Commentaar op een notitie van de gemeente Amsterdam.

In traditionele immigratielanden, waar de samenstelling van de bevolking meestal heel divers is, wordt door de overheid veel aandacht besteed aan samenbindende elementen als de taal, de geschiedenis, de constitutie en de instituties van het land. In Nederland begon de belangstelling voor dit soort zaken juist te verminderen, op hetzelfde moment dat Nederland de facto een immigratieland werd, een generatie geleden. Eerder vormden ze onderdeel van het curriculum dat op de scholen werd onderwezen maar dat ‘ouderwetse’ curriculum werd juist in die tijd afgeschaft.
De constitutie is in Nederland geen bindend element omdat niemand de burgers ooit gevraagd heeft wat zij vinden dat er in moet staan. Misschien is dat maar goed ook, want daar werden de overheid en de burgers het niet over eens. Als we het de burgers vragen zouden, was de overheid waarschijnlijk niet bereid om de wensen van de burgers te honoreren.
Toen in Amsterdam een referendum werd ingevoerd en de gemeente de burgers vroeg zich via dat instrument uit te spreken over de wenselijkheid van deelraden, toen antwoordde een grote meerderheid: deelraden, dat is een slecht idee.
De opkomst voor dat referendum was niet heel groot, maar toch groter dan voor de gemeenteraadsverkiezingen die eraan voorafgingen. De reactie van de raad – niet van de burgemeester, die was net zo tegen deelraden als de burgers – op de hem onwelgevallige uitslag was dat we de deelraden in gingen voeren, wat de mensen daar ook van zeiden. De politieke partijen hadden het nodig, vond de raad, voor de politieke scholing van hun leden en ook vanwege de betaalde banen die het opleverde. Later zijn die deelraden weer afgeschaft en wat er van overgebleven is zijn de wijkkantoren, waar mensen hun rijbewijs en paspoorten kunnen halen. Een zinnig einde aan een slecht begin.
Met de discussie over integratie is het op een soortgelijke manier gegaan. De politieke partijen vertegenwoordigen de bevolking niet. Als mensen stemmen doen ze dat tegenwoordig met een soort balorigheid. Ze stemmen massaal op een Tegenpartij als de PVV, die zich maar in weinig onderscheidt van de partij van Jacobse en Van Es, uit de tijd van Koot en Bie.
‘Ons College van B & W ziet het formuleren van algemene uitgangspunten voor de taak van de overheid en voor haar relatie tot de burgers, als een eerste stap in het creëren van samenhang tussen de diverse soorten inwoners van Amsterdam. Die algemene uitgangspunten zouden moeten gelden voor alle Amsterdammers en ze vormen het kader waarbinnen de discussie over integratie en het vormgeven van een integratiebeleid van de gemeente kan plaatsvinden. Vanuit die uitgangspunten is ons College van oordeel dat de volgende onderwerpen wezenlijk zijn voor de rol van de overheid en haar relatie tot de burgers[1].
Nederland is een democratische rechtsstaat. Dat betekent dat op democratische wijze tot stand gekomen wetten en regels het fundament van onze maatschappelijke ordening vormen. De wetten en regels gelden voor alle burgers in Nederland, zonder aanzien des persoon. Het optreden van de overheid is in een rechtstaat aan regels gebonden. En artikel 1 van de Grondwet[2] verbiedt de discriminatie van iedereen die zich in Nederland bevindt op basis van huidskleur, ras, geloof, levensovertuiging, seksuele voorkeur of op welke andere grond dan ook.
De beginselen van onze rechtsstaat zijn voor het College van B&W uitgangspunt en tegelijkertijd startpunt van integratie. Wie deze beginselen verwerpt zal niet of moeilijk in Nederland kunnen integreren[3].
Onze rechtsstaat steunt op de waarden vrijheid, gelijkheid en vertrouwen. Binnen de rechtsstaat neemt de Grondwet een belangrijke positie in. De Grondwet regelt een aantal fundamentele rechten waarop burgers in Nederland aanspraak mogen maken, met in achtneming van de grenzen die de wet daaraan stelt[4].
De klassieke grondrechten: vrijheid van godsdienst, van meningsuiting, van onderwijs, van vereniging en vergadering, gekoppeld aan het verbod op discriminatie van Artikel 1 van de Grondwet en gecombineerd met de sociale grondrechten als recht op zorg, op onderwijs en op wonen bieden samen de basis voor een maatschappij waarin individuen zich kunnen ontplooien en diverse groeperingen daadwerkelijk kunnen samenleven.’
Het bovenstaande is meer een mantra dan een beleidsprogramma. De grondrechten, sociale en andere, bieden niet de basis…. etc. Dat doen de mensen die bereid zijn met elkaar samen te werken en elkaar en de wet te respecteren.
‘De basiswaarden van onze rechtstaat stellen iedereen in staat in vrijheid zijn eigen identiteit te ontplooien, zijn religie of levensovertuiging te beleven en uit te oefenen en van zijn cultuur te genieten.
De waarden van de Grondwet zijn dwingend: zowel voor de burgers als voor de overheid. Dat is een kwestie van rechten en plichten; zowel voor de burgers als voor de overheid.
Burgers mogen aanspraak maken op de daarin verwoorde fundamentele rechten; maar zij moeten zich ook houden aan de grenzen die de wet stelt aan de uitoefening van die rechten. Voor de overheid geldt dat ze enerzijds de uitoefening van de fundamentele rechten van de burgers binnen de grenzen van de wet moet faciliteren, en anderzijds moet optreden tegen overtredingen van de grenzen die de wet stelt aan de uitoefening van fundamentele rechten.’
Ik vind hier dit van.
De waarden van de Grondwet en de uitoefening van de daarin verwoorde grondrechten, zijn in principe geschreven voor de verhouding tussen de burgers en de overheid, en niet voor de burgers onderling. De waarden van onze rechtsstaat, vrijheid, gelijkheid en vertrouwen, zoals B en W dat uitdrukken, veronderstellen in de verhouding tussen burgers een houding van wederzijds respect en tolerantie, ook als er sprake is van grote onderlinge verschillen. Men kan niet voor zichzelf een recht opeisen zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst en een ander binnen dezelfde samenleving en dezelfde rechtsorde dat grondrecht ontzeggen.
Wie zelf in het bezit is van de waarheid, zoals de imam Khomeini indertijd, die ontzegt een ander per definitie het recht op een andere waarheid. Een humanist zal een ander het recht ontzeggen om voor de doodstraf te pleiten en een moslim zal de uitspraak dat zijn Allah een verzinsel is met geweld beantwoorden. Geloof zoals wij dat kennen houdt de ontkenning in van andere geloven. Iemand kan dus in onze samenleving alleen op voet van gelijkheid met anderen omgaan als hij bereid is de relativiteit van de eigen geloofswaarheid te aanvaarden.
Het zijn niet alleen de moslims die daar moeite mee hebben, de humanisten hebben dat even goed. Maar er is nog een ander en wezenlijker punt. Het gaat niet om de rechten alleen die over en weer worden opgeëist, maar om wat men meent te mogen doen om de eigen rechten te handhaven.
Wat dat betreft heb ik liever onze voormalige burgemeester Cohen dan een imam. Wie meent voor zijn geloof geweld te mogen gebruiken en die daarom het geweldsmonopolie van de overheid niet aanvaardt, die plaatst zich buiten onze samenleving. Die hoort met het strafrecht in aanraking te komen. En ons bestaande strafrecht is daar een ongeschikt middel voor. Ons strafrecht geldt alleen voor individuen die de wet overtreden maar het zou ook moeten gelden voor de bestraffing van een leer die geweld tolereert en voor de leraren die tot geweld oproepen.
Met het benoemen van de grondbeginselen van de rechtstaat zijn we er niet: dan staat alleen het kader op papier dat in de dagelijkse werkelijkheid vorm moet krijgen.
‘Een goed functionerende rechtsstaat heeft onderhoud nodig en veronderstelt investeringen in mensen en instituties.
Het vergt investeringen in: kennis en overdracht van de normen en waarden die de rechtstaat schragen; het stimuleren van de democratische gezindte van burgers en overheid en maatschappelijke en overheidsinstituties die de principes van de rechtstaat overeind houden.
De rijksoverheid, maar ook de gemeentelijke overheid, hebben hierbij beiden een taak.’
Het gaat er niet om dat de neo-Nederlanders de normen en waarden niet zouden kennen ‘die de rechtsstaat schragen’. Het probleem is dat zij die niet aanvaarden, omdat dat zij democratie en rechtsstaat achter stellen bij de normen en waarden die zij in het Midden Oosten hebben opgedaan. Democratische gezindheid is hun vreemd en staat hun tegen. Dat hun eigen rechten achter zouden kunnen staan bij de rechten van anderen vinden zij onaanvaardbaar, daar zijn het immers rechten voor.
De maatschappelijke instituties van dit land zijn de hunne niet. Dat zij om die reden dan hier ook niet zouden moeten komen wonen is een consequentie die zij niet wensen te trekken. Begrijpelijk, want daar zijn grote materiële nadelen aan verbonden.
‘Regels kennen we in verschillende vormen en gedaanten. De democratisch, in het Parlement, de Gemeenteraad of Provinciale Staten tot stand gekomen wetten en regels zijn het fundament van onze maatschappelijke ordening. Dat regels democratisch tot stand zijn gekomen, wil nog niet zeggen dat iedereen het ermee eens is. Wat wenselijk is of niet wordt in een democratie niet door iedereen hetzelfde beoordeeld. Democratie is wel een goede methode gebleken om knopen door te hakken en tot resultaat te komen, maar daarnaast zijn er gemeenschappelijke spelregels nodig, die voor iedereen gelden en die ook worden gehandhaafd. Dat schept de zekerheid en het vertrouwen die in een rechtstaat onontbeerlijk zijn’.
Wat de schrijver hier wilde zeggen is dat in een democratie je het diepgaand met elkaar oneens kunt zijn, maar dat iedereen zich niettemin houdt aan de spelregels die met meerderheid van stemmen zijn afgesproken. Hij had er aan toe kunnen voegen dat het ook democratisch is als de meerderheid bij het maken van de regels rekening houdt met de rechtmatige belangen van minderheden. Ook de dictatuur van een meerderheid blijft een dictatuur. Er zijn voorbeelden uit onze parlementaire geschiedenis waar meerderheden gebogen hebben voor minderheden als die hun opvattingen met voldoende moreel gezag verdedigden.
Is er een regel die voor sommigen onaanvaardbaar is, dan zijn er dus democratische manieren om die regel gewijzigd te krijgen, maar daartoe hoort niet het gebruik van geweld.
Een andere soort regels zijn die, die door particuliere en maatschappelijke instellingen zoals ondernemingen, scholen, of zwembaden worden gemaakt om hun interne functioneren te waarborgen.
Het principe is dat particuliere en maatschappelijke instellingen gerechtigd zijn om binnen de grenzen van de wet naar eigen inzicht regels te stellen en die ook binnen hun domein te handhaven. Een school, zoals bijvoorbeeld het ROC, heeft dus het recht om regels uit te vaardigen voor het eigen goede functioneren en dus ook om regels te stellen over wat gepaste kleding is op school.
Een kenmerk van dit soort regels is dat ze alleen binnen het domein waarvoor ze zijn vastgesteld algemeen bindend zijn.
Het zou gemakkelijk zijn als het algemene principe zou worden aanvaard dat binnen een organisatie waar niemand verplicht is lid van te worden de regels zouden gelden die de organisatie stelt. Dat is niet zo in Nederland. Er zijn regels die beogen de orde te handhaven op voor het publiek toegankelijke plaatsen die als discriminatoir worden ervaren voor wie met de orde daar niets op heeft. De wet zegt over discriminatie het volgende:
Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt tenietgedaan of aangetast.
Wat dit betekent wordt in Nederland niet alleen door de strafrechter bepaald maar ook door het College voor de Rechten van de Mens[5]. De ervaring leert dat de meest verrassende uitspraken en handelingen discriminatoir kunnen zijn, mits neo-Nederlanders zich er het slachtoffer van voelen.
De uitspraak “Nederland is vol” was discriminatoir volgens rechters in Zwolle en Arnhem en dus een aantasting van fundamentele rechten. Het weigeren om te bezorgen of te repareren in woonbuurten waar de personen en eigendommen van de bezorgers en reparateurs niet veilig zijn, was discriminatoir naar het oordeel van hetzelfde college. De weigering van een busonderneming om te stoppen in een gevaarlijke wijk in Gouda zou om dezelfde reden discriminatoir worden verklaard wanneer de neo-Nederlandse bewoners van die wijk daarom vroegen.
De discriminatiebepalingen in de verdragen en de Nederlandse strafwet zijn een grote en onoverzichtelijke beperking op het beginsel dat regels bindend zijn voor het eigen domein waarbinnen ze zijn vastgesteld. De omstandigheid dat discriminatie uitsluitend plaats kan vinden jegens lieden die vanwege hun afkomst, ras, geboorteland, geloof, politieke of religieuze overtuigingen, sociale gewoonten, sekse, seksuele geaardheid, taal, handicap, of leeftijd[6] zich van de dominante groepering binnen de bevolking onderscheiden, brengt mee dat gemaltraiteerde buschauffeurs of ambulancepersoneel zich in het algemeen op deze rechtsbescherming niet kunnen beroepen. Toch is integriteit van de persoon zowel in fysieke als in morele een mensenrecht van iedereen, ook van buschauffeurs en ambulance personeel.
Dat de heersende interpretatie van de antidiscriminatie bepalingen in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel kan moeilijk worden ontkend. Dat ontkennen gebeurt door degenen die dit soort wetgeving en jurisprudentie verdedigen met het beginsel van de compensatoire neutraliteit. Van echte gelijkheid, zeggen deze mensen, is pas sprake nadat achterstanden zijn weggewerkt en voor die compensatie is de overheid verantwoordelijk. Zolang dat niet het geval is, zijn sommigen daarom meer gelijk dan anderen, zoals Orwell dat zo fraai formuleerde in zijn satirische meesterwerk Animal Farm.
‘In een samenleving als de Amsterdamse, waarin een aantal culturen en ruim 170 nationaliteiten samenleven, scheppen wetten en regels idealiter het kader en de ruimte waarbinnen burgers zichzelf in vrijheid kunnen ontplooien en de ander in vrijheid en vertrouwen tegemoet kunnen treden. Wetten en regels scheppen ook duidelijkheid over wat kan en wat niet kan, en zijn daarom heel belangrijk voor de inburgering van nieuwkomers. Het is daarom van belang dat wetten en regels door alle burgers worden gekend en nagekomen en door de overheid zonder onderscheid des persoon worden gehandhaafd.’
De regel dat eenieder geacht wordt de wet te kennen is in de tegenwoordige tijd een gotspe. Het aantal regels is daar voor te groot en hun onderlinge samenhang, voor zover aanwezig, is zo complex dat niemand het geheel meer overziet, laat staan tot in de details kan kennen. Het adagium heeft trouwens nooit iets anders betekent dan dat niemand zich in rechte met succes beroepen kan op zijn onwetendheid inzake bestaande wettelijke regels. Toch zou de wetgever zijn best moeten doen om de wetten zo te schrijven dat ze voor iedereen begrijpelijk zijn. En er zou systeem in horen te zitten, zodat iedereen in grote trekken weten kon wat geldend recht was.
Dat is niet zo. Wetten scheppen geen duidelijkheid en al helemaal niet als ze, zoals hier in Amsterdam, soms wel en soms niet worden gehandhaafd of tegen de een wel en tegen de ander niet.
Het nakomen en handhaven van wetten en regels is in de tegenwoordige samenleving een groot probleem. Niet alleen houden veel mensen zich niet aan de regels, er is ook sprake van een bestuurlijk en strafrechtelijk tekort aan handhaving. Dit ondermijnt het zelfvertrouwen van de overheid, het vertrouwen van burgers in de overheid en het vertrouwen van de burgers onderling. Dat is overal merkbaar, maar het is het meest zichtbaar in de publieke of semipublieke ruimte: bijvoorbeeld op straat, in het verkeer, in zwembaden, in de bioscoop. Het niet naleven en handhaven van wetten en regels belemmert de integratie van alle Amsterdammers. We moeten daarom proberen dat tij te keren.
Zolang de overheid impliciet het standpunt huldigt dat de handhaving van de wet een discriminatie betekent van etnische minderheden, wanneer die minderheden meer wetsovertredingen plegen dan het gemiddelde van de bevolking, zal er een gedoogbeleid blijven, dat is onvermijdelijk. In het kader van de integratie zou juist het omgekeerde horen te gebeuren. Wetten zouden tegen nieuwkomers strenger moeten worden gehandhaafd. Gedogen is een vorm van discriminatie en van rechtsweigering. Ook het niet criminele deel van de allochtonen heeft er recht op dat criminele allochtonen strenger worden aangepakt. Een overheid die dat weigert te doen en zich daarbij op compensatoire neutraliteit beroept of zich achter discriminatiebepalingen verschuilt, schiet in en van haar primaire verantwoordelijkheden te kort.
Het merendeel van de burgers houdt zich aan de regels zo lang anderen dat ook doen. Worden regels niet gehandhaafd of tegen de een wel en de ander niet, dan verliezen zij op den duur hun werkzaamheid en hun betekenis.
‘Het grondbeginsel voor een geslaagde integratie is de eigen verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid impliceert vrijheid om keuzes te maken en gebondenheid aan de gevolgen van gemaakte keuzes. Het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid richt zich tot de burger en de overheid beide. De domeinen van de eigen verantwoordelijkheid van de burger en van de overheid verschillen. Tot het domein van de eigen verantwoordelijkheid van de burger horen die zaken die te maken hebben met het uitoefenen van de grondrechten zoals die in de Grondwet zijn neergelegd. Deze grondrechten zijn, zoals bekend, door de wet begrensd. Het vormen en beleven van de eigen religieuze, levensbeschouwelijke, culturele of seksuele identiteit zijn zaken die tot het domein van de persoonlijke levenssfeer van de burger behoren. De overheid gaat daar inhoudelijk niet over, maar hoort de eigen identiteit van burgers te respecteren.’
Wat de schrijver van de notitie hier zei is dat de rechten van de burger beperkt worden door de rechten van anderen en de bepalingen van de wet. Wat iemand gelooft of hoe hij zich zelf wil presenteren moet hij zelf weten. De overheid en andere burgers horen hem daarin vrij te laten. Worden burgers in hun morele gevoelens geschokt door de vrijheid van anderen dan houdt de taak van de overheid in dat die burgers tegen elkaar worden beschermd.

[1] De gedachte dat het College de samenhang gaat creëren in Amsterdam is een uitvloeisel van de oude socialistische gedachte van een maakbare samenleving, die een vorm heeft die van bovenaf kan worden opgelegd.
[2] De grondwet bevat bepalingen die de organisatie van de overheid betreffen en daarnaast een opsomming van de mensenrechten, die de overheid tegenover de burgers in acht moet nemen en tenslotte bepalingen over haar eigen wijziging. De grondrechten gelden alleen maar in zoverre ze niet in strijd komen met de verdragen die er over het onderwerp mensenrechten bestaan. Haalt men de grondrechten uit de tekst dan maakt dat voor hun geldigheid geen verschil. In wezen zouden de organisatorische bepalingen net zo goed bij gewone wet kunnen worden geregeld en kan de hele grondwet worden afgeschaft. Dat zou anders zijn als de grondwet bij referendum zou zijn vastgesteld. Dan zou zij een vorm van legitimatie van het regime betekenen. De bestaande grondwet is te oud om haar nog als legitimatie te beschouwen. De instemming van het volk met de tekst van de grondwet is voor het laatst gevraagd bij de oprichting van het koninkrijk, twee honderd jaar geleden. Sindsdien is zij uitsluitend gewijzigd door de organen van het regime dat aan die wet zijn legitimiteit ontleent. Dat is een baron von Münchhausen act dus en geen legitimatie.
[3] Niet integreren misschien, maar wel wonen en leven en inkomen verwerven. Het niet integreren is sanctieloos en dat is iets anders dan de gemeente hier suggereert.
[4] Dat is dus niet waar. Die rechten worden niet ontleend aan de grondwet. Het zijn de verdragen die ze regelen en dat betekent dat de Nederlandse wetgever het niet zelf in de hand heeft. Van de grondwet kan de wetgever desgewenst bij gewone wet weer afwijken, maar van verdragen niet. Dat is overigens een ongewenste stand van zaken. De grondwet zou altijd horen te gelden en voorrang horen te krijgen op andere wetten, inclusief de wetten waarbij verdragen worden geratificeerd, maar dat is niet zo.
[5] Voorheen : Commissie Gelijke Behandeling of C.G.B.
[6] zie voor de betekenis van al deze termen Wikipedia.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Amsterdam, maatschappelijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s