Gezinshereniging en Europese verdragen.

De Nederlandse rechter heeft het regeringsbeleid onderuit gehaald, dat sinds minister Verdonk gericht was op de afremming van immigratie van mensen met lage inkomens, een lage opleiding en een gebrek aan kennis van het Nederlands. Van mensen met andere woorden die naar alle waarschijnlijkheid hier geen baan kunnen krijgen en een last gaan vormen voor de gemeenschap. Als hun aantal blijft stijgen zoals dat de laatste decennia het geval is geweest dan wordt de effectiviteit van de welvaart staat met haar sociale wetgeving hierdoor op termijn op de tocht gezet. Het is ondenkbaar dat zij bij ongewijzigd immigratiebeleid betaalbaar blijft.
Bij deze ongewenste immigratie gaat het in hoofdzaak om import bruiden en bruidegommen. In 2001 trouwde ruim meer dan de helft van de Koerden en Oostelijke Turken met een partner uit het land van herkomst. Eenzelfde percentage geldt voor de Marokkanen uit het Rift gebergte. Voorafgaande aan de uitspraak van de rechter was als gevolg van het Verdonk beleid dat percentage gehalveerd.
De Volkskrant reageerde hierop als volgt:
Nederland moet zelf kunnen uitmaken wie zij onder welke voorwaarden wil toelaten. De Nederlandse wetgever kan zich niet verschuilen achter de Europese richtlijnen. Afspraken in Europees verband over migratie zijn nuttig en noodzakelijk, maar Europese richtlijnen kunnen niet als voldongen feiten voor kennisgeving worden aangenomen.
Het kan heel goed zijn dat De Volkskrant hiermee een opvatting weergeeft die in Nederland breed gedragen wordt, al is zij juridisch onjuist. Zij ligt in elk geval in de lijn van het referendum van 2005. Maar de uitspraak van de krant maakt ook duidelijk waar de Nederlandse politiek al in een eerder stadium heeft gefaald.
Die bevoegdheid van Europa om lidstaten voor voldongen feiten te stellen en hun wetgevers te overrulen bestaat al veel langer dan het grondwettelijk verdrag waar het referendum betrekking op had en dat als Verdrag van Lissabon opnieuw door Nederland is geratificeerd. De Nederlandse grondwet bepaalt dat een verdrag en een richtlijn van een internationale instelling waar wij ons verdragsrechtelijk aan gebonden hebben, boven de Nederlandse wet gaan. Zij gaat zelfs boven onze grondwet. In Amerika heeft een verdrag alleen rechtswerking op grond van de nationale wet waarmee zij wordt geratificeerd. Daarin kan worden bepaald of het verdrag van hogere of lagere rang is dan nationale wetgeving. De Amerikaanse grondwet kan aan de andere kant door een verdrag nooit buiten werking worden gesteld, omdat de ratificatie wet die dat zou inhouden zelf ongrondwettig zou zijn. Als de ratificatie wet geen andere bepaling bevat op het punt van de voorrang dan geldt de gewone regel: een jongere wet gaat boven de oudere, zolang zij beide grondwettelijk zijn. Wat in strijd komt met de grondwet geldt niet.
Het Amerikaanse congres kan dus altijd een verdrag dat haar niet bevalt buiten werking stellen met een nieuwe wet. In Nederland is dat anders. Wat betreft verdragen die een rechtstreekse werking hebben is dat Nederlandse standpunt ook wel juist, met name wanneer die werking voor beide verdragspartners geldt. Ook tussen landen geldt de regel dat pacta sunt servanda. Twee of meer landen binden zich aan een verdrag ondermeer omdat de verdragspartners dat ook doen en dan zou je daar niet eenzijdig vanaf moeten kunnen wijken. Bij het aannemen van het verdrag kan het parlement beslissen of zij de ruil die daarbij plaats vindt in het belang acht van de burgers. Wij hebben de regel niet dat een wet niet mag strijden met de grondwet of liever gezegd, bij ons maakt het parlement uit of dat het geval is in plaats van de rechter. Als het parlement een nieuwe wet aanneemt is zij als gevolg van deze bevoegdheid bij wege van wetsfictie niet in strijd met de grondwet.
Maar bij het geven van bevoegdheden aan internationale instellingen ligt dat anders. Als Nederland aan de EU of de VN de bevoegdheid geeft om regels te stellen die voor de Nederlandse burger bindend zijn dan geeft het parlement hiermee een grondwettelijke bevoegdheid uit handen en daarvoor zouden eigenlijk dezelfde regels horen te gelden als voor een wijziging van de grondwet.
Bij nieuwe richtlijnen kan immers niet meer opnieuw worden overwogen of ons dit wel past en of Nederlands beleid daarmee niet onderuit wordt gehaald. Dat betekent dat voor het terrein waarop de internationale instelling bevoegd is Nederland haar soevereiniteit uit handen heeft gegeven aan een orgaan dat in hoofdzaak andere dan Nederlandse belangen behartigt. Dat effect wordt versterkt wanneer we de bevoegdheid om te bepalen waar we de bevoegdheid uit handen hebben gegeven aan een niet-Nederlandse rechter overlaten.
De Nederlandse kiezer heeft in 2005 met twee derden meerderheid besloten dat dit niet wenselijk is, maar de publieke opinie had daarbij niet begrepen dat het soevereiniteitsverlies waartegen men zich verzette geen gevolg was van het verdrag dat men wilde verwerpen. Dat was een gevolg van de voorrang die onze grondwet aan internationale bepalingen geeft als die in strijd komen met de Nederlandse wet of grondwet. Het verlies aan autonomie ligt opgesloten in bevoegdheden die veel eerder aan de Europese instellingen uit handen zijn gegeven.
Wanneer wij dat zouden willen veranderen en aan onze eigen grondwet de voorrang willen geven bij zaken die onze nationale soevereiniteit raken dan zouden wij haar op dat punt moeten aanpassen en daarbij – net als de Amerikanen – aan latere wetten voorrang moeten geven boven eerdere verdragen, althans voor zover die een bevoegdheid tot regelgeving impliceren.
Op punten waar de Nederlandse belangen niet noodzakelijk dezelfde zijn als de van alle andere Europese landen lijkt het in overeenstemming met de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid om het recht niet uit handen te geven om zelf als laatste te kunnen oordelen over wat goed is voor het land en haar bevolking. Daarvoor heeft zij van de keizers een mandaat gekregen. Dat geldt met name op punten waar men niet bewust bevoegdheden heeft afgestaan en Europese regelgeving door rechters wordt gebruikt met het oog op heel andere problematiek dan bij de totstandkoming was voorzien. Een voorbeeld daarvan is de nationale fiscale wetgeving die door de Europese rechter buiten werking wordt gesteld omdat zij in strijd zou komen met de vrijheid van verkeer binnen de Gemeenschap. Dat is precies het soort bureaucratie waar de kiezers zich in 2005 massaal van hebben afgewend.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in europa, Nederland, recht. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s