De vaste inrichting.

Vaste inrichting is een fiscaal kunstbegrip, waarmee wordt gedoeld op het binnenlandse aanknopingspunt voor de belastingheffing op de winst van buitenlandse ondernemingen. Vaak, maar niet altijd, is een v.i. in fiscale zin tegelijk een filiaal in burgerrechtelijke zin. Maar er ontstaat verwarring wanneer het civielrechtelijke en het fiscale begrip door elkaar gebruikt gaan worden.

Iets daarvan vind je in de bijdrage van wijlen Mr. Langereis in de Van Brunschot bundel[1]. Dat begint met de titel “Verdragsgerechtigdheid van een vaste inrichting”
Het is duidelijk – en het blijkt ook wel uit het vervolg van het artikel – dat hier op het civielrechtelijke begrip filiaal wordt gedoeld. Dat een baggermolen verdragsgerechtigd kan worden zal wel niet zijn bedoeling zijn. Over verdragsgerechtigdheid kan alleen gesproken worden als het gaat om een buitenlandse onderneming die met een binnenlands filiaal in het maatschappelijk verkeer als een zelfstandige entiteit opereert. Het Romeinsrechtelijke begrip persona standi in judicio en het moderne burgerrechtelijke begrip rechtspersoon[2] is waar men aan moet denken in dit fiscale verband. Zoals lichamen subjecten kunnen zijn van vennootschapsbelasting, zo dienen filialen wellicht subject van vpb[3] te kunnen zijn in het verdragsrecht.
Voor het overige is het de vraag of de buitenlandse vennootschap die een filiaal heeft in het binnenland voor het internationale belastingrecht een dubbele woonplaats heeft en om die reden in beide woonplaatsen een beroep zou moeten kunnen doen op met andere landen gesloten verdragen.

Een dubbele woonplaats wordt in het IBR wel als mogelijkheid erkend[4], maar voor de toepassing van verdragen wordt doorgaans in het betrokken verdrag een keuze gemaakt. De relevante woonplaats wordt bepaald aan de hand van een aantal in het verdrag genoemde criteria. Een van de verdragsluitende landen krijgt op grond daarvan voorrang. Geven de criteria geen uitsluitsel dan is er de procédure amiable. Voor de toepassing van het verdrag wordt bij voorkeur maar één woonplaats erkent omdat een dubbele woonplaats de attributie van heffingsrecht bemoeilijkt en dubbele belasting of treaty shopping mogelijk en waarschijnlijk maakt. Als om de redenen die Langereis noemde het wenselijk wordt dat internationaal opererende vennootschappen in meer dan een land verdragsgerechtigd zijn dan lijkt niettemin een dubbele of meervoudige woonplaats de aangewezen oplossing

Wanneer het ontbreken van een dubbele woonplaats onder omstandigheden een dubbele, of onbedoeld zwaardere belasting kan veroorzaken, dan verdient het misschien aanbeveling een oplossing voor dat probleem te zoeken door een toevoeging aan artikel 4 van het OESO Model Verdrag en in de overeenkomstige artikelen in de bilaterale verdragen. Dat zou misschien kunnen als volgt:

Article 4.4

If, however, an individual or a person other than an individual by reason of a double residency will not suffer double taxation nor acquire an inequitable advantage, he may request that in his case the provisions of article 4.1-3 will not apply.

De beide mogelijkheden, ongerechtvaardigde voordelen en dubbele heffing, waren de reden om een dubbele woonplaats uit te sluiten. De mogelijkheid van het bestaan van een meervoudige woonplaats wordt in het modelverdrag erkend. Als geen van twee mogelijkheden zich voordoet vervalt de reden om fictief een van beide woonplaatsen uit te sluiten. Om de vaste inrichting vervolgens tot een fictieve (dubbele) woonplaats te maken voor de gevallen waarin deze niet uit zijn eigen aard al als een woonplaats gelden kan, dat is dan nog maar een kleine stap.

[1] Een waarschuwing tegen deze vorm van kruisbestuiving tussen de twee takken van het recht kan men in dezelfde bundel vinden in de bijdrage van Marten Mees.
[2] Rechtspersoon zoals dat begrip al langer in de Latijnse landen in Europa bestond hoeft niet noodzakelijk meer een uitsluiting van aansprakelijkheid mee te brengen voor de gerechtigden tot die rechtspersoon en zij hoeft ook niet meer als zodanig te zijn opgericht. Het fiscale begrip lichaam als bedoeld in Art. 1. Vpb komt grotendeels met dit begrip rechtspersoon overeen.
[3] Of langs die weg ook de verdragsgerechtigdheid van IB filialen kan worden bereikt lijkt twijfelachtig. IB is een belasting van natuurlijke personen en niet van lichamen. (wet IB art.1.1)
[4] Artt. 1 en 4 OECD Model Convention van 15 juli 2005.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in recht. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s