Amsterdam” van de PvdA betekent integratie “meedoen” oftewel participeren aan de stedelijke samenleving. In de nota “De andere aanpak” van het wetenschappelijk instituut voor het CDA heeft integratie de betekenis van “betrokkenheid” bij de samenleving.

Voor gewone mensen kan het probleem waar we mee zitten worden gedefinieerd als het bestaan van twee samenlevingen naast elkaar en waar die samenlevingen elkaar raken, op straat bijvoorbeeld en in de scholen, daar is het oorlog. Bij volwassenen beperkt zich dat meestal tot boze blikken en elkaar de rug toekeren en bij jongeren worden er bij de allochtone groep de messen getrokken. Integratie zou het zijn als de twee samenlevingen zouden versmelten. Individuele aanpassingen, zoals Nederlandse vrouwen die een boerka gaan dragen als ze met een Moslim zijn getrouwd of een Marokkaanse die omroepster wordt en zich als Nederlandse gedraagt, dat verandert niets aan de twee tegenover elkaar staande samenlevingen. Wanneer iemand de weg oversteekt en op de andere stoep gaat lopen, dan komen daarmee de twee trottoirs niet bij elkaar.

Wie over integratie en integreren spreekt, spreekt echter niet alleen over degene die of hetgeen dat moet integreren, maar ook tegelijkertijd over het geheel waarin dat moet gebeuren. Een integratiebeleid heeft idealiter oog voor beide kanten van de medaille. Integratie(beleid) in Amsterdam heeft dus zowel oog voor degene die moet integreren, degene die deel moet (gaan) uitmaken van het geheel, en dat is dus in principe iedere (toekomstige) Amsterdammer, als voor het geheel zelf, de Amsterdamse samenleving.

De grondfout die in deze analyse  gemaakt wordt is dat er een Amsterdamse gemeenschap zou zijn los van de autochtone, de allochtone Bijlmer en de moslimgemeenschappen.

Volledige integratie in een vreemde cultuur is heel moeilijk. Dat zegt Nobelprijswinnaar Naipaul en dat weet eigenlijk ook iedereen. Het heeft de Nederlandse samenleving vele jaren gekost om verschillende groepen als de “kleine luyden” van Abraham Kuijper, de arbeiders, de katholieken, de vrouwen en de homoseksuelen in de samenleving te laten integreren. Daaraan is vaak een emancipatiebeweging en een daarmee gepaarde emancipatiestrijd voorafgegaan.

Emanciperen is niet hetzelfde als integreren. Wie emancipeert wil op voet van gelijkheid deel uit gaan maken van een bestaande samenleving, waarin hij tot dan toe een inferieure plaats bekleedt. Dat is een kwestie van het wegnemen van discriminatoire hinderpalen en de wil van de onderdrukten om hun plaats te veroveren. Een droom is daar voor genoeg aan de ene kant en een geweten aan de andere. Integratie van twee samenlevingen is een heel ander proces, waarvan niemand de contouren kent. De geschiedenis geeft weinig voorbeelden van een geslaagde assimilatie van twee culturen zonder dat een van de twee haar eigenheid opgeeft.

En in ieder geval: het gaat niet vanzelf. Integratie doet pijn. De psychische prijs die een individu betaalt om zich aan te passen aan normen die niet de zijne of hare zijn, om erbij te horen en mee te doen, is groot.

Merkwaardig genoeg blijkt dat vaak niet zo te zijn. Wie eenmaal andere normen aanvaardt lijkt dat als het ware te doen met terugwerkende kracht. In de zestiger jaren stortten in een paar jaar tijd het Rijke Roomse Leven en de Gemeenschap der Mannenbroeders in. De leden van die zuilen emancipeerden in de bestaande humanistische samenleving en trokken hun oude normen en waarden uit als een jas.

Bovendien: hoe men ook zijn best doet, in de ogen van de “insider” blijft men vaak toch een buitenstaander. Slagen in het maatschappelijke, sociale, en economische leven is geen garantie voor integratie en acceptatie. Extreem voorbeeld hiervan is de geschiedenis van de joden in Europa; maar zie ook de geschiedenis van de zwarten in Amerika.

Die twee histories zijn onvergelijkbaar. De Joden zijn als geheel in de samenleving geëmancipeerd, met uitzondering van enkele orthodoxe groepen. Van de zwarten in Amerika steekt  alleen een aantal individuen de straat over. Joodse getto’s waren door niet-Joden verordonneerd, maar zwarten hoeven van niemand in  getto’s te leven, het gebeurt alleen. Alles wat behulp van de beste sociologische deskundigen is gedaan om dat probleem op te lossen is mislukt.

Dit alles overwegende kiest het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam daarom voor een brede definitie van integratie. Integratie heeft voor ons College de betekenis van: meedoen en erbij horen. Daarmee is integratie een begrip dat zich in principe richt tot alleAmsterdammers en niet uitsluitend tot de allochtone nieuwkomers en oudkomers die in de samenleving moeten inburgeren.

Integreren waarin?

Ons College hanteert bij integratie het beeld van de snelweg. Op de snelweg gelden regels waaraan iedereen zich houden moet zoals bijvoorbeeld: de maximumsnelheid, de manier waarop wordt ingehaald, stilstaan is verboden etc. Regels zijn er ook om op de snelweg te mogen komen; je moet in ieder geval over een auto en een rijbewijs beschikken ook deze regels gelden voor allen die zich op de snelweg begeven. Behalve regels, is periodiek (groot) onderhoud een voorwaarde voor een goed functioneren van de snelweg: gaten in de snelweg moeten snel en goed worden opgevuld.

Het is juist om de samenleving (de snelweg) te onderscheiden van de individuen die er deel van uitmaken ( de auto’s die er op rijden). Maar daar houdt het beeld op. Wat het Amsterdamse College lijkt te bereiken is niet dat er door de Moslims ingevoegd wordt maar dat zij op een parallelweg  blijven rijden. Die parallelweg zijn de eigen wijken waar de bussen niet meer komen en de ambulances weigeren mensen bij te staan. Het zijn de zwarte scholen en de moskeeën waar in het Vrijdaggebed wordt afgegeven op de gevaren van de autoweg.

Op de snelweg rijden voertuigen die enorm van elkaar kunnen verschillen: in grootte, kleur en aantal passagiers. Ook hun gedrag op de snelweg is niet hetzelfde. Ze rijden bijvoorbeeld niet allemaal even snel: de ene rijdt langzamer of sneller dan de ander, de ene haalt de ander in, de ander blijft op zijn rijbaan en rijdt achter een ander aan. Samen rijden alle voertuigen echter over dezelfde snelweg en voegen zij zich naar de regels van de snelweg en naar elkaar. Wie dat niet doet, komt in botsing met een ander dat kan het hele verkeer op de snelweg ontregelen. Dit geldt in het bijzonder als er vanuit een oprit extra verkeer op de snelweg komt invoegen en laten invoegen is dan het parool om ongelukken te voorkomen.

De snelweg, dat is de Amsterdamse samenleving. De voertuigen in al hun diversiteit, dat zijn onze Amsterdamse burgers. Het verkeer vanuit de oprit, dat zijn de nieuwkomers.

3.4 Inburgering

Inburgering wordt vaak gelijk gesteld aan integratie. Hoewel er tussen de twee begrippen wel degelijk een relatie is, gaat het om twee verschillende zaken. Wat is de relatie tussen inburgering en integratie?

Integratie definieerden we hierboven als erbij horen en meedoen.

Inburgering is een (scholing)instrument, van overheidswege aangeboden, met als doel het bevorderen van taalvaardigheid, sociale mobiliteit en uiteindelijk volwaardig burgerschap aan allochtone nieuwkomers en sinds enige jaren ook aan oudkomers in de samenleving. Inburgering staat ten dienste van integratie, en kan worden gezien als het voorportaal van integratie.

Daarmee is niet gezegd dat degene die een inburgeringcursus gevolgd heeft, geïntegreerd is. Vaak is het veeleer het begin van een lang proces; veel mensen beheersen de Nederlandse taal na een inburgeringcursus nog te weinig om bevredigend te participeren in de samenleving. Een succesvolle inburgering kan wel een belangrijke bijdrage leveren aan het integratieproces.

Het is opvallend hoe snel Latino’s in het Zuiden en Westen van de VS inburgeren zonder dat daar van overheidswege veel moeite voor wordt gedaan en aan de andere kant hoe slecht de gettobewoners in het Noorden dat doen. Toch wonen hun zwarte voorouders al eeuwen in Amerika en wordt hun al decennia lang maatschappelijke hulp geboden. Er is geen positief verband aan te tonen tussen integratie en sociologisch beleid of tussen sociologisch beleid en maatschappelijke verbeteringen van welke aard dan ook.

Onderzoek wijst uit dat de wijze waarop inburgering in Amsterdam plaatsvindt voor verbetering vatbaar is. Het kan kwalitatief en kwantitatief beter. Veel mensen maken de wettelijk voorgeschreven 600 uur niet vol, veel vrouwen haken vroegtijdig af, begeleiding laat te wensen over en gebrek aan kinderopvang is een struikelblok. Afgezien van de diverse organisatorische knelpunten, lijkt nodig. Bovendien, zo blijkt uit onderzoek, worden mensen die wel succesvol een inburgeringcursus doorlopen, nauwelijks begeleid bij verdere oriëntatie op onderwijs en arbeid. Ons College komt zeer binnenkort apart op dit onderwerp terug.

Een voorspelling lijkt gewettigd, n.l.  dat een meer vraaggerichte benadering, waarin aansluiting gezocht wordt bij de wensen, ambities, capaciteiten en persoonlijke omstandigheden van oud- en nieuwkomers, geen resultaten zal opleveren. Dat heeft die benadering in het verleden ook niet gedaan

3.5 Taak van de overheid en haar relatie tot de burgers

Bij een korte beschouwing over migratie, diversiteit, integratie en inburgering hoort de vraag naar de taak van de overheid in relatie tot haar wel zeer diverse burgers.

De overheid heeft geen burgers. Een land en een stad hebben burgers. Die burgers hebben een overheid, die er is om te doen wat de samenleving nodig heeft en van haar vraagt. Of een overheid daarin slaagt behoort men af te af te meten aan de resultaten. Die resultaten zijn in Amsterdam niet goed.

17:40 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

gemeentebeleid III

Over die rol is veel discussie en onduidelijkheid. In traditionele immigratielanden, waar de bevolking zeer divers is, wordt door de overheid veel aandacht besteed aan samenbindende elementen als de taal, de geschiedenis, de constitutie en de instituties van het land. In Nederland is de belangstelling voor dit soort zaken juist verminderd, op hetzelfde moment dat Nederland de facto een immigratieland werd.

De constitutie is in Nederland geen bindend element omdat niemand de burgers gevraagd heeft wat zij vinden dat er in moet staan. Misschien is dat maar goed ook. Als men het de burgers vragen zou, was de overheid waarschijnlijk niet bereid de wensen van de burgers te honoreren. Toen  in Amsterdam een referendum werd  ingevoerd en men de burgers vroeg zich via dat instrument uit te spreken over de wenselijkheid van deelraden, toen antwoordde een grote meerderheid van degenen die gingen stemmen: deelraden, dat is een slecht  idee. De opkomst voor het referendum was groter dan bij de gemeenteraadsverkiezingen die eraan voorafgingen. De reactie van deze gemeenteraad ( niet van de burgemeester, die was net zo tegen deelraden als de burgers van de stad) op de hem onwelgevallige uitslag was: we voeren deelraden in, wat de mensen ook zeggen. De politieke partijen hebben het nodig voor de politieke scholing van hun leden en wellicht ook vanwege de betaalde banen die het oplevert.

Met de discussie over integratie gaat het op een zelfde manier. De politieke partijen vertegenwoordigen de bevolking niet. Als mensen stemmen doen ze dat met een soort balorigheid. Ze stemmen  massaal op een Tegenpartij, die zich maar in weinig onderscheidt van die van Jacobse en Van Es uit de tijd van Koot en Bie.

Ons College ziet het dan ook als een eerste stap in het creëren van samenhang tussen de zeer diverse inwoners van Amsterdam, het formuleren van algemene uitgangspunten voor de taak van de overheid en haar relatie tot de burgers. Deze algemene uitgangspunten gelden voor alle Amsterdammers en vormen tevens het kader waarbinnen de discussie over integratie en het vormgeven van een integratiebeleid van de gemeente Amsterdam kan plaatsvinden. Vanuit het beeld van de snelweg en de vier eerder genoemde uitgangspunten, is ons College van oordeel dat de volgende onderwerpen wezenlijk zijn voor de rol van de overheid en haar relatie tot de burgers.

De gedachte dat het College de samenhang gaat creëren in Amsterdam is een uitvloeisel van de oude socialistische gedachte van een maakbare samenleving, die van bovenaf kan worden opgelegd. Het is in de DDR niet gelukt en het zal in Amsterdam niet lukken.

  • Regels

  Rechtstaat

  Eigen verantwoordelijkheid

  Burgerschap

  Optredende overheid

Deze onderwerpen werken wij in de volgende paragraaf uit.

  1. Taken van de overheid met betrekking tot integratie

4.1 Rechtstaat

Nederland is een democratische rechtstaat. Dat betekent dat, op democratische wijze tot stand gekomen, wetten en regels het fundament van onze maatschappelijke ordening vormen. Deze wetten en regels gelden voor alle burgers in Nederland, zonder aanzien des persoon. Het optreden van de overheid is in een rechtstaat ook aan regels gebonden. En artikel 1 van de Grondwet verbiedt de discriminatie van eenieder die zich in Nederland bevindt op basis van huidskleur, ras, geloof, levensovertuiging, seksuele voorkeur of op welke grond dan ook.

De grondwet (zie ook de tekstdelen hieronder) bevat bepalingen die de organisatie van de overheid betreffen en daarnaast een opsomming van de mensenrechten, die de overheid tegenover de burgers in acht moet nemen en tenslotte bepalingen over haar eigen wijziging. De grondrechten gelden alleen maar in zoverre ze niet in strijd komen met de verdragen die er over het onderwerp mensenrechten bestaan. Haalt men de grondrechten uit de tekst dan maakt dat voor hun geldigheid geen verschil. In wezen zouden de organisatorische bepalingen net zo goed bij gewone wet kunnen worden geregeld en kan de hele grondwet afgeschaft. Dat zou anders zijn als de grondwet bij referendum zou worden vastgesteld. Dan zou zij een vorm van legitimatie van het regime betekenen. De huidige grondwet is te oud om haar nog als legitimatie te beschouwen. De instemming van het volk met de tekst is voor het laatst gevraagd bij de oprichting van het koninkrijk, twee honderd jaar geleden. Sindsdien is zij uitsluitend gewijzigd door de organen van het regime dat aan die wet zijn legitimiteit ontleent. Een baron von Münchhausen act.

Deze beginselen van onze rechtstaat zijn voor ons College uitgangspunt en tegelijkertijd startpunt van integratie. Wie deze beginselen verwerpt zal niet of moeilijk in Nederland kunnen integreren.

Niet integreren misschien, maar wel wonen en leven en inkomen verwerven. Dat niet integreren is sanctieloos en dat is iets anders dan de gemeente hier suggereert.

Onze rechtstaat steunt op de waarden vrijheid, gelijkheid en vertrouwen. Binnen de rechtstaat neemt de Grondwet een belangrijke positie in. De Grondwet regelt een aantal fundamentele rechten waarop burgers in Nederland aanspraak mogen maken, met in achtneming van de grenzen die de wet daaraan stelt.

Dat is dus niet waar. Die rechten worden niet ontleend aan de grondwet. Het zijn de verdragen die ze regelen en dat betekent dat de Nederlandse wetgever het niet zelf in de hand heeft. Van de grondwet kan de wetgever desgewenst bij gewone wet weer afwijken, maar van verdragen niet. Dat is overigens een ongewenste stand van zaken. De grondwet zou altijd horen te gelden en voorrang horen te krijgen op andere wetten, inclusief de wetten waarbij verdragen worden geratificeerd, maar dat is niet zo.

De klassieke grondrechten: vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van onderwijs, vrijheid van vereniging en vergadering, gekoppeld aan het verbod op discriminatie van Artikel 1 van de Grondwet gecombineerd met de sociale grondrechten recht op zorg, op onderwijs, op wonen bieden samen de basis voor een maatschappij waarin individuen zich kunnen ontplooien en diverse groeperingen daadwerkelijk kunnen samenleven.

De vorige volzin is een mantra, geen beleidsprogramma. De grondrechten, sociale en andere, bieden niet de basis…. etc. Dat doen de  mensen die bereid zijn met elkaar samen te werken en elkaar en de wet te respecteren..

Deze basiswaarden van onze rechtstaat stellen iedereen in staat in vrijheid zijn eigen identiteit te ontplooien, zijn religie of levensovertuiging te beleven en uit te oefenen en van zijn cultuur te genieten.

De waarden van de Grondwet zijn dwingend: zowel voor de burgers, als voor de overheid. Dat is een kwestie van rechten en plichten; zowel voor de burgers als voor de overheid.

Burgers mogen aanspraak maken op de daarin verwoorde fundamentele rechten; maar zij moeten zich ook houden aan de grenzen die de wet stelt aan de uitoefening van die rechten. Voor de overheid geldt dat ze enerzijds de uitoefening van de fundamentele rechten van de burgers binnen de grenzen van de wet moet faciliteren, en anderzijds moet optreden tegen overtredingen van de grenzen die de wet stelt aan de uitoefening van fundamentele rechten.

De waarden van de Grondwet en de uitoefening van de daarin verwoorde grondrechten, zijn in principe geschreven voor de verhouding tussen de burgers en de overheid, en niet voor die tussen burgers onderling. De waarden van onze rechtstaat (vrijheid, gelijkheid en vertrouwen) veronderstellen in de verhouding tussen burgers onderling echter een houding van wederzijds respect en tolerantie, ook als er sprake is van grote onderlinge verschillen. Men kan immers niet voor zichzelf een recht opeisen (bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst) en een ander binnen dezelfde samenleving en dezelfde rechtsorde datzelfde grondrecht ontzeggen.

Wie zelf  in het bezit is van de waarheid, zoals een humanist als onze burgemeester of een Islamiet als de imam Khomeini r.i.p., die ontzegt een ander per definitie het recht op de waarheid. Een humanist zal een ander het recht ontzeggen om voor de doodstraf te pleiten en een Islamiet zal de uitspraak dat zijn Allah een verzinsel is met geweld beantwoorden. Geloof houdt nu eenmaal de ontkenning in van andere geloven. Men kan dus alleen in onze samenleving op voet van gelijkheid met anderen omgaan als men bereid is de relativiteit van de eigen geloofswaarheid te aanvaarden. Het zijn niet alleen de Islamieten die daar moeite me hebben, de humanisten hebben dat evenzeer. Het gaat in wezen niet zozeer om de rechten die over en weer worden opgeëist, maar om wat men meent te mogen doen om de eigen rechten te handhaven. Wat dat betreft heb ik trouwens liever onze burgemeester dan een imam. Wie meent voor zijn geloof geweld te kunnen aanwenden en dus het geweldsmonopolie van de overheid niet aanvaardt, die plaatst zich buiten onze samenleving en hoort met het strafrecht in aanraking te komen. Dat hoort niet alleen te gelden voor de individuen die de wet overtreden maar ook voor de leer die geweld tolereert en voor de leraren die tot geweld oproepen.

Met het benoemen van de grondbeginselen van de rechtstaat zijn we er echter niet: dan staat alleen het kader op papier dat in de werkelijkheid gestalte moet krijgen.

Een goed functionerende rechtstaat heeft (net als een snelweg!) voortdurend onderhoud nodig en veronderstelt investeringen in mensen en instituties.

Het vergt investeringen in:

  kennis en overdracht van de normen en waarden die de rechtstaat schragen;

  het stimuleren van de democratische gezindte van burgers en overheid;

  maatschappelijke en overheidsinstituties die de principes van de rechtstaat overeind houden.

De rijksoverheid, maar ook de gemeentelijke overheid, hebben hierbij een taak.

 

Het gaat er niet om dat de neo-Nederlanders de normen en waarden niet zouden kennen die de rechtstaat schragen. Het probleem is dat zij die niet aanvaarden, althans dat zij democratie en rechtstaat achter stellen bij de normen en waarden die zij van huis hebben meegekregen. Een democratische gezindheid is hun vreemd en staat hun tegen. Dat hun eigen rechten achter zouden kunnen staan bij de rechten van anderen vinden zij onaanvaardbaar, daar zijn het immers rechten voor. De maatschappelijke instituties van dit land zijn de hunne niet. Dat zij om die reden hier niet zouden moeten wonene is een consequentie die zij niet wensen te trekken. Begrijpelijk want daar zijn grote materiële nadelen aan verbonden.

4.2 Regels

Regels zijn er in verschillende vormen en gedaanten.

De democratisch (in het Parlement, de gemeenteraad of Provinciale Staten) tot stand gekomen wetten en regels zijn in onze rechtstaat het fundament van onze maatschappelijke ordening. Dat regels democratisch tot stand zijn gekomen, wil nog niet zeggen dat iedereen het ermee eens is. Wat wenselijk is of niet wordt in een democratie altijd verschillend beoordeeld. Democratie is wel een goede methode gebleken om tot resultaat te komen, maar dan zijn er gemeenschappelijke spelregels nodig, die voor iedereen gelden en die ook worden gehandhaafd. Dat schept de zekerheid en het vertrouwen die in een rechtstaat onontbeerlijk zijn.

Wat de schrijver hier wil zeggen is dat democratie niet betekent dat iedereen het overal mee eens moet wezen maar wel dat iedereen zich houdt aan de spelregels die met meerderheid van stemmen zijn afgesproken. Hij had er aan toe kunnen voegen dat het ook democratisch is als de meerderheid bij het maken van de regels rekening houdt met de rechtmatige belangen van minderheden. Ook de dictatuur van de meerderheid blijft een dictatuur. Er zijn voorbeelden uit onze parlementaire geschiedenis waar meerderheden gebogen hebben voor minderheden als die hun opvattingen met voldoende moreel gezag verdedigden.

Is er een regel die voor sommigen onaanvaardbaar is, dan zijn er dus democratische manieren om haar gewijzigd te krijgen, maar daartoe hoort niet het gebruik van geweld.

Een andere vorm van regels, zijn de regels die door particuliere en maatschappelijke instellingen (zoals ondernemingen, scholen, zwembaden, bioscopen) worden gemaakt om hun interne functioneren te waarborgen.

Het principe is dat particuliere en maatschappelijke instellingen gerechtigd zijn om binnen de grenzen van de wet naar eigen inzicht regels te stellen en die ook binnen hun domein te handhaven. Een school (zoals bijvoorbeeld het ROC) heeft dus het recht om regels uit te vaardigen voor het goede functioneren van de school – en dus ook om regels uit te vaardigen over de gepaste kleding op school.

Een kenmerk van regels is dat ze binnen het domein waarvoor ze zijn vastgesteld algemeen bindend zijn.

Het zou gemakkelijk zijn als algemeen het principe zou worden aanvaard dat binnen een organisatie waar niemand verplicht is lid van te worden de regels zouden gelden die de organisatie stelt. Dat is niet zo in Nederland. Er zijn regels die beogen de orde te handhaven op voor het publiek toegankelijke plaatsen die als discriminatoir worden ervaren voor wie met de orde daar niets op heeft . De wet zegt over discriminatie het volgende:

Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt tenietgedaan of aangetast

Wat dit betekent wordt in Nederland niet alleen door de strafrechter bepaald maar ook door de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). De ervaring leert dat de meest verrassende uitspraken en handelingen discriminatoir kunnen zijn, mits neo-Nederlanders zich er het slachtoffer van voelen. De uitspraak “Nederland is vol” was discriminatoir volgens de rechter in Zwolle en Arnhem, dus een aantasting van fundamentele rechten. Het weigeren om te bezorgen of te repareren in buurten waar de personen en eigendommen van de bezorgers niet veilig zijn was discriminatoir volgens de CGB. De weigering van een busonderneming om te stoppen in een wijk in Gouda zal om dezelfde reden discriminatoir worden verklaard door de CBG, wanneer de neo-Nederlandse bewoners van die wijk daarom vragen. De discriminatiebepalingen in de verdragen en de strafwet zijn een grote en onoverzichtelijke beperking  op het beginsel dat regels bindend zijn voor het eigen domein waarbinnen  ze zijn vastgesteld. De omstandigheid dat discriminatie uitsluitend plaats kan vinden jegens lieden die vanwege hun afkomstrasgeboortelandgeloofpolitieke of religieuze overtuigingen, socialegewoonten, sekseseksuele geaardheidtaalhandicap, of  leeftijd (zie voor de betekenis van al deze termen Wikipedia) zich van de dominante groepering binnen de bevolking onderscheiden,  brengt mee dat gemaltraiteerde buschauffeurs of ambulancepersoneel zich in grote meerderheid op deze rechtsbescherming niet kunnen beroepen. Integriteit van de persoon zowel in fysieke als in morele zin is toch wel degelijk een mensenrecht van buschauffeurs en ambulance personeel. Dat de heersende interpretatie van de antidiscriminatie bepalingen in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel is moeilijk te ontkennen. Dat ontkennen gebeurt niettemin  door degenen die de wetgeving en jurisprudentie verdedigen met het beginsel van de compensatoire neutraliteit. Van echte gelijkheid, zeggen zij, is pas sprake nadat achterstanden zijn weggewerkt en voor die compensatie is de overheid verantwoordelijk. Zolang zijn sommigen daarom meer gelijk dan anderen.

Daarmee vormen ze een kader voor de integratie van alle groepen en individuen in de samenleving. In een samenleving als de Amsterdamse waarin vele culturen en ruim 170 nationaliteiten samenleven, scheppen wetten en regels idealiter het kader en de ruimte waarbinnen burgers zichzelf in vrijheid kunnen ontplooien en de ander in vrijheid en vertrouwen tegemoet kunnen treden. Wetten en regels scheppen ook duidelijkheid over wat kan en wat niet kan, en zijn daarom heel belangrijk voor de inburgering van nieuwkomers. Het is daarom van belang dat wetten en regels door de burgers worden gekend en nagekomen en door de overheid zonder onderscheid des persoon worden gehandhaafd.

De regel dat eenieder geacht wordt de wet te kennen is in de tegenwoordige tijd een gotspe. Het aantal regels is te groot en hun onderlinge samenhang, voor zover aanwezig, is zo complex dat niemand het geheel meer overziet, laat staan kent in de details.

Het adagium heeft trouwens nooit iets anders betekent dan dat niemand zich in rechte met succes beroepen kan op zijn onwetendheid. Toch zou de wetgever er naar moeten streven de wetten zo te schrijven dat ze voor ieder begrijpelijk zijn.  En er zou systeem in horen te zitten, zodat iedereen in grote trekken weten kon wat geldend recht was. Dat is niet zo. Wetten scheppen geen duidelijkheid en al helemaal niet als ze, zoals hier in Amsterdam,  soms wel en soms niet worden gehandhaafd of tegen de een wel en tegen de ander niet.

Het nakomen en handhaven van wetten en regels is in de huidige Nederlandse en Amsterdamse samenleving echter vaak een probleem. Niet alleen houden veel mensen zich niet aan de regels, er is ook sprake van een bestuurlijk en strafrechtelijk tekort aan handhaving van regels. Dit ondermijnt het zelfvertrouwen van de overheid, het vertrouwen van burgers in de overheid en het vertrouwen van burgers onderling. Dat is overal merkbaar, maar dit probleem is het meest zichtbaar in de (semi) publieke ruimte: bijvoorbeeld op straat, in het verkeer, in zwembaden, in de bioscoop. Het niet naleven c.q. handhaven van wetten en regels belemmert de integratie van alle Amsterdammers. We moeten daarom proberen het tij te keren.

Zolang de overheid impliciet het standpunt huldigt dat de handhaving van de wet een discriminatie betekent van etnische minderheden wanneer  die minderheden meer wetsovertredingen plegen dan het gemiddelde van de bevolking, zal er een gedoogbeleid blijven, dat is onvermijdelijk. Terecht wordt hier opgemerkt dat dit de integratie ondermijnt maar ten onrechte werpt de overheid zich daarbij op als lijdend voorwerp. Gedogen is een vorm van rechtsweigering. Ook het niet criminele deel van de allochtonen heeft er recht op dat criminele allochtonen strenger worden aangepakt. Een overheid die dat weigert te doen en zich daarbij op compensatoire neutraliteit of achter discriminatiebepalingen verschuilt, schiet in haar primaire plichten te kort.

Daartoe moet enerzijds in het woud van regels worden gekapt (door de bomen ziet niemand nog het bos) en moeten de overgebleven regels:

  Duidelijk en helder zijn;

  goed bekend worden gemaakt;

  zo nodig opnieuw worden verduidelijkt en toegelicht;

  door toezichthouders worden gehandhaafd.

Bij al deze zaken heeft de overheid een taak. Van de burgers mag worden verwacht dat ze zich aan de regels houden.

Het merendeel van de burgers houdt zich aan de regels zo lang anderen dat ook doen. Worden regels niet gehandhaafd of tegen de een wel en de ander niet, dan verliezen zij op den duur hun werkzaamheid en hun betekenis.

4.3 Eigen Verantwoordelijkheid

Grondbeginsel voor integratie is de eigen verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid impliceert enerzijds vrijheid om keuzes te maken, anderzijds gebondenheid aan de gevolgen van gemaakte keuzes. Het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid richt zich tot zowel de burger als de overheid. Het domein van de eigen verantwoordelijkheid van de burger en die van de overheid verschillen in principe echter van elkaar en zijn in principe van elkaar gescheiden.

4.3.1. Domein van de eigen verantwoordelijkheid van de burger

Tot het domein van de eigen verantwoordelijkheid van de burger horen die zaken die te maken hebben met het uitoefenen van zijn/ haar grondrechten zoals die in de Grondwet zijn neergelegd. Deze grondrechten zijn, zoals boven is uiteengezet, door de wet begrensd. In het verlengde hiervan zijn ook het vormen en beleven van de eigen religieuze, levensbeschouwelijke, culturele of seksuele identiteit zaken die tot het domein van de persoonlijke levenssfeer van de burger behoren. De overheid gaat daar inhoudelijk niet over, maar moet de eigen identiteit van burgers wel respecteren.

Wat de schrijver van de notitie hier zegt is dat de rechten van de burger beperkt worden door de rechten van anderen en de bepalingen van de wet. Wat iemand gelooft of hoe hij zich zelf wil presenteren moet hij zelf weten. De overheid en andere burgers horen hem daarin vrij te laten. Worden burgers in hun morele gevoelens geschokt door de vrijheid van anderen dan houdt de taak van de overheid in dat de ene burger tegen het geweld van de andere wordt beschermd

17:39 | Reactie toevoegen | Permalink | In weblog opnemen | overheid

gemeente beleid IV

De burger is zelf verantwoordelijk voor al die zaken die ertoe bijdragen dat hij kan integreren, dus meedoen en erbij horen, in de Amsterdamse samenleving. Dat betekent dat de burger in principe zelf verantwoordelijk is voor zaken als: het spreken van de Nederlandse taal, het voorzien in het eigen levensonderhoud, het volgen van onderwijs, het regelen van huisvesting, het opvoeden van zijn kinderen, het op de hoogte zijn van zaken die van belang zijn voor zijn functioneren in de Nederlandse c.q. Amsterdamse samenleving en het zich houden aan de Nederlandse wet en aan de regels die gelden in het maatschappelijk verkeer.

Het is zeker juist dat de overheid op deze terreinen alleen een taak heeft als de burger er blijk van gegeven heeft niet voort zich zelf te kunnen zorgen en daarnaast ook als hij anderen overlast bezorgd. In de praktijk bemoeit de overheid zich op grote schaal ook met mensen die dat helemaal niet nodig hebben en prima voor zich zelf zouden kunnen zorgen.

De overheid kan op basis van de principes van de verzorgingsstaat de eigen verantwoordelijkheid van de burger voor deze zaken alleen (gedeeltelijk) overnemen, wanneer duidelijk is dat de burger zijn eigen verantwoordelijkheid niet kan waar maken.

4.3.2 Domein van de eigen verantwoordelijkheid van de overheid

De eigen verantwoordelijkheid van de overheid begint daar waar die van de individuele burger eindigt en is tegelijkertijd meer dan de som van alle verantwoordelijkheden van individuele burgers tezamen.
Gelukkig is dat laatste niet waar, maar misschien is het ook wel niet zo bedoeld als het er staat. Als de verantwoordelijkheid van de overheid groter zou zijn dan die van alle burgers bij elkaar, dan leefden we hier niet meer in een vrij land maar in de DDR en iedereen weet waar dat op uitgelopen is.

De eigen verantwoordelijkheid van de overheid is het behartigen van het algemeen belang van de gemeenschap, van Amsterdam. Het behartigen van het algemeen belang door de overheid steunt op drie pijlers:

  1. respect voor de rechten van de individuele burger
  2. behartiging van het sociale welzijn van de burger;
  3. handhaving van de openbare orde en veiligheid.

De interpretatie die de overheid geeft aan het behartigen van het sociale welzijn van de burger gaat ten koste van de rechten van de individuele burger en van de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Niet alleen worden door de uitwassen van de welvaartstaat veel resources onttrokken aan de primaire taken van de overheid, de voorrang die aan het sociale welzijn wordt gegeven belemmert de overheid ook rechtstreeks in die taken. Politie en andere handhavers van het recht komen door een oerwoud aan secundaire regelgeving aan hun primaire taken nauwelijks toe.

Door de eigen verantwoordelijkheid gestalte te geven in het behartigen van het algemeen belang, geeft de overheid de individuele burger de mogelijkheden om zijn eigen verantwoordelijkheden op diverse terreinen te nemen.

Respect voor de rechten van de individuele burger betekent voor de overheid in de eerste plaats respect voor de (uitoefening van) fundamentele grondrechten van het individu. Het veronderstelt ook een overheid die de grenzen, die de wet stelt aan de grondrechten, bewaakt. Respect voor de rechten van de individuele burger impliceert voorts dat de overheid geen inhoudelijke bemoeienis heeft met de vorming van de religieuze, levensbeschouwelijke, culturele of seksuele identiteit van de individuele burger. De overheid draagt binnen de grenzen van de wet wel zorg voor een maatschappelijk klimaat waarin de burger zijn/haar eigen identiteit naar eigen inzicht kan vormgeven en beleven.

Het sociale welzijn van de burger wordt door de overheid gestalte gegeven door het scheppen, faciliteren, onderhouden en algemeen toegankelijk maken van voorzieningen op de terreinen van werk, zorg, wonen, onderwijs, cultuur en informatie.

 

Het is duidelijk dat de overheid faalt waar zij probeert werk te scheppen   (Melkertbanen) of zelfs maar te bemiddelen bij het vinden van werk. De commerciële bemiddelingsorganisaties (uitzendbureaus) werken vele malen efficiënter. De zorg is in het ongerede geraakt en dreigt onbetaalbaar te worden. Het huur en woning beleid van de overheid heeft vele decennia lang voor een tekort aan woningen gezorgd. In Amsterdam zijn het naast de woningbouwcorporaties in hoofdzaak onderwereldfiguren die in de illegaliteit nog geld kunnen verdienen aan het onderhouden  en verhuren van woningen. De fatsoenlijke commerciële exploitanten van huurwoningen zijn in meerderheid door het beleid van de overheid de  stad uit gejaagd. Over het onderwijs heeft de commissie Dijsselbloem al voldoende gezegd. Overheidscommunicaties zijn in het algemeen onleesbaar en over het cultuurbeleid staan de kranten vol en niet in erg lovende bewoordingen.

 

Wanneer blijkt dat de burgers hun eigen verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld op de terreinen van het levensonderhoud, de zorg voor zichzelf, de opvoeding van de kinderen) niet kunnen waarmaken dan wordt het tot de verantwoordelijkheid van de overheid gerekend om hiervoor voorzieningen te treffen.

Dat de overheid opkomt voor mensen die niet voor zich zelf kunnen zorgen heeft de goedkeuring van de meerderheid van de bevolking. Maar de overheid zou moeten begrijpen dat de wetgeving die dat mogelijk maakt ook een aantrekkingskracht uitoefent op anderen dan de onmiddellijke doelgroep. Mensen die elders gebrek leiden komen mede om die wetgeving naar Nederland en in Nederland worden mensen die heel goed voor zich zelf zouden kunnen zorgen erdoor verleid om te kiezen voor een arbeidsloos inkomen. Om die effecten uit te sluiten zou een zekere vorm van discriminatie noodzakelijk zijn en de discussie daarover zou gevoerd moeten kunnen worden zonder bij voorbaat op taboes te stuiten.

Behoudens het principe van non-discriminatie bij het toegankelijk maken van voorzieningen, zijn de wijze waarop de overheid aan al deze voorzieningen gestalte geeft, de keuzes die hieraan ten grondslag liggen en de partners met wie wordt samengewerkt, niet eenduidig vast te stellen, maar vormen de inhoud voor het debat tussen politieke partijen.

Stabiliteit en veiligheid zijn voorwaarden voor ontplooiing van het individu en de samenleving. Veiligheid is een bedreigd goed in een samenleving waarin velen zich “vreemd” voelen, waar weinig (nog) als vertrouwd wordt ervaren en de ander vaak als “vreemdeling” wordt gezien. In een dergelijke samenleving is een goed functionerende politie die zaken als jeugdcriminaliteit, agressie en geweld aanpakt en daar helder over communiceert, een voorwaarde voor integratie. De overheid heeft mede daarom de belangrijke taak van de handhaving van de openbare orde en veiligheid, en de bestrijding van de criminaliteit. Deze taakstelling impliceert ook een verantwoordelijkheid voor een goed functioneren van recht en bestuur, en voor andere overheidsinstellingen.

Wat hier staat is allemaal waar, maar het probleem is dat de overheid op alle genoemde punten onderpresteert.

De schrijver van de notitie probeert in de tekstdelen hieronder de zaak om te draaien en stelt de burger in staat van beschuldiging. Uit de onderstaande omschrijving van het ideale burgerschap blijkt dat het de inwoners van Amsterdam zijn die te weinig vertrouwen in elkaar hebben en in hun overheid, het bestuur, in de rechtspraak en in de integriteit van de politiek. Dat wil dus zeggen, kort samengevat, de autochtonen hebben te weinig vertrouwen in de nieuwkomers en in het presteren van hun eigen overheid. Dat is ongetwijfeld juist, maar de autochtonen hebben daar goede redenen voor.

4.4 Burgerschap

Burgerschap is een concept dat te maken heeft met de vraag: ‘ hoe ben/ word ik een volwaardige burger van Nederland (Amsterdam)? Het is een concept dat te maken heeft met vertrouwen en verantwoordelijkheid. Burgerschap is in de kern niets anders dan vertrouwen in elkaar als burgers van dezelfde gemeenschap: dorp, stad of land. Geert Mak zei het eens zo: “vertrouwen, niet alleen in elkaars goede bedoelingen, maar ook in de kwaliteit van bestuur en rechtspraak, in de bekwaamheid en integriteit van politici, in de burgerzin van managers en ondernemers”. In een samenleving waarin velen zich als vreemden tot elkaar verhouden geen sinecure. Vertrouwen veronderstelt een herwaardering van het begrip verantwoordelijkheid. Niet alleen van de eigen verantwoordelijkheid (van burgers en overheid) waarvan in het voorgaande sprake was, maar ook van de verantwoordelijkheid voor het geheel, of dat nu de samenleving is of het bedrijf waarin je werkt, de school waar je kinderen op zitten, of de straat waarin je woont. Vertrouwen en verantwoordelijkheid impliceren dat men over en weer kennis heeft van de normen en waarden van waaruit men zelf en van waaruit de ander handelt.

Dat brengt ons College tot een concretisering van het concept burgerschap, waarin als kenmerken van burgerschap gelden:

  kennis van wetten en regels waarop de normen en waarden van Nederlandse rechtstaat zijn gebaseerd;

  gehoorzaamheid aan wetten en regels;

  eigen verantwoordelijkheid voor eigen welzijn en voor al die zaken die ertoe bijdragen dat hij/zij in Nederland of in Amsterdam kan leven en integreren in de zin van erbij horen en meedoen;

  betalen van belasting;

  betrokkenheid en participatie bij de samenleving (o.a. door uitoefenen van stemrecht);

  respect voor en tolerantie ten aanzien van andere burgers en het kunnen omgaan met verschillen.

Burgerschap is daarmee een concept dat alle Amsterdammers raakt en zich tot alle Amsterdammers richt en niet alleen tot de nieuwkomers.

Het lijkt niettemin evident dat als de overheid de poort open zet voor vreemdelingen zonder ervoor te zorgen dat zij zich aan de hier bestaande omstandigheden aanpassen, het de overheid is die te kort schiet en niet de burgers.

Burgerschap richt zich echter niet alleen tot de Amsterdammer, maar veronderstelt bovendien een actieve overheid die mede gestalte geeft aan burgerschap, en daarmee aan de integratie van de burgers van Amsterdam. Voor de nieuwkomer die steun nodig heeft in zijn inburgering in Nederland heeft de overheid reeds de mogelijkheid om inburgeringcursussen te organiseren. Maar hoe zit het met de andere burgers? Daarvoor gebeurt nu vrijwel niets, terwijl burgerschap inspanning veronderstelt van iedereen: pas als je jezelf bewust bent van de basiswaarden van onze rechtstaat en democratie, kun je deze overdragen op anderen.

Burgerschap begint dan ook met kennis: van geschiedenis, cultuur, de basiswaarden van onze democratie en rechtstaat, de verwachtingen die burgers over en weer van elkaar kunnen koesteren. In het onderwijs moet hieraan meer aandacht worden gegeven.

Voorts kan de overheid burgerschap ondersteunen door steun te geven aan en de dialoog aan te gaan met organisaties en verbanden van burgers die:

  Het “erbij horen” en meedoen (dus: de integratie) van een bevolkingsgroep bevorderen en/of

  het vertrouwen tussen bevolkingsgroepen onderling versterken en/of

  uitnodigen tot participatie in de samenleving in dienst van anderen.

Dit kunnen zowel seculiere als religieuze en zowel gemengde als etnische organisaties zijn als ze maar de integratie bevorderen. De overheid gaat er niet over op welke noemer burgers zich willen organiseren (grondrecht van vrijheid van vereniging en vergadering en eigen verantwoordelijkheid van de burger) en dus in principe ook niet over de vraag langs welke weg een burger tot emancipatie komt.

Het leek er even op dat de schrijver erkende dat de overheid te weinig deed om de eigen burgers te ondersteunen in hun pogingen om te leren leven met de nieuwe problemen die zij zelf in het leven heeft geroepen. Maar al snel wordt duidelijk dat het een aanloop is naar een rechtvaardiging voor het beleid om Islamitische organisaties te financieren met overheidsgeld.

Tot slot kan de overheid zichzelf en in het verlengde daarvan de burgers oefenen in het omgaan met verschillen. Dat veronderstelt tenminste kennis van elkaars nomen en waarden.

Het lijkt redelijk om te bevorderen dat Nederlanders de normen en waarden van de 170 vreemde nationaliteiten leren kennen die zich tussen hen genesteld hebben, maar de suggestie is hier dat deze normen en waarden allemaal equivalent zijn. Als dat waar was dan zouden er wel even veel Nederlanders naar de landen vertrekken waar deze normen geldend zijn als er vluchtelingen van ginds naar hier komen. Die notie kan niemand overtuigen. De vreemdelingen komen naar Nederland omdat ook zij hopen daar gelukkiger en welvarender van te worden. Dat vereist een eenzijdige aanpassing van hen aan de normen die hier gelden. Gebeurt dat niet dan blijft de samenleving niet in stand, die de reden vormde voor hun komst.

4.5 Optredende overheid

De tot nu toe geschetste hoofdlijnen van een integratiebeleid (rechtstaat, regels, eigen verantwoordelijkheid en burgerschap) hebben consequenties niet alleen voor de burgers, maar ook voor de rol van de overheid. De maatschappij is maar tot op zekere hoogte maakbaar en de overheid kan niet alles. Maar we kunnen wel vaststellen dat integratie met zich meebrengt:

  een overheid die optreedt en actiever investeert in mensen en instituties

  algemene diensten voor specifieke noden

  politieke aandacht voor de organisatie van de uitvoering van beleid.

Optreden en actiever investeren door de overheid in mensen en instituties betekent concreet investeren in:

  1. kennis:

  kennis en overdracht van de normen en waarden die de rechtstaat schragen;

  het stimuleren en overdragen van de democratische gezindte van burgers en overheid;

  1. sterke overheid:

  maatschappelijke en overheidsinstituties die de principes van de rechtstaat overeind houden;

  behartigen van drie poten van het algemeen belang (respect voor individuele burger, sociaal welzijn van de burger behartigen, handhaving van de openbare orde en veiligheid) op zodanige wijze dat de burger zijn eigen verantwoordelijkheid nemen kan;

  betere dienstverlening door de overheid;

  versterken van het organisatorische vermogen van de overheid;

  opheffen van tekorten in de bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving van regels;

  1. versterken van burgerschap:

  inburgeringcursussen voor nieuwkomers;

  aandacht in onderwijs en maatschappij voor kernwaarden van rechtstaat en burgerschap;

  ondersteuning van en dialoog met organisaties van burgers die burgerschap stimuleren;

  opnieuw leren omgaan met verschillen.

De geschetste uitgangspunten voor integratie impliceren ook dat de specifieke noden van de bevolking uitgangspunt zijn van het gemeentebeleid en niet de etniciteit of het feit dat iemand oudkomer, nieuwkomer, of hier geboren en getogen is.

Wanneer het bovenstaande zou betekenen dat etniciteit als bron van problemen weer onbespreekbaar wordt dan zetten we weer een grote stap achteruit. Het is evident dat veel van de problemen van Amsterdam en Nederland voortkomen uit de in standhouding van gedragspatronen die horen bij samenlevingen die de nieuwe Nederlanders om goede redenen ontvlucht zijn. Alles wat voedsel geeft aan de gedachte dat men hier de normen en waarden van het Midden Oosten in de praktijk kan brengen zou bestreden dienen te worden. De idee  dat een tegemoetkoming op dat punt de integratie van immigranten zou bevorderen is onjuist gebleken. Zij bevordert alleen het ontstaan van no-go area’s en het gebruik van geweld tegen overheidsfunctionarissen en medeburgers.

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in overheid. Bookmark de permalink .