Geld als facilitator van het ruilverkeer.

Wat mensen nodig hebben om van te leven zijn goederen en diensten en die verkrijgen ze door ruil. Ze bieden sommige goederen en diensten aan en krijgen er andere voor terug.
Geld is het universele ruilmiddel. Wie zijn diensten levert krijgt geld en wie goederen wil hebben betaalt geld. Maar in wezen gaat de ruil altijd om goederen en diensten en zit geld er alleen maar tussen om de transacties gemakkelijker te maken. Dat doet het op twee manieren: het maakt het mogelijk om de ruil uiteen te trekken in de tijd en het geeft de mogelijkheid om er meer partijen bij te betrekken. In plaats van twee partijen per transactie zijn het er nu in beginsel een oneindig aantal en in plaats van hier en nu is het nu en straks, misschien wel over twintig jaar en misschien wel aan de andere kant van de wereld. Dat maakt de productiviteit van iedereen die meedoet aan de geldeconomie enorm veel groter, zoals Adam Smith al vast stelde in zijn An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. Geld geeft daarnaast een gemakkelijke manier om de onderlinge ruilwaarde vast te stellen van de prestaties die bij de ruil betrokken zijn. Het is een maat van prestaties, zodat we, als iemand anders ze aanbied, niet alleen meteen kunnen weten wat we krijgen kunnen maar ook wat het ons kost. Ik kan nu mijn brood kopen en de bakker gebruikt mijn geld en dat van andere klanten om op een heel ander tijdstip meel te kopen en zo nu en dan een oven. Hij betaalt met die zelfde verkochte broden een keer per maand zijn personeel. Ik weet wat een brood kost en hij hoeveel broden hij moet geven voor een oven. Voor broden en voor ovens en voor personeel bestaan prijzen en die prijzen luiden in geld. Zij worden zo onderling vergelijkbaar. Iemand hoeft zijn koe of zijn net vol vissen er niet bij te slepen om met de bakker te gaan onderhandelen hoeveel brood hij krijgt. De bakker koopt de ene vis die hij nodig heeft niet bij mij, die aan de andere kant van het dorp woont, maar bij een visser om de hoek. Wat een brood kost staat vast en wat vissen kosten ook wel ongeveer Maar het belangrijkste blijft dat ik voor de ruil van wat ik kwijt wil niet aan die ene wederpartij ben gebonden.
Een samenleving bestaat uit mensen die voor hun overleven van elkaar afhankelijk zijn. Alles wat daar voor nodig is wordt onderling geruild[1] en door de aanwezigheid van geld kan dat allemaal anoniem. Je hoeft iemand persoonlijk niet te kennen om te kunnen beoordelen wat zijn tegenprestatie waard is, dat hebben anderen al voor je gedaan. Meestal weet je niet eens wie er nog meer bij een ruil betrokken zijn..
Dat is dus geld, een betaalmiddel. Een facilitator van het ruilverkeer. Vroeger was geld zelf een goed, dat waarde had los van zijn functie in het ruilverkeer. Meestal goud of een ander metaal. Metaal had het voordeel dat het duurzaam was en in kleine hoeveelheden al een boel waard. Goud werd op een goudschaaltje gewogen en gebruikt voor de ruil. Later kwam er een stempel op van de overheid, meestal het portret van de soeverein. Dan stond het gewicht daarmee vast en hoefde er niet gewogen te worden[2]. Dat is muntgeld.
Goud was handig. Zowel in de vorm van baar goud als van muntgeld. Het was door kooplui relatief gemakkelijk mee te nemen. Relatief, maar ook weer niet zo gemakkelijk, want je wordt kwetsbaar voor rovers als je het bij je hebt. Je kunt alleen in groepen reizen en hebt bescherming nodig van bewakingspersoneel.
Geld bestaat uit vertrouwen. Het vertrouwen dat iedereen heeft dat hij het geld dat hij van iemand krijgt kan gebruiken om elders te betalen. Geld moet gemakkelijk hanteerbaar zijn, daar is het voor. Heel veel en heel grote transacties kunnen met de moderne vormen van geld in korte tijd worden afgewikkeld en dat kan wereldwijd, dank zij de abstracte vormen die geld heeft aangenomen. Het is de bruikbaarheid overal en onder alle omstandigheden van het geld die de geglobaliseerde economie mogelijk heeft gemaakt. Maar die abstractie heeft ook zijn keerzijde.
Ooit was geld goud en moest je het bij je hebben om er mee te betalen. Goud is zwaar en ook gevaarlijk om mee te nemen. Het zou daarom mooi zijn als het goud niet mee genomen hoefde te worden maar ergens aanwezig was in de buurt van de markt en dat daar dan kon worden opgehaald als het nodig was voor een transactie. Zulke bewaarplaatsen kwamen er. Ze heetten banken. Je kon daar je goud deponeren en kreeg een bewijs ervoor waarmee iemand (of iemand anders uit zijn naam) het later weer terug kon krijgen. Dat bewijs werd op den duur zelf geld. Waarom zou je dat zware goud nog van de bank halen als met dat depotbewijs ook transacties konden worden afgewikkeld. Dan hoefde alleen de laatste handelaar die het in handen kreeg ermee naar de bank, om het goud op te halen. Op den duur haalde niemand het goud meer op en bleef het eeuwig in de bank, waar het veilig was en niemand ermee hoefde te slepen.

[1] Dat is niet helemaal waar: bijna alles. Sommige prestaties blijven buiten het ruilverkeer. Kinderen bijvoorbeeld krijgen alles wat zij nodig hebben van hun ouders.
[2] Het wegen van muntstukken verdween nooit helemaal, want je had ook valse munters: mensen die een randje van de goudstukken afsneden of zelf munten maakten van minder zuiver goud of van andere metalen. Soms maakten soevereinen zelf de vervalste muntstukken van minder gewicht. Vorstendommen die scherp toezagen op de kwaliteit, zoals de Florentijnen dat deden op hun florijnen, kregen een geldsoort die ver buiten de eigen grenzen gewild was.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geld en economie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s