Het nationaal socialisme

Het nationaal socialisme is intussen antigeschiedenis geworden. Als er nu in Duitsland of hier in Nederland nog mensen met hakenkruisen en SS tekens rondlopen dan gelden ze als bizar en provocerend. Er was een politierechter in Zwolle die in het nazi gevaar een reden zag om de leider van de Centrumpartij te veroordelen[1], maar verder neemt niemand hier de nazi ’s nog au sérieux.

Ze zijn als politieke beweging vergeten en leven voort als symbolen van het kwaad. De afkeer die ze oproepen heeft niets meer van doen met een gevaar dat ze kunnen vormen. Het gaat om het taboe dat op hen rust en dat taboe is een gevolg van de Holocaust.

Dat lag heel anders in de dertiger jaren. Toen werden de nazi’s gehaat, met name in humanistische landen als Nederland, maar toen was er nog geen taboe. De kans dat het nationaal socialisme of zijn tegenhanger, het Russische stalinisme de wereld zou veroveren was in die tijd reëel. De eerste wereldoorlog was het échec van de Europese beschaving geweest. Zo werd dat door de hele wereld gevoeld. Die oorlog vervulde ook de overwinnaars met afschuw en geen van de geallieerden was tevreden met de resultaten van het vredesverdrag, behalve dan de Fransen, die het hadden doorgedrukt.

De liberale waarden en het parlementair-democratische systeem hadden in het verlengde van die verschrikking een deel van hun geloofwaardigheid verloren. Niemand zag duidelijk hoe de toekomst er uit zou moeten zien, behalve de communisten en nationaalsocialisten. In Duitsland had de vrede van Versailles de shock van de eerste wereldoorlog versterkt.  De Weimar republiek die als haar eerste regeringsdaad het Versailles verdrag getekend had, had daarmee in de ogen van de Duitsers haar legitimiteit verspeeld. Weimar saboteerde vervolgens de resultaten waar het kon, maar verwierf zich daar geen krediet mee, niet bij de eigen bevolking en natuurlijk helemaal niet bij de geallieerden.

Hitler was de eerste Duitse politicus die het beestje bij zijn naam noemde: Versailles was een monstrum en Duitsland zou er zich niet bij neerleggen. Hij voegde daden bij die woorden. Hij dwong de ontruiming van het Rijnland af, begon aan een herbewapening, maakte de ontrechting van de Duitsers in het nieuwe Tsjecho Slowakije ongedaan, voegde de rompstaat Oostenrijk bij het Duitse moederland en zette de Duitse economie in het midden van de wereldcrisis weer op poten. Allemaal grote politieke successen waarvoor de nazi’s in Duitsland veel krediet kregen. Niet alleen bij de eigen achterban maar bij een meerderheid van patriotten die helemaal niet met de meeste nazi denkbeelden sympathiseerden.

Duitsland was vóór 1933 in meerderheid niet nazi, maar toch ook niet liberaal. De parlementaire democratie had er nooit goed wortel geschoten en de verlichting had ginds meer de rechtsstaat en een integere ambtenarij opgeleverd dan een parlement dat middelpunt kon zijn van het publieke leven. Er was in Duitsland geen burgerij die het lot in eigen hand wilde nemen.

Het antiparlementarisme en ook het antisemitisme dat nu uniek aan de nazi’s wordt verweten, waren eigenlijk erfenissen van het Oostenrijk en Duitsland van voor de eerste wereldoorlog. Zelfs het Führerprinzip was niet nieuw. Bismarck werd in zijn tijd net zo aanbeden als Hitler en een fatsoenlijk man was ook de IJzeren Kanselier niet in alle opzichten.

Wat wel typisch uit die tijd was, waren de gewelddadige straatvechterselementen, het brutale, het rücksichtsloze. Dat was ook het totalitaire karakter van de staat die nazi’s en communisten voor ogen stond. Nationaal socialistisch was de moderne propaganda met haar absurde leugens die door de herhaling toch hun uitwerking hadden. Maar weer Duits nationalistisch en niet typisch nazi was de overheersende anti-Kantiaanse idee, dat niet een kosmopolitische samenleving het ideaal kon zijn, of de broederschap der volkeren, maar dat tussen de verschillende culturen op aarde een concurrentieslag zou beslissen wie er zou overleven.

De nazi’s hieven de verdeeldheid en de depressie in de Duitse natie op en zetten alle neuzen in dezelfde richting: Lebensraum voor het Duitse volk met een goedgeorganiseerde overheid en een goedbewapend leger. Vóór 1941 zag het er naar uit dat het succes ging hebben en dat dit soort natie, een verduitste uitgave van het Russische bolsjewisme de overhand zou krijgen in de Westerse wereld.

De man die de nazi’s praktisch eigenhandig heeft tegengehouden en daar onvoldoende credit voor gekregen heeft is Winston Churchill.

Misschien meent U dat geen van de geallieerde staatslieden zoveel lof te beurt is gevallen als Churchill en dat is ook wel zo, maar toch wordt de betekenis van die man nog steeds onderschat.

Wie hem wel de betekenis geeft die hem toekomt, is de Duitse essayist en historicus Raimund Pretzel. Die is als Sebastian Haffner beroemd geworden door de Hitlerbiografie Anmerkungen zu Hitler. Maar heeft veel meer geschreven, waaronder een korte biografie van de Britse staatsman met de simpele naam Churchill. Daarin wordt Churchill neergezet met de tekortkomingen die hij bezat naast zijn immense kwaliteiten. Het essay Winston S. Churchill: vom Krieger zum Friedenspolitiker, dat als onderdeel van Im Schatten der Geschichte werd uitgegeven, is zonder enige reserve een politieke eulogie van Haffner aan het adres van Churchill.

Hij zag een duidelijke verwantschap tussen Hitler en Churchill. Al stak hij natuurlijk zijn voorkeur voor Churchill niet onder stoelen of banken, hij maakte niet de fout van veel naoorlogse historici om Hitler te demoniseren en zo buiten de geschiedenis te plaatsen. Hij kon zich dat beter dan veel andere schrijvers  permitteren omdat hij als niet-jood voor het Hitlerregime gevlucht was. Hij heeft de oorlog in Engeland doorgebracht, als journalist bij de Observer, waar hij Orwell en Koestler leerde kennen en bewonderen. Maar na de oorlog is hij teruggegaan en hij heeft zijn carrière in West Duitsland voortgezet. Hij was in een betere positie dan de meesten om de kwaliteiten en gebreken van Hitler en Churchill met elkaar te vergelijken.

Nu, na Joachim Fest, is het niet langer de gewoonte om Hitler te beschouwen als een domme huisschilder die door een gril van het noodlot aan het hoofd kwam te staan van een van de meest competente staten van de Westerse samenleving. Hitler was een evil genius, maar wel een genius. Onder zijn leiding presteerde Duitsland aanzienlijk beter dan onder het regime van zijn voorgangers van de Weimarrepublik en onder Wilhelm II. Beter, niet in de zin van het eindresultaat, de Duitse nederlaag en beter al helemaal niet in ethische zin, maar beter in de zin van organisatorische, militaire en industriële prestaties. Het waren echt niet alleen de mislukkelingen en de Spiessbürger[2], die zich met enthousiasme achter zijn regime schaarden, maar ook de filosofen en de kunstenaars. Het was eind dertiger jaren praktisch het hele Duitse volk en daartoe hoorden ook Martin Heidegger en Herbert von Karajan, om maar twee grote namen te noemen. Zij dachten allemaal dat de overwinning van Duitsland onvermijdelijk was en in dat vooruitzicht verheugden ze zich. Hitler had ook, anders dan vaak beweerd wordt, een heel consistent wereldbeeld met wortels die teruggaan tot het midden van de negentiende eeuw.

Hij was een sociaal darwinist uit de school van Spencer, Gobineau en Chamberlain. Hij verwierp het dominante wereldbeeld van Kant en Schiller. Hij moest niets hebben van het Alle Menschen werden Brüder en ook niet van de wereldsamenleving met haar global economy[3]. Hij zag een wereldsamenleving waarin zonder oorlog of concurrentie werd samengewerkt stranden op de overbevolking en hij achtte haar in strijd met de wetten van de natuur. De mens heeft geen andere natuurlijke vijand dan zich zelf en zonder concurrentie tussen de samenlevingen zouden ze alle ten onder gaan. Homo homini lupus zegt het Latijnse spreekwoord en Hitler had zich vast voorgenomen de wolf te zijn die de Duitse samenleving naar de overwinning en dominantie zou voeren ten kosten van de samenlevingen die hij als minder vitaal[4] en krachtig beschouwde. De innerlijke tegenstrijdigheid van het liberale wereldbeeld van democratie en mensenrechten was hem evident. Kolonialisme en andere vormen van Westerse suprematie pasten niet bij de democratie en de mensenrechten. Hij bleef er lang van overtuigd dat de grootste koloniale mogendheid ter wereld dat tijdig in zou zien. Het was hem duidelijk dat Engelands eigen belangen meebrachten dat het Duitsland zou steunen in haar voornemen een hegemonie te vestigen op het Eurasische continent. Alleen een samenwerking tussen Duitsland en Engeland kon Amerika en Rusland afhouden van de wereldhegemonie en alleen een vervanging van de democratie door een rationelere filosofie kon in zijn ogen op den duur de overmacht van Europa garanderen.

Het was hem zelf beter duidelijk dan zijn volgelingen dat Duitsland de oorlog die hij als onvermijdelijk zag ook kon verliezen en ook dat was aanvaardbaar omdat die onzekerheid  nu eenmaal de manier is waarop de natuur haar werk doet. Zou Amerika de strijd winnen dan was daarmee vastgesteld dat haar systeem het betere was. Niet proberen was verzaken. Helden nemen risico’s en Hitler beschouwde zich als een held in de traditie van Karel de Grote en Frederik de Grote van Pruisen. Nog tijdens zijn leven moest de beslissing vallen over het lot der volkeren en hij had daarbij het Duitse lot in handen

Vanuit die visie moet zijn tweeslachtigheid tegenover Groot Brittannië worden gezien bij Duinkerken en wordt de missie van zijn rechterhand Rudolf Hess begrijpelijker. Dat hij daadwerkelijk deelgenoten had voor zijn opvattingen in Engeland en dat die voorkwamen in de hoogste kringen van de Britse samenleving, dat staat wel vast. Zonder Churchill hadden zij misschien de wapenstilstand met Duitsland wel kunnen doorzetten waar Hitler op rekende. Zijn oorlogsverklaring aan Amerika was geen wanhoopsdaad maar een logisch uitvloeisel van zijn wereldvisie en zijn bondgenootschap met Japan een verstandshuwelijk, zoals zijn eerdere bondgenootschap met Stalin.

Hitler was een pure Machiavellist. Ethiek was in zijn ogen dienstbaar aan de eigen samenleving en had geen functie in de strijd tussen de volkeren. De Joden waren een volk dat hij bewonderde en haatte, maar waarvan het lot in zijn ogen onverbrekelijk verbonden was met de Kantiaanse wereldsamenleving. Joden konden niet anders dan de hegemonie van Duitsland bestrijden en dat deden ze ook. Zij maakten geen onderdeel uit van een van de naties in Europa of elders in de wereld. Zij maakten gebruik van de faciliteiten van alle landen en hadden loyaliteit tegenover niemand[5]. Een wereldsamenleving waarin geen enkele natie boven de anderen verheven was, moest wel het ideaal zijn van de Joden en een voorwaarde voor de onderhuidse dominantie van dit volk zonder land. Hun vernietiging was een voorwaarde voor de overwinning van zijn wereldvisie en van zijn eigen Duitse natie.

De vernietigingsbevelen die hij aan het einde van de oorlog gaf en die door Speer en anderen gesaboteerd werden omdat zij een wederopstanding van Duitsland na de oorlog zouden bemoeilijken, waren een laatste consequentie van zijn wereldvisie. Zijn eigen zelfmoord was een erkenning van de nederlaag van zijn denkbeelden en een bevestiging ervan.

Het is tegenwoordig gebruikelijk om communisme en nationaal socialisme min of meer over een kam te scheren, omdat ze  in hun uitwerking zo op elkaar leken.. Met name wanneer men daarbij naar het regime van Stalin in de Sovjet Unie kijkt of naar de Culturele Revolutie en de Grote Sprong Voorwaarts in China, dan zien mensen geen wezenlijke verschillen meer met Hitler Duitsland. J.A.A. van Doorn beschouwde Hitler als een linkse politicus en vanuit zijn definitie van links en rechts is daar veel voor te zeggen. Communisten zowel als  nationaal socialisten zijn utopisten Maar dat betekent niet dat de samenleving die Hitler voor ogen stond veel gelijkenis vertoonde met het toekomstbeeld van Stalin. De gelijkenis zit er meer in dat geen van beiden erg kieskeurig was in de middelen waarmee hij zijn utopie wilde verwezenlijken.

Maar als Hitler de oorlog had gewonnen en tijd van leven had gehad, dan was daar een samenleving uitgekomen die veel verder van ons zou hebben afgestaan dan de DDR en de Sovjet Unie. Het communisme was door zijn economische gebreken van de aanvang af tot mislukken was gedoemd. Hitler’s samenleving had kunnen werken, maar het was geen vrolijke samenleving geweest. Niet voor degenen die niet tot zijn uitverkoren volk hadden gehoord en voor veel Duitsers ook niet.

In de Sovjet Unie week de praktijk nogal af van het ideaalbeeld, dat men voor ogen had, maar dat ideaalbeeld stond redelijk dicht bij de welvaartstaat die in West Europa verwezenlijkt is en die nu door de globalisering van de economie en door de massale immigratie uit de arme landen weer op de tocht is komen staan. De humanistische uitgangspunten, de mensenrechten, de democratie, maar vooral de hoge waarde die aan het individuele menselijk leven wordt toegekend, die hadden het socialisme in de communistische landen  en de sociaaldemocratie in het Westen gemeen. In theorie in elk geval. Het verschil zat in de ondernemingsgewijze vrije productie aan de westerse kant en de planeconomie aan de communistische en natuurlijk in de methoden die men toelaatbaar achtte ter bescherming van een door buitenlandse krachten bedreigde samenleving. Maar die methoden waren ook in de Sovjet Unie als tijdelijk bedoeld. De repressie van Stalin is in veel opzichten een systematische uitwerking van het soort maatregelen die men in het Westen genomen heeft sinds 9/11 en die men hier geoorloofd acht ter bestrijding van het terrorisme.

Hitler had niets met het humanisme en met de democratie. Zijn mensbeeld was niet rationeel en humanistisch, maar biologisch. Hij streefde geen wereldsamenleving na, maar een verzameling van elkaar bestrijdende en beconcurrerende culturen. Wel met een  ondernemingsgewijze productie, die heel goed in zijn sociaaldarwinistisch wereldbeeld paste. Hij had bovendien een goed economisch inzicht en op dat terrein ook voortreffelijke adviseurs, zoals Hjalmar Schacht en goede uitvoerders zoals Albert Speer.  Hij zag heel goed in dat een moderne economie niet van boven af kon worden gedirigeerd en de vorm van samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven, die bij ons tegenwoordig het Rijnlandmodel wordt genoemd, staat niet zo ver af van de Duitse economie zoals die onder Hitler in Duitsland functioneerde[7].

Maar in Hitler’s samenleving was geen plaats voor gehandicapten, anders dan voor oorlogsveteranen. De inrichtingen met ongelukkig geboren kinderen werden leeggehaald en de bewoners werden ter dood gebracht lang voor er sprake was van het systematisch vermoorden van joden. Joden en zigeuners werden beiden gezien als groeperingen die parasiteerden op een gezonde samenleving. Zij konden naar Hitler’s inzicht om die reden in Duitsland niet worden gehandhaafd. Het lijdt geen twijfel dat eenzelfde lot op den duur de beroepswerklozen zou hebben getroffen, de zwervers, de  junks en anderen asocialen. Iedereen die in de ogen van Hitler niet hielp om de kar te trekken stond op de nominatie om uit de samenleving te worden gebannen, waar nodig met dodelijk geweld.

In Het Bureau van Voskuil komt een Duitse schrijfster voor die pleit voor het uit de gemeenschap stoten van luie mensen, die de voortgang van de samenleving remmen. Voskuil noemt dat in een boekbespreking nationaal socialistisch en hij heeft gelijk. De rücksichtsloze voorrang van de  belangen van de samenleving boven die van het individu, die was kenmerkend voor de leer van Hitler. Hij eiste van zijn volksgenoten een opofferingsgezindheid en een achterstelling van het eigen belang bij dat van de gemeenschap, waar de meerderheid van de bevolking graag in mee ging. Men had genoeg van individualisme en het najagen van eigen belang, zolang dat belang bij de gemeenschap redelijk veilig was. Men was gevoelig voor een appèl op opofferingsgezindheid. Dat bracht trouwens ook veel socialisten over de streep. De ‘gelijkschakeling’ van vakbonden en socialistische organisaties is zonder veel verzet tot stand gekomen. Nogal wat fanatieke Nazi’s waren voormalige communisten en socialisten. Het nationalistische jasje waarin dat appèl werd gestoken maakte het nazidom niet erg geschikt voor export, maar in Duitsland werkte het zeker. Individuen hadden bij hem rechten als Volksgenossen, als leden van de Duitse samenleving. Rechters, artsen en andere sleutelfiguren uit de samenleving liet hij een persoonlijke eed van trouw zweren, waarmee hij in één klap hele systemen uit de samenleving aan zich bond. Hij eiste onderwerping van alles en iedereen aan de belangen van het volk, zoals hij die zag. Hij was degene die leiding gaf aan de samenleving omdat het volk dat wilde en wilde men hem weg hebben dan zou hij gaan, zoals later De Gaulle dat zei in Frankrijk. Hij had een minachting voor de burgerlijke samenleving die veel verder ging dan die van Stalin. Zijn ethiek, als men zijn opvattingen ethiek kan noemen, week veel fundamenteler af van de humanistische en christelijk traditie dan die van Stalin. Het is bizar dat paus Pius XII dat niet gezien heeft, vooral ook omdat Mussolini en zijn omgeving het juist heel goed door hadden. Na de aanvankelijke toenadering van het fascisme tot het nationaal socialisme probeerde men zich in Italië  later zo goed mogelijk van Hitler te distantiëren. Een film als Cabaret, die overigens lang voor de oorlog speelt, geeft het kernverschil tussen Hitler Duitsland en de rest van de westerse samenleving heel goed weer. Het nationaal socialisme wekte bij het Duitse publiek groot enthousiasme. Maar de grote aanhang, die Hitler tot het einde van de oorlog behield, bleef beperkt tot degenen die tot het Herrenras behoorden. De Duitsers voelden zich veilig en geïnspireerd  in het nationaal socialisme tot voor iedereen de nederlaag onvermijdelijk was geworden.

Het grote verschil tussen de maatschappijopvattingen van de nationaal socialisten aan de ene kant en de humanisten aan de andere kant maakt dat na de tweede wereldoorlog een scherpe breuk ontstaat in de Duitse geschiedenis. De meeste boeken van Sebastian Haffner gaan over het thema van de dubbele lijn die door de Duitse geschiedenis loopt. Het nationalisme, dat haar wortels heeft in het negentiende-eeuwse streven naar de ene nationale Duitse staat met Von Savigny en Mommsen en Kaiser Wilhelm II en het Kantiaanse humanisme dat daar tegenover staat met Goethe en Von Jhering en het parlement van Frankfurt. Hitler staat volop in de traditie van  Von Savigny en Bismarck en na de oorlog is het daarmee afgelopen. Duitsland komt met een ruk weer terecht in het humanisme van de rest van de westerse samenleving en voor veel mensen in Duitsland en het buitenland lijkt het nu alsof het nooit anders is geweest. Maar dat is een vergissing. Hitler had de oorlog ook kunnen winnen en dan hadden we een ander Duitsland en een andere wereld gehad.

[1] Hans Janmaat werd veroordeeld voor de uitspraak  ‘Wij schaffen, zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af.’ In combinatie met bij een demonstratie meegevoerde leuzen als ‘Vol is vol’ vond de rechter de uitspraak discriminerend voor etnische minderheden.

[2] Als Spießbürger oder Spießer werden in abwertender Weise Personen bezeichnet, die sich durch geistige Unbeweglichkeit, ausgeprägte Konformität mit gesellschaftlichen Normen, Abneigung gegen Veränderungen der gewohnten Lebensumgebung und ein starkes Bedürfnis nach sozialer Sicherheit hervortun.(Wikipedia)

[3] Hitler was niet de enige met bezwaren tegen een global economy. De scriba van de PKN verdedigt in Nederland het antiglobalisme en aan de Accraverklaring te zien lijkt dit ook het standpunt te wezen van de Wereldraad  van Kerken.

[4] Die gedachte was in het interbellum vrij algemeen. Het élan vital van Bergson en de boeken van Hemingway bevatten soortgelijke ideeën. Als nazi’s en fascisten iets gemeen hadden was het in hoofdzaak deze van het humanisme afwijkende maatschappijopvatting.

[5] Sebastian Haffner (Berlijn, 27 december 1907 – Berlijn, 2 januari 1999), nom de plume van Raimond Pretzel.

[6] Het tragische hiervan is dat er misschien nooit eerder een land is geweest waarin joden zich zo mee hebben vereenzelvigd als met Duitsland. De idee dat de Duitse joden als groep geen loyaliteit hadden tegenover Duitsland wordt niet gesteund door historische feiten. Dat denkbeeld moet afkomstig zijn uit het Habsburgse rijk waarin Hitler was geboren en opgegroeid en waarin de etniciteiten veel minder geïntegreerd waren dan in Duitsland.

[7] De Corporatieve Staatsgedachte van Brongersma was een uitwerking van dat economische model. Het staat dicht bij de gedachten van Van den Brink, de naoorlogse minister van economische zaken en ook wel bij die van de oprichters van PvdA, die daar in het gijzelaarskamp in St Michielsgestel over discussieerden.

 

 

 

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Duitsland, ideologie, oorlog. Bookmark de permalink .