Democratie in de US

Toen de Tocqueville in de dertiger jaren van de negentiende eeuw zijn La Démocratie en Amérique schreef, bestond er buiten Amerika nog helemaal geen democratie in de zin van gelijkheid voor iedereen en een regering van het volk door het volk en voor het volk. Amerika was nog maar vijftig jaar een zelfstandige staat. De grote immigratie moest nog komen, net als de grote trek vanuit het Oosten van de VS naar het wilde Westen.

Wat iedereen moet opvallen, die La Démocratie en Amérique nu in handen neemt, is dat democratie in de VS, zoals wij die pas hebben leren kennen in de tweede helft van de twintigste eeuw, al anderhalve eeuw eerder blijkt te hebben bestaan. Wij veramerikaniseren sinds de tweede wereldoorlog. Europa en de rest van de wereld hebben in de twintigste eeuw de democratie, de mensenrechten en de gelijkheid van alle burgers met de daarbij behorende samenleving met een vertraging van anderhalve eeuw uit Amerika overgenomen.

Dat proces is niet zonder horten of stoten gegaan. De Tocqueville met zijn aristocratische achtergrond zag de bezwaren helder: de middelmaat regeert in een democratie en voor uitnemendheid  is er weinig ruimte. Dat wil zeggen,  excellentie is een noodzaak voor verdere vooruitgang van de samenleving, maar de publieke erkenning ervoor blijft uit; zij werkt in het verborgen en haar resultaten bereiken de samenleving via de achterdeur[1].

In het Duitsland van de negentiende eeuw, dat een soortgelijke bloei en groei doormaakte als de Verenigde Staten, was er geen democratie. Wel was er een eigen variant van de verlichting en bestond er een rechtsstaat, maar de samenleving was hiërarchisch, en ondemocratisch. De staat werd in het keizerlijke Duitsland zeker niet alleen gezien als een middel om de burgers hun rechten te verschaffen. Zij vormde een doel op zich. De Duitsers waren onderdanen, geen burgers. Het staatshoofd was het symbool van de natie en de sluitsteen van een sociaal bouwwerk. Hij had meer macht dan een constitutionele vorst in een democratie, maar het meeste daarvan was toch schijn. Duitsland werd niet door hem of door zijn Hof geregeerd maar door een bureaucratie, met aan het hoofd een kanselier. Die bureaucratie was de kern van de Duitse rechtsstaat. Zij was gedisciplineerd en betrouwbaar. De Duitse overheid was de meest effectieve in Europa. Deze autocratische samenleving kreeg een zware klap in de eerste wereldoorlog.

De Weimarrepubliek was een poging van de overwinnaars in de eerste wereldoorlog om Duitsland aan het Angelsaksische model te onderwerpen en om in plaats van een bureaucratische rechtsstaat er een democratische rechtsstaat te introduceren. Maar die poging mislukte. De oude standenmaatschappij bleef bestaan en de democratische gelijkheid kwam niet tot stand.

Tot aan de machtsovername van Hitler. Bij Hitler en de nationaal socialisten kwam er een vorm van gelijkheid van iedereen onder de leider, ongeveer zoals die onder Stalin in de Sovjet Unie bestond, maar nog steeds geen democratie: Het Duitse volk, ook als het buiten de staatsgrenzen leefde in Oostenrijk en Oost Europa, nam bij Hitler de plaats in van de staat als het subject van het politieke handelen. Het volk werd niet vertegenwoordigd door een parlement of een gekozen president, maar door een leider, die zich zelf als zodanig had opgeworpen, d.w.z. door Hitler zelf.

Maar het “Alle Menschen werden Brüder”, de tekst van het slotkoor uit Beethoven’s negende symfonie, is wel degelijk een Duitse gedachte. Hij stamt van Schiller en indirect van Immanuel Kant, die de ethiek van de verlichting formuleerde en filosofisch onderbouwde. In Duitsland zelf werd daar nooit een politieke vorm aan gegeven[2], dat gebeurde in Amerika. De fraternité van de Franse revolutie eindigde met de guillotine en aan de Duitse Brüder was geen beter lot beschoren. Und willst du nicht mein Bruder sein so schlag ich dir den Schädel ein, dat werd het onder Hitler. De Duitse variant op de verlichting en haar eigen industriële revolutie eindigde in Auschwitz en Treblinka. De democratie zoals wij die nu kennen stamt uit Amerika.

 

[1] Zoals de taalkunst het overheersende element was in de Griekse beschaving en de muziek in Europa in de korte periode tussen de Middeleeuwen en de industriële revolutie, zo zijn de natuurwetenschappen dat tegenwoordig. De meest talentvolle mensen werken nu op dat terrein en de Nobelprijzen zijn de enige vorm van publieke erkenning voor de grote prestaties die daar geleverd worden. Van wat in de wetenschap gebeurt dringt maar weinig door tot het grote publiek en ook de vertegenwoordigers van dat publiek, de media en de politici, zijn slecht op de hoogte. Toch zou de techniek, die de industriële samenleving draaiende houdt waardoor zes en een half miljard mensen in leven blijven, zonder de wetenschap ondenkbaar zijn.

[2] In 1848 heeft het er even naar uitgezien, dat ook in Duitsland de parlementaire democratie het zou winnen van de nieuwe autoritaire staat, maar het parlement van Frankfurt bleek niet opgewassen tegen Pruisen en Bismarck.

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Amerika, Duitsland, europa. Bookmark de permalink .