Daar zijn we nog niet uit.

In de krant van 13 oktober 2014 stond een interview met een Franse VN functionaris voor de vluchtelingen, die er voor pleitte de opvang van  vluchtelingen in Europa geordender te laten plaats vinden. Hij zag er voordelen in al die mensen uit Afrika en het Midden Oosten hier aan werk en huisvesting te helpen, daar gingen we met zijn allen mee op vooruit, dacht hij. Ook minister Leers noemde een paar jaar eerder de immigratie al een verrijking voor de samenleving en Wilders, die hem toen gedoogde, noemde die uitspraak  een beetje dom.

Dat verschil van mening is, denk ik het belangrijkste politieke  probleem waar we als samenleving mee zitten. Ze hebben allebei een deel van gelijk. Niet zozeer dat Leers een beetje dom is, maar dat de immigratie kwalijke kanten heeft naast  hier en daar ook verrijkende, dat is waar.

Wie een van de twee standpunten extreem verdedigt draagt bij aan het probleem. Dat deed P.G. Bolhaar, die Wilders wilde vervolgen omdat die de oplossing vooral ziet in minder Marokkanen. Meer in het bijzonder minder criminele Marokkanen. Toch is dat een standpunt dat hij mag verdedigen en met een openbaar ministerie dat zoiets vervolgt is iets niet helemaal oké. Als Bolhaar daar een gewoonte van maakt vormt hij een gevaar voor onze samenleving en dan zullen we daar wat aan moeten doen. Het achterliggende probleem, dat het O.M. nu zo verkeerd aanpakt is dat we van een etnisch homogene samenleving die  we in 1980 nog hadden nu, acht en dertig jaar later, hard op weg zijn geraakt naar een etnisch verdeelde samenleving. Marokkanen willen helemaal geen Nederlanders worden, ze zijn juist erg happy dat ze Marokkanen zijn, zeggen ze.

Wat dat op termijn voor gevolgen kan hebben zouden historici U kunnen vertellen. U kunt het trouwens aan den  lijve ondervinden als U zich wilt vermommen als jood en met een keppeltje op door Slotervaart gaat wandelen of als U als jood op de Dam bent wanneer daar toevallig een moslimbetoging aan de gang is.

Aan de andere kant is er nu in Nederland een kleurrijke samenleving. Dat is een verrijking als de mensen maar met elkaar willen samenleven zonder  in etnische groepen uiteen vallen.

Ik kom nogal eens op de Albert Cuyp en daar ziet U de kleurrijke samenleving op een wat relaxtere manier dan in Slotervaart of in de Bijlmer. Iedereen heeft er lol in het gemengde publiek, zo te zien en van etnische tegenstellingen is daar  geen sprake. Maar toch, als je zo veel vreemdelingen in zo korte tijd binnen laat in een land, dat toch al overbevolkt was, wordt een gericht en effectief integratiebeleid een noodzaak. Alles wat de integratie tegen gaat moet bewust bestreden worden. Maar hoe? Daar lopen de meningen over uiteen.

Nederlanders willen wel integreren met de nieuwkomers maar de manier waarop blijft een twistpunt. De dochter van Leers wilde haar kinderen op een zwarte school doen, misschien wel om haar vader politiek te steunen, maar de Hongaarse vrouw van Wilders was bang dat haar kinderen op een zwarte school een taalachterstand op zouden lopen. Aanhangers van Wilders willen dat iedereen dezelfde soort kleren draagt, Nederlandse kleren. In de partij van Leers vinden ze zo’n voorschrift discriminatoir en denken dat het de integratie zou belemmeren. Bovendien mag het niet van Europa, zeggen ze daar.

Dat brengt ons op het volgende probleem. De integratie van vreemdelingen speelt lang niet overal in Europa op dezelfde manier. Nederland is een klein land. Frankrijk bijvoorbeeld is ruim vijftien keer zo groot en heeft minder dan vier keer zoveel inwoners. Je zou Nederland dus beter kunnen vergelijken met Isle de France dan met Frankrijk als geheel. Maar dat soort onderscheiden maakt Europa niet. De bemoeienis van Europa met de integratieproblemen zou veel meer rekening moeten houden met de onderlinge verschillen en men zou in Brussel meer vertrouwen moet hebben in de wijsheid van de lidstaten om in eigen huis te beslissen wat de beste oplossingen zijn. Dat lijkt al lastig genoeg te zijn ook zonder onoordeelkundig ingrijpen vanuit het buitenland.

Naast het integratieprobleem hebben we dus ook te maken met een Europa probleem. Iedereen in Europa is voor samenwerking maar over de manier waarop wordt weer volop van mening verschild. Zoals men er ten onrechte vanuit ging dat de economieën naar elkaar toe zouden groeien zo gaat men er ten onrechte vanuit dat binnen Europa de culturele verschillen kleiner zouden zijn dan bijvoorbeeld tussen de noordelijke Europese landen en de Engels sprekende landen van overzee. Dat is niet zo. Een Duitser of Nederlander zou veel gemakkelijker kunnen aarden in Nieuw Zeeland dan in Roemenië en een Siciliaan heeft evenveel moeite om zich nu in Nederland te vestigen als hij dat een eeuw geleden had om zijn weg te vinden in Chicago.

We  zijn onderdeel van de westerse cultuur. Daar hebben een reeks verschillende Europese landen een eigen bijdrage aan geleverd maar dat wil niet zeggen dat die landen allemaal hetzelfde zijn. Integendeel, de kracht van Europa ligt juist in zijn verscheidenheid. Een federale of confederale vorm van politieke samenwerking is daarom niet erg voor de hand liggend. Veel efficiënter zou het zijn om specifieke terreinen van samenwerking te definiëren en voor ieder van die terreinen een eigen organisatie op te zetten. Dat zou het voordeel hebben dat je alleen mee zou hoeven te doen als het probleem deelt en aan de specifiek vorm van samenwerking behoefte hebt.

Dan blijven er nog een aantal terreinen over waar de samenwerking noodzakelijk Europa breed moet zijn, maar die kunnen dan ook de centrale aandacht krijgen die ze nodig hebben.

De Europese bijdrage aan de NATO schiet te kort en de vertegenwoordiging van Europa tegenover derde landen kan kwalitatief beter. Beide hebben we kunnen zien een paar jaar geleden, toen Oekraïne in conflict raakte met het Rusland van Poetin. Als we toen over een Europese NATO macht hadden beschikt die Rusland had geïmponeerd en als we top diplomaten uit de grote lidstaten in de Oekraïne hadden kunnen laten optreden in plaats van amateurs als Van Baalen of Verhofstadt, dan was Europa diplomatieker te werk gegaan en hadden we het probleem van de Russische Zwarte Zeevloot kunnen oplossen zonder dat een deel van de Oekraïne daarbij verloren ging.

Het probleem van de Europese stagnatie waar we nu al jaren mee worstelen, politiek en economisch, is waarschijnlijk een  blessing in disguise. Het dwingt ons opnieuw na te denken over de toekomst van de samenwerking. Het is duidelijk dat het anders moet, maar hoe, daar zijn we voorlopig nog niet uit.

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .