Het Bisschoppelijk College.

De middelbare school, die ik in de vijftiger jaren bezocht, maakte verschil tussen internen, stadsexternen en buitenexternen. Buitenexternen waren de mensen die iedere ochtend van de dorpen uit de buurt naar school kwamen fietsen, soms vijftien kilometer door weer en wind: ruig volk. Stadsexternen woonden binnen de oude stadsmuren en internen zaten op kostschool. Die drie hadden hun eigen regels, naast en boven het schoolreglement.
Over die regels moet U niet te licht denken. Ik neem nu even de stadsexternen, waar ik toe hoorde. Behalve dat je iedere ochtend om half negen op school moest zijn tot vijf over half een en dan weer middags van twee tot half vijf, moest je iedere ochtend om zeven uur naar de mis en op zondag twee keer. Om zeven uur de vroegmis en dan nog eens de hoogmis om elf uur. Middags om vijf uur was er op Zondag dan nog een derde dienst, de laudes vespertinae.
Iedere avond, behalve op Zaterdag en Zondag, was er van zeven tot half tien een studieklas, waar je heen moest. Woensdag en zaterdagmiddag was er school, maar dinsdag en donderdagmiddag had je vrij. Niet echt vrij, want er was verplicht sporten. We hadden een sportcomplex van de school in een groot park. Dat was heel goed geoutilleerd. Er was een zwembad, er waren hockey- en voetbalvelden, atletiek- en tennisbanen.
Buitenexternen hoefden veel van die dingen niet te doen en ik zat er eigenlijk een beetje tussen in. Ik hoefde niet naar die vroege missen, maar weer wel naar die hoogmis op Zondag en naar die studieklas. Ook naar dat verplichte sporten, wat ik niet erg vond. En die Lauden hoefden niet, want om die tijd werd er geschaakt en wie lid was van de schaakclub was vrijgesteld.
Mijn faciliteiten had ik verder aan twee omstandigheden te danken. Ik woonde net buiten de stadswallen. Drie huizen van de hoek, meer was het niet, maar regel is regel. Bovendien was mijn moeder protestants en dat maakte verschil.
Zo’n moeder, die het zelf allemaal niet zo nodig vond was een grote morele steun. Ik was al vroeg van ieder geloof af en had in al die godsdienstigheid weinig zin. Mijn moeder steunde dat uit hygiënische overwegingen. Half negen vond ze vroeg genoeg en anders kreeg je te weinig slaap. Ze was bevriend met de bisschop van wege die katholieke kinderen die ze als protestantse moeder opvoedde, dus als het nodig was werd daar steun gezocht tegen de school. Er was nog veel meer dat niet mocht en wat wel mocht moest meestal ook meteen.
Misschien denkt U, wat heeft die man een vreselijke tijd gehad op die school, maar dat viel eigenlijk reuze mee. Ik ging wel graag naar school en zo’n studieklas was gemakkelijk, want dan had je huiswerk maar gedaan en voor mij was dat goed want veel zelfdiscipline had ik niet. Die dinsdagen en donderdagen hadden wij in de middag vrij omdat de meisjes van de Ursulinenschool op woensdag en zaterdag hun vrije middagen hadden. Veel van de reglementen waren er op gericht om de seksen uit elkaar te houden, wat natuurlijk nooit helemaal lukte. Maar ook op dat punt had ik gelukkig morele steun op het thuisfront. Wat niet mag is meteen extra leuk en alles bij elkaar hadden we wel een mooie tijd in die middelbare schooljaren. Wel heb ik mijn hele leven niet zo hard gewerkt als toen. Veel harder in elk geval dan op de universiteit. De universiteit deed je met je linkerhand, vergeleken met het gymnasium. Fluitje van een cent, vooral die rechtenstudie.
Het harde regime van de school hing samen met de enorme invloed die de RK kerk nog had in het dagelijks leven in die tijd. De bisschop was een veel machtiger man dan de burgemeester of de gouverneur[1]. De kerkelijke hiërarchie bestuurde de provincie, voor een groot deel via allerlei maatschappelijke organisaties. Er waren niet alleen katholieke scholen, maar ook katholieke ziekenhuizen, bejaarden tehuizen en andere zorginstellingen. Je had de armenzorg van Vincentius en katholieke buurt- en sportverenigingen. De kerk had overal haar tentakels. Maar in 1960 was het ineens afgelopen, in één klap, als het ware. De macht van de kerk verdween als de sneeuw in het voorjaar en na een paar jaar was het alsof die er nooit geweest was.
Waar het erg aan deed denken dat regime van voor 1960 dat is aan de manier waarop gelovige moslims leven onder de druk van hun imams. Daar klamp ik me nu maar aan vast. Misschien dat dat ook nog eens verdwijnt, zoals de macht van de kerk van Rome.

[1] De commissaris van de koningin heette indertijd in de Generaliteitslanden nog gouverneur.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geloof, herinneringen, maatschappelijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s