Deetman en Van Kemenade.

Weinig mensen zullen bestrijden dat onderwijsvernieuwing nodig was in de tweede helft van de vorige eeuw. Maar dat het onderwijs nu in moeilijkheden verkeert, is zeker een gevolg van de onbeholpen manier waarop progressief Nederland die hervormingen heeft aangepakt. Ik zou voor deze mislukking drie en misschien vier redenen kunnen bedenken.
1. We hebben, voor we aan het experimenteren sloegen, geen goede analyse gemaakt van wat we met het onderwijs wilden en konden bereiken.
2. We hebben oude schoenen weggegooid voor we nieuwe hadden.
3. We hebben van de beschikbare financiële middelen te veel geld gebruikt voor het creëren van nieuwe lagen bestuur en administratie en te weinig voor de salarissen en de opleiding van het onderwijzend personeel.
In de tweede helft van de vorige eeuw is de samenleving grondig veranderd en daarmee de opleidingseisen die gesteld worden aan nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Die eisen werden aanzienlijk verhoogd. Tezamen met de democratisering leidde dit er toe dat veel grotere percentages van de bevolking voortgezet en hoger onderwijs gingen volgen, waaronder voortgezet en hoger beroepsonderwijs. De nieuwe toestroom was voor het merendeel niet geïnteresseerd in het algemeen vormende deel van het onderwijs, maar alleen in wat rendement opleverde bij de latere beroepskeuze. En zelfs dat niet eens altijd, want pubers hebben ook andere dingen aan hun hoofd.
De politiek, die in Nederland het onderwijsaanbod bepaalt – en dat is misschien de vierde reden – was niet bereid het aanbod aan te passen aan de vraag. Misschien zou ik moeten zeggen: de politiek interpreteerde de vraag anders dan de markt. In Den Haag meende men dat er behoefte was aan algemeen vormend onderwijs tot aan de minst intellectuele onderdelen van het lager beroepsonderwijs toe. Men veronderstelde een behoefte om standsverschillen weg te werken, die aan de emancipatie van de minderbedeelden in de samenleving in de weg stonden. Men ging er daarbij in progressieve kringen vanuit dat er tussen eruditie en standsverschil verband bestond.
Het mening vormende deel van de Nederlandse natie heeft zelf vaak op het gymnasium gezeten en/of beschouwt dat als de ideale vorm van onderwijs. Men vindt dat de voordelen daarvan eigenlijk aan iedereen zouden moeten toekomen. Het gymnasium heeft als belangrijkste educatieve kenmerk dat het een beroep doet op het analytisch en abstraherend vermogen van de leerling. Op het gymnasium leer je probleem oplossen. Maar niet zozeer concrete problemen, eerder het oplossen van categorieën van problemen. Tenminste, zo was het daar vroeger.
Zoiets spreekt niet iedereen aan. Voor veel leerlingen is kennis waar ze niet meteen wat mee kunnen eerder overbodige ballast. Mooi voorbeeld daarvan is het leren van vreemde talen. De eerste drie vier jaar van de middelbare opleiding worden besteed aan grammatica, syntaxis en mots et tournures difficiles, maar talen lezen en spreken, daar kom je pas de laatste jaren van de opleiding aan toe.
Voor de meeste mensen is dat slecht, dat willen ze helemaal niet en kunnen ze eigenlijk ook niet. Ze willen best Frans leren als het hun duidelijk is dat ze daar wat aan hebben, maar dan ook Frans en geen grammatica of woordjes. Pas als mensen in het Frans iets moeten doen waarvoor ze grammatica nodig hebben zullen ze die uit eigen wil gaan bekijken. Voor de meesten is dat never nooit.
Mensen leren wat ze nodig hebben om vraagstukken op te lossen waarmee ze worden geconfronteerd. Als het probleem dat hun wordt voorgelegd onvoldoende dringend of interessant is leren ze als het even kan de aangeboden stof niet. Als hun al te veel of te vaak materiaal wordt aangeboden waarvan ze vinden dat ze het niet nodig hebben, ontwijken ze de les. Dat is wat we nu heel op grote schaal zien gebeuren.
Er zijn maar betrekkelijk weinig mensen die leren interessant vinden vanwege de kennis zelf. Zulke mensen zijn de echte gymnasiasten. Al die anderen horen op een gymnasium of op een gymnasiumachtige school niet thuis.
U denkt misschien dat dit geen echt probleem is, want het gymnasium trekt nog maar weinig leerlingen op de schoolgemeenschappen van tegenwoordig en het aantal categorale gymnasia is klein. Dan vergist U zich. Het probleem is groter dan het gymnasium an sich. De oude HBS was een gymnasium zonder klassieken en ook het Vwo en Havo waren afgezwakte vormen van het oude gymnasium. De Havo was een minder soort VWO en de Mavo een lichte vorm van Havo. Ieder schooltype tot het lager beroepsonderwijs toe heeft altijd zoveel van het gymnasium gekregen als het kon verwerken, behalve de oude ambachtsschool. Dezelfde stof op dezelfde manier aangeboden aan leerlingen alleen steeds een ietsje minder. Dat werkt niet.
Relatief succesvol zijn de scholen die opleiden voor een sport of kunstvorm waar kinderen enthousiast voor kunnen worden. De voetbalschool van Ajax is een voorbeeld. Ook daar is het abstracte deel van de opleiding niet waar de kinderen op zitten te wachten, maar ze accepteren het als onderdeel van iets wat ze heel graag willen.
Mijn jongste neef van moeders zijde leek in de vijftiger jaren niet in staat de Mulo af te maken. Hij was heel sportief en speelde eerste klas voetbal. In de militaire dienst werd hij opgeleid tot straaljagerpiloot. Dat vergde wat meer opleiding dan hij op school had gehad, maar dat was geen probleem. Ook de voorgezette opleiding die hij als luchtmachtofficier en wingcommander nodig had werd, met wat moeite maar succesvol, in het buitenland afgelegd. Toen hij afzwaaide als militair had hij intussen zoveel opleiding achter de rug dat hij werd aangenomen als leraar aan de Rijksluchtvaartschool. Daarmee was hij zijn intellectuelere broers, die wel naar de HBS waren geweest, gepasseerd. Zowel hijzelf als zijn leraren hadden zoveel vertrouwen in zijn capaciteiten als piloot dat zijn weerzin tegen abstracte kennis het aflegde tegen de noodzaak om de vereiste kennis te verzamelen voor een vak waar hij geschikt voor was bevonden.
Die neef had geluk. De meeste mensen hebben dat niet en komen niet terecht op de plek waar ze op grond van hun capaciteiten recht op hebben. Als ze niet passen in de mal van het bestaande systeem en niet via een omweg aan de benodigde opleiding komen, blijven ze onder aan de maatschappelijke ladder steken. Dat is de verantwoordelijkheid van Van Kemenade en Deetman die de kans hebben gehad om ons onderwijs aan te passen aan de eisen van de tijd en die die gelegenheid hebben laten passeren.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Nederland, onderwijs. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s