Aantekeningen bij Hof Amsterdam inzake Wilders.

De uitspraak van het Hof over de vervolging van Wilders heeft betrekking op twee artikelen van het wetboek van strafrecht[1]. Zij roept een aantal juridische vragen op. De eerste vraag  is van procesrechtelijke, een tweede van staatsrechtelijke en een derde van strafrechtelijke aard:

  1. Wat is precies de functie van de rechter  wanneer hij een officier gelast iemand te vervolgen?
  2. in hoeverre is hier de trias politica in het geding?
  3. Wat is de betekenis van de begrippen beledigen en haat zaaien in de betrokken artikelen.

Ad 1. Het is in het algemeen de taak van de rechter om na de argumenten van twee partijen te hebben gehoord te constateren welke feiten vast staan, te zien wat er van hem gevraagd wordt en na te gaan of het recht hem op basis van de feiten toestaat of  gebiedt  het gevraagde toe te wijzen. Het is duidelijk dat deze normale rechterlijke taak  in een verzoek tot vervolging niet aan de orde is. Bij het beoordelen of er vervolgd moet worden doet de  rechter wat de officier in zijn ogen had moeten doen, hij treedt niet op als arbiter maar als een soort Franse rechter van instructie. Hij is niet objectief. Dat eist van de rechter een meer dan normale voorzichtigheid. Mr. Corstens,  e.t. president van de Hoge Raad, heeft dat een paar jaar geleden nog een benadrukt en ook uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat bij de toepassing van artikel 12 Sv. een grote terughoudendheid van de rechter mag worden verwacht. Daar komt bij dat tegen een uitspraak als deze, hoe gebrekkig zij ook moge zijn, geen hoger beroep en geen cassatie mogelijk is. Al wordt een marginale toetsing niet met zoveel woorden door de wet vereist, toch is dat wel wat een goede rechter zou doen. Een rechter moet zich terdege van de beperkingen van zijn positie bewust zijn en zo voorzichtig mogelijk optreden. De betrokken  uitspraak van het Hof Amsterdam waarin al wordt vastgesteld dat het gedrag van de beklaagde strafwaardig was, en dat straf hoort te worden opgelegd mits die maar proportioneel blijft, is met deze voorzichtigheid in strijd.

Er is nog een reden om alleen marginaal te toetsen. In het strafrecht geldt vanouds het adagium ‘in dubio pro reo’. De beklaagde  en niet de samenleving namens wie hij wordt vervolgd  hoort volgens dit adagium het recht van de twijfel te krijgen. Het is  in dit verband  onvoldoende als de rechter het met  een besluit van de officier om niet te vervolgen oneens is. Hij dient een besluit om niet te vervolgen pas opzij te zetten als daarbij onmiskenbaar sprake is geweest van een verkeerde rechtstoepassing, zodat het besluit door geen zinnige officier zou hebben kunnen worden genomen. Daarbij moet men mee in aanmerking nemen dat ook een vervolging die in vrijspraak of in ontslag van rechtsvervolging eindigt een zware belasting vormt voor een verdachte.

Ad 2. Mag de rechter zich op politiek terrein begeven? De wetsgeschiedenis van de artikelen 137 c en d duidt wel in die richting. De twee bepalingen zijn in de strafwet gekomen als reactie op de politieke commotie van de dertiger jaren en in de zeventiger jaren ietwat aangepast. Vooral in Duitsland en in mindere mate in Nederland, vochten marxisten en nationaal socialisten in de crisisjaren om de beheersing van de straat. Beide partijen riepen op tot gebruik van geweld. De artikelen wilden daar een eind aan maken. Door haat te bestrijden en groepsbelediging te verbieden wilden men gewelduitbarstingen voorkomen. Antisemitisme of jodenhaat, speelde bij de aanhangers van het nationaal socialisme een belangrijke rol. Antisemitisme, meer dan het ook wel genoemde antikapitalisme, was de focus van de haatgevoelens tegen bevolkingsgroepen waar 137d  van spreekt. In onderling verband beogen de twee artikelen belediging van en  aansporing tot haat jegens bevolkingsgroepen en met name tegen joden strafbaar te stellen en zo te bestrijden. Over het algemeen gebeurde dat met weinig succes.  Behalve in Polen  zijn naar verhouding nergens zoveel joden om het leven gekomen in de tweede wereldoorlog als juist  in Nederland.

Dat de twee wetsartikelen zo weinig effect hebben gehad bij het tegengaan van haat en geweld is wel begrijpelijk. De strafwet was toen en is nog steeds onmachtig tegen groepen. Kenmerkend voor de groepen waartegen de twee artikelen zijn gericht is bovendien dat zij zich aan de wet weinig gelegen lieten liggen en alleen respect hadden voor macht en geweld. Het bizarre is dat de artikelen die in de wet zijn gekomen om het antisemitisme te bestrijden door het Amsterdamse Hof werden gehanteerd om een individu monddood te maken die zich juist tegen het toenemende gebruik van geweld in de samenleving  keert en die meer dan ander politici het antisemitisme in de samenleving bestrijdt. Dat Wilders zou hebben opgeroepen tot geweld tegen moslims is iets dat zelfs het Amsterdamse Hof niet in zijn woorden heeft kunnen terugvinden en men mag aannemen dat het daar wel naar heeft gezocht. Dat Wilders zich onder meer  richtte tegen de hate mail die naar de advocaat van zijn tegenstanders werd gestuurd, dat kan nog gezien worden als een zet op het schaakspel dat hij hier gedwongen werd te spelen. Maar toen na de moord op Van Gogh brand gesticht werd in moslimscholen en moskeeën was hij de eerste politicus in de Kamer die daar verontwaardigd tegen op kwam.

De twee artikelen zijn niet  alleen in de strafwet zijn gekomen met een anti-geweld oogmerk maar ook met de bedoeling om politiek geïnspireerde haatcampagnes de kop in te drukken. Dat ze in dat opzicht niet erg effectief zijn geweest doet daar niet aan af. Toen Kamerleden aarzelden hoe ze zich tegen deze grensoverschrijding van de rechterlijke macht hoorden op te stellen, hadden zij zich dienen te realiseren dat zij zelf als medewetgever het activisme van de  rechters hebben uitgelokt. Wanneer zij later van mening waren dat dit soort activisme toch niet de taak van de rechter is of dat het Hof in casu deze taak niet behoorlijk vervuld heeft,  dan zou niet alleen een beperking van de reikwijdte van de twee artikelen aan de orde horen te komen. Dan zou ook een uitbreiding van de bevoegdheden van de minister van binnenlandse zaken of van de burgemeester nodig zijn om tegen agressieve groepen op te treden. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat bij het optreden tegen groepen discriminatie op de loer ligt en dat overal waar mogelijk er voor moet worden gezorgd dat onschuldigen niet de dupe worden van kwaadwillenden uit hun omgeving. Maar het gebrekkige vermogen om tegen groepen op te treden is inderdaad een van de belangrijkste leemten in de tegenwoordige rechtshandhaving.

Ad 3.

De derde  juridische vraag die speelt is de inhoud en betekenis van de termen belediging en haat zaaien. Is iemand of is een bevolkingsgroep beledigd in de zin van de strafwet als die zich beledigd voelt of is daar in strafrechtelijke zin meer voor nodig. Volgens de HR is er meer voor nodig. De haat zaaiende of beledigende uitspraak moet tot uitsluitend of nagenoeg uitsluitend doel gehad hebben de betrokkenen of leden uit de beledigde groep te krenken, in die zin dat het aannemelijk is dat zij achterwege zou zijn gebleven als dat  effect er niet mee zou kunnen worden bereikt[2]. Het is mogelijk dat de uitingen naar de mening van de betrokkene de waarheid bevatten en een zinnig doel dienen. Zo ’n doel zou kunnen zijn het bestrijden van maatschappelijke mistoestanden, zoals toename van de criminaliteit, ontwrichting van het schoolwezen en andere gevolgen van een overmatige immigratie.  Zou dit het doel zijn van de uitspraken, dan kunnen die nog steeds kwetsend zijn, maar dan zijn de uitingen geen beledigingen of haatoproepen in de betekenis die de HR daar aan geeft.

Het Hof spreekt in de zaak Wilders van ‘eenzijdige, sterk generaliserende formuleringen met een radicale strekking, niet aflatende herhaling en een toenemende felheid’ en zegt verder  ‘De meeste uitlatingen zijn  tevens beledigend, nu zij de moslimgelovigen wezenlijk in hun religieuze waardigheid aantasten’. Het Hof meent ‘dat  Wilders door de symbolen van het moslimgeloof’(de Koran) aan te tasten wel degelijk de moslimgelovigen zelf heeft beledigd’.

Het Hof motiveert  hier niet overtuigend. Eigenlijk zegt het niets anders dan dat Wilders haat zaait en beledigt omdat hij haat zaait en beledigt. Maar Wilders heeft bij herhaling in het openbaar gezegd dat hij niets heeft tegen individuele Moslims of tegen de groep Nederlanders van Marokkaanse of Turkse afkomst als zodanig maar uitsluitend tegen – de  uitleg van-  het geloof dat in hun midden wordt verkondigd. De uitspraken van Wilders zijn in dat opzicht heel goed te vergelijken met die van e.t. wethouder Asscher van Amsterdam. Vooral als men in aanmerking neemt dat die lid is van  de PvdA en zich tot de Nederlandse elite richt terwijl de PVV een volkspartij is. Uit de voorbeelden die het Hof geeft blijkt inderdaad wel dat het onderscheid tussen de groep en haar geloof dat Wilders pretendeert niet erg effectief kan worden genoemd. Maar dat hoeft misschien ook niet. Dat Wilders zelf het slachtoffer is van bedreiging met geweld en van tegen hem opgeroepen haatgevoelens vanuit de Moslimgemeenschap, dat is wel een punt dat meegewogen dient te worden. Dat heeft in de behandeling van de klacht of in elk geval in de tekst van de uitspraak geen enkele  rol gespeeld. Er is geen reden om aan de  woorden van Wilders te twijfelen. Hij zegt dat hij niet de individuele en zeker niet de goedwillende moslims op het oog heeft, maar het geloof en de Moslimgemeenschap, van waaruit hij en veel anderen in Nederland agressie en overlast ondervinden.  Het is een omissie van het Hof om daar in zijn uitspraak geen aandacht aan te schenken. Voor de conclusie is niet voldoende dat het Hof constateert dat door belediging van het boek belediging van de individuele gelovige onvermijdelijk is. Ook dat zou in de intentie van Wilders dienen te hebben gelegen. Pas als duidelijk zou zijn dat Wilders niet het beste voor heeft met de Nederlandse samenleving of met individuele moslims die zich in deze samenleving willen voegen, maar daarentegen zijn haatgevoelens jegens moslims ongeremd botviert met gebruikmaking van zijn publieke positie als Kamerlid, dan zou er ruimte zijn geweest voor een besluit als nu door het Hof is genomen. Maar er is niemand die serieus kan beweren dat Wilders een enkele individuele moslim haat of dat hij tot geweld tegen moslims als groep oproept.

Wat de beschuldiging van belediging betreft ligt de zaak voor Wilders moeilijker. Uit de omstandigheid dat niet, zoals algemeen werd verwacht in de film Fitna stukken uit de Koran werden gescheurd, zou men overigens kunnen afleiden dat Wilders zich weloverwogen van het soort beledigingen als het Hof bedoelt heeft willen onthouden. Daarbij is dan weer niet van belang of hij dat uit respect voor de wet doet of uit angst met een strafvervolging te worden geconfronteerd.

Misschien dat het Hof meent dat een vergelijking tussen Mein Kampf van Adolf Hitler en de Koran van Mohammed niet anders dan met het oogmerk tot belediging kan worden gemaakt, maar dat is dan toch wel erg kort door de bocht. Dat is in het verleden een paar keer de teneur van een uitspraak geweest. Maar dat was altijd in gevallen waar Mein Kampf er met de haren bijgesleept was, terwijl in het geval van Wilders de vergelijking ontegenzeggelijk serieus was bedoeld. Of de vergelijking juist is, is een tweede. Maar voor het oogmerk van belediging is de intentie tot belediging van doorslaggevende betekenis. Wie jurisprudentie aanhaalt die anders lijkt te luiden leest verkeerd.

Is een afkeer van haatgevoelens en de oproep om de haat te bestrijden zelf weer een vorm van haat zaaien? Uit de formulering van het Hof zou men moeten afleiden van wel.

Een andere  veel gehoorde klacht, dat het Hof niet kan gebieden om Wilders te vervolgen als zoveel anderen niet worden  vervolgd die hetzelfde doen, is aan de andere kant onjuist. Zou die regel gelden dan zou niemand meer kunnen worden vervolgd, want slechts een gering percentage, zelfs van de opgespoorde misdrijven, leidt daadwerkelijk tot een vervolging. Zo werkt het gelijkheidsbeginsel niet. Maar het Hof had er wel rekening mee kunnen houden dat het oproepen tot het bestrijden van haat en geweld onvermijdelijk afkeergevoelens oproept die dan weer als haat kunnen worden gekwalificeerd. Altijd wanneer agressiviteit en criminaliteit aantoonbaar groepsgebonden blijken, zullen de onschuldige leden van die groep een vorm van discriminatie ondervinden, tenzij men aan hen de eis mag stellen dat zij zich openlijk van de groep distantiëren. Doen zij dat niet, dan zijn zij immers niet langer als onschuldig aan te merken.

Is het niet de taak van de politicus, meer nog dan van het Hof om in het harnas te komen tegen bewegingen, die mensenrechten aantasten als de gelijkheid in rechte van man en vrouw of de rechten van homo’s? Ook wanneer zij dat doen met een beroep op een boek dat zij voor heilig houden, maar dat Wilders discriminerend heeft genoemd? Is er sinds de tweede wereldoorlog een ander boek in omloop geweest waar zoveel mensen met zulke slechte bedoelingen een beroep op doen als de Koran? Deze vragen zijn niet retorisch, althans zij worden door Wilders en door een aantal Islamdeskundigen waar hij zich op beroept  in alle ernst gesteld en zij behoren in het openbaar te kunnen worden bediscussieerd.

Als het Amsterdamse Hof meent voor die discussie ter wille van de lieve vrede een stokje te moeten steken, dan begeeft het zich op een heilloos pad en ook op een pad dat in onze constitutie niet het zijne is. Ondanks het bestaan van 137 c en d kan het niet de taak van de rechter zijn om een bevolkingsgroep, van waaruit openlijk wordt opgeroepen joden te vergassen, te vrijwaren voor kritiek op haar maatschappelijk gedrag of  het boek waar zij inspiratie uit put buiten discussie te houden.

Dan het artikel van premier- toen nog partijleider- Rutte van de VVD en de reactie op dat artikel van Plasterk, de voormalige  minister.  Rutte zei in grote lijnen dat de uitspraak niet deugde en Plasterk reageerde in het programma Buitenhof door Rutte te verwijten de trias politica te schenden.

Plasterk is geen jurist en was indertijd eigenlijk ook nog maar nauwelijks een politicus. Hij is bèta wetenschapper en stukjesschrijver. Als hij dus in  zijn oude programma Buitenhof een mening geeft over de vraag of een politicus zich mag  uiten over de uitspraak van het Hof Amsterdam inzake de vervolging van Wilders, dan doet hij dat al dubbele leek en dat is te merken.

Die zaak van het al of niet vervolgen van Wilders was niet meer onder de rechter. De rechter had uitspraak gedaan in hoogste instantie en het was naar de mening van  veel mensen een verkeerde uitspraak. Het staat iedereen vrij daar dan wat over te zeggen, want een rechter is in Nederland niet sacrosanct. Gelukkig niet. Niemand, ook een rechter niet, kan leven zonder kritiek en zonder verantwoording af te leggen over wat hij doet.

Als een rechter een einduitspraak doet zoals in dit geval en politici vinden dat daar voor de toekomst een stokje voor gestoken moet worden, dan horen ze de wet aan te passen. Daar zijn ze voor. Daar hoeven ze, anders dan Plasterk veronderstelt,  niet mee te wachten tot Wilders over vijf of tien jaar door het Hof in Straatsburg in het gelijk wordt gesteld. Het  gaat bij de kritiek op de uitspraak niet over de schuld of onschuld van Wilders, daar gaat het om in de nu lopende strafprocedure. Het gaat er bij de kritiek om of in de tussentijd het debat in Nederland over de toelaatbaarheid van op Islam en Koran geïnspireerd geweld kan doorgaan of dat rechters ons een slot op de mond mogen zetten. Het laatste kabinet Balkenende, het kabinet dat door Plasterk in Buitenhof  vertegenwoordigd werd naar hij zei, had de Moslims opgeroepen om mee te doen aan de Auschwitz herdenking in het Wertheimpark. Dertig officiële vertegenwoordigers, alle dertig op een of andere wijze betaald of gesubsidieerd door  de Nederlandse overheid, kwamen daar opdagen. Het jonge Moslimvolk dat Hamas, Hamas, Joden aan het gas pleegt te roepen was er niet, evenmin als volksvertegenwoordiger Van Bommel. Maar misschien waren die ook niet door de regering of het organiserende comité uitgenodigd.

Het kan zijn dat Plasterk van mening is dat de vraag belangrijk is of Wilders de Moslims beledigd heeft en haat heeft gezaaid tegen een bevolkingsgroep, dan wel dat het juist de Moslims zijn die haat zaaien en de al bestaande dreiging jegens Wilders versterken,  maar daar gaat het in de uitspraak alleen maar bijkomstig  over. Het gaat in principe over de vraag of rechters in Nederland zich boven het parlement kunnen plaatsen en namens de Nederlandse  bevolking kunnen uitmaken waar we wel en  niet over kunnen discussiëren. Als politici als Fortuijn en Wilders worden gekozen omdat een bestaande Nederlandse elite het in de ogen van de kiezers af heeft laten weten, ligt het dan op de weg van de rechter om daar politiek bij in te grijpen? Door wie worden we geregeerd, door mensen die we zelf hebben gekozen of door zelfbenoemde regenten? Hoe dan ook, alstublieft niet door politiek gekleurde rechters, die ten onrechte menen dat zij met beide benen in de samenleving staan,  maar die niemand met het oog daarop  heeft uitgezocht.

 

[1]

 

 

Wetboek van Strafrecht

Artikel 137c
1.
Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Wetboek van Strafrecht

Artikel 137d
1.
Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

 

[2] vgl. bijvoorbeeld het Ezelsproces van Van het Reve.

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie, recht, staatsrecht. Bookmark de permalink .