Kosten en ouderdom.

Het probleem van een verouderende bevolking, die ook wel ‘de grijze prop’ wordt genoemd,  is in beginsel een tijdelijk probleem. Het is hier ontstaan door de geboortegolf in de jaren na de tweede wereldoorlog, die is gevolgd door een gestaag afnemend geboortecijfer. Een parallel afnemend sterftecijfer heeft het effect verlengd, maar ooit zijn al die mensen die nu grijs en meestal met zijn tweeën op de campings en de fietspaden zijn aan te treffen, uitgefietst en uitgereisd. Uiteindelijk ligt toch iedereen die nu leeft onder de groene zoden. De demografische bult van de geboortegolf is over een jaar of twintig helemaal verdwenen en het grijze probleem waar we ons een tijd lang zo druk hebben gemaakt, is dan voorbij. Maar het gegeven dat we met zijn allen ouder worden dan vroeger blijft waarschijnlijk wel bestaan. Tegen die achtergrond is een permanente verhoging van de aanvangsleeftijd van de AOW een goed idee. Uit een oogpunt van solidariteit kunnen jonge 65 plussers best de kar een paar jaar langer mee blijven trekken.

De weerstand tegen dit idee was sterk in de tijd van het kabinet Balkenende IV en zij liep dwars door de partijen. Ze kwam van rechts en van links, van populisten en van intellectuelen. Maar de argumenten voor en tegen zijn niet allemaal even zuiver of correct en ook dat is ongeacht of ze van links komen of van rechts en van academici of analfabeten. Voor het grootste deel houdt men zich simpelweg met het verkeerde probleem bezig.

Niet bestreden wordt dat de kosten van de AOW in zijn bestaande vorm een tijdlang moeilijk op te brengen zullen zijn en vast staat ook dat het gemiddelde aantal gezonde jaren van de mensen na hun 65 met meer dan twee jaar zijn toegenomen sinds de invoering van de AOW. Op die twee punten hadden de ministers Donner en Bos gelijk en had de FNV voorzitter Jongerius ongelijk. De AOW is een solidariteitsuitkering en een solidariteitsheffing. Dat is zij altijd geweest. Wie jong en gezond is betaalt voor wie oud is en gebrekkig en hij betaalt niet voor zich zelf als hij later op zijn beurt oud wordt. Het argument is oneigenlijk dat er straks mensen zijn die al veertig jaar lang betaald hebben en er nu nog eens onverwacht twee jaar bij krijgen. Als ze er niet op gerekend hebben komt dat omdat ze niet kunnen tellen en rekenen. De gegevens waar we nu die conclusies uit moeten trekken waren al veel langer bekend. Ook het argument dat niet iedereen even snel oud en gebrekkig wordt en dat wie zwaar werk heeft eerder met pensioen zou moeten mogen gaan is niet specifiek voor de AOW en ook niet voor de verhoogde leeftijd. Iemand van vijf en zestig kan nog prima kantoorwerk doen, maar zou niet meer aan de weg moeten werken of in de haven. De regeling zoals we die nu kennen, die inhoudt dat het tot 65 jaar alles is en daarna niets, is helemaal niet zo’n perfecte regeling. Er zouden veel langere overgangsperiodes moeten zijn, waarin mensen ander en minder zwaar werk gaan doen als ze ouder worden. Maar een meer aan individuele omstandigheden aangepaste regeling hebben we niet gewild.

We leven in een rechtsstaat. Dat wil zeggen in een regelstaat. Wie iedereen gelijk wil behandelen moet om te beginnen iedereen gelijk maken. Dat doen we door iedereen met 65 en straks met 67 zijn of haar AOW te geven en niet te kijken naar andere relevante omstandigheden. Dat is van het begin af aan ook het aantrekkelijke geweest van de AOW. Het is een simpele vorm van uitkering die bovendien 100% misbruikproof is, zolang je maar niet uit gaat keren aan wie hier niet woont.Daar hebben we voor gekozen en wie het zoet wil moet ook het zuur verdragen. Maar er zitten wel problemen aan de AOW maatregel die niet gemakkelijk oplosbaar lijken en waar de mensen over zouden horen te discussiëren. Waar bijvoorbeeld niet voldoende over gesproken is, dat zijn al die pensioenverzekeringen met een AOW korting. Als die polissen zo zijn geformuleerd dat zij ingaan op 65-jarige leeftijd en dat de pensioengerechtigde moet inleveren wat hij aan AOW ontvangt, dan is de verhoging van de AOW leeftijd voor rekening van het pensioenfonds of de verzekeraar. Mogelijk ook van de werkgever, dat hangt van de achterliggende afspraken af. Is omgekeerd het pensioenrecht geformuleerd als een pure aanvulling op de te ontvangen AOW dan is de pensioengerechtigde ook zijn bedrijfspensioen voor twee jaar kwijt. Blijft hij om die reden twee jaar langer werken, dan hangt het van de formulering van de polis af of hij twee jaar langer op blijft bouwen of dat hij misschien alleen maar twee jaar langer premie betaalt zonder er iets voor terug te zien.

Bij deskundigen zijn deze aspecten van de AOW wetswijzigingen waarschijnlijk uitvoerig besproken, maar in de media hoor je er niets over. Daar leek het bovendien of de AOW bezwaren van Jongerius het enige aspect van de vergrijzing was waar de overheid zich mee bezig hoorde te houden. Dat is niet zo.

Het probleem van de veroudering zit niet in de eerste plaats bij de zestigers of zelfs de zeventigers, maar bij de tachtig plussers. Die blijven veel langer leven en daar zijn er veel meer van dan vroeger en dat blijft zo. Die mensen worden nu massaal gebrekkig en seniel en dat is een groot kostenprobleem. Het probleem dat dit meebrengt voor de betaalbaarheid van de zorg zal het AOW probleem met een aanzienlijke factor overtreffen. De pleeginrichtingen kunnen het niet aan en thuiszorg voor seniele mensen is te duur en/of te gevaarlijk. Ook de pure medische kosten, los van de verpleging, nemen in de hogere leeftijdsgroepen catastrofaal toe. Een studie die daar een tijd geleden over gemaakt werd liet zien dat die kosten in de onderzochte periode tot 70 jaar langzaam opliepen en gemiddeld beneden de €5000,- per jaar bleven terwijl ze daarna snel stegen tot een gemiddelde van boven de dertig duizend voor de 95 plussers. Het ziet er niet naar uit dat die kosten intussen lager zijn geworden. Integendeel, als de studie nu opnieuw gemaakt zou worden, zouden de kosten waarschijnlijk verder blijken te zijn gestegen.

In 2011 bedroegen de uitgaven aan zorg bijna 90 miljard euro. Dat is, aangepast voor een eenmalige compensatie van het Rijk, 3,5 procent meer dan in 2010. De invloed van de prijsontwikkeling in de zorg was daarbij niet het belangrijkste, het was vooral volumestijging. De groei van het zorgvolume, de zorguitgaven gecorrigeerd voor prijsveranderingen, kwam uit op 3,7 procent in 2011.
Deze groei was in 2011 groter dan in 2010. Toen nam het zorgvolume met iets minder dan 3 procent toe. In 2008 en 2009 steeg het nog met ongeveer 5 procent. Hoe de stijging sindsdien is, is mij niet bekend, maar waarschijnlijk is het stijgingspercentage niet afgenomen. Voor de helft werd de stijging in de onderzochte periode veroorzaakt door demografische ontwikkelingen, d.w.z. niet alleen door veroudering maar voor een deel ook door een andere samenstelling van de bevolking. Die andere samenstelling levert straks nog andere medische kostenproblemen op.

De nieuwkomers hebben een veel hoger geboortecijfer dan de autochtone Nederlandse bevolking. Dat betekent onder meer dat straks bij een te verwachten afnemende immigratie een nieuwe grijze prop er aan zit te komen. Degenen die meenden dat het probleem van de veroudering van de bevolking door immigratie kon worden tegengegaan zullen bedrogen uitkomen. Als de nieuwkomers op den duur een zelfde levensverwachting gaan krijgen als de rest van de bevolking en als ook hun geboortecijfers zich zullen aanpassen, wat wij in beide gevallen hopen, dan zal de immigratie de problemen alleen vergroot en verlengd blijken te hebben.

Ook daar zou de regering zich mee bezig horen te houden. Misschien doet zij dat ook wel en heeft zij alleen geen zin in discussies erover.

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie en getagged met . Maak dit favoriet permalink.