Mijn beroepsverleden.

Eind zestiger, begin zeventiger jaren hield ik met een compagnon kantoor op een adres in de Vossiusstraat, waar hij toen ook woonde met zijn jonge gezin. We werkten in het begin met zijn tweeën en een secretaresse. Een jaar later kwam daar iemand bij en daarna was er een groeiend aantal andere medewerkers, waardoor we in 1973 gedwongen werden om of te verkassen of te fuseren. Het werd te klein. We hebben toen gekozen voor fuseren met Moret Gudde Brinkman, een groot belastingadvieskantoor dat tegenwoordig onderdeel van Ernst & Young is.
Die eerste tijd in de Vossiusstraat, toen we allebei net weg waren uit een veel groter kantoor en voor het eerst baas in eigen huis, dat was, als ik er nu op terug kijk, wel een erg leuke tijd. Zoiets blijft natuurlijk niet, want je groeit. Er ontstaat een organisatie en er komen zorgen, maar die eerste paar jaren zijn me bij gebleven als de aardigste uit mijn beroepscarrière. Daarom is het misschien maar goed dat we er zo snel en rigoureus een einde hebben gemaakt want zo blijft de herinnering en dat neemt niemand je dan af.
Mijn compagnon en ik kenden elkaar van de universiteit waar we allebei werkten voor de fiscalisten Arnold van den Tempel en Jan van Soest. Van Soest meende dat mensen geen belastingrecht konden doceren als ze niet eerst in de belastingpraktijk hadden gewerkt en hij liet ons solliciteren voor een deeltijdbaan bij Loyens en Volkmaars, waar hij goede connecties had. Maar Loyens voelde niets voor deeltijdbanen en ze hadden daar bovendien archaïsche ideeën over wat jong afgestudeerden moesten verdienen. Zo zijn we toen allebei ergens anders terechtgekomen. Mijn compagnon bij een kantoor dat nauwe banden onderhield met het accountantskantoor dat de poëtische naam had van Van Dien, Van Uden, Besançon Koppenberg en Co. Ik ging naar Albert van Keulen, de zoon van een vuurtorenwachter op Vlieland, die een klein internationaal advieskantoor had, dat samenwerkte met een accountantskantoor met de veel prozaïscher naam: de Verenigde Accountantskantoren. Beide kantoren zijn intussen met elkaar gefuseerd en heten nu Price Waterhouse Coopers.
Ten tijde van ons gezamenlijk adviesbureau werkte mijn compagnon nog op de universiteit, ik al een paar jaar niet meer. We hadden ons gespecialiseerd in het internationaal belastingrecht. Dat was indertijd nog vrij uitzonderlijk. Van de grote kantoren had alleen Loyens een aparte internationale afdeling en voor de rest deed de belastingwereld het internationale vak er maar zo’n beetje bij. Ook in het onderwijs was Van den Tempel[1] in Amsterdam eigenlijk de enige[2] die er zijn hoofdwerk van had gemaakt. In Amsterdam had je toen ook al het IBFD, dat toen nog het Internationaal Belastingdocumentatiebureau heette en net verhuisd was naar de Muiderpoort[3].
Onze cliënten waren voor een buitenlanders die zaken deden in Nederland en dat was aardig. Maar ook voor een deel Nederlanders die om fiscale redenen naar het buitenland wilden verhuizen en dat was minder leuk. We hadden in een onbewaakt ogenblik een interview aan de Telegraaf gegeven over de problemen die verbonden waren aan de fiscale emigratie en die krant had daar tot onze verbazing een paginagroot artikel van gemaakt. Dat gaf een stroom zaken, hoofdzakelijk mensen die naar de Côte d’Azur of naar Zwitserland wilden. Over het algemeen rijke lieden die niet zozeer kwamen met een fiscaal probleem waarvoor ze assistentie zochten. Meestal was het een simpel verzoek om er voor te zorgen dat ze links om of rechts om minder belasting gingen betalen. Ze hadden behalve hun emigratie vaak weinig meer om handen en waren daarom een extreem bewerkelijk soort cliënten. Allemaal dachten ze dat hun situatie uniek was, maar in feite was het iedere keer hetzelfde liedje dat we zingen moesten.
Moret raakte geïnteresseerd in ons kantoortje omdat ze in navolging van Loyens een internationale afdeling wilden opzetten. Zij meenden dat een jong kantoor als kern voor de nieuwe afdeling aantrekkingskracht zou hebben. Niet alleen op cliënten maar ook de jonge mensen van de universiteit die het zouden moeten bemannen. Dat was strategisch goed van ze gezien. Moret Gudde Brinkman International groeide als kool en was in vijf jaar tijd op het gebied van het internationaal belastingrecht vergelijkbaar met Loyens. We hadden bovendien in die periode met behulp van de Moret organisatie een reeks van kantoren in het buitenland gekregen. Of die groei te snel was geweest of dat MGBI qua bedrijfscultuur te veel verschilde van de rest van de Moret organisatie, dat moet hier in het midden blijven, maar aan het einde van de zeventiger jaren spatte de MGBI organisatie uiteen. De wegen van mijn compagnon en mij hebben zich toen gescheiden. Ik kwam via een eigen kantoortje op de Herengracht terecht op de Weteringschans bij Houthoff, dat nu Houthoff Buruma heet. Hij kwam een jaar of wat later bij Stibbe terecht op het Rokin. Maar aan de Moret jaren bewaar ik goede herinneringen, onder andere ook aan de onverstoorbaarheid, waarmee mijn compagnon alle integratieproblemen over zich heen liet komen, die mij zo op de zenuwen konden werken. Dat kon hij misschien ook daarom wat gemakkelijker doen dan ik omdat hij naast Moret nog de universiteit had waar hij wat op adem kon komen.
In feite was hij het beste soort compagnon, dat iemand zich wensen kan. Ik kan me niet herinneren dat we ooit langer dan vijf minuten nodig hebben gehad om onderlinge problemen op te lossen, als die er al eens waren. Hij was daarnaast een geweldige rainmaker, wat ook een prettige eigenschap is van partners. Ging hij een middagje golfen, wat je kunt doen als je je eigen baas bent, dan kwam hij steevast terug met nieuwe zaken.
We waren een klein kantoor en onze cliënten verwachtten van ons kleine adviezen. We stelden er daarnaast ook een professionele eer in om onze adviezen kort te houden. Dat kostte wel eens erg veel werk, want lange adviezen schrijven is een stuk gemakkelijker. Maar die dingen moesten te lezen blijven, vonden we, met name ook door de cliënt voor wie ze waren bedoeld.
Dat was een van de punten waarop onze bedrijfscultuur afweek van die van Moret. Daar hadden ze de ervaring dat er gemakkelijker betaald werd voor dikke en moeilijker leesbare adviezen.
Iedereen krijgt op den duur de cliënten die bij hem passen, dat is logisch. Wij hadden heel trouwe cliënten. Op de vele afscheidsfeesten die voor en door hem werden georganiseerd toen hij uit de praktijk vertrok en naar de Hoge Raad ging, heb ik er nogal wat teruggezien die uit onze gezamenlijke tijd stamden in de Vossiusstraat. Die mensen waren trouw, want dat was mijn compagnon zelf ook.
Dit stuk is bedoeld voor een liber amicorum en behalve herinneringen hoort daar wetenschap in te staan. Daar heb ik een probleem mee, want de universiteit heb ik eind zestiger jaren verlaten en de belastingwereld heb ik in 1981 ingeruild voor de advocatuur. De belastingen als wetenschap heb ik daarom niet zo bijgehouden. Maar reageren op wat ik links en rechts over belastingrecht lees doe ik nog wel eens, zij het meestal niet in druk en om daar weer eens de gelegenheid toe te krijgen zie ik als een eer en een genoegen.
Een van de fiscale onderwerpen die met regelmaat de publiciteit haalt en waar ik om die reden nogal eens bij stil sta, is de hypotheekaftrek. De discussies daarover heb ik altijd nogal onbegrijpelijk gevonden.
Het is immers van tweeën een: of het bewonen van een eigen huis is belastbaar als een vorm van inkomen in natura of het bewonen van het eigen huis is evenmin belastbaar als het rijden in een eigen auto of het dragen van de eigen kleren. In het eerste geval zouden de inkomsten gelijk behoren te zijn aan de marktwaarde, d.w.z. aan een normale huuropbrengst. Economisch is er dan geen enkele reden waarom de hypotheekrente niet aftrekbaar zou zijn, net als andere kosten die gemaakt moeten worden voor het verwerven van inkomsten[4]. Wordt de bewoning van een eigen huis niet als een vorm van inkomen beschouwd, dan is er ook geen reden voor aftrek van de kosten. De hele heisa om de hypotheekaftrek is het gevolg van een overheid die van twee walletjes wil eten. Wel inkomsten belasten, zij het in een gematigde (forfaitaire) vorm, maar niet de bijbehorende aftrek gunnen onder het motto dat het teveel kost of dat de administratieve rompslomp te groot wordt. Waarom niet gewoon het forfait afschaffen voor het bewonen van het eigen huis en dan ook de hypotheekaftrek? Veel simpeler. Natuurlijk heeft ook dat inkomenseffecten en zal het niet van de ene dag op de andere kunnen, maar men heeft dan tenminste de redelijkheid aan zijn kant.
De gedachte overigens dat wie zijn kosten aftrekt door de overheid gesubsidieerd wordt, is wel wijd verbreid, maar eigenlijk nogal raar. En daarnaast ook de gedachte dat de overheid je meer subsidieert naar gelang je meer inkomen hebt en daarom meer belasting betaalt. Waarom dat idee een zo algemene ingang heeft kunnen vinden is mij altijd een raadsel gebleven.
De hele gedachte van tax expenditure·, d.w.z. kostenaftrek die gelijk te stellen is aan een subsidie van de overheid, komt voort uit verkeerd begrepen wiskunde. Zij berust in wezen op de misleidende gedachte dat het hele nationale inkomen aan de overheid toekomt en dat alles wat bij de burger minder wordt weg belast dan honderd procent eigenlijk een cadeautje is van de regering. Dat is niet zo. De overheid krijgt van de burgers een deel uit hun inkomen of vermogen voor de noodzakelijke collectieve[5] uitgaven en dient op dat geld als een goed huisvader te passen.
De overheid heeft er moeite mee, om zich als een goed huisvader te gedragen met de inkomsten die zij onder de naam belasting en een aantal andere namen bij de burger weghaalt. Dat blijkt onder meer uit de wijzigingen die het fiscale systeem heeft ondergaan sinds wij in de jaren zestig in dat vak tentamen deden en toen we daarvoor nog konden volstaan met het bestuderen van het bekende handboek Van Soest en Van Soest. Wij leerden dat belastingen werden geheven naar beginselen van rechtvaardigheid, en dat daarbij een centrale plaats toekwam aan de inkomstenbelasting die naar draagkracht werd geheven. Dat systeem is ooit in ons land ingevoerd door minister N.G. Pierson, die daarbij Duitse en Britse voorbeelden volgde. Wie de memorie van toelichting van deze minister – of nog beter, zijn leerboek voor de economie – erop naslaat herkent in het redelijke en afgewogen systeem van de gemeentelijke inkomstenbelasting weinig meer van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Wat er aan rechtvaardigheid in de oorspronkelijke verdeling zat is eerst opgeofferd aan ideologische opvattingen over een rechtvaardige samenleving[6] en later aan de efficiency van D.G. ’s als Boersma en Van Lunteren en van staatssecretarissen als Vermeent. Het is nu vlees geworden noch vis. Als efficiency de leidende gedachte is in het belastingrecht zou efficiency ook het systeem dienen te bepalen en dat doet het natuurlijk nog steeds helemaal niet[7].

Overigens was ook in de jaren vijftig en zestig de discussie over de rechtvaardigheid van de belastingen levendig en de roep om efficiency groot. Belastingen drukken immers niet altijd op de degene voor wie ze zijn bedoeld en voor zover ze daar niet terecht komen is het moeilijk vast te stellen of de verdeling wel rechtvaardig is. De BTW is bedoeld als een consumentenbelasting en de IB als een persoonlijke belasting. De inkomstenbelasting is voor U bedoeld en die betaalt U ook zelf, maar de winkelier en de ambachtsman dragen de BTW alleen maar af aan de belastingontvanger. Ze dragen hem niet zelf, maar berekenen hem door in de consumentenprijzen. De consument voelt hem. Dat is goed te zien bij een BTW verhoging, dan horen de prijzen meteen en over de hele linie omhoog met een percentage dat van de BTW verhoging is afgeleid, hetzelfde percentage bij iedere kruidenier en loodgieter[8].
Zo zou het moeten zijn, maar zo is het in de praktijk niet. Sommige winkeliers maken van de gelegenheid gebruik om ook andere kosten door te berekenen en andere zijn bang voor klantenverlies en nemen de BTW verhoging voor eigen rekening.
In Amsterdam was vroeger een meubelmaker die met kop en schouder boven de anderen uitstak. Iedereen die het zich kon veroorloven kocht zijn kasten bij hem. Die man was een kunstenaar en wilde een vast netto bedrag per jaar verdienen. Hij werkte daarom een vast aantal uren per jaar en als de inkomstenbelasting of andere kosten van levensonderhoud omhoog gingen verhoogde hij zijn prijzen. Als ze omlaag gingen, wat niet zo vaak gebeurde, werkte hij wat minder of verlaagde zijn prijzen. Ik weet dat want zo heeft hij het me zelf ooit uitgelegd. Dat zou niet moeten kunnen met de I.B., heb ik hem toen verteld, want dat was geen afwentelbare belasting, maar het gebeurde. CAO werknemers kijken naar wat ze netto verdienen en de verhoging van premies of belastingen is daarom een element in loononderhandelingen.
Loonbelasting is een vorm van IB en uit het feit dat de overheid in haar functie van heffer van loonbelasting en premie eigenlijk altijd partij is bij loononderhandelingen mag U afleiden dat die loonbelasting geheel of ten dele wordt afgewenteld. Afwenteling betekent dat die belasting uiteindelijk gedragen wordt door de werkgever en diens afnemers en niet door de werknemers.
Loonbelasting en BTW zijn met afstand de belangrijkste belastingen voor de schatkist. Beide worden geheven[9] bij het bedrijfsleven en komen terecht in de prijzen. Dat geldt niet voor de BTW op exportgoederen, die daarom als een exportsubsidie kan gelden, maar voor de binnenlandse BTW en de loonbelasting geldt het wel. Zoals U weet is vooral de loonbelasting een heel ingewikkelde belasting en dat geldt nog meer voor al de verschillende premies die worden afgedragen voor werknemers en die in veel opzichten met de loonbelasting gelijk te stellen zijn. De kosten die het bedrijfsleven moet maken en trouwens ook de fiscus en degenen die verder de premies innen, zijn echt heel groot, zij vormen een meetbaar percentage van het nationaal inkomen. Niemand heeft er wat aan. Zou er niet veel voor te zeggen zijn om de premies en de loonbelasting sterk te vereenvoudigen door er bedrijfsbelastingen van te maken en de inkomstenbelasting af te schaffen? Mensen die niet in loondienst zijn gelden allemaal als in dienst bij zich zelf en krijgen een overeenkomstige aanslag bedrijfsheffing (loonbelasting en premieheffing). De mensen niet in loondienst, dat zijn over het algemeen de hogere inkomens, want de lagere inkomens hebben vrijwel altijd een baan of een uitkering. De tariefopbouw kunnen we daarom afschaffen en ook de boxen kunnen de deur weer uit. Hoogstens nog een verlaagd tarief voor de marginale bedrijven en dat is dat.
Natuurlijk, er zullen wel weer mensen zijn die er op achteruit gaan, want dat is niet te vermijden, maar denk eens aan de voordelen. De hele ingewikkelde belastingwetgeving weg! Een groot deel van de belastingconsulenten en van de belastinginspecteurs gaat nuttige dingen doen. Perceptiekosten verdwijnen voor het merendeel, maar vooral het grote verschil tussen netto-inkomsten en loonkosten verdwijnt, of liever gezegd wordt irrelevant[9]. Voor in dienst genomen mensen met een uitkering en voor schoolverlaters wordt pas loonheffing afgedragen als ze na twee jaar nog in dienst zijn en productief geworden zijn, zodat het economisch ook kan. Illegale werknemers bestaan niet meer. Hoogstens werkgevers die niet voor alle werknemers afdragen. Dat alles niet meer herleid hoeft te worden tot individuen met allemaal privé omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen, wat een verschil[10] zou dat zijn!
Mensen die er onduldbaar op achteruit gaan worden geholpen via de bijstand en de sociale dienst. Dat is een voorbijgaand probleem en een betaalbare prijs voor de vooruitgang[11].

[1] Hij was als eerste voorzitter van de fiscale commissie van de OESO in zekere zin de schepper van het internationaal belastingrecht; beter hadden wij het als zijn medewerkers niet kunnen treffen.
[2] De enige maar niet de eerste. Adriani was hem als hoogleraar belastingrecht voorgegaan en de Rotterdamse hoogleraar Bruins geldt ook als een van de grondleggers van het vak in Nederland.
[3] Voor die tijd zaten ze ergens aan de Keizersgracht als ik mij goed herinner, maar niemand ging er eigenlijk heen. De bibliotheek was onbruikbaar doordat de catalogus in het ongerede was geraakt en de boeken, die op formaat i.p.v. op alfabet waren gerangschikt, konden alleen bij toeval worden teruggevonden. Het heeft ook op de Muiderpoort nog jaren geduurd voor de catalogus weer op orde was en het Bureau haar succesvolle rol als internationale stageplaats en uitgever in het internationale belastingrecht kon beginnen. Tegenwoordig zit het bureau ergens in Diemen Zuid. U ziet het liggen als U met Uw auto uit Utrecht komt en de ringweg neemt richting Zaandam.
[4] Ook andere kosten zijn intussen fiscaal voor huiseigenaren niet meer aftrekbaar, maar dat doet aan het principe niet af.
[5] Onder noodzakelijke collectieve uitgaven dienen ook de overdrachtsuitgaven te worden verstaan aan medeburgers die om een of andere reden niet meer in staat zijn voor zich zelf te zorgen, maar we praten dan over een gering percentage van de bevolking. Wanneer zoals in Frankrijk bijna 50% van de bevolking direct of indirect voor haar inkomen afhankelijk is van de overheid dan is er van vrije burgers geen sprake meer en in wezen dus ook eigenlijk niet meer van democratie.
[6] Van den Tempel, die van afkomst en overtuiging een socialist was, meende dat rechtvaardigheidsbeginselen in het belastingrecht niet thuis hoorden, zolang dat recht moest worden toegepast in een onrechtvaardige samenleving.
[7] Niemand heeft bij mijn weten ooit een grondig onderzoek gedaan naar de perceptiekosten van de belastingen. Niet alleen de kosten die de overheid moet maken voor de heffing, maar ook die van het bedrijfsleven en de privépersonen, waarbij dan buiten beschouwing zouden kunnen blijven de kosten en verliezen die ontstaan doordat mensen hun economisch gedrag door de belastingheffing in negatieve zin laten beïnvloeden.
[8] Te weten met het percentage dat de BTW verhoging uitmaakt van de nettoprijs ex-BTW.
[9] Het verschil tussen wat een werknemer “mee naar huis neemt” en wat een werkgever moet afdragen is erg groot en is tezamen met de ingewikkeldheid van de administratie een van de belangrijkste oorzaken waarom het zo moeilijk is om in Nederland nieuwe bedrijven met werknemers te starten.
[10] Vroeger verbonden we aan de persoonlijke omstandigheden alle consequenties die passen bij een persoonlijke belasting naar draagkracht. Persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en schenkingen waren aftrekbaar en kosten werden niet tot het belastbare inkomen gerekend. Dat is al lang niet meer zo. Aan alle kanten zijn aftrekken afgeschaft en wordt er met forfaits gewerkt. De overstap naar een systeem waarin de individuen en hun omstandigheden geen rol meer spelen is daarom niet zo groot meer.
[11] De sociale diensten zullen misschien overbelast raken, maar die zouden tijdelijk bemand kunnen worden met bekwame ambtenaren die elders overbodig zijn geworden.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in herinneringen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s