Waarde en geld.

Het schijnt dat veel mensen tegenwoordig denken dat waarde alleen maar subjectief is. Men meent dat ook goud en andere ‘safe investments’ waar mensen in vluchten als ze het vertrouwen in de economie kwijt raken, uiteindelijk alleen maar zeepbellen zullen blijken te zijn. Besluiten we met zijn allen dat we zaken of diensten niet meer willen hebben dan verdwijnt daarmee ook hun waarde. Eigenlijk is er dus geen waarde waar je echt op kunt vertrouwen. Dat is een wijd verspreide mening.
Op zich is het wel waar dat dingen hun waarde verliezen als mensen ze niet meer willen hebben, maar sommige dingen willen mensen altijd en overal hebben en die behouden dus ook hun waarde. Kleren bijvoorbeeld als het koud is en eten en drinken voor wie honger heeft.
Economische waarde heeft wel degelijk een harde kern en er is een belangrijk verschil tussen zeepbellen en zaken met een reële waarde. Het pure gokken, waardoor veel waarde tegenwoordig van eigenaar verwisselt heeft als activiteit nauwelijks toegevoegde waarde, de samenleving wordt er niet beter van. Maar de dingen die de mensen nodig hebben om te leven of waar ze happy van worden en die schaars zijn, hebben een reële waarde. De waarde blijkt het grootst te zijn als die zaken terechtkomen bij de mensen die ze het hardste nodig hebben. Voedsel, drank, kleding, onderdak, warmte als het koud is en koeling als het warm is, allemaal zaken waar we niet zonder kunnen en waar we dus waarde aan hechten. Of anders uitgedrukt we hebben er geld of andere tegenwaarden voor over als er gebrek aan is. En als andere mensen ze echt dringend nodig hebben en ze hebben zelf het geld ervoor niet, dan zijn we vaak bereid het voor ze te betalen, als we zelf het geld kunnen missen. Hoe dringender de behoefte is hoe meer we er voor over hebben. Dit waarde begrip is het uitgangspunt van de economie en het heet nut.
Mensen die belangrijke economische beslissingen nemen, zoals de Amerikaanse president, horen er goed van op de hoogte te zijn en zijn dat in het algemeen ook wel. Maar veel kranten en andere media zijn het niet of doen in elk geval alsof ze het niet begrijpen.
De objectiviteit van de waarde geldt vooral voor zaken met een grote overlevingswaarde. Daarnaast zijn er ook veel dingen die mensen niet perse nodig hebben maar erg graag willen hebben en ook die hebben objectief waarde. Dan is er nog een andere, afgeleide vorm van waarde: alles wat je kunt ruilen voor dingen die waarde hebben. De belangrijkste afgeleide waarde heeft geld. Je zou geld kunnen definiëren als al datgene wat iedereen aanvaardt als een tegenprestatie voor zaken met nut.
Samengevat kun je het dan als volgt uitdrukken: waarde kent een aflopende schaal van essentieel via nuttig naar alleen maar prettig en tenslotte naar ingebeeld nut. Die schaal verloopt vloeiend en scherpe grenzen zijn daarbij niet te trekken. Dingen hebben een afgeleid nut of een afgeleide waarde als ze voor andere nuttige zaken kunnen worden geruild. Zo ongeveer zit het.
Wanneer wereldleiders maatregelen willen nemen om crises zoals de afgelopen tien jaar in de toekomst te voorkomen dan zullen ze goed moeten weten wat economische begrippen betekenen. Geld is een goed voorbeeld. Geld is de zaak bij uitstek met een afgeleid nut. Maar het heeft daarnaast ook een intrinsieke waarde: geld faciliteert het ruilverkeer. Het maakt ruil mogelijk tussen een oneindig aantal verschillende partijen en het stelt mensen in staat hun ruiltransacties in de tijd uiteen te trekken. Een ongestoord verlopend geldverkeer is een voorwaarde voor een globale economie als de onze. Met geld is een beetje als met tijd[1]: iedereen weet wat het is tot je het nauwkeurig moet definiëren. Dat blijkt dan lastig te zijn.
In de eerste plaats is er gemunt geld en zijn er bankbiljetten. Maar daarnaast zijn het vooral de vorderingen die iedereen op banken heeft en de banken op ons: de bankrekeningen. Het bankverkeer en de kredietverlening van banken zijn tegenwoordig de belangrijkste onderdelen van het geldverkeer. Men kan van mening verschillen of effecten geld zijn en al het andere waarvoor beurskoersen bestaan, voorraden olie bijvoorbeeld. In sommige opzichten niet en in andere weer wel. Maar voor het geldverkeer, dat de laatste jaren een paar keer in gevaar dreigde te komen, hebben al die vormen van ‘bijna geld’ alleen een afgeleide betekenis. Voor ons en voor de overheden is geld datgene wat het ruilverkeer faciliteert, de ruil van dingen die waarde hebben. Al het andere kunnen we daarbij beter buiten beschouwing laten.
Toen banken in 2008 dreigden om te vallen en de overheden ingrepen om dat te voorkomen deden ze dat omdat de geldcirculatie in gevaar kwam. Het had weinig gescheeld of het deel van het geld dat bestaat uit de kredieten die banken geven aan elkaar en aan het bedrijfsleven was verdampt. Daarmee zou de wereldhandel en de wereldproductie van goederen en diensten met een klap tot stilstand gekomen zijn of in elk geval onoverzienbare schade hebben opgelopen. De bijzondere functie van de banken werd toen plotseling weer eens duidelijk. Toch wordt dat belang nog steeds onvoldoende onderkend door de media. Die hebben de neiging om banken nog steeds te zien als ondernemingen net als alle andere[2].
Achteraf werd in de media betreurd dat we banken niet gewoon failliet hebben laten gaan. Men vond het zonde dat we zoveel geld hebben uitgegeven om ze overeind te houden. Van failliet gaan, daar zouden ze wat van geleerd hebben is dan de gedachte.
Dat banken een essentiële publieke dienstverlening zijn, belangrijker dan vrijwel alles van wat de overheid zelf doet, dat ziet men bij de media onvoldoende. Dat de bankiers schaamteloos profiteren van hun onmisbaarheid is zeker jammer, maar hoort toch geen reden te zijn voor ons overheden en belastingbetalers om economisch harakiri te plegen. Het betekent hoogstens dat we voortaan beter toezicht moeten houden.
Overheden hebben in het algemeen een monopolie op functies die van vitaal belang zijn voor de samenleving waarin ze functioneren. De overheid gaat daarom over de rechtspraak, over het leger en de politie, over het innen van de belastingen en in de westerse landen ook over het onderwijs en de zorg. De overheid ging vanouds over het slaan van munten en het drukken van bankbiljetten. Maar de overheid gaat niet over het belangrijkste deel van de geldcirculatie, het verlenen van kredieten.
Toen Mitterrand, de Petainist, met steun van de communistische partij president werd van Frankrijk heeft hij een aantal grote banken genationaliseerd. Dat bleek een economische ramp en de maatregel is vrijwel meteen weer ongedaan gemaakt. Het blijkt in de praktijk dat banken niet door overheden kunnen worden bestuurd, maar dat neemt niet weg dat de overheden de geldcirculatie wel moeten blijven bewaken. Zonder de geldstroom valt de economie stil en dan kan het welzijn van de bevolking niet langer worden gegarandeerd.
Banken weten dat overheden in de westerse wereld een les geleerd hebben van de affaire Mitterrand[3] en dat zij zelf niet snel meer zullen worden genationaliseerd. Ook weten ze dat overheden hen wel moeten steunen als een deconfiture dreigt. Daarin schuilt een grote onevenwichtigheid. Banken permitteren zich grotere risico´s dan verantwoord is, omdat zij daarvan wel de voordelen ondervinden, maar de nadelen alleen in beperkte mate. Overheden proberen door het houden van toezicht te voorkomen dat er deconfitures ontstaan bij banken maar het is duidelijk dat men daar maar ten dele in slaagt.
Daar zijn een aantal oorzaken voor aan te wijzen. In de eerste plaats is het geldverkeer internationaal en zijn overheden dat niet. Voor een effectieve controle op het bankwezen zouden overheden zich op hetzelfde niveau horen te organiseren als de banken. De belangrijkste economische regio´s in de wereld, die samen het grootste deel van de wereldproductie en handel voor hun rekening nemen zouden eigenlijk een gezamenlijke toezichthouder met uitgebreide bevoegdheden in het leven moeten roepen. Als ze niet allemaal mee willen of kunnen, dan zouden de landen die tezamen bijvoorbeeld zeventig procent vertegenwoordigen waarschijnlijk ook wel voldoende zijn. De rest van de wereld volgt dan wel. China/Japan/Korea en Amerika/Europa/Australië zouden het tezamen waarschijnlijk kunnen, ook zonder de rest.
In de tweede plaats zijn banken te ingewikkeld geworden om ze te kunnen controleren. Allerlei producten die niets met de geldcirculatie van doen hebben horen uit de organisatie van banken te verdwijnen. Systeembanken horen qua organisatie en activiteiten controleerbaar te worden gemaakt.
Het is een vergissing om te menen dat de controle op banken verbeterd kan worden door verbetering of uitbreiding van de wet- en regelgeving. De dialectische processen, waardoor de regelgeving als het ware spontaan steeds ingewikkelder en onoverzichtelijker wordt, zijn niet in de hand te houden. Vereenvoudiging van de banken zelf lijkt de enige werkzame manier. De manier waarop we banken simpeler en controleerbaarder zouden kunnen maken is een probleem apart. Waarschijnlijk in de eerste plaats door de concurrentie van nieuwe kleine en efficiënte banken te stimuleren en die te faciliteren. Daarnaast zal regelgeving wel onvermijdelijk blijken, maar alleen als een zijlijn. We moeten er voor zorgend dat het in het belang van de banken zal zijn om simpeler en overzichtelijker te worden.
In de derde plaats is de wereld geldcirculatie instabieler geworden omdat geld tegenwoordig niet alleen meer wordt besteed aan goederen en diensten die de samenleving in stand houden maar ook aan zaken die niet of nauwelijks praktisch nut hebben. Meer dan de helft van het wereldgeldverkeer is tegenwoordig gemoeid met de financiering van derivaten en andere processen die in wezen een vorm van gokken zijn, te vergelijken met de toto of de pokertoernooien op het internet. Die geldstromen hebben de neiging om de onevenwichtigheden van de markten in reële goederen te versterken. Of dit deel van het geldverkeer kan worden afgeschaft zonder al te grote schade aan de rest van het geldwezen en van de beurzen is mij persoonlijk niet helemaal duidelijk, maar het zou mijns inziens onderzocht horen te worden.
Tenslotte – en dat is de vierde onevenwichtigheid – hebben een aantal landen, waaronder de VS, een tijd lang veel meer uitgegeven dan zij produceerden en dat geldt zowel voor hun overheden als voor de burgers. De markten liepen toen vooruit op de crash die dat ooit ten gevolge zou hebben gehad, als er geen orde op zaken was gesteld. Die crash zou zijn gekomen op het moment dat andere landen niet langer bereid of in staat zouden zijn geweest om de tekorten te financieren. In de praktijk betekent het dat de olielanden en de Aziatische landen met exportoverschotten niet langer betaling in dollars accepteren. Ook de problemen met de euro hebben met dit soort verwachte toekomstige ontwikkelingen te maken.
Op zich heeft de Eurozone een positieve handelsbalans en wordt die door de zwakte van de munt als gevolg van de crisis in de Zuidelijke eurolanden alleen maar nog positiever. Maar die positieve handelsbalans geldt wel voor de EU en de Eurozone, maar niet voor alle lidstaten. Griekenland en andere Zeurolanden hebben een negatieve handelsbalans onder meer als gevolg van te hoge overheidsuitgaven. Zij hebben een systeem van sociale voorzieningen opgezet, dat zowel een hoge welvaart als een gedisciplineerde overheidshuishouding vereist. Die discipline is in delen van de eurozone niet aanwezig en eigenlijk zijn de meeste onvoldoende welvarend om zich een dergelijk systeem te kunnen veroorloven.
De open grenzen van de EU verergeren het probleem van de niet financierbare welfare states, omdat juist de immigranten tot de bevolkingsgroepen horen die meer trekken uit de sociale voorzieningen dan dat zij bijdragen aan de financiering ervan. De immigratie uit de arme landen concentreert zich op landen met de grootste welvaart en de meest welwillende houding tegenover nieuwkomers. De markt is daarom nu al van mening dat ook de rijke eurolanden op de duur hun overheidsuitgaven niet meer kunnen financieren en dat werpt zijn schaduw vooruit. Het legt een neerwaartse druk op de euro.
Het bestaande systeem van open en praktisch ongecontroleerde financiële markten met onbeheersbare geldstromen is aan herziening toe. Niet om de overheden in staat te stellen meer uit te blijven geven dan hun samenlevingen kunnen opbrengen, maar juist om delinquente overheden grotere discipline bij te brengen. Alleen met een internationale autoriteit met voldoende bevoegdheden kunnen we een wereldgeldcirculatie in stand te houden zonder periodieke crises. We hebben een autoriteit nodig die kan ingrijpen wanneer onevenwichtigheden in de markt het wereldgeldsysteem bedreigen. Die autoriteit hoort niet afhankelijk te zijn van de waan van de dag en dus niet van de politiek of de publieke opinie. Maar haar aanwezigheid lijkt een vereiste te zijn als we een catastrofe, zoals we die sinds 2008 dreigden mee te maken, in de toekomst te voorkomen.

[1] Zie Augustinus, Belijdenissen, Boek XI, 14,17
[2] In de commentaren op de vergadering van de industrielanden werd het ingrijpen van de overheden tijdens de bankencrisis als een Keynesiaanse maatregel beschreven, om de dreigende depressie tegen te gaan. In werkelijkheid was er van een doelbewuste stimulering van de economie geen sprake, alleen van het opgang houden van de geldcirculatie die dreigde te stokken.
[3] Mitterrand was een zeer schrander mens en het is niet uit te sluiten dat hij het mislukken van de bank nationalisaties best heeft zien aankomen. De schuld ervoor werd algemeen aan de communisten toegerekend en het gevolg van het nationalisatie debacle was dat zij uit de regering verdwenen. Bij de volgende verkiezingen verdwenen zij ook als belangrijke factor uit de Franse politiek. Het is niet ondenkbaar dat Mitterrand dat heeft voorzien of dat hij met de mogelijkheid rekening heeft gehouden.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geld en economie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s