De Van Brunschot bundel.

In de Van Brunschot[1] bundel staat een artikel van Cornelisse waar ik wat nader op in wil gaan. Het gaat over goodwill en is van de hand van R.P.C. (Rob) Cornelisse.
Goodwill is de contante waarde van de toekomstige kasstromen van een onderneming verminderd met het eigen vermogen. Het eigen vermogen moet worden berekend aan de hand van de waarde die de vermogensbestanddelen hebben in het economisch verkeer. Veel meer valt er in wetenschappelijk opzicht eigenlijk niet over goodwill te zeggen. Als goodwill het resultaat is van contractsonderhandelingen is het een kwestie van rekenen. Wat je over houdt na aftrek van het eigen vermogen is de goodwill waar partijen het over zijn eens geworden. Het berekenen van goodwill louter op grond van huidige performance en van toekomstverwachtingen is koffiedik kijken. Omdat goodwill toekomst gericht is, is het als begrip onderdeel van de vraag hoe er in het recht moet worden omgegaan met onzekere toekomstige factoren. Een deelonderwerp is het probleem van de in de tijd afnemende onzekerheid. Wie over het onderwerp gaat promoveren hoort op al die aspecten in te gaan, zou je zeggen, of hij komt met zich zelf in de knoop.

Waarom heeft Cornelisse, die toch geen domme man is, dat dan niet gedaan? Ik denk dat een passage uit zijn bijdrage aan de Van Brunschot bundel dat raadsel op kan lossen. Ik citeer:

“Voor wat betreft de behandeling van het meegekochte dividend is het in beginsel zo dat het belasten van het meegekochte dividend in het huidige stelsel leidt tot vervroeging van de op basis van de aanmerkelijk belangregeling te belasten voordelen doch niet tot een vermeerdering van de te belasten voordelen. Ik gebruik nadrukkelijk het woord beginsel omdat de vervroegde heffing over het meegekochte dividend kan leiden tot een op een later tijdstip geleden(te verrekenen) verlies, dat, onder invloed van de beperkingen die verbonden zijn aan de verrekening van verliezen uit aanmerkelijk belang ( in de vorm van achterwaartse verliesverrekening van drie jaar én de beperking van de zogenaamde belastingkorting ex art. 4.53 Wet IB 2001 tot een verrekening met de over box-1 verschuldigde inkomstenbelasting ( en premies volksverzekeringen)), effectief niet tot een belastingvermindering hoeft te leiden.

Bij de behandeling van winstbonusaandelen in het kader van de aanmerkelijke belangregeling kan nog worden opgemerkt dat winstbonusaandelen uitgereikt aan aandeelhouders die een aanmerkelijk belang houden in een fiscale beleggingsinstelling wèl als reguliere voordelen worden aangemerkt. De ratio legis van deze bepaling is dat op deze wijze wordt voorkomen dat heffing over de op basis van de uitdelingsverplichting uitgekeerde winst zou worden gefrustreerd indien aan de uitdelingsverplichting zou worden voldaan door uitreiking van winstbonusaandelen”.

Dat zijn vier zinnen en alleen wie nourri is dans le sérail kan ze lezen. Dat geldt dan nog eens extra voor de door mij onderstreepte zin. Wat in de geciteerde passage staat zou ik, als ik het aan leken uit moest leggen, als volgt formuleren:

Een kenmerk van de nieuwe aanmerkelijk belang regel is dat vermogenswinsten en dividenden op dezelfde manier worden belast. Het maakt niet meer uit of je je voordeel pakt door dividend te krijgen of door je aandeel te verkopen. Als een bonusaandeel wordt belast, dat ten laste van de winstreserves wordt uitgekeerd dan kan mettertijd, wanneer het nieuw verworven aandeel weer verkocht wordt, de nu belaste waarde als verkrijgingprijs worden afgetrokken. Het resultaat van het belasten van bonusaandelen is dus vervroeging van de heffing. Men had ook niet kunnen heffen en dan was alles weer op zijn pootjes terechtgekomen bij de latere vervreemding.
Daar op bestaat een uitzondering, namelijk wanneer de waarde van het bonusaandeel na de uitkering niet toeneemt maar afneemt zodat er een verlies ontstaat bij de latere vervreemding. Er is wel een regeling voor verliescompensatie in die gevallen maar die regeling vertoont gaten.

De tekst van Cornelisse is vollediger, omdat er onderdelen in staan die ik voor leken weg zou laten, maar zij is toch vooral onnodig onbegrijpelijk geformuleerd.

Ik heb geprobeerd of ik met de tekst van Cornelisse een zelfde resultaat kon bereiken qua begrijpelijkheid door het weglaten van overbodige of niet te begrijpen zinsdelen en het toevoegen van een minimum aan extra woorden. De tekst zou dan luiden als volgt:

“Het belasten van het meegekochte dividend in het huidige stelsel leidt tot vervroeging van de te belasten voordelen doch in de regel niet tot een vermeerdering van de heffing. De vervroegde heffing over het meegekochte dividend kan echter leiden tot te verrekenen verlies. De beperkingen, die verbonden zijn aan de verrekening van verliezen uit aanmerkelijk belang (de achterwaartse verliesverrekening tot niet meer dan drie jaar én de beperking van de zogenaamde belastingkorting ex art. 4.53 Wet IB 2001) brengen mee dat de verliesverrekening c.q. de belastingkorting effectief niet tot een belastingvermindering hoeft te leiden.
Verder kan nog worden opgemerkt dat winstbonusaandelen uitgereikt aan ab-aandeelhouders in een fiscale beleggingsinstelling wèl als reguliere voordelen worden aangemerkt en daarop geleden verliezen nooit tot een verliesverrekening leiden. De ratio van deze bepaling is dat de uitdelingsverplichting zou worden gefrustreerd indien daaraan zou kunnen worden voldaan door uitreiking van winstbonusaandelen en dat dit op deze wijze wordt voorkomen’.

Het blijft volgens mij moeilijk te begrijpen. Wie als ab aandeelhouder in een beleggingsinstelling bonusaandelen krijgt zit in hetzelfde schuitje als een gewone ab aandeelhouder. Wanneer hij de bij uitdeling betaalde belasting over de fictieve fiscale winst niet terugkrijgt wordt die net zo goed dubbel belast als de winst voor realisatie blijkt te zijn verdampt en het verlies niet kan worden verrekend. Wil de wetgever geen uitdeling in de vorm van bonusaandelen dan kan hij die verbieden op straffe van verlies van status. Simpel genoeg en het blijkt daarom een wetsbepaling te zijn die niet echt een fatsoenlijke ratio lijkt te hebben.

Ik denk dat Cornelisse als hij zich aan zou wennen om kortere en begrijpelijke zinnen te schrijven zelf beter zou begrijpen wat hij bedoelt en dit soort fouten ook gemakkelijker zou onderkennen.

[1] Frank van Brunschot was mijn collega proximus op de universiteit en mijn compagnon in een aantal maatschappen, waaronder het tegenwoordige Price Waterhouse Coopers

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in recht, zo maar wat. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s