Over de adel in Nederland.

Het bestaan van de adel als stand is een overblijfsel uit de middeleeuwen. Het woord stand komt uit die zelfde tijd en is mee veranderd. Een heer of dame van stand is niet langer iemand met privileges die hij of zij bij de geboorte heeft meegekregen, maar iemand tegen wie door anderen wordt opgekeken, omdat men hem deftig vindt.
West Europa ontwikkelde na de val van het Romeinse rijk drie standen, de adel, de geestelijkheid en de rest. De adel vormde het bestuur, het leger en was de drager van de dominante cultuur. Zij bestond uit Germaanse veroveraars en Romeinse grootgrondbezitters. Ongeveer rond de tijd van Karel de Grote hadden zich de nieuwe verhoudingen uitgekristalliseerd en was de driedeling wet geworden. In de landen ten Oosten van de Rijn waar de Romeinen niet geweest waren, volgde men de maatschappelijke ontwikkelingen elders.
Wanneer men het in de Merovingische tijd over de Franken had, had men het over de adel. De geestelijkheid was een ‘hulpstand’, de derde stand speelde geen rol, die maakte eigenlijk geen deel uit van het Frankische volk. In de ogen van de adel stonden de lieden van de derde stand tussen het vee en de echte mensen in. De echte mensen, dat was de adel. Er was wel nog een ander soort tussencategorie, die je bijvoorbeeld bij ons in Friesland wel tegen kwam: vrije mensen die nooit in de adelstand waren verheven, maar toch aan niemand horigheid verschuldigd waren. Europees gezien waren dat uitzonderingen.
De geestelijkheid voerde de administratie (klerken) en zij bediende Gods woord. Zij hield daarmee de samenleving in stand. De koning of keizer, die in zekere zin een stand op zich zelf was, vormde de sluitsteen van deze samenleving. Tezamen met de paus van Rome was de keizer de plaatsvervanger van de godheid op aarde. De geestelijkheid was een open stand, iedereen kon geestelijke worden, iedereen die Latijn kon leren lezen en schrijven. De hoogste geestelijkheid kwam vaker voort uit de hoge adel naarmate de macht aanzien en rijkdom van kloosters en kerken groeide, maar dat is nooit geformaliseerd. In beginsel kon de zoon van een schapenboer of timmerman paus van Rome worden. Alleen, het gebeurde eigenlijk nooit.
De derde stand die later de burgerlijke werd genoemd bestond oorspronkelijk uit horige boeren en ambachtslieden. Horig wilde vooral zeggen dat ze op hun plek moesten blijven en dat een deel van wat ze produceerden aan de plaatselijke edelman toekwam, die eigenaar was van de grond en die – wat belangrijker was – bescherming bood bij aanvallen van binnenlandse en buitenlandse rovers.
Bij de opkomst van de steden in de elfde eeuw veranderde de positie van de horigen en indirect die van de adel (stadslucht maakt vrij!). Welgestelde burgers uit de steden werden de dragers van de cultuur en aan het einde van de middeleeuwen, in de nieuwe tijd, raakten adel en burgerij, hof en steden met elkaar vervlochten. Maar de functie van de adel als de wettelijke top van het bestuur en van het leger bleef tot aan de Franse revolutie gehandhaafd.
In Groot Brittannië gold dat meer nog dan op het continent, doordat daar de adel een open stand vormde, waarin iedere generatie verdienstelijke leden van de burgerij werden opgenomen. Op het vaste land bleef de adel veel meer een gesloten stand en moest de burgerij zich uiteindelijk door revolutie een plaats veroveren aan de top van de samenleving.
In Noord Nederland heeft de adel altijd een minder belangrijke rol gespeeld dan in andere Europese landen. Waarschijnlijk hadden de bewoners van de moerasgebieden minder reden om zich onder de bescherming van een sterke buurman te plaatsen om zich zo Vikingen, Hongaren en roofridders van het lijf te houden. In de vroege middeleeuwen was dat in West Europa de belangrijkste reden voor het ontstaan van adel en horigheid.
In de veertiende en vijftiende eeuw is overal in Europa de adel gedecimeerd in de oorlogen die overal op het continent plaats vonden. In Frankrijk heette dat de honderdjarige oorlog en hier in Nederland werden ze de Hoekse en Kabeljauwse twisten werden genoemd. Voor Noord West Nederland betekende het zo goed als het einde van de adel als functionele stand. Het grootste deel van de adel van tegenwoordig is door Willem I gecreëerd uit de regentenfamilies van de Republiek of bestaat uit import uit het buitenland. De van Wassenaars en nog vijf andere families vormden in 1700 het laatste restant van de oude Hollandse adel. De rest was uitgestorven of naar het buitenland verdwenen. De Oostelijke en Zuidelijke provincies van ons land volgden het buitenlandse patroon, maar hun invloed op de gang van zaken in Noord West Nederland is altijd nogal beperkt gebleven.
De Nederlandse adel heeft in Nederland gefungeerd in de diplomatieke dienst, in de rechterlijke macht en de hogere bestuursfuncties. Daarnaast ook in een beperkt aantal vrije beroepen, met name in de advocatuur. Sinds de negentiende eeuw zag men lieden van adel ook in het grote bedrijfsleven, maar meer als heren van stand dan omdat hun adellijke hoedanigheid iets toevoegde aan de kwalificaties voor de betrokken functies. Adel is in Nederland een versiering, die door de betrokkenen zelf op hoge prijs wordt gesteld en door buitenstaanders met waardering wordt bekeken vanwege de goede manieren en de plichtsbetrachting die er vaak mee gepaard gaan. Maar als machtsfactor heeft het hier geen betekenis en die heeft het in feite ook nooit gehad.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in beschaving, geschiedenis, Nederland. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s