Ellende op Justitie.

Het gaat de laatste jaren, decennia moet ik eigenlijk zeggen, niet zo goed op het ministerie van justitie en veiligheid. De combinatie van de twee ministeries op de Turfmarkt in Den Haag is wat te veel van het goede gebleken. Niemand lijkt er meer grip op te hebben. Secretaris-generaal Pieter Cloo (VVD) stapte op en de nieuwe SG Siebe Riedstra spreekt over “systematische patronen en structurele bedreigingen” die hem zijn opgevallen waaronder een gebrek aan strategie, een slecht begrotingsproces en te weinig verbondenheid met de buitenwereld.

Maar ook vóór de fusie ging het met Justitie al niet zo goed meer. Eigenlijk al niet meer sinds het vertrek van SG Albert Mulder[1]. Ook Borghouts, de latere commissaris van de koningin in Noord Holland trof al het verwijt dat hij zijn minister niet volledig had voorgelicht.

Joris Demmink, die veel te lang controversieel geweest is, stapte in 2012 eindelijk op als SG bij Veiligheid en Justitie. De minister wilde toen een opvolger die niet meer uit hetzelfde kringetje kwam. Dat spreekt vanzelf zou je zeggen, maar dat ligt nu eenmaal anders in Den Haag. De ambtelijke top van het ministerie, die zich altijd als een beschermende kloek voor Demmink had opgesteld, beliefde de opvolger niet die de minister voor ogen stond en heeft hem laten weten dat hij niet langer op een prettig leven kon rekenen in Den Haag als hij zijn zin zou doorzetten.

Het kabinet was demissionair en nam volgens de gewoonte geen controversiële beslissingen. Maar iedere denkbare  benoeming was minder controversieel geweest dan het feit dat Demmink toen nog steeds op zijn plek zat. Dat vonden niet alleen drie Amerikaanse congresleden die kwamen klagen, maar ook veel mensen van andere departementen dan Justitie.

De volgende advertentie heeft op de site van de Algemene Bestuursdienst gestaan: Secretaris-generaal Veiligheid en Justitie (schaal 19). De secretaris-generaal (SG) is een sterke vertrouwenwekkende verbindende leider die met tact, toewijding en gevoel voor de politiek-bestuurlijke-, beleids-en vooral uitvoerende dimensies van de V en J – taken, opereert. Die advertentie was door deze zelfde  ambtelijke top geformuleerd, die Demmink wilde handhaven.

De door de minister beoogde opvolger als SG zou volgens de ambtenaren de benodigde tact missen en ook in andere opzichten niet aan het profiel van hun advertentie voldoen. De minister was eerst van plan om door te pakken. Maar daar is zoals  bekend niets van gekomen.

De teloorgang van een ministerie kan niet beter worden geïllustreerd dan aan de hand van een vergelijking tussen de twee SG ’s die respectievelijk van 1965 tot 1978 en van 2002 tot 2012 aan het hoofd hebben gestaan van het ambtelijk apparaat van het Ministerie van Justitie.

Albert Mulder was een van de beste ambtenaren die Nederland na de oorlog heeft gehad, deskundig op alle terreinen van justitie en grondig kenner van al zijn dossiers. Onder zijn leiding functioneerde het ministerie als een zonnetje. Demmink kon ook in technisch opzicht niet in de schoenen staan van Mulder. En dat hij zijn positie misbruikt heeft om zijn eigen paadje schoon te vegen staat intussen wel vast. Een integere ambtenaar als Mulder moet zich omgekeerd hebben in zijn graf.

Dat justitie niet te snel overgaat tot vervolging van zijn eigen SG is nog wel begrijpelijk, maar dat Demmink ongestoord in zijn functie kon blijven zitten, ook toen het aantal aangiften tegen hem zich opstapelde en de hardnekkige geruchten dat hij zich aan pedofilie schuldig maakte nooit serieus werden weerlegd, heeft de reputatie van zijn departement grote schade toegebracht.

Er is een intern onderzoek geweest dat nooit gepubliceerd is en dat uitgewezen zou hebben dat de verdenkingen ongegrond waren, volgens bronnen bij justitie. Het lijkt voor de hand te liggen, als de verdenkingen zo ongegrond waren, dat zo’n onderzoek dan vooral wel gepubliceerd zou zijn. Maar dat had dan weer tot kritiek op het rapport geleid en daar zat men bij justitie weer niet op te wachten

De overtuiging van justitie dat haar SG ongestoord onder verdenking kon blijven staan heeft er voor gezorgd dat veel mensen dit  ministerie niet serieus meer konden nemen. Dat de minister meende dat er nu eens echt de bezem doorheen moest en dat hij een nieuwe SG had uitgezocht aan wie dat kan worden toevertrouwd, was heel begrijpelijk. Ook dat de top van justitie zich tegen de schoonmaakoperatie  verzette is op zich wel begrijpelijk, men had daar boter op zijn hoofd en vreesde de frisse wind. Maar de toestand was onhoudbaar, het aantal affaires stapelde zich op. Misschien herinnert U zich de affaire Docters van Leeuwen nog.

Het ging daarbij om een aanvaring tussen de e.t. minister van Justitie Sorgdrager[2] en enkele van haar hoge ambtenaren. In wezen ging het om de manier waarop het verschil van mening in de publiciteit is gekomen. De PG van Leeuwarden D.W. Steenhuis had bij een onderzoek naar de verhoudingen tussen bestuur, justitie en politie in zijn ressort de schijn van belangenverstrengeling op zich geladen door niet tijdig en ter bestemde plaatse bericht te doen van het feit dat hij adviseur was van het bureau dat met het onderzoek werd belast.

In feite was van beïnvloeding van het onderzoek niet bewijsbaar  sprake geweest.  Maar de Kamer meende van wel en gelastte de minister om daar dan weer een onderzoek naar  te laten doen. Docters van Leeuwen, voorzitter van het college van PG’s,  sprong in de bres voor zijn collega en nam publiekelijk afstand van de reprimande die Sorgdrager maar vast aan Steenhuis uitdeelde. Steenhuis ging nog een stap verder door publiekelijk met een kort geding tegen de minister te dreigen toen hij naar zijn mening onvoldoende tijd kreeg om te reageren op een verslag dat staatsraad Dolman van de affaire had gemaakt.

Hij kreeg inderdaad maar iets meer dan een  uur voordat het verslag aan de Kamer zou worden overhandigd. Maar daar kon de minister weer niets aan doen, want de Kamer had om die haast  gevraagd. Het verslag vermeldde trouwens dat van daadwerkelijke belangenverstrengeling niet gebleken was, zodat Steenhuis niet echt te klagen had en ook niet meer dan een uur nodig had om dat te constateren.

De minister was terecht ziedend en ontsloeg Docters. Dat laatste was  misschien een te zware reactie, maar een ontslag van Steenhuis was zeker op zijn plaats geweest. Publiekelijk dreigen met een kort geding tegen de eigen minister voor een politieke beslissing waar een persoonlijk belang van een ambtenaar mee gemoeid is, is in alle opzichten ontoelaatbaar.

Docters had wel zijn best gedaan de affaire te sussen, maar door het college van procureurs bij elkaar te roepen dat  zich daarna  gezamenlijk tegen de minister opstelde, wekte hij in de pers de indruk van insubordinatie op top niveau en ondermijnde hij het gezag van de politiek onervaren minister veel meer dan ooit zijn bedoeling kan zijn geweest.

Hij was als voorzitter van het college benoemd vanwege zijn ervaring als ambtenaar, niet als jurist. Als ambtenaar had hij gefaald in zijn taak om de minister uit de wind te houden. Maar omdat daarbij de loyaliteit tegenover zijn directe ondergeschikte zo’n belangrijke rol speelde, had de minister misschien meer compassie met hem kunnen hebben. Dat was zeker haar eigen positie ten goede gekomen. Van de andere kant moet in aanmerking worden genomen dat Sorgdager zelf PG was geweest voordat zij minister werd en zij zich niet alleen als minister maar ook persoonlijk door haar voormalige collega’s in haar hemd gezet voelde. Dat minister president Kok het nodig vond om haar in bescherming te nemen door het college kinderachtig gedrag te verwijten, met weer voorspelbare reacties van het journaille zal ook wel niet geholpen hebben.

Wanneer een onafhankelijk ambtelijk college als dat van de PG’s zich opstelt  tegenover de minister, dan wil dat eigenlijk zeggen dat het zich opstelt tegenover  het departement. Iets dergelijks hadden we bij de Srebrenica affaire toen het leek als of de Landmacht bij monde van haar bevelhebber Couzy zich tegen de minister en staatssecretaris Gmelich Meyling had gericht, maar waarbij het in wezen ging om een stammenstrijd  tussen de Landmacht en het Departement van Defensie. De politici traden daarbij alleen maar als woordvoerders op.

Waarschijnlijk wilden Docters c.s. in de eerste plaats de positie van het college tegenover het departement markeren  met hun openbare optreden, maar hoe dan ook, staatsrechtelijk kon het van geen kanten. Wanneer een hoge ambtenaar het niet eens is met een uitbrander die hij van de minister krijgt, dan kan hij ontslag nemen of naar de ambtenarenrechter lopen. Openlijk stelling nemen is uit den boze en niemand had dat eigenlijk beter kunnen weten dan Arthur Docters van Leeuwen, de superambtenaar.

In wezen was de affaire Docters van Leeuwen nog betrekkelijk onschuldig. Er zijn er meer en andere geweest waar dat veel minder van gezegd kon worden, maar waar de details niet gepubliceerd kunnen worden zonder een verplichting tot geheimhouding te schenden. Dat er in dat ministerie grote schoonmaak wordt gehouden lijkt zo langzamerhand onontkoombaar.

 

[1] in de periode 1965-1984

[2] Ik heb die minister beroepshalve  meegemaakt toen zij nog AG was in Arnhem en kan U verzekeren dat het een intelligente competente en integere dame is. Bij een conflict tussen haar en haar ministerie zou ik ongezien voor kiezen, al  moet ik zeggen dat ik van Docters van Leeuwen ook nooit eerder verkeerde dingen had gehoord.

 

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in strafrecht. Bookmark de permalink .