Jaap Fischer.

Het Leidse studentencorps heeft meer goede dichters voortgebracht dan alle andere studentenverenigingen bij elkaar. François Haverschmidt voorop, maar ook Gerrit van de Linde, Johan Kneppelhout en Jaap Fischer. Jaap Fischer of Joop Visser is uit mijn tijd, de rest van de Leidse dichters stamt uit de negentiende eeuw. Fisher zong liedjes in plaats van gedichten in de almanak te schrijven en het aardigste daarvan vind ik die over een prinses die over de liefde droomde. Het ging zo.
Een koning had eens vijf zonen en een prinses.
Zij had goudblonde lokken
En ogen als meren die niet konden jokken.
En ze was de jongste van de zes.
En, deze prinses was huwbaar.
Vaak gingen de koning en zijn zonen vroeg op pad
Terwijl zij thuis te dromen lag te wachten op
Ze wist niet wat.
En deed ze een stap naar buiten
Dan lagen er vreemde prinsen in het gras
Vreemde prinsen te fluiten.
Die wisten allang hoe laat of het was.
De koning zei: ze kon krijgen wat ze beliefde
Ze kon vrijen met lakeien
En dan zeiden de zoons, maar dat is geen liefde.
En toen kwamen er drie mannen aan de poort om over de liefde te vertellen
En de eerste was een geleerde, De tweede was een vreemde snoeshaan
En de derde was Hans.
En de geleerde mocht beginnen:

Liefde is minnen
En samen zijn
Iets nieuws beginnen, Mijn is dijn,
Warm van binnen
Verlegenheid, samen in zee,
Geen ach, geen wee
Maar hola nee, genegenheid!
En liefde is niet houden van
Je kunt van zoveel vrouwen houwen
Je kunt met zoveel vrouwen trouwen
Als je er maar wat in ziet
Maar liefde is dat niet.
Je houdt van kip met appelmoes
En toen knikte de prinses, want ze hield ontzettend veel
Van kip met appelmoes.
En de geleerde had het over Amor en Caritas
En wat het verschil daartussen was
Over Agapè, Eros en Filia
Over een diner voor twee met dansen na
En de prinses was stil en zo luisterde ze
En toen ze wat mocht vragen fluisterde ze
En zoenen?
Zoenen staat niet in Koenen, zei de geleerde
En ging.
En toen mocht de vreemde snoeshaan
En die zei:
O, hoe bestaat het dat ik hou van een lelijke vrouw
Zo lief, zo zacht en toch zo lelijk als de nacht
Zelfs als ze lacht
O, hoe bestaat het dat ik hou
Van een lelijke vrouw
Ik sluit mijn ogen en haar hand
Sluit in mijn hand
Juist zo klein als zij moet zijn,
Precies zo fijn als zij moet zijn
Als wijn die je zacht ondermijnt, overmant
En dan weet ik dat ik hou
Van een beeldschone vrouw
Die zon verduistert, Meer zingt dan fluistert
Naar niemand luistert.
O, dan weet ik dat ik hou Van een beeldschone vrouw
Maar als ze langs sjokt Als een paard,
Als een lelijk paard
De kop omlaag, De vormeloze dijen
Die kinderen doet schreien
En schichtig springt en jachtig verder jaagt
Dan oog ik naar de vrouw an wie ik hou.
Ze komt weerom. Ik sluit mijn ogen, dat is dom.
Ik weet niet goed wat ik moet doen Met deze vrouw
Van wie ik hou.
En toen mocht Hans.
En Hans zei: Ja, ik weet het nog niet
Maar, het moet een meisje zijn Met prachtige kleren en goudblonde lokken
En ogen als meren die niet kunnen jokken
Een mond als van honing en dan weer scherp als een mes
En hopelijk is haar vader koning en zij dan prinses
Maarrr, ze moet Liesje heten.
En toen keek de prinses hem aan en zei:
Ik heet Esmeralda
Maar zeg maar Liesje.

Dat is aardig en ook nogal vernieuwend dichten en vreemd eigenlijk dat de officiële literatuurwetenschap er geen aandacht aan heeft besteed. Hij heeft trouwens meer aardig werk gemaakt, maar alleen in zijn studententijd, net als Haverschmidt, later niet meer.
Ook hett lied van die peer voor zijn raam is leuk.

Er staat een peer voor m’n raam
Pyrus Communis is z’n volle naam
Maar ik spreek hem altijd aan met peer
Dat geeft onze verhouding beter weer

Er loopt een kat langs m’n raam
Felix Manipulata Domestica is z’n volle naam
Maar ik spreek hem altijd aan met kat
Want als hij dat liever heeft dan doe ik dat

En altijd als het lente wordt
Is m’n peer zo gesloten, m’n kat vort
En waarom ik ze mis
Hoor ik pas als het lente is

Dan ga ik voor m’n geopende venster staan
En kijk m’n peer lang en zwijgend aan
Totdat zij blozend door haar bloesem zegt
“Waarschijnlijk over een week of drie
Heb ik kleine peertjes maar ‘k weet niet van wie
Vind je me erreg slecht?”

En dan komt m’n kat grijnzend bij m’n venster staan
En kijkt me handenwrijvend aan
En zegt terwijl hij lacht:
“Het zal nu vast geen drie weken meer duren
Of er zijn kleine poesjes bij al onze buren
Had je dat van mij gedacht?”

En als ik ze dan feliciteer, dan kijken ze naar mij
Dan vragen ze: “En jij, jij bent toch niet verkeerd?”
Maar als ik ze dan alles uitleg en vertel
Dan zeggen ze: “We begrijpen je wel
Wat moeilijk leven is het met een pa en een ma
Was je maar een Pyrus Communis of een Felix Manipulata Domestica”

Eendje, ga je mee?
Wat doen?
Wel, zwemmen met z’n twee
En waar?
Wel, hier en daar, ver weg van het gesnater
De zon zien ondergaan in het water
Eendje ga je mee?
En dan?
Dansen met z’n twee
Waarom?
Doe niet zo dom! Gewoon omdat wij twee…
Gewoon… Ach ga toch mee!
Eendje ga je mee?
Nee, ik ken dat. Dansen met z’n twee.
Zwemmen met z’n twee. En dan vraag jij:
“Wat dacht je van,
Rusten in het riet?”
Nee hoor, zo eendje ben ik niet.

Visser is niet helemaal zo goed als Haverschmidt, maar er zitten prima regels in zijn gedichten.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in literatuur, Nederland. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s