Publiek-private samenwerking.

Een vriend van een van mijn kinderen, een bekwame jonge veertiger, vertelde mij dat hij en de mensen in zijn omgeving voor geen goud een publieke functie zouden aanvaarden. Ook niet als ze daar meer salaris voor zouden krijgen dan ze in de commerciële wereld verdienden. Als ze zich in een publieke functie wel zouden kunnen vinden zouden ze er misschien zelfs wel een lager salaris wel voor over hebben, maar ze zagen dat politieke milieu gewoon niet zitten. Uit mijn gesprek met de man kon ik afleiden dat hij politiek geïnteresseerd was en er ook wel verstand van had, maar de inefficiëncy en het gebrek aan een behoorlijke prioriteitsstelling in die wereld stootten hem af.
Ik moest daaraan terugdenken toen ik een artikel van Max Pam in de Volkskrant[1] las, waarin hij afstand nam van een brievenschrijver die vond dat de babyboomgeneratie het er maar slecht van af had gebracht. Die generatie, wat jonger dan mijn vooroorlogse generatie, had volgens Pam een puinhoop aangetroffen in het land en er de tegenwoordige welvaart voor in de plaats gebracht.
Dat is in die zin niet waar, dat toen de wederopbouw na de oorlog plaats vond de babyboomers nog maar net geboren waren en dat toen ze eenmaal aan het werk gingen, eind zestiger jaren, de welvaart al een behoorlijk eind op dreef was. Maar hoe dan ook, de babyboomers hebben daarna zeker meegewerkt aan de welvaartcreatie, zeg tussen 1970 en nu. Maar dat geldt niet voor alle babyboomers. Voor Max Pam zelf weer wel. Die heeft behoorlijk verdiend met zijn stukjes en zijn schaken, en daar heeft hij andere mensen een hoop plezier mee gedaan. Dat is welvaart. Maar dat geldt niet bijvoorbeeld voor al die politici die in de eerste plaats slecht leiding hebben gegeven aan de overheid en voor de rest ongewoon veel salarissen hebben opgestreken voor allerlei afgeleide baantjes die alleen via de politiek te verkrijgen zijn. Dat soort banen dat weinig toevoegt aan de welvaart van anderen is in economische zin te vergelijken met een uitkering. Uitkeringen zijn een last en geen motor voor de samenleving, met name voor zover ze mensen van productief werk afhouden.
De media hebben veel te weinig inzicht in de enorme verschillen tussen de productiviteit van het bedrijfsleven aan de ene kant en de overheid en haar clientèle aan de andere. Het is niet zo dat iemand in het bedrijfsleven twee of drie keer zo productief is als een vergelijkbaar iemand uit de publieke sector, maar vaak wel twee honderd of driehonderd keer. Maar ook binnen de overheid zijn de verschillen in productiviteit vaak erg groot.
Dat gebrek aan aandacht en inzicht van de media geldt nog meer voor het midden bedrijf dan voor de megabedrijven. De grote bedrijven werken efficiënter dan de overheid maar lijken daar in veel opzichten toch meer op dan op de bedrijven met een paar tientallen tot een paar duizend man goed geschoold personeel. Dat zijn de ondernemingen die in Nederland in werkelijkheid voor de welvaart zorgen.
Dit is geen pleidooi zoals je die zoveel kunt lezen in de trant van ‘bedrijfsleven goed – overheid slecht’ en ook niet van het omgekeerde: alleen de overheid beschermt ons en het bedrijfsleven buit ons uit. Geen van tweeën is waar. Bedrijfsleven en overheid vullen elkaar aan en kunnen niet zonder elkaar. Waar het probleem zit is in een goede afstemming van de twee. De overheid hoort te weten op welke terreinen haar ingrijpen iets toevoegt aan de samenleving en ze zou zich daartoe horen te beperken. Alleen dan kan ze voldoende talent aantrekken om datgene wat ze moet doen ook goed te doen.
Verstandige mensen in het bedrijfsleven zien heel goed in dat ze niet zonder overheid kunnen maar beklagen zich met reden over de slechte organisatie en de inefficiënte afhandeling van de overheidstaken.
Het beste is altijd om een dergelijke stelling met een voorbeeld te illustreren. Ik heb van vrij dichtbij meegemaakt hoe in het kader van de aanleg van de Betuwelijn in het gebied Arnhem Nijmegen een overslaghaven werd gepland in de buurt van een autoweg, zodat goederen efficiënt van de ene vorm van bulktransport op de andere zouden kunnen worden overgebracht: van het spoor naar de weg of de binnenvaart of omgekeerd. Dit leek in combinatie met een vrachtvliegveldje net over de grens in Duitsland een efficiënte en noodzakelijke aanvulling op de Betuwelijn. Overheid en bedrijfsleven in de regio hebben er zich voor ingezet en ze hadden al de nodige voorbereidingen getroffen. Helemaal aan het einde van de rit, toen de Betuwelijn al bijna klaar was en de eerste spade voor de haven in de grond zou gaan, spande een milieubeweging een procedure aan die er toe leidde dat de Raad van State een stokje stak voor het multimodale overslagbedrijf.

Het is misschien mogelijk dat bij een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen de Raad gelijk had met zijn beslissing. Maar het is wel deze zelfde Raad die het klaar heeft gespeeld om de Rijksoverheid te verbieden om haar verplichtingen uit een ondertekend en geratificeerd verdrag[2] na te komen. Ook toen was een gebrekkige compensatie voor het milieu de reden. Maar stel dat het een juiste beslissing was, dan is het toch van de gekken dat die aan het einde van het zo ‘n traject komt en niet aan het begin?
De overheden die zich met de organisatie van dit mega project bezig hielden hadden alle belanghebbenden helemaal aan het begin van het traject bij elkaar moeten brengen en die hadden onderling moeten uitonderhandelen wat het zwaarste hoorde te wegen. En als ze er niet uit kwamen had toen, aan het begin, de Raad van State knopen kunnen doorhakken. Daar zou de wetgeving en het beleid van de centrale overheid in voorzien moeten hebben, zodat lagere overheden en bedrijven niet tien jaar lang voor niks bezig zouden zijn geweest. Maar daarin voorzagen wet en beleid niet.
Het gevolg was een grootscheepse kapitaalvernietiging en een Betuwelijn die maar een deel van het nut heeft dat zij had kunnen hebben. De pogingen om er nog iets van te bakken en met een ander plan te komen om investeringen die al hadden plaats gevonden productief te maken hadden geen succes.
Het is duidelijk dat dit soort ervaringen ondernemers kopschuw maakt voor grote publiek-private samenwerkingsprojecten en dat is erg nadelig voor de Nederlandse samenleving.
Het is ook begrijpelijk dat wie dit van nabij of uit de verte heeft gevolgd het vaste besluit neemt om niet terecht te komen op een plek waar dit soort dingen kunnen gebeuren. Zoals die vriend van mijn zoon dus.

[1] 14/10/11

[2] Het Scheldeverdrag.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in overheid. Bookmark de permalink .

2 reacties op Publiek-private samenwerking.

  1. Daan zegt:

    “Maar het is wel deze zelfde Raad die het klaar heeft gespeeld om de Rijksoverheid te verbieden om haar verplichtingen uit een ondertekend en geratificeerd verdrag[2] na te komen.”

    Het was geen verbod, maar een schorsing van een vergunning bij wijze van voorlopige voorziening, gebaseerd op voorlopig oordeel. Het ging om de wijze van nakoming van het verdrag, niet om de nakoming als zodanig.

    http://www.rechtspraak.nl geeft de volgende inhoudsindicatie:

    “De Raad van State oordeelt in zijn voorlopige uitspraak dat de minister van LNV “niet met voldoende zekerheid heeft kunnen concluderen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast”. Onzeker is wat de effecten zijn van de verruiming van de vaargeul en onzeker is of met de wijze waarop zal worden gestort, negatieve effecten worden voorkomen in het natuurgebied. Deze onzekerheid is voor de Raad van State aanleiding om de vergunning te schorsen. Gevolg van de uitspraak is dat er voorlopig geen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd om de Westerschelde te verruimen.”

    De slotoverwegingen van de Raad van State:

    “2.6.3. De conclusie is dat, gelet op de in 2.6.2. en 2.6.2.1. weergegeven onzekerheden met betrekking tot de effecten van de verruiming van de vaargeul en de onzekerheden ten aanzien van de mogelijkheid om negatieve effecten te voorkomen door toepassing van de aangepaste stortstrategie en het systeem van flexibel storten, de minister van LNV naar voorlopig oordeel van de voorzitter niet met voldoende zekerheid heeft kunnen concluderen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

    2.7. Teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen, ziet de voorzitter bij afweging van de betrokken belangen dan ook aanleiding tot schorsing van het besluit van de minister van LNV waarbij de voor de verruiming van de vaargeul vereiste vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 is verleend.”

    https://uitspraken.rechtspraak.nl/InzienDocument/GetPdf?ecli=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2009%3ABJ3960

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s