Superkapitalisme.

Onder de titel ‘afrekenen met het superkapitalisme’ schreef Marcel van Dam op 27/8/09 een stukje in de Volkskrant.
Hij is niet de eerste of de enige die meent dat het einde van het kapitalisme na de val van het communisme alsnog gekomen is. Van veel oudere socialisten hoor je soortgelijke geluiden. Zij zijn opgegroeid in de idee dat het kapitalisme en het socialisme twee concurrerende economische systemen zijn, die je met elkaar kunt vergelijken. Dat ze allebei hun voors en hun tegens hebben en als het ware afruilbaar zijn. Dat is niet het geval, weten we intussen.
Kapitalisme is een begrip dat afkomstig is uit das Kapital van Karl Marx. Marx is de bekende socioloog die in dit hoofdwerk twee economische systemen beschreef: het door hem gepropageerde socialisme en de echte economie die hij om zich heen zag en waar hij voor de gelegenheid de term kapitalisme op plakte. Het socialisme was toen hij het beschreef een virtueel systeem, dat intussen geprobeerd is in de Sovjetwereld en dat eind tachtiger jaren van de vorige eeuw op de mesthoop van de geschiedenis is terechtgekomen.
De echte economie is al die tijd nooit verdwenen. Als men het over de economische wetenschap heeft dan is het de leer die zich bezig houdt met het “kapitalisme”. Alle Nobelprijswinnaars in dat vak, inclusief de door Van Dam bewonderde Paul Krugman hebben nooit met een ander systeem gewerkt.
De crisis waar we in de westerse wereld mee te maken hebben is op geen enkele manier te vergelijken met de ineenstorting van het communisme, zoals Van Dam c.s. graag willen suggereren. Waar een panne in is opgetreden is in de internationale geldcirculatie, in het bancaire systeem. Dat heeft onmiddellijke gevolgen gehad voor de industrieën die voor hun transacties van bankkrediet afhankelijk zijn en dat zijn er nogal wat. De oorzaken van de crisis zijn meervoudig en ingewikkeld. Ze hebben meer met consumptiekredieten te maken dan met productie en daarnaast met het ontbreken van effectief internationaal overheidstoezicht. De productie was er wel het (tijdelijke) slachtoffer van.
Economen noemen het vigerende economische systeem meestal niet kapitalisme maar het ‘ondernemingsgewijze productiesysteem’. Wie de nadruk wil leggen op de nadelen noemt het ‘het evident onrechtvaardige en tekort schietende vrije marktsysteem’. Critici suggereren graag dat de voorstanders ervan afwijzend zouden moeten staan tegenover iedere rol van de overheid in de economie. Dat is een typerend misverstand. Krugman en eigenlijk alle andere economen vinden de rol van de overheid in de economie juist cruciaal. Waar de meningsverschillen over gaan is de definitie van die rol. Zeker is het dat een geheel door de overheid bestuurde economie een ramp is gebleken. Alleen sociologen zijn daar ooit voor geweest en in de ‘communistische’ wereld vindt die gedachte alleen in Noord Korea en op Cuba nog enige aanhang. De minder bedeelden in die samenlevingen betalen daar de prijs voor.
Een economie die geen enkel overheidsingrijpen kent, een markt waarop geen enkele regulering plaatsvindt, kan niet werken. De producenten in de markt reageren op prikkels. Dat werkt meestal goed maar niet altijd. Soms zijn de korte en de lange termijn effecten die het gevolg zijn van wat er in de economie gebeurt afwijkend of zelfs tegengesteld. Het bestrijden van milieuverontreiniging bijvoorbeeld verhoogt op korte termijn wel de kosten, maar maakt op langere termijn de overleving van zowel de consument als de producent mogelijk. Die bestrijding is dus noodzakelijk. Een bedrijf dat daar op eigen houtje grote kosten voor gaat maken, terwijl zijn concurrenten die achterwege laten, gaat failliet. Daarom is overheidsingrijpen nodig, dat alle concurrerende producenten dwingt dezelfde kosten te maken. Welke overheid dat moet zijn en hoe dat ingrijpen moet worden georganiseerd, daar is discussie over mogelijk. Maar iedere econoom en trouwens ieder ander die de moeite neemt om er even bij stil te staan zal begrijpen dat de markt niet alles zelf kan regelen. Een producent moeten zeker weten dat anderen voor een productie die hij zich heeft voorgenomen met een soortgelijk kostenplaatje zitten. Anders begint hij er niet aan. Die zekerheid kan in zulke omstandigheden alleen de overheid verschaffen. Soms kan het ook wel op vrijwillige basis tussen ondernemers onderling worden geregeld, maar meestal niet.
De oplossing zit hem dus in een overheid die begrijpt hoe de markt werkt en die oordeelkundig ingrijpt waar dat nodig is, maar die haar vingers afhoudt van de markt waar die zijn werk goed doet. Bij de bankencrisis deed de markt zijn werk niet goed. Zoveel was duidelijk. Het ingrijpen van de overheid was nodig om een catastrofe te voorkomen. Een van de problemen daarbij was dat er geen internationale overheid is terwijl de geldcirculatie waarin ingegrepen moest worden wel internationaal is. Internationaal toezicht vereist internationale samenwerking. Dat luistert nogal nauw, want teveel is daarbij bijna even erg als te weinig. Die samenwerking zal op praktische gronden beperkt moeten blijven tot degenen die groot genoeg zijn om een verschil te maken en die tegelijk bereid zijn om voor de samenwerking wat van hun autonomie in te leveren. Het opzetten van een dergelijke samenwerking is geen wetenschap, dat is kunst. Van een geïnstitutionaliseerde samenwerking in deze zin is sinds het begin van de crisis nog weinig terechtgekomen.
Een van de problemen daarbij is dat (systeem)banken in hun activiteiten wereldwijd zo ingewikkeld en onoverzichtelijk zijn geworden dat eigenlijk geen enkele vorm van effectieve controle nog mogelijk lijkt. Verder blijkt een groot deel van de geldcirculatie niet meer met de reële economie van goederen en diensten van doen te hebben maar met virtuele diensten. Met diensten die betrekking hebben op voorspellingen en weddenschappen omtrent toekomstige groei en winsten. Dat is de markt van de zogenaamde derivaten. Dat de bankencrisis ingewikkeld is en dat de geldcirculatie niet gemakkelijk weer goed op de rails te krijgen was, dat is duidelijk. Maar met de werkzaamheid van het systeem van ondernemingsgewijze productie heeft het eigenlijk niets van doen. Dat systeem gaat gewoon door en er is ook geen alternatief voor.
Een ander punt waarop het ondernemingsgewijze productiesysteem wereldwijd kritiek krijgt, is op het terrein van de zorg. Dat is een terrein waar men met de resultaten van de spontane werking van de markt niet tevreden is maar waar aan de andere kant onoordeelkundig ingrijpen van de overheid hele kostbare gevolgen blijkt te hebben. De Amerikaanse gezondheidszorg, waar ondermeer de New York Times en e.t. president Obama zich terecht zo over opwonden, worstelt met een groot probleem: zij is te duur. Dat komt met name omdat zij alles doet om claims te vermijden en daardoor te kostbare apparatuur en procedures gebruikt. Daarnaast betaalt iedereen in de gezondheidszorg torenhoge premies voor aansprakelijkheidsverzekeringen. Een minimaal ingrijpen van de overheid en een ingrijpen dat helemaal past in haar klassieke taakopvatting zou zijn: verbiedt het no cure no pay systeem voor letselschade advocaten en stel een grens aan de hoogte van medische schadevergoeding claims. De invloed op de kosten van deze simpele ingreep zou heel groot zijn. Maak daarnaast als dat nodig is een ziekenfonds met eigen klinieken voor de minstbedeelden. Geef artsen en verplegers belastingaftrek als ze een deel van hun tijd tegen een laag tarief daar willen werken. Maak de premie voor het ziekenfonds kostendekkend, zodat een efficiënt beheer nodig blijft. Verschaf de allerarmsten gratis toegang of betaal hun premie en geef de iets minder armen reductie. Dan was het Amerikaanse zorgprobleem op een relatief goedkope manier opgelost, mogelijk ook zonder veel politieke heisa. De tegenwoordige president heeft een meerderheid in het Congres en er zijn bovendien voldoende verstandige Republikeinen die voor een zinnig systeem zouden stemmen als het werd voorgesteld. Het is in elk geval een goed voorbeeld van gepast en efficiënt overheidsingrijpen in de economie. Inzichten over recht en billijkheid bepalen wanneer de werking van de markt onbevredigende resultaten oplevert. Politiek en economisch inzicht bepalen hoe dat ingrijpen met een minimum aan kosten plaats kan vinden.
Nederland is zelf een voorbeeld van een overheid die niet goed lijkt te weten hoe de markt werkt en die in de markt ingrijpt door taken op zich te nemen die anderen beter kunnen verrichten. Dat heeft meer nadelen dan alleen dat het de markt verstoort. Het verstoort de overheid evenzeer. Niet alleen bij de uitvoering van de taken die zij onnodig op zich heeft genomen maar juist ook bij andere en meer centrale overheidstaken. Men meent soms dat het slecht functioneren van de Nederlandse overheid een kwestie is van optische vertekening. De overheid wordt door de openbare mening dichter op de huid gezeten dan het bedrijfsleven, maar in het bedrijfsleven zouden onopgemerkt tenminste zo veel fouten worden gemaakt.
Dat is niet zo. Natuurlijk zal niemand beweren dat de mensen die in het bedrijfsleven werken van nature slimmer of zorgvuldiger zijn dan ambtenaren, daar zit het hem niet in. Maar het bedrijf waar fouten gemaakt worden op de schaal van de Nederlandse overheid, dat gaat failliet. In een open systeem zoals wij hebben, komen er steeds weer nieuwe bedrijven bij en verdwijnen er bestaande bedrijven omdat ze niet goed worden gerund of omdat de vraag naar hun diensten en producten verdwijnt. Er zullen wel bedrijven tussen zitten die aan de hebzucht van hun leidinggevenden ten onder gaan. Dat was Ahold bijvoorbeeld bijna gebeurd. Maar het is duidelijk dat de critici van de laatste tijd de werking van de ondernemingsgewijze productie verwarren met de hebzucht van bankiers. Bankiers zijn in het algemeen juist helemaal geen ondernemers, in de zin dat zij precies weten wat re in hun onderneming gebeurt en zij deze aansturen met behulp van informatie uit de markt. Het zijn oligopolisten die niet naar de markt maar vooral naar elkaar kijken.
Het aantal terreinen waarop de Nederlandse overheid het heeft laten afweten, omdat men in die kringen niet begrijpt hoe de markt werkt, is legio. Dat gebeurt direct, door onoordeelkundig ingrijpen, of indirect omdat men het zo druk krijgt dat de centrale taken in het gedrang komen. Of het gaat om het onderwijs, de zorg, justitie, de immigratie en de integratie van nieuwkomers, de introductie van de informatietechnologie in het ambtelijk apparaat, om de kaasschaaf waarmee sinds de kabinetten Lubbers is bezuinigd, overal vindt men voorbeelden van overheidsoptreden dat tekort schiet.
In plaats van blind vertrouwen te stellen in de overheid zouden de critici van de vrije markt beter zelf aan de slag kunnen gaan om de zaken in de samenleving te verbeteren die dat naar hun inzicht nodig hebben.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geld en economie, overheid. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s