Geld en toezichthouders.

Toen de wereld groter werd en de handel zich over steeds grotere gebieden ging uitbreiden, was het handig wanneer iemand zijn geld kon gaan halen bij een andere bank dan waar hij het gedeponeerd had. Dat kon omdat een kilo van het ene (zuivere) goud hetzelfde was als een kilo van het andere. Banken speelden hier op in door elkaars depotbewijzen te erkennen. Als consequentie ervan kreeg de bank waar het meeste goud werd opgehaald goudtransporten van de andere banken, om daarmee haar voorraad weer aan te vullen. Maar op den duur ging ook dat weer via een kredietsysteem. Toen werd goud alleen nog maar bewaard bij de centrale banken. Andere banken hebben tegenwoordig geen goud meer in kas. De centrale banken nog wel, maar dat heeft toch vooral een symboolfunctie. De waarde van de goudvoorraad is al lang niet meer gelijk aan de waarde van al het geld dat in omloop is. Geld is nu volledig vertrouwen geworden. Als iedereen tegelijk zijn goud of andere waarden ging ophalen bij de centrale banken dan ging het systeem failliet. Die waarden zijn er niet. Of liever gezegd die waarde zit in het feit zelf dat het geld als ruilmiddel wordt geaccepteerd.
Er zijn publieke toezichthouders die moeten voorkomen dat er in het bankwezen waardes worden gehanteerd die gebaseerd zijn op vaak ongefundeerde toekomstverwachtingen, op de afgeleide van de groei. Het eigen vermogen van banken hoort niet gebaseerd te zijn op activa waarvan de waarde te zeer aan wisselingen onderhevig is. Daarnaast hoort iedere bank te beschikken over mensen aan de top die weten wat er hun bedrijf gebeurt en wat ze op de balans hebben staan. Zijn banken daarvoor te groot of is hun bedrijf daarvoor te ingewikkeld geworden, dan kunnen ze de facto niet meer gecontroleerd worden. Er hoort dus door overheden en toezichthouders naar middelen te worden gezocht om het bankbedrijf overzichtelijk te maken, waardoor het toezicht effectief kan zijn, zodat het vertrouwen van de banken in elkaar en het vertrouwen van het publiek, dat nu zo gedaald is weer zal herstellen. Door of namens de toezichthouders zullen banken regelmatig moeten worden doorgelicht. Het zou goed zijn als dat ondermeer met een jaarlijkse audit van de toezichthouders zou gebeuren.
Onderdeel van zo’n jaarlijkse audit zou een examinering moeten zijn van de Raad van Bestuur van iedere bank over het inzicht dat daar bestaat in de organisatie van het eigen bedrijf en over de gang van zaken in het voorafgaande jaar. Door toezichthouders moet voorkomen worden dat alle belangrijke beslissingen worden genomen aan de hand van computerprogramma’s die bij iedereen op dezelfde manier blijken te werken en die niemand meer helemaal begrijpt. Gemeenschappelijke programma’s veroorzaken kuddegedrag en bij kuddegedrag werkt de markt niet meer. Die is er immers van afhankelijk dat niet iedereen in dezelfde situatie zit en dat er een scala bestaat van uiteenlopende behoeftes en van mogelijkheden.
Gebleken is bij de crisis van bijna tien jaar geleden dat veel bankdirecteuren geen idee meer hadden van wat er in hun bedrijf aan de hand was. Ze geloofden blind wat hun computers vertelden. Wat de input van de computers is en hoe die input wordt verwerkt, dat weten ze niet. Dat hoort te veranderen. Toezichthouders zijn ervoor, om de competentie en de integriteit van bankiers te borgen. Niet de competenties van gisteren maar die van vandaag. Voor een internationaal systeem moeten ook internationale toezichthouders komen. Dat zijn de voorlopige lessen uit deze crisis.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geld en economie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s