Slavernij in de oudheid.

Het begrip slavernij is nogal ingrijpend veranderd toen in de zestiende eeuw op grote schaal slaven uit Afrika werden gehaald. Het veranderde nog meer toen die slaven vanaf de zeventiende eeuw in Noord Amerika te werk werden gesteld in een Noord Europees milieu. In die cultuur was slavernij eerder onbekend. Zwarten en slaven werden in Noord Amerika verwante begrippen en de afstand tussen slaven en andere mensen werd er veel groter dan in Zuid Amerika, misschien juist als gevolg van het slechte geweten dat de slavernij bij de protestantse Amerikanen veroorzaakte.
In de oudheid vormden de slaven een deel van de huishouding en wel dat deel dat niet door bloedverwantschap aan de pater familias was verbonden. Zij namen deel aan de familia en hadden aanspraak op levensonderhoud. Slaven en personeel, die twee begrippen waren nog onderling verwisselbaar in de Griekse en Romeinse oudheid.
Ondernemingen zoals we die nu kennen waren er toen niet. Mensen verdienden hun levensonderhoud in de villa waar de familia gehuisvest was, onder het gezag van de pater familias of dominus. De villa was een landhuis of soms, op het verder verwijderde platte land, een heel dorp, waar niet alleen de grond bewerkt werd maar waar ook vaak een smederij, een meubelmakerij etc. aanwezig was. Altijd was er een bakkerij en een slagerij. Helemaal zelfverzorgend was zo’n familia niet, maar zij kwamen een eind. De stad was de plaats waar de bewoners van de villa’s in de wijde omtrek zich terug konden trekken in tijden van gevaar. Daarnaast was het ook de plaats waar het openbare leven van de regio zich afspeelde. De stad en het platte land in de omtrek waren nauw verbonden. Ze werden beide beheerst door een beperkt aantal familia’s die het gezamenlijk voor het zeggen hadden.
De slaven waren degenen die werkten. De functies van slaaf en dienaar werden pas gescheiden toen er later vrijgelatenen kwamen als een aparte klasse en ook de vrijgelatenen vooreerst nog aan hun voormalige dominus verbonden bleven, zij het niet meer als slaaf, d.w.z. als verhandelbaar menselijk vee.
Een landgoed had levende en niet-levende have en tot de levende have hoorden de slaven. Dat lijkt nogal onmenselijk, maar dit was toch in de eerste plaats een juridisch begrip. Wie niet voor zich zelf kon zorgen en geen slaaf en geen kind was in een huishouding, ging in de oudheid na korte tijd dood. Zo simpel was het eigenlijk.
Die enorme suburbia ’s van de late Romeinse republiek en de keizertijd waar vrijgelatenen woonden en allochtone immigranten, die waren er in het oude Rome van voor Hannibal niet. Ze bestonden ook niet in andere steden in het Middellandse Zeegebied. Die kwamen er pas toen men in het levensonderhoud van al die mensen kon voorzien door import van graan en andere levensmiddelen. De oude boerderijen verdwenen langzamerhand en werden vervangen door latifundia, enorme bedrijven, waar op industriële schaal landbouw werd bedreven, met behulp van slaven.
De slaven raakten daar hun oude beschermde functie als lid van de familia kwijt en werden meer slaaf in een modernere betekenis van het woord. Maar ook in de keizertijd waren slaven toch vooral ook dienaren met een afhankelijke juridische status. De keizerlijke regering bestond later voornamelijk uit slaven en vrijgelatenen van de keizer. Ondanks die lage status konden slaven daarmee een grote macht verwerven.
Wanneer een Romein uit de oude tijd een beschrijving zou moeten geven van de tegenwoordig westerse samenleving, dan zou hij iedereen die daar als ambtenaar of werknemer zijn brood verdiende as servus of ancilla aanmerken, als slaaf dus of slavin. Een paar categorieën zouden erbuiten vallen zoals bijvoorbeeld de beoefenaren van de vrije beroepen, die ook niet voor niets zo genoemd werden. De ondernemers, inclusief de kleine zelfstandigen, zouden waarschijnlijk niet als servi worden beschouwd, want wie op eigen benen kon staan was in de oudheid een vrij mens.
Een Romein uit de tijd van de republiek of een Athener uit de tijd van Pericles zou onze samenleving zien als een die door en voor slaven was georganiseerd. De extreme bescherming van mensenlevens is een belang van de slaven. Toen in de keizertijd de christelijke godsdienst populair werd, werd die als een godsdienst voor slaven gezien en dat was zij in de praktijk ook heel lang. Onze samenleving is in dat opzicht nog steeds heel christelijk ook al zijn de meeste mensen niet zo gelovig meer.

Kon iemand in de oudheid niet voor zijn eigen leven en onafhankelijkheid zorgen, doordat hij bijvoorbeeld zijn bezit onvoldoende kon organiseren, dan raakte hij in de schulden. Ging hij failliet en pleegde hij dan geen zelfmoord, dan werd hij als slaaf verkocht. De Romeinse samenleving was hard, voor iedereen. Slavernij was daar een logisch uitvloeisel van. Het leven was risicovol, zoals het dat nu nog is in de derde wereld. De samenleving als een beschermende jas, zoals die vooral in de Europese welfare states bestaat, zou door Romeinen worden gezien als een uitgebreide familia, waarbinnen praktisch niemand meer vrijheid had, behalve dan de hele rijken, de ondernemers en de criminelen.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geschiedenis. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s