Hoe sociaal in zijn tegendeel kan verkeren.

Minister Kamp vond indertijd het generaal pardon van 2007 een schandaal omdat daarmee veel van het werk van een eerder kabinet weer ongedaan werd gemaakt. Doel van het beleid, dat indertijd door Verdonk werd uitgevoerd, was om de wereld duidelijk te maken dat de tijd voorbij was dat een loopje kon worden genomen met de Nederlandse immigratie wetten. De bedoeling was geweest dat voortaan streng de hand werd gehouden aan de juridische procedures waarmee deze wetten moesten worden gehandhaafd. Wie eerder maar lang genoeg van alle eindeloze mogelijkheden gebruik maakte om in beroep te gaan kreeg vroeg of laat wel zijn verblijfsvergunning. Daar wilde dat eerdere kabinet een einde aan maken en precies dat werd door het generaal pardon onderuit gehaald.
De Kamermeerderheid, die het generaal pardon heeft doorgedrukt bekeek het probleem heel anders. Zij zagen een groep immigranten die min of meer door toeval buiten de boot was gevallen en waarvan achtergrond en omstandigheden maar weinig verschilden van de mensen die wel werden binnengelaten. Veel van hen hadden kinderen in Nederland gekregen en die waren intussen hier opgegroeid. Hartverscheurende tonelen waren aan de orde van de dag, als die kinderen werden uitgezet. Klas- en buurtgenoten kwamen her en der in opstand tegen het hardvochtige beleid. Gemeenten weigeren medewerking en van daadwerkelijke uitzetting kwam in de praktijk maar weinig terecht.
De twee opvattingen hebben beide recht van bestaan, maar ze zijn in de praktijk onverenigbaar. We kunnen niet tegelijkertijd de humane samenleving blijven waar iedereen ongeacht afkomst, godsdienst etc. aanspraak heeft op dezelfde behandeling en 26000 mensen, die niet juridisch maar wel feitelijk medeburgers zijn geworden, dat recht ontzeggen. Ook lijken we niet te kunnen tornen aan onze juridische procedures die in hun lange duur een garantie willen vinden voor kwaliteit.
Van de andere kant kunnen we ook niet lang een welvarende en humane samenleving blijven als we de deur wijd open zetten voor alle mensen die in hun thuisland honger en geweld ontvluchten.
Dat geldt nog eens extra als we ze zouden toestaan dat zij de manier van leven hier importeren, waarvan baarden en boerka’s het symbool zijn. Het is die manier van leven die armoede en geweld veroorzaakt in de thuislanden en die verantwoordelijk is voor de discriminatie van vrouwen en homo’s in de nieuwe Nederlandse achterstandsbuurten.
De humane samenleving die we binnen onze grenzen tot stand meenden te hebben gebracht, hoort op grond van haar eigen beginselen open te staan voor alle mensen. In de praktijk dreigt zij te bezwijken zij onder de instroom van lieden die haar beginselen niet aanvaarden, maar niettemin door de hier heersende welvaart worden aangetrokken.
Het voorbeeld van het generale pardon is illustratief voor twee problemen waar Nederland mee worstelt. Het een is een formeel probleem van wetstoepassing en het andere is het veel fundamentelere probleem van het in standhouden van een eigen Nederlandse samenleving die steeds meer op een eiland gaat lijken in een globaliserende omgeving.
Eerst het formele probleem. Wetten zijn formele regels die door de regering en het parlement worden opgesteld om een probleem of een probleemgebied te regelen waar de samenleving mee worstelt.
Als wetten er eenmaal zijn, dan zijn het niet alleen maar instrumenten om onwelgevallig gedrag te corrigeren of aan mensen die dat nodig hebben rechten te verschaffen. Wetten worden zelf onderdeel van het politieke en sociale landschap. Mensen gaan zich op nieuwe wetten instellen. Ze passen hun gedrag aan om de wet wel of juist niet op hen van toepassing te laten worden en doen dat op een manier die hun het beste past. Vaak zijn dat heel andere manieren dan de wetgever had bedoeld.
Die dubbele werking van de wetten ligt ten grondslag aan een groot deel van de problemen waar opeenvolgende regeringen de laatste halve eeuw mee te maken hebben gehad. De immigratiewetten en met name die inzake gezinshereniging zijn een goed voorbeeld. Er wordt op grote schaal misbruik van gemaakt.
De softdrugwetgeving houdt niet alleen de Nederlandse schooljeugd uit de illegaliteit, zoals de bedoeling was. Zij trekt ongewenst drugtoerisme aan uit buurlanden waar een ander beleid gevoerd wordt.
Vluchtelingen die van een vijandig regime geen reispapieren konden krijgen moeten asiel kunnen aanvragen en krijgen. Wanneer de wet eenmaal zo luidt spoelen immigranten uit landen met vriendelijker regimes massaal hun paspoorten door het toilet van het vliegtuig. Het staat wel vast dat 99% van hen nooit zonder paspoort op dat vliegtuig had kunnen stappen, maar in individuele gevallen blijkt dat onvoldoende om hun toegang te weigeren.
Met deze en andere ongewenst effecten van wetgeving wordt bij de vervaardiging te weinig rekening gehouden. Veel gevolgen zijn ook niet te voorzien, maar toch zou een vooruitziende blik en rekening houden met ongewenst onderdeel horen te zijn van iedere nieuwe wet. De ervaring dat dit maar heel ten dele lukken zal, zou een rem behoren te zijn om de overmaat aan nieuwe wetgeving die ons jaarlijks bereikt. De overheid zou veel meer bestuursmaatregelen kunnen nemen die weer aangepast kunnen worden als er praktijkervaring mee is opgedaan. Het rechtsstaat karakter van de samenleving kan bewaard blijven doordat het parlement haar controlefunctie op effectieve wijze vervult en zich over de effecten van zulk bestuur goed laat voorlichten. Het is onwenselijk dat overal formele wetten worden gemaakt waar maatregelen zouden volstaan.
Dat Nederland zich niet kan afsluiten van haar globaliserende omgeving staat wel vast. De consequentie is dat onze grenzen poreus zijn. Dat maakt weer dat immigratie onvermijdelijk is uit landen waar de welvaart achter blijft, maar waarmee de communicatie open blijft.
Onze sociale wetgeving is een uitvloeisel van de zorg die de beter bedeelden in onze samenleving voelen voor de slechter bedeelden, een zorg als het ware van de rijkere familieleden voor de armere. Dat kan zolang we onze landgenoten als verre familieleden[1] blijven zien en zolang de minst bedeelden maar een gering percentage van onze samenleving vormen. Als de samenleving zich uitbreidt tot praktisch de hele wereld en we met de arme landen een stelsel gaan vormen van communicerende vaten, dan is een dergelijk sociaal systeem niet langer houdbaar. Het gaat dan onvermijdelijk aan de toestroom ten gronde. Niet alleen zijn onze eigen armen daar dan de dupe van, maar ook voor de toestromers is het nut dan maar beperkt en tijdelijk.

[1]De sociaal democratie hield in dat ons land zich in de tweede helft van de vorige eeuw zag als één grote familie, waarvan de overheid als vader en moeder fungeerde.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in ideologie, Nederland, overheid. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s