Een verkeerde weg.

U herinnert zich misschien dat Jort Kelder de advocaat van Wilders wegens diens eerdere verdediging van Holleeder een beroepsleugenaar en een mafiamaatje had genoemd. Aanleiding tot die scheldpartij was dat Moszkowicz zich liet betalen met misdaadgeld. Op 30 mei 2007 stond er een artikel over in De Volkskrant naar aanleiding van het arrest dat het Amsterdamse Hof wees in de zaak Moszkowicz-Kelder.
Het ging de auteur Nico Meijering om de overweging van het Hof dat het geen persoonlijke diskwalificatie inhoudt om een strafrechtadvocaat een beroepsleugenaar te noemen. Kennelijk, zei Meijering, is dat de manier waarop rechters in raadkamer over strafrechtadvocaten denken. Hij vond de uitspraak een nieuwe stap in de verruwing van de verhoudingen in het strafproces. Had hij gelijk?
In de eerste plaats is het de vraag of er in het paleis van justitie in het algemeen zo over strafrechtadvocaten gedacht en gesproken wordt en zo ja, dan is de tweede vraag of dat terecht gebeurt en in de derde plaats komt dan de vraag of dat een verdere stap is in de verruwing van de strafrechtmores.
Ik vermoed dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord. Ik denk dat behalve rechters en officieren ook de media en het publiek op die manier over advocaten denken, want het verschil tussen strafpleiters en andere advocaten wordt in het algemeen niet zo gemaakt.
Advocaten hebben de plicht om geheim te houden wat hun door cliënten wordt toevertrouwd en vaak houdt dat in dat zij niet de volle waarheid kunnen spreken. Dat is wat Meijering ook beweert. Hij zelf werd in de tijd dat hij dat stuk schreef tweemaal door een rechter gedwongen om een verklaring af te leggen in strijd met zijn geheimhoudingsplicht en dus ook in strijd met zijn verschoningsrecht. Hij beschouwde dat als een beroepsfout van de rechters in kwestie en heeft het ervaren als een aantasting van zijn beroepsethos. Je kunt het ook wat duidelijker zeggen: het was een onrechtmatige daad van de betrokken rechter…
Is het waar, wat veel rechters lijken te denken, dat er nog al wat advocaten zijn die niet alleen zwijgen over wat hun in het kader van hun beroep bekend is geworden t.a.v. hun cliënten, maar die doelbewust een voorstelling van zaken geven die niet met de waarheid overeen komt? Dat er zulke advocaten zijn, daar bestaat denk ik weinig twijfel over. Niet alleen zijn er advocaten die liegen over wat hun cliënten hebben gedaan, maar er zijn er ook die hun cliënten tot liegen aansporen en hun vertellen hoe ze dat met het meeste succes kunnen doen. Dat is, zoals Meijering schrijft, in strijd met hun beroepseed of belofte, maar het gebeurt. Dat is iets wat Meijering natuurlijk ook wel weet. Zouden zij dit niet doen, zo verdedigt dit soort advocaten zich, dan is onder omstandigheden de geheimhoudingsplicht een wassen neus.
Vaak genoeg is zwijgen bekennen en kan alleen met een overtuigende leugen een indruk worden weggenomen die door een verdachte in een strafproces wordt gemaakt. Bij het afwegen van de belangen van de cliënt en de waarheidsvinding en ook bij de afweging van de twee beroepsverplichtingen, de waarheid spreken tegenover de rechter en het verdedigen van de belangen van de cliënt, prevaleert in de praktijk vaak het laatste en nogal eens ten onrechte. Dat rechters en anderen zo over advocaten denken komt dus niet uit de lucht vallen, maar is het in zijn algemeenheid waar en is het verstandig die opvatting naar buiten te brengen. Tenslotte blijft de vraag:moet zoiets in een arrest?
Ik ken Nico Meijering alleen uit de verte, maar ik denk niet dat deze advocaat zelf in de categorie thuis hoort waar rechters negatief over oordelen. Hij maakt eerder de indruk iemand te zijn van de ouderwetse soort die zijn beroepsverplichtingen serieus neemt en wel degelijk bewust de afwegingen maakt die daarbij horen. Van de andere kant is hij niet te beroerd om zijn tegenstanders in het strafproces te provoceren en maakt hij ongeremd gebruik van het wapen van de publiciteit als hij dat in het belang van zijn zaak acht. Dat mag, dat wordt niet verboden door de wet of de gedragsregels, maar hij plaatst zich zelf daarmee in het kamp van de vijanden van OM, waar hij eigenlijk niet in thuis hoort. Desgevraagd zou hij dat waarschijnlijk ontkennen en namen kunnen noemen van officieren en A.G. ’s voor wie hij het grootste respect heeft, maar van de andere kant kent hij er ook voor wie zijn respect te wensen over laat. In de publiciteit krijgen de laatsten meer aandacht dan de eersten.
Dat is een van de redenen waarom ik het jammer vind dat alle partijen in het strafproces de publiciteit zijn gaan gebruiken als wapen in de strijd. De dingen komen verdraaid en eenzijdig over en misverstanden worden gemakkelijk gecreëerd. De orde van advocaten als regelgever heeft het hier duidelijk laten liggen en ook de tuchtrechter zou vaker op de rem kunnen trappen dan in de praktijk gebeurt. Advocaten zouden het niet moeten doen, publiciteit zoeken. Maar dat het OM en zelfs de rechterlijke macht doelbewust de publiciteit als middel gaan gebruiken is een graad erger. Die hebben niet alleen de plicht om objectief te blijven maar daarnaast ook om zichtbaar objectief te zijn. Dat is onderdeel van hun beroep en het aanzien van het ambt vereist het.
Publiciteit voor het eigen standpunt is een ongepast middel en het argument van rechters dat ze wel moeten, omdat de advocaten het ook doen deugt niet in mijn ogen. Ze zouden het moeten nalaten, zelfs in de gevallen dat er een gegronde aanleiding toe zou zijn. De orde van advocaten hoort de eigen vuile was te doen en als ze daarin te kort schiet is er de advocatenwet en desnoods een wetgever die kan ingrijpen.
Het lijkt niet te ver gezocht om te veronderstellen dat de uitspraak in de procedure van Bram Moszkowicz tegen Jort Kelder in het kader moet worden gezien van de voortgaande strijd van justitie tegen de strafrechtadvocatuur. Als de rechters en officieren niet in het algemeen over de strafrechtadvocatuur zouden denken als in deze procedure bleek, dan was Kelder ook als journalist niet weggekomen met zijn beledigingen. Ik vind dat de vriendschappelijke manier waarop M. zich in het openbaar met Bouterse en met Holleeder heeft vertoond voor een advocaat niet door de beugel kan. Maar het is de tuchtrechter die daar iets aan had moeten doen, niet de kort geding rechter. Het is de Orde van Advocaten die scherpere regels zou moeten stellen als de huidige niet voldoende blijken te zijn. Dat advocaten als beroepsgroep in het openbaar leugenaars mogen worden genoemd door een rechter lijkt mij inderdaad een belangrijke stap op een verkeerde weg.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in recht. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s