Reviaans Nederlands.

Aan het begin van de zeventiger jaren hield ik met een paar vrienden kantoor in de Vossiusstraat, bij het Vondelpark, een van de aardigste perioden uit mijn werkzame leven. Daar hadden we een tijd lang een Engelsman over de vloer, die mij vroeg welke schrijver hij moest lezen om goed Nederlands te leren. Die heb ik toen Karel van het Reve aangeraden. Onder andere omdat ik vond dat Reviaans Nederlands het meest op Engels lijkt. Je kunt het zonder na te hoeven denken als het ware à vue vertalen. Karel van het Reve en zijn broer Gerard schrijven zulk vanzelfsprekend Nederlands dat het lijkt alsof het geen moeite kost. Dat is schijn natuurlijk. Om het precies zo te krijgen kost best veel moeite. In een van zijn zeven delen verzameld werk staat dat hij er gemiddeld anderhalve dag over deed om een stukje te schrijven. Dat betekent dat van die twaalf uur er toch wel tien worden besteed aan verbeteren, herschrijven en nadenken over wat nu precies het geschikte woord of de goeie zinswending is. Het idee voor een stukje en het opschrijven in de eerste ruwe vorm, dat is in twee uur klaar, weet ik uit eigen ervaring. Alleen, dan is het lang niet zo goed als een schrijfsel van de Van het Reves.
Hoe belangrijk hij het vindt, om te zorgen dat het helemaal goed wordt, blijkt wel uit zijn voorkeur voor schrijvers die dat ook hebben. Net als Carmiggelt en Maarten Biesheuvel heeft hij een grote bewondering voor Elsschot.[1] Hij geeft van het taalvermogen van Elsschot twee voorbeelden, een beginzin van een boek en een gedichtje. Die beginzin is
‘De Keizer was sigarenfabrikant[2]’, het begin van Kaas. De dichtregels gaan als volgt:

Laffe smeerlap met je baard,
Dor van geest maar dicht behaard,
Die ons daar staat aan te staren
Of wij huursoldaten waren.

Die voorbeelden vind ik zelf overtuigend, al zou ik niemand uit kunnen leggen waarom ik dat vind. Dat het eigenlijk lamme in plaats van laffe smeerlap moet zijn maakt het alleen maar sterker. Dat betekent dat hij uit het hoofd citeerde en het niet op heeft hoeven zoeken.
Veel schrijvers die dat kunnen, dat perfecte Nederlands schrijven, hebben we niet gehad. Douwes Dekker[3] natuurlijk en een handvol niet literaire auteurs. In mijn eigen vak hebben we mensen als Drion en Koopmans en een of twee landelijk dekens uit mijn tijd. Die schreven allemaal schitterend Nederlands, dat je voor je genoegen leest, ook al doe je dat voor je werk.
Van het Reve heeft niet alleen dezelfde soort literaire voorkeuren maar ook het soort parti pris dat ik met hem kan delen. Op Biesheuvel bijvoorbeeld is hij gesteld en niet alleen geloof ik omdat die hem ooit een droge broek heeft uitgeleend toen hij in het water was gevallen en meteen daarna college moest geven. Aan Maarten ’t Hart had hij een hekel en die lijkt precies even spontaan. Hij heeft niets met Dostojevsky als schrijver, al denkt hij dat het persoonlijk een aardige kerel moet zijn geweest maar hij heeft weer wel iets met Tolstoi en vooral met Poesjkin. Allemaal prima voorkeuren, naar mijn mening.
Wat ook zo opvalt bij Van het Reve is dat zulke totaal verschillende mensen tot zijn fanclub horen. Mensen met wie ik helemaal niks gemeen heb, maar die hem lezen vanwege het schitterende Nederlands, zoals ik zelf Jane Austen met plezier lees, al hou ik eigenlijk niet helemaal van haar Libelleverhalen.
Het is mijn idee dat veel mensen uit zijn fanclub het met de rechtse opvattingen van Van het Reve helemaal niet eens zijn, maar ik dus wel. In de tijd dat iedereen om mij heen progressief was en ik als enige vond dat we wel kruisraketten moesten hebben en dat de Amerikanen terecht de Zuid Vietnamezen te hulp waren gekomen, had ik houvast aan Karel van het Reve, een vriend op afstand.
________________________________________
[1] Zie deel vijf, bladzijde 900. Wat een schitterende nom de plume trouwens, Elsschot. Alleen daarvoor verdient een mens een prijs
[2] En niet ‘De Keizer was een sigarenfabrikant’ of ‘De Keizer fabriceerde sigaren’.
[3] En ook Constantijn Huygens (1596 – 1687) van wie het volgende versje is
Die ’t ambacht wel verstaet daer van hij leven moet,
En die ‘t, niet wel alleen, maer wel en geerne doet,
Beleeft het grootst geluck dat yemand kan begeeren.
Hij spoedt, en spoedt met vreugd, hij wint, en wint met eeren.
O aller staeten staet, daer voordeel gaet met lust,
En lof en danck met beid’ en wercken self is rust.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in herinneringen, literatuur. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s