Vreemde groepen zijn de vijand.

Mensen en de naast verwante diersoorten, Chimpansees en Gorilla’s, leven in groepsverband. Binnen de groep bestaat een zekere structuur, een taakverdeling en samenwerking die maakt dat de groep meer is dan de optelsom van de delen. Zij stelt de leden in staat te overleven waar dat buiten de groep moeilijk zou zijn of zelfs niet mogelijk. Leden die de groep beter laten functioneren, zijn populair en hebben een groter voortplantingssucces. Voor gedragingen die het groepsleven ernstig schaden is verbanning een voorkomende straf. Verbanning uit de groep betekent in primitieve samenlevingen van mensapen en hominiden in de regel een doodvonnis, in elk geval betekent het verder geen nakomelingen. Een en ander houdt in dat op eigenschappen die iemand geschikt maken om in een groep te functioneren geselecteerd wordt. Die worden doorgegeven aan het nageslacht en het omgekeerde geldt voor antisociale eigenschappen. De relatie tussen mensen en de groep waartoe zij horen is door deze evolutie bepaald. Veel van de bij de relatie behorende gedragingen en emoties zijn instinctief en nauwelijks vatbaar voor rationele controle.

De manier waarop mensen tegenwoordig samenleven wijkt op belangrijke punten af van die waarop onze voorouders dat miljoenen jaren hebben gedaan. Een aantal overgeërfde groepsinstincten zijn daarom naar alle waarschijnlijkheid minder geschikt voor de tegenwoordige manier van leven en geen betrouwbare leidraad meer voor groepsgedrag.

Een daarvan lijkt de reactie te zijn tegen leden van vreemde groepen. Naar de manier waarop andere mensapen en met name chimpansees met vreemde groepen en hun leden omgaan is in de laatste decennia nogal wat studie verricht. Tussen groepen chimpansees die aangrenzende territoria bewonen bestaat een meer of min neutrale verhouding al naar gelang de aanwezigheid van voldoende resources in het eigen territoir. Hoewel het voor schijnt te komen dat groepen zich aaneensluiten en dan niet langer als vreemd voor elkaar gelden, is de normale verhouding toch een van concurrentie, uitgroeiend tot een van regelrechte vijandschap en oorlog, als de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Mensen hebben van nature een soortgelijke verhouding met degenen die niet tot de eigen groep behoren en die inbreuk maken op hun territoir. Maar de groepen waarin mensen leven zijn niet meer van eenzelfde omvang en samenstelling als die waarop de evolutie zijn vormende werking heeft gehad. De vijandschap die men spontaan voelt tegen vreemdelingen die zich agressief opstellen of anderszins een bedreiging worden geacht voor de eigen groep kan daarom hele andere gevolgen hebben dan vroeger, toen het de noodzakelijke functie had om mens en biotoop met elkaar in evenwicht te houden.

Mensen hebben geen natuurlijke vijanden. Hoewel ze incidenteel aan roofdieren te prooi vallen is de mens als soort niet een prooidier. Prooi- en roofdier houden elkaar ecologisch in evenwicht en maken als gevolg daarvan een gezamenlijke evolutie door. De druk die nodig is om wijzigingen in een soort tot stand te brengen komt voort uit de evolutie van de tegenstander, die voor het roofdier de beschikbaarheid van voedsel vermindert en voor het prooidier het gevaar vergroot aan het roofdier ten prooi te vallen. In zekere zin vormen roof- en prooidier een ecologische eenheid, ze evolueren tezamen of ze evolueren niet.

De mens is in een biologisch betrekkelijk korte tijd aanmerkelijk geëvolueerd. De enige denkbare tegenstander die de laatste paar honderd duizend jaar dat proces bij hem op gang kan hebben gehouden is hij zelf. Met andere woorden, concurrentie tussen groepen moet wel haast een motor van de evolutie zijn geweest en voor oorlog geschikt gedrag onderdeel van het menselijk repertoire.

Agressie in groepsverband is, als dezer theorie correct is, geen aberratie die door verkeerde soorten godsdienst of cultuur wordt veroorzaakt. Het is eerder andersom, cultuur en godsdienst zijn dan de wegen waarlangs groepen mensen met elkaar in vrede leren leven, maar ze zijn niet volmaakt en schieten onder omstandigheden te kort.

Als deze visie juist is dan zou de aandacht gericht moeten worden op de mogelijkheden de bestaande leefwijzen en godsdiensten aan te passen aan de moderne leefwijzen om zo hun biologische taak beter te kunnen vervullen.

Het is onwaarschijnlijk dat dit met de materiële in houd van en van de bestaande godsdiensten in strijd zou komen. Het functioneren van een godsdienst als olie van de samenleving is zo’n essentiële en oude functie dat geen ervan lang zou hebben kunnen overleven zonder die eigenschap.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in maatschappelijk, wetenschap en filosofie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s