De kosten van het onderwijs zoals gezien in 2001.

Eduard Bomhoff is een econoom met oog voor de sociale kanten van zijn vak. Hij meent dat de kwaliteit van de zorg, het onderwijs, de politie en het wegennet te kort schiet maar dat het met de staatsschuld wel meevalt.
Over de overheidsfinanciën verschilde hij van mening met de minister van financiën en met de Europese bank in Frankfurt. Als niet econoom kan ik de merites van beide standpunten niet helemaal beoordelen, maar ook zonder diepgaande economische kennis is er over de kwaliteit van de door Bomhoff gebruikte argumenten wel iets te zeggen. Dat geldt ook voor zijn conclusie dat het de VVD zou zijn die verantwoordelijk is voor de malaise in de zorg en het onderwijs. Die verantwoordelijkheid ligt duidelijk bij D66 voor wat de zorg en bij het CDA en de PvdA voor wat het onderwijs aangaat.

Zijn twee artikelen gaan over hetzelfde onderwerp. In zijn eerste artikel legt hij de nadruk op de cijfers, in het tweede op het beleid.
Gemiddeld wordt in de landen om ons heen een tekort op de lopende rekening verwacht, naar de Nederlandse situatie omgerekend, van twaalf miljard. Dat laatste lijkt hem beter dan onze zes miljard overschot omdat, gerekend met de inflatie, ook bij de buren de staatsschuld nog steeds daalt.

Dertig duizend gulden per inwoner, dat is 16 miljoen maal dertigduizend of vierhonderd tachtig miljard gulden. Als Bomhoff met Nederlanders alleen de staatsburgers en niet inwoners heeft bedoeld is het bedrag wat lager, maar niet veel. Zes miljard is minder dan anderhalf procent van de staatsschuld. Dat verwachte overschot is dus een getal dat bij de kleinste wijziging in de economie al kan verdwijnen, bij de extra duw bijvoorbeeld die de economie door de 11 September moorden heeft gehad. Het is maar een deel in ieder geval van de rente op de staatsschuld. Verhoging van het rentepeil alleen al kan het overschot doen verdwijnen. Renteverhoging is misschien niet zo waarschijnlijk bij een dreigende recessie, maar dat geldt dan ook voor inflatie.

Over de oorzaken van de deconfiture waar de economie in de zeventiger en tachtiger jaren in was terechtgekomen is iedereen het wel eens, dat wordt in elk geval door Bomhoff niet bestreden. Het is een geruststellende gedachte dat door handhaving van de Zalmnorm een terugkeer naar die tijden uitgesloten lijkt. Natuurlijk is het handhaven van de Zalmnorm in een bepaald opzicht meer een emotionele dan een rationele maatregel, maar dat blijkt in de politiek nu eenmaal te werken. Politiek is net als het gewone leven niet altijd een rationele aangelegenheid.

Het verwonderlijke is dat Bomhoff en velen met hem schijnen te menen dat het loslaten van de Zalmnorm nodig is voor het verbeteren van de kwaliteit in de publieke taken, met name in de zorg, het onderwijs en de publieke veiligheid. Logisch dwingend is die gedachtegang niet. Ook bij een handhaving van de norm is het mogelijk middelen van overheidstaken met lage prioriteit over te hevelen naar de taken met hogere prioriteit. Verder is het denkbaar om door herbezinning en reorganisatie taken efficiënter uit te voeren, zodat met hetzelfde geld betere resultaten worden geboekt.

De ervaring uit het bedrijfsleven leert dat onbeperkte beschikbaarheid van middelen altijd tot inefficiency en verspilling leidt. De nieuwe economie was daar een goed voorbeeld van. Een beperking in de beschikbare middelen is geen ramp, mits er bestuurlijk op de juiste wijze op wordt gereageerd. Een verbetering van de kwaliteit in de aansturing van overheidstaken zou daarom een veel beter idee zijn dan het ter beschikking stellen van meer middelen zonder er bij te zeggen hoe die precies zouden moeten worden besteed.

Zorg, onderwijs en politie zijn alle drie voorbeelden van taken die ten dele minder efficiënt worden uitgevoerd dan mogelijk zou zijn.
Zorg willen we, terecht, niet alleen aan het marktmechanisme overlaten. Het ontbreekt totnogtoe aan ideeën hoe positieve en negatieve incentives in het systeem moeten worden ingebouwd zonder gebruik te maken van het marktmechanisme. Dat gebrek bestaat zowel aan de kant van de overheid, die financiert, als bij de zorg zelf.
De politiek heeft besloten dat de zorg over de hele linie voor iedereen toegankelijk moet zijn. Zij heeft nagelaten prioriteiten te stellen bij de toegang tot de zorg met als gevolg dat in de medische en sociale sector de enige rem op de uitgaven is gelegen in de beperking van het aantal verrichtingen. De wachtlijsten met hun door iedereen betreurde gevolgen zijn niet veroorzaakt door gebrek aan geld of medische capaciteit maar door deze systeemfout.

De politie heeft te kampen met een teveel aan bureaucratie en verder met een volkomen verouderd strafrechtsysteem, gemaakt voor een samenleving met een eenvoudige cultuur en een behoorlijke mate van sociale controle.
De wijze waarop de eisen die de opsporing stelt worden gecombineerd met de bescherming van de rechten van de burger laat veel te wensen over en heeft vaak averechtse gevolgen: de burger wordt onder omstandigheden onvoldoende beschermd tegen willekeur en de opsporing wordt op voor de politiemensen onbegrijpelijke wijze belemmerd. Het systeem is ingericht op individueel en gepleegde eenvoudige delicten en niet geschikt voor bestrijding van de georganiseerde misdaad, gepleegd in groepsverband.
Omdat het strafrecht door de ontwerpers van het huidige systeem werd gezien als een uiterste middel, aan te wenden tegen de allerergste normoverschrijdingen is het bovendien niet bestand tegen de massaliteit van sommige vormen van criminaliteit. Vaak hebben de opsporingsdiensten te maken met misdaden die in samenwerking worden gepleegd en die zich over langere perioden uitstrekken. Dat soort misdrijven kent het wetboek van strafrecht eigenlijk niet en het systeem is er niet op berekend. Het formuleren van een tenlastelegging en het leveren van wettig en overtuigend bewijs is in die gevallen vaak onmogelijk gecompliceerd. Verder is de politie belast met een aantal taken die weinig of niets met elkaar te maken hebben en die ieder voor zich een ander soort organisatie zouden vereisen. Tenslotte is ook de carrièreplanning en het honoreringssysteem aan verbetering toe.

Het onderwijs lijdt nog steeds onder de gevolgen van de maatregelen van Cals, van Kemenade Deetman en Wallage c.s. Het onderwijssysteem van de liberaal Thorbecke was aan revisie toe door de ontwikkelingen in de samenleving en met name door de sterk vergrote vraag naar onderwijs, dat kan wel worden toegegeven. De meeste veranderingen echter die tot nu toe in het voortgezet en hoger onderwijs zijn aangebracht zijn geen succes geweest. De door de PvdA en CDA beoogde grotere gelijkheid van kennis, inkomen en macht is niet tot stand gekomen en de gemiddelde kwaliteit van het onderwijs is als gevolg van desorganisatie behoorlijk gedaald.
Het laatste waar degene die in het onderwijs werkzaam zijn nu op zitten te wachten is weer een nieuwe grondige herziening. Toch zou dat wel eens de enige oplossing kunnen zijn. Op de volgende punten bestaan grote gebreken:

1) Technische en andere praktische vormen van onderwijs in de leeftijdscategorie 12 tot 18 worden onvoldoende gegeven en worden bovendien ondergewaardeerd, zodat de betere leerlingen er vandaan worden gehouden. Het aangeboden algemeen vormend onderwijs is slecht van kwaliteit en draagt vaak minder bij aan de opvoeding van de jongeren dan wat door televisie en andere media wordt aangeboden. Veel leerlingen volgen onderwijs dat hen niet interesseert en waarbij zij zichzelf en anderen vervelen.
2) Op verkeerde gronden is besloten tot het oprichten van Mammoetscholen van een omvang die meerdere bestuurslagen noodzakelijk maakt en die de samenhang op de scholen ondermijnt. Feedback van leerlingen en onderwijzend personeel richting beslissingnemers vindt nagenoeg niet plaats. Bestuurlijke prioriteiten winnen het van onderwijskundige.
3) De opleiding van de leraren is weggehaald van de universiteiten. Mede als gevolg daarvan heeft die sterk aan kwaliteit ingeboet. Zowel de opleiding als de honorering dienen te worden verbeterd.
4) Als leraren de afgelopen twintig jaar tijd hadden geschreven, zoals dat in de vrije beroepen gebruikelijk is, dan zou gebleken zijn hoe de werkdruk is gestegen. Gedeeltelijk wordt dit nu gecamoufleerd door de herinstroom van vrouwen en door andere leraren die in deeltijd werken. Bijna iedereen werkt langer dan het aantal uren waarvoor hij wordt betaald. Bij de enkelen die nog een volledige baan hebben leidt de werkdruk tot burn-outs en hartinfarcten. In het voortgezet onderwijs komen die voor ver boven het landelijk gemiddelde in andere beroepen
5) De toegenomen agressie en de grote culturele diversiteit van de leerlingen stellen de leraren voor nieuwe en zwaardere opvoedkundige taken, terwijl de middelen die hun daarvoor ter beschikking staan juist in aantal zijn afgenomen.

Dit brengt mij op een punt waar Bomhoff stellig een zelfde mening is toegedaan. De salarissen van leraren en met name hun netto uurloon zijn over een periode van wellicht wel twintig jaar bij voortduring ge-erodeerd, terwijl de welvaart in de rest van de samenleving spectaculair is gestegen. Voor die daling is geen rechtvaardiging of noodzaak te bedenken. De bezuiniging op de effectieve kosten van de leraren gaat bovendien nog veel verder dan uit de netto lerarensalarissen blijkt. Het percentage goed opgeleide en ervaren leraren, die ook dienovereenkomstig duurder zijn neemt voortdurend af. Deze vorm van bezuiniging is een ernstige aanslag op de kwaliteit, zelfs zo dat zonder het toeval dat juist in dezelfde periode zoveel gehuwde vrouwen gekozen hebben voor herintreding, het systeem nu al aan zijn eigen gebreken te gronde zou zijn gegaan.
Het is opvallend dat de begroting van onderwijs in het geheel niet gedaald is in dezelfde periode, ook niet in relatieve zin. Toen er de laatste twintig jaar bezuinigd werd op de lerarensalarissen, gebeurde dat niet of nauwelijks op het departement van onderwijs waar men dicht bij het vuur zat. Bovendien is min of meer onzichtbaar een deel van de vroegere taak en van de daaraan verbonden kosten van het departement naar de scholen zelf verhuisd. Terwijl vroeger de scholen praktisch geen kosten hadden die niet rechtstreeks met onderwijs of leermiddelen te maken hadden worden nu grote delen van het budget in beslag genomen door organisatie, administratie en staf. Bijzondere uitgaven die vroeger ten laste van de departementale budgetten kwamen moet nu door de vergrote schoolorganisaties zelf worden opgebracht.

Om dit lange verhaal met een korte conclusie te beëindigen: Ook in het onderwijs zouden zeer aanzienlijke verbeteringen kunnen worden bereikt door te snijden in een ineffectief apparaat van bestuur en planning en een re-allocatie van middelen richting onderwijsgevenden.

In de Tweede Kamer zitten relatief weinig mensen met bestuurlijke ervaring in goed werkende organisaties en naar verhouding veel juristen, mensen vaak met een ambtelijk verleden en een beperkte ervaring in het openbare bestuur. Het ontbreekt hun niet aan ideeën maar wel aan de ervaring en de opleiding om op de verwezenlijking daarvan toe te zien. De ervaring in goedwerkende organisaties die nodig zou zijn om toezicht te kunnen houden op de verbeteringen in de publieke sector die Bomhoff voorstaat is niet alleen in de Kamer, maar in de hele sector in onvoldoende mate aanwezig. Liever dan te bepleiten om de Zalmnorm los te laten zou men zich bezig dienen te houden met de vraag hoe daar verandering in te brengen.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in maatschappelijk, onderwijs, overheid. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s