Het functioneren van de rechtsstaat.

Piet Hein Donner heeft ons, toen hij nog minister van sociale zaken was, laten weten dat hoger opgeleiden wat hem betreft geen banen meer zouden moeten kunnen weigeren, zonder hun werkloosheidsuitkering te verliezen. Ingenieurs weer op de tram dus, net als in de crisis van de jaren dertig in de vorige eeuw. Max Pam vond dat de minister zelf maar eens iets onder zijn niveau moest gaan doen na zijn aftreden, dan maakte hij dat ook eens mee.
Bijna alles is onder het niveau van een minister, maar toen hij geen minister meer was is hij niet onder zijn niveau gaan werken, Hij is Vicepresident geworden van de Raad van State, dat is nog een klein stapje hoger. Maar dat was het probleem natuurlijk niet. Het probleem is dat de ene werkloosheid de andere niet is en dat de een aan de regeling te kort komt terwijl de ander er misbruik van maakt. Er zijn mensen die misbruik maken van de sociale wetgeving door maar banen te blijven weigeren en aan de andere kant heeft Pam gelijk dat mensen niet gedwongen moeten worden zo maar alle banen te nemen die bij het arbeidsbureau (CWI) staan aangeplakt.
Iemand van zestig, die slecht ter been is, zou niet gedwongen moeten worden om in weer en wind en midden in de nacht aan de weg te gaan werken. Vrouwen zouden nee moeten kunnen zeggen tegen een baan in een bordeel, als zij daar niet voor voelen, ofschoon dat tegenwoordig een legitieme en erkende baan geworden is. Van de andere kant is er niets op tegen dat gezonde werklozen post gaan rondbrengen, zolang ze geen andere baan hebben. Ik heb een goede vriend die dat doet en daar, naar hij zegt, veel nieuwe inzichten in de samenleving mee opdoet. Vooral het aantal mensen dat door het stadsbestuur van Amsterdam onderhouden wordt via reeksen obscure stichtinkjes heeft hem een ander inzicht gegeven in wat hij sindsdien noemt ‘de DDR in Nederland’.
Wetten en regels zijn voor iedereen hetzelfde terwijl toch de omstandigheden waarin mensen terechtkomen eindeloos kunnen verschillen en ze er bovendien allemaal anders op reageren. Het oude Chinese systeem uit de Tang dynastie werkte in dat opzicht veel beter. Dat is het systeem dat u in de Rechter Tie boeken van de diplomaat Van Gulik kunt aantreffen. Dat systeem was – kort samengevat – als volgt: zoek zo zorgvuldig mogelijk uw beslissingnemers uit en laat het aan haar of aan hem over om voor ieder geval een rechtvaardige oplossing te bedenken. Gebruik de wet om hun handelen marginaal te toetsen: als ze een beslissing nemen die van de gekken is, doe er dan wat aan en ontsla die rechter of hak zijn hoofd eraf. Van de gekken is het bijvoorbeeld als de rechter zich heeft laten omkopen of als hij voor hij zijn uitspraak doet een van de twee partijen niet heeft gehoord, terwijl die daar wel om had gevraagd.
Rechter is in dit verband trouwens niet zo’n hele goede vertaling, want die Chinese ‘rechters’ deden heel wat meer dan alleen de wet toepassen. Zij waren de ambtenaren die namens de keizer alle problemen oplosten die zich tussen burger en overheid of tussen burgers onderling voordeden. In grote lijnen speelden zij de rol van koning. Alpha male voor een beperkte en overzichtelijke groep mensen. Daarbij konden zij als regel naar eigen inzicht handelen. Regels dienden vooral om hun te zeggen wat ze niet mochten doen in plaats van hun voor te schrijven wat ze wel moesten doen. Met goede ambtenaren werkt dat wel.
Voordeel ervan is dat het in onze genen zit, want dat is het soort werk dat een leidinggevende doet in een groep van hominiden. Nadeel is dat misbruik altijd op de loer ligt. De Grieken uit de zesde eeuw v.C. woonden in overzichtelijke kleine gemeenschappen, die bij Plato en Aristoteles politeia of polis werden genoemd. Dat waren geen staten onder leiding van een dynastie, die door verovering aan de macht was gekomen. Dat waren vrijwillig aaneengesloten groepen burgers die elkaar bijstonden met het oog op hun gemeenschappelijke veiligheid.
In de barbaarse landen werkten ze in die jaren nog met het systeem van de almachtige vorst, iets wat in Hellas tirannie genoemd werd. In de Griekse steden kwamen in de zesde en vijfde eeuw overal constituties. De wijze mannen die deze grondwetten schreven, zoals Solon en Lycurgus, stonden hoog in aanzien bij hun medeburgers, zoals U bij Herodotus lezen kunt. Constituties, dat waren de wetten die de rol van de regeerders regelden en beperkten. Beslissingen waren in Hellas openbaar. Zij werden volgens de regels van de constitutie genomen en dat was het begin van de rechtsstaat. Later in de keizertijd van Rome gingen die constituties weer de prullenbak in. In de Middeleeuwen keerde de westerse wereld terug naar het systeem van de barbaren, om pas na de Renaissance met horten stoten weer de richting van de democratische rechtsstaat op te gaan.
Die rechtsstaat beschouwen we nog steeds als de belangrijkste vooruitgang die we in staatkundig opzicht hebben geboekt, belangrijker dan het kiezen een president en belangrijker dan te beslissen met de helft plus een. En als we het over democratie hebben dan is de rechtsstaat daar een onmisbaar onderdeel van.
Hebben we het over de nadelen van de rechtsstaat, dan noemen we wetten bij voorkeur regels, hebben we het over de voordelen dan noemen we het recht[1]. Maar het zijn twee kanten van dezelfde medaille.
Beslissingen worden tegenwoordig anders dan in het China van rechter Tie niet meer genomen met inachtneming van alle relevante omstandigheden maar zo, dat ze voor iedereen ongeveer hetzelfde uitpakken en voorspelbaar worden. Om ze voor iedereen hetzelfde te laten uitpakken moeten de feiten eerst hetzelfde worden gemaakt. Van nature is nooit iets hetzelfde, van nature zijn de dingen altijd anders.
Moderne rechters zijn drukke mensen en ze leren efficiënt met de hun voorgelegde problemen om te gaan. Hun kunst is om alle feiten onder een van hun standaard probleemstellingen te brengen en dan volgt de uitspraak vanzelf. Rechters worden daar na verloop van tijd heel behendig in. Zoals het vroeger ging: goed luisteren naar wat beide partijen te zeggen hebben, controleren of het waar is, feiten op tafel krijgen die de partijen niet uit zich zelf naar voren brengen en de wet alleen gebruiken om na te gaan of je het mag doen zoals je het als rechter zou willen doen. Als we zo zouden rechtspreken zou iedere zaak gemakkelijk een dag kunnen duren.
Verdachten en andere belanghebbenden hebben grote moeite met de moderne rechtsgang, want ze herkennen hun zaak vaak niet meer als er vonnis wordt gewezen. Ook als de politierechter de moeite neemt om uit te leggen waarom hij uitspraak doet zoals hij dat doet. Als de kantonrechter zo vriendelijk is om uit te leggen dat het ook in het voordeel is van de verliezende partij wanneer hij steeds zoveel mogelijk op dezelfde manier recht spreekt. Summum ius, summa injuria [2]denken ze dan stilletjes en ze zijn niet tevreden.
Recht hoort geen efficiënte productie te zijn en geen blote toepassing van regels. De overheid zou meer kunnen doen dan zij doet om de nadelen van de onredelijke werking van regels te beperken. In de eerste plaats door zo weinig mogelijk regels te maken en in de tweede plaats door duidelijke regels te schrijven en vooral door zichzelf de verplichting op te leggen om de onderlinge samenhang tussen de regels te bewaren.
Veel van de bureaucratie waarover de mensen klagen is een gevolg van een eindeloze opeenstapeling. Alle nieuwe regels komen terecht in een bestaand systeem, waar ze de werking van andere regels beïnvloeden, vaak op een onverwachte en onbedoelde manier. Regels worden daardoor vaak anders uitgelegd dan ze oorspronkelijk waren bedoeld. Soms krijgen ze in het gebruik tussen de deskundigen een betekenis die door niemand anders meer te volgen is en soms raakt na verloop van tijd die betekenis weer in onbruik, zonder dat de regel wordt afgeschaft. Als niemand het geheel meer kan overzien dan komt op den duur de chaos, dat is niet te vermijden. Niemand is dan meer in staat om het geheel van regels in een land te overzien, zelfs niet op het terrein waar hij zelf deskundig is. Toch zou dat nodig zijn om een rechtvaardig rechtssysteem te handhaven.
Eigenlijk zou op iedere plek waar regels worden gemaakt iemand moeten zitten die overzicht heeft over alles wat voor zijn of haar onderwerp geldt. Hij of zij zou de eindredactie moeten hebben van iedere nieuwe regel die er wordt gemaakt. Wetten die door het Parlement en de Kroon worden ontworpen, zouden door deze nieuwe functionaris moeten worden gerespecteerd, dat spreekt. Maar vóór ze geldend recht worden, zouden ze wel door hem eerst zo geredigeerd moeten worden dat ze in het bestaande systeem passen. Het Parlement mag dan weer bekijken of de wettenredacteur zijn werk goed heeft gedaan, maar ook de kritiek leidt weer tot een eindredactie van zijn hand of, als het niet anders kan, tot zijn ontslag. Zo zou het in mijn ogen moeten.
Daarmee zouden de nadelen van het systeem niet helemaal worden weggenomen maar het zou allemaal beter onder controle komen. Toch gaat dit niet gebeuren. De overheid heeft het te druk om aan het kritisch bezien van het eigen functioneren nog ooit toe te komen.
________________________________________
[1] Gelijkheid van alle burgers voor de wet is niet het enige voordeel van de rechtsstaat. Belangrijker misschien nog is dat conflicten niet meer met geweld worden opgelost maar door de rechter aan de hand van rechtsregels.
[2] Het toppunt van recht en het hoogste onrecht Cicero, uit De officiis I, 10, 33.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in overheid, recht. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s