Ad majorem dei gloriam.

In Siddeburen was een bok
Die macht verhief en wortel trok.
Die bok heeft onlangs onverschrokken
De wortel uit zich zelf getrokken.
Waarna hij zonder ongerief
Zich weer in het kwadraat verhief.
Maar ’t feit waardoor hij voort zal leven
is, dat hij achteraf nog even
de massa die hem huldigde
met vijf vermenigvuldigde.

Dat is een gedicht van, ik meen, Cees Stip. Dat zou ik wel op kunnen zoeken, natuurlijk, maar dat doe ik niet. Gedichten zijn leuk om te onthouden en niet om op te zoeken.
Ik vind dat Siddeburen een goed gedicht. Niet zo goed als De Zelfmoordenaar van François Haverschmidt, wat ik ook voor het grootste deel uit mijn hoofd ken, maar dat vind ik een van de betere gedichten uit de Nederlandse literatuur. Veel beter bijvoorbeeld dan een gedicht dat in zijn tijd erg bekend was. Dat is van de dichter Isaac da Costa, die U misschien wel kent van de Da Costakade, maar niet van zijn gedichten, want die zijn vreselijk.
Kan het zijn dat de lier die sinds lang niet meer ruiste
Die sinds lang tot geen harten in dichtmuziek sprak
Weer opeens van genot en van zielsgeluk bruiste etc. etc.
Het vervelende is dat je wel het gevoel krijgt dat die man talent had; zijn gedichten lopen als een lier. Da Costa was het soort dichter waar de tachtigers de draak mee staken. Een van die tachtigers was Frederik van Eeden. Die publiceerde een bundel die hij Grassprietjes[1] noemde waarin met al die dominee dichters uit de negentiende eeuw de vloer werd aangeveegd. De beginregels van een paar van die hekelversjes herinner ik me nog wel:

O Beets wat zijt gij groot!
Als God het niet verbood,
Dan zou ik U aanbidden.
Nu laat ik dat in het midden.
Wat is Uw dichten rijk
En dichterlijk!
Of:
Hoe gezegend in dit land
Is het vak van predikant.
Godes zeeg rust buiten kijf
Zichtbaar op dit vroom bedrijf.
Dichters maakt alleen de Heer.
Predikanten mint Hij zeer!
Daarom neemt men, dat is klaar
Zoveel dichters bij hen waar.

Het is opvallend dat dit spotten met zijn voorgangers Van Eeden heel wat beter af gaat dan het maken van gedichten die hij serieus bedoelt en dan het schrijven van leesbare boeken. Dat geldt eigenlijk ook voor Haverschmidt, die na zijn studententijd niets meer geschreven heeft dat iemand zich nog herinnert. Ik denk dat we hier op het merkwaardige fenomeen stuiten, dat in Nederland alleen onbedoeld behoorlijke literatuur wordt geproduceerd. Zodra mensen er hun best voor gaan doen lukt het opeens niet meer. Maar doen ze het voor de commercie of puur om hun vrienden te amuseren, dan blijken ze het prima te kunnen.
Neem Hieronymus van Alphen. Die maakte kinderrijmpjes zoals

Jantje zag eens pruimen hangen
O, als eieren zo groot!
Het scheen dat hij ze wilde plukken
Schoon zijn vader het verbood.

Gewoon voor zijn eigen kinderen en die van zijn vrienden, maar zonder enige pretentie. En dat is denk ik het geheim. Het moet zonder pretentie. Wil je het mooi of verheven maken, dan wordt het niks, maar schrijf je omdat je tekst nodig hebt voor een advertentie of een toneelstuk dat door acteurs moet kunnen worden gespeeld dan doe je het professioneel en dat gaat dan meteen veel beter.
Die Beets waar Van Eeden het over heeft is de schrijver van de Camera Obscura, een alleraardigst boek, al is het net als de Max Havelaar niet over de hele linie even goed. Maar het steekt wel met kop en schouders uit boven al het andere dat Beets ooit heeft gemaakt, ernstig en gewijd als het was, ad majorem dei gloriam.

[1] Onder het pseudoniem Cornelis Paradijs.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in literatuur. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s