Een sociaal democratisch Europa.

Europa is sinds de tweede wereldoorlog sociaaldemocratisch geweest, eerst in Nederland en de Scandinavische landen later ook in de rest van West Europa. Dat betekent niet dat er alleen maar socialistische partijen aan de macht waren of dat er altijd progressieven in de regering zaten, maar wel dat socialistische ideeën de politieke agenda bepaalden en dat de overheid langs progressieve lijnen was georganiseerd.
Onder socialistisch of progressief moet verder niet direct marxistisch worden verstaan, maar meer een mengeling van marxistische en verlichtingsideeën. De bureaucratische topdown organisatie met de centrale overheidsmacht is marxistisch, de publieke moraal van democratie en mensenrechten is Kantiaanse verlichting.
Vraag je een socialist wat hij belangrijk vindt, dan zegt hij meestal dat bij hem zorg voor de minst bedeelden en de gelijkheid in de samenleving voorop staan. In zijn ogen moet de overheid geen beperkingen erkennen in haar zorgtaak tegenover de samenleving en haar burgers.
Het zijn de progressieven die in de tweede helft van de vorige eeuw een nieuw Lumpenproletariat hebben gecreëerd en aan de belangen ervan de voorrang geven boven die van de werkende klasse en van de samenleving als geheel.
In de neoconservatieve opvatting hoort de overheid het instituut te zijn in de samenleving dat monopolistisch vrede en het recht bewaakt. In het verlengde daarvan komen bij de overheid taken terecht die onmogelijk door een andere instelling verricht worden kunnen zonder dat dit overheidsmonopoly in gevaar komt.
Dat neoconservatieven anti-overheid zouden zijn is niet waar, maar zij hebben een heel andere opvatting over de taak van de overheid dan de progressieven.
In de neoconservatieve analyse is het juist de veelvoud van ongecoördineerde en deels ook onnodige taken die de overheid op zich heeft genomen die haar efficiency ondermijnt.
De beroepsmatige en habituele misdaad is in vergelijk met eerdere periodes schrikbarend toegenomen. Een van de redenen is waarschijnlijk het taboe dat tegenwoordig rust op de doodstraf.
De doodstraf past niet in de Kantiaanse ethiek en het is sinds minister Modderman in de negentiende eeuw een onbespreekbaar onderwerp geworden in onze samenleving. Wie zich voor de doodstraf uitspreekt wordt niet van zijn ongelijk overtuigd maar buiten de publieke discussie geplaatst. Als iemand het überhaupt nog nodig vindt om tegen de doodstraf te argumenteren, dan komt hij meestal niet verder dan de constatering dat die straf onomkeerbaar is, daarmee implicerend dat andere straffen wel ongedaan kunnen worden gemaakt of dat de doodstraf voltrokken aan een onschuldige de enige manier zou zijn waarop de dood onschuldigen treffen kan.

Dat de doodstraf voor iemand als Holleeder na de Heineken ontvoering onschuldige en schuldige levens had kunnen redden is geen onderdeel van de discussie. Toch is duidelijk dat een strafrechtsysteem met een humane behandeling in de detentie en waar bovendien geen stop op zit in de vorm van de doodstraf, gedoemd is tot machteloosheid in een wereld van veelplegers zoals wij die tegenwoordig kennen.
De ontwikkelingen in de samenleving dwingen ons om de discussie over een herziening van het strafrecht te heropenen inclusief de herinvoering van de doodstraf. We moeten ons daarbij goed realiseren dat de uitsluiting van de doodstraf onderdeel uitmaakt van het verdragsrecht, zodat het voorlopig bij discussies moet blijven of dat we anders tegelijk ook ons systeem van verdragen op de helling moeten zetten.
Het taboe is een tamelijk recente verworvenheid van de westerse ethiek. In de meeste westerse landen werd de afschaffing in de tweede helft van de negentiende eeuw ter discussie gesteld en is de doodstraf als gevolg daarvan na enige tijd daadwerkelijk afgeschaft. In sommige landen bleef hij in de boeken staan, maar werd niet vaak meer ten uitvoer gebracht.
In de Verenigde Staten is de afschaffing er nooit helemaal doorgekomen, maar is ook de discussie nooit opgehouden. Voor- en tegenstanders houden elkaar daar in evenwicht. In sommige staten bestaat de doodstraf wel en in andere niet. De jurisprudentie van het Federal Supreme Court vertoont een golfbeweging, maar acht de straf per saldo niet in strijd met de Amerikaanse grondwet. Dat is onmiskenbaar een juist standpunt. Dat de oprichters van de republiek bij het maken van de grondwet de doodstraf niet hebben willen afschaffen staat wel vast.
Zoals bekend zijn de Amerikaanse grondwet en de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring de eerste politieke producten van de verlichting. De mensenrechten zoals die tegenwoordig worden belichaamd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vonden hun eerste formele uitdrukking in de Amerikaanse founding documents. Van een verzet tegen de doodstraf is daarin geen sprake en dat was evenmin het geval tijdens de Franse revolutie. Wel was er verzet tegen onnodig wrede vormen van executie in welk verband door een humane arts de guillotine werd uitgevonden.
De encyclopedie van Diderot en d’Alembert bevat omvangrijke lemma’s over het strafrecht, grotendeel gebaseerd op l’Esprit des lois van Montesquieu. De rechtmatigheid van de doodstraf staat ook daarin niet ter discussie. Er wordt niet veel meer van gezegd dan dat zij alleen voor de zwaarste categorie vergrijpen is bedoeld, de categorie misdrijven die beschouwd kan worden als aanslagen op de samenleving. Verder is men van mening dat de straf als het ware uit de aard van het delict moet voortvloeien. Iedereen was er toen nog volledig van overtuigd dat er zulke ernstige misdrijven zijn, dat alleen de doodstraf de verstoring van de rechtsorde op adequate wijze tot uitdrukking kan brengen. Als enige geeft bovendien deze staf de zekerheid dat de plegers van gruwelijke misdrijven niet opnieuw op de samenleving worden losgelaten.

Dat ook plegers van ernstige misdrijven als medemensen dienen te worden beschouwd die aanspraak kunnen maken op bescherming door de mensenrechten is een gedachte die bij de encyclopedisten nog niet leeft, ook niet bij Rousseau . In de meeste niet-westerse landen is het nog steeds heersende leer, dat wie zich door misdrijven buiten de samenleving plaatst zijn burgerlijke rechten tijdelijk of voor goed verspeelt, zoals dat voor de verlichting ook in Europa gold.
De argumenten waarmee de afschaffing werd bepleit hebben nogal gevarieerd in de loop der tijd. Hier in Nederland verdedigde minister Modderman haar omdat straf tot verbetering van dader en samenleving moest dienen en doodstraf in dit opzicht een inadequaat middel was. De Pinto, een andere bekende afschaffer kwam met een argument dat ook de handhavers wel aansprak: wat heb je er aan om de doodstraf te handhaven, maar tegelijk de uitgesproken straffen niet uit te kunnen voeren als gevolg van de grote maatschappelijke weerstand daartegen? Dat was namelijk wat er tijdens het voeren van de jarenlange discussie gebeurde: ter dood veroordeelden zaten soms tientallen jaren in dodencellen zonder dat het tot een executie kwam. In Amerika, waar de discussie voortduurt is dat nog steeds het geval.
In feite is er in het liberale gedachtegoed geen plaats voor de doodstraf, omdat aan het behoud van menselijk leven een hoge en in wezen een irrationeel hoge waarde wordt toegekend, waar geen afschuw voor welk misdrijf dan ook tegen op kon . Consequent is dat niet.

De integriteit die door de mensenrechten wordt beschermd betreft niet alleen het leven van de mensen maar ook hun geestelijke en lichamelijk vrijheid. In feite is het hele idee van vrijheidsstraf net zo goed in strijd met het liberale gedachtegoed als de doodstraf of lijfstraffen. Dat geldt met name als men in de beschouwingen betrekt dat volgens Rousseau en zijn leerlingen de mens goed geboren is maar soms door opvoeding en omstandigheden slecht wordt gemaakt. Het is de samenleving die dan schuld heeft en de dader is vaak evenzeer slachtoffer als de gelaedeerde. Het hele strafrecht is daarom eigenlijk in de moderne verlichtingsleer een anomalie.

Het is bekend dat vroeger zwervers in de wintertijd zich nog wel een met een licht misdrijf tijdelijk onderdak wilden verschaffen en er zijn vast ook tegenwoordig nog wel mensen uit verre landen die liever in een Nederlandse gevangenis zitten dan de normale levensomstandigheden thuis te moeten verdragen.

De toestand in de gevangenissen is hier beter dan in de meeste landen, maar toch zitten ook hier maar weinig mensen voor hun genoegen in de gevangenis.

Het moeilijk te verdragen element in een penitentiaire inrichting wordt niet in de eerste plaats gevormd door de bewakers of door de inrichting van de cellen en overige verblijfsruimten. Het zijn de medegevangenen die het leven moeilijk maken. Het “L’enfer, c’est les autres” geldt in een gevangenis meer dan ergens anders in de samenleving. Het is geen officieel of bedoeld element van de straf en hij werkt voor de ene gevangene totaal anders uit dan voor de andere. Sommigen gaan er onder door, soms letterlijk, in de zin dat zij in het gevang vermoord worden. Dat is hier, anders dan in de VS, een uitzondering, maar het komt voor. Anderen overleven het wel maar komen gekraakt de gevangenis weer uit, ook als zij maar betrekkelijk korte straffen hebben uitgezeten. Ook in dat opzicht zou de doodstraf voor gevaarlijke delinquenten een verlichting in houden van het regime voor andere, minder ernstige delinquenten.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in europa, geschiedenis. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s